Om zeven uur zitten we aan het ontbijt, ingepakt en wel. Chris komt met een keurige rekening op de proppen, compleet met aparte BTW-specificatie, van al onze overnachtingen, tours en maaltijden van de afgelopen dagen. In eerste instantie was het de bedoeling om de overnachtingen al vantevoren te betalen, maar blijkbaar zagen we er toch betrouwbaar genoeg uit. Dat is voor veel uitbaters wel een probleem, vertelde Chris een paar dagen geleden, mensen die vertrekken zonder de betalen. Vooral Engelsen.
Om kwart over zeven staat onze chauffeur al voor de deur. Een beetje aan de vroege kant. We zijn de eersten die hij op wilde pikken. Chris doet het verhaal en vraagt hem terug te komen als hij de andere passagiers al gehaald heeft. Dan kunnen wij rustig ons ontbijt afronden en de rekening betalen. Om kwart voor acht is de man weer terug. Het blijkt gewoon een ouderwetse minibus-taxi, maar dan wel eentje waarbij je gehaald en gebracht wordt, plus een apart aanhangwagentje waar de bagage in kan. De twee plaatsen naast de chauffeur zijn voor ons gereserveerd.
We rijden eerst naar het pompstation in de Kerkstraat. Daar moet het busje gecontroleerd worden. We krijgen het vriendelijke verzoek uit te stappen, want de motor zit onder de bijrijdersstoelen. Daarna rijden we het township in. Bij een van de huizen wordt een envelop afgehaald, die blijkbaar elders weer bezorgd gaat worden. Op een ander adres worden ook nog zaken gedaan. Misschien een achterstallige rekening die nog geïnd moet worden of iets dergelijks. Dat schijnt vaker te gebeuren. Het is al een uur of negen als we echt Graaff Reinet uitrijden. Op naar Port Elizabeth. Gisteravond heb ik al naar een verraste Katrin van P.E. Backpackers gebeld, om te vertellen dat we er weer aankomen. Chris kende Katrin ook al. Katrin blijkt met haar man Ian namelijk ook de backpackers in Nieu Bethesda uit te baten. Zij reist met enige regelmaat heen en weer tussen Port Elizabeth en Nieu Bethesda. Als wij aankomen in Port Elizabeth, dan zal zij met hetzelfde busje vertrekken naar Nieu Bethesda, weet Chris.
We rijden in hoog tempo
zuidwaarts. Af en toe maken we een korte stop bij een pompstation. Even
na 11
uur zien we Port Elizabeth al liggen. Nu moet iedereen weer worden
afgeleverd
op zijn of haar bestemming. We krijgen dan ook gratis een uitgebreide
township
tour van Port Elizabeth bij ons reisje meegeleverd. Ondertussen wordt
de
chauffeur bijna continu gebeld op zijn mobiele telefoon. Nieuwe klanten
waarschijnlijk. Met behulp van de passagiers wordt de weg gevonden naar
alle
adressen. Uiteraard komen we niet in de allerarmste gedeelten van de
townships.
Daar kunnen ze zo’n reisje niet eens betalen. Maar we zien
genoeg. De
kerkdiensten zijn net afgelopen, zo lijkt het, want overal zien we
zwarte
bewoners keurig in pak met stropdas rondlopen, met vrouwlief in fraaie
jurk aan
hun zijde. We rijden langs huizenblokken met fleurig gekleurde huizen.
Bij een
ander huis wordt de bewuste envelop afgegeven die we in een township in
Graaff
Reinet hadden opgepikt.
Langzamerhand raakt het busje leeg. We komen in de richting van het centrum. Er worden zelfs al weer nieuwe mensen opgepikt. Net om de hoek van P.E. Backpackers worden wij afgezet. Onze rugzakken liggen nog keurig in het aanhangwagentje. Het busje rijdt weer verder. Blijkbaar gaat Katrin toch niet mee. Ze is van gedachten veranderd, vertelt ze als we weer onze intrek hebben genomen. Het is nu een stuk drukker in P.E. Backpackers dan de vorige keer. We komen een Nederlander tegen die in zijn eentje op pad is. Een aantal logees is momenteel op bezoek in het Addo park. Ze zien aanzienlijk minder olifanten dan wij gezien hebben, horen wij later. Ook de sfeer in de groep was niet optimaal, zo krijgen wij de indruk. Steve, de gids, is verbaasd ons hier weer terug te zien. Zitten we hier nu nog steeds!? Eh nee, we zitten hier al weer.
We mogen dit keer een andere kamer, eentje met een
tweepersoonsbed. En een prachtig uitzicht op de vuurtoren. We hebben
nog de
hele middag, dus maken we een wandelingetje. Niet ver van de
backpackers is het
dorpsplein van Port Elizabeth, met een aantal fraaie en kleurige
gebouwen. Dan
lopen we een eind langs de snelweg, en over een begraafplaats die daar
pal aan
ligt. We lopen richting de zee, en willen eigenlijk een kijkje nemen
bij het
strand. We raken verzeild in een havengebied. Zo af en toe rijdt hier
een auto.
We lopen langs een weg en komen dan een wacht tegen. De man vertelt ons
dat we
op deze manier voorlopig nog niet aan het strand zijn en dat het hier
veel te
gevaarlijk voor ons is. De man staat er op dat we hier ter plekke een
taxi
nemen. Dat lijkt ons wat overdreven, maar aangezien er net een taxi aan
komt
rijden, hebben we weinig keus. De chauffeur is een vriendelijke,
uitgelaten
man. Er ligt hier momenteel een groot schip met veel personeel dat
enkele dagen
geleden is aangekomen, dus hij was hier heen gekomen in de verwachting
dat er
vast wel opvarenden waren die een taxi willen. Maar nu blijkt dat ze
het hele
schip aan het schilderen zijn. Volstrekt belachelijk. Dat verzin je
toch niet.
Het schip schilderen. Op zondag.
De man vertelt honderduit. Dat het dolfinarium zo leuk is, en dat we daar zeker heen moeten gaan. Of naar het casino. Weet je wat, hij zet ons gewoon af bij het casino, dan kunnen we vanaf daar verder zien. Hij geeft ons ook alvast zijn telefoonnummer, zodat we hem kunnen bellen als we weer terug willen.
We zijn beland bij de pier. Er staat een flinke wind. De zee is woest. Wij turen de horizon af, maar zien geen walvissen of dolfijnen. Je kunt niet alles hebben. We halen een glaasje guave-sap bij een van de restaurantjes langs het water, en lopen verder langs de boulevard. Even verderop is een markt met souvenirs en andere prullaria. Helaas is men net de koopwaar aan het opruimen. En staat de ondergaande zon pal in onze snufferd. Maar goed. Langs het water en de weg maken we een flinke wandeling weer terug naar P.E. Backpackers, waar we keurig voor zonsondergang weer aankomen. Daar hadden we al ons avondeten gereserveerd. De avond gebruiken wij om ons voor te bereiden op de dagen die komen gaan, wat te lezen, en onze weblog bij te werken.
We gaan vandaag weer vroeg van start. Even na negen uur vertrekt ons vliegtuig naar Kaapstad. Katrin bestelt een taxi voor ons. Ruimschoots op tijd komen we aan op de luchthaven. Dat is maar goed ook, want als we net uitgestapt zijn, bedenk ik mij dat ik mijn jas ben vergeten. De prijs van de taxirit viel mee, dus rijden we weer terug naar P.E. Backpackers. De chauffeur doet enthousiast zijn verhaal in zijn mobiele telefoon. “Ik maak geld in die ochtend!” roept hij een paar keer door het dolle heen. Ik moet hard lachen. Als we opnieuw naar de luchthaven rijden, constateert de man ietwat benepen dat wij Nederlander zijn en blijkbaar daarom Zuid-Afrikaans kunnen verstaan. Inderdaad.
We zijn nog steeds ruimschoots op tijd voor onze vlucht.
Dat betekent inchecken, naar het kantoor gestuurd worden omdat we eerst
onze
tickets moeten laten uitprinten, weer terug naar de incheckbalie, en
naar de
gate. Dit keer zit het vliegtuig behoorlijk vol.
Iets te laat komen we aan in Kaapstad. Katrin heeft voor ons al een reservering gemaakt bij Ashanti Backpackers. We bellen ze voor onze gratis airport pick-up. Dan hebben we eerst nog tijd om een flinke koffie te drinken bij een restaurant op de luchthaven. Bijna een uur later komt een busje van Ashanti voorrijden.
Als we naar binnen gaan krijgen we eerst de code van het cijferslot van het hek bij Ashanti. Bij de balie is het druk. We moeten een tijdje wachten. Er blijkt een probleempje te zijn met onze reservering. Omdat er ook al ene Mario een reservering had gemaakt, heeft iemand besloten dat de reservering van die Marco vast een dubbele boeking is. Uiteindelijk weet men toch nog een kamer voor ons te vinden. Op advies van Lonely Planet en Katrin zitten we niet in het wat drukke en lawaaiige Ashanti zelf, maar in een guesthouse een straat verderop, ook uitgebaat door Ashanti. Daar hebben we een tweepersoonskamer met eigen badkamer. Het ziet er allemaal buitengewoon fraai uit. En er is ook nog eens een brandschone keuken met koelkast. Het terrein is afgesloten met een grote poort, en voor het guesthouse hebben we ook nog eens sleutels nodig om door het hek en door de voordeur te komen.
Het is vandaag een prachtige en heldere dag. Dat gebeurt niet heel vaak in Kaapstad. Daar moeten we dus van profiteren door vanmiddag nog naar de Tafelberg te gaan. De Tafelberg is een flinke berg, van boven lang en vlak, die midden in Kaapstad staat. Per kabelbaan kun je naar boven. Als het tenminste niet waait en de top van de Tafelberg niet gehuld gaat in een flinke mist, lokaal ook wel bekend als het Tafelkleed. Vanmiddag is dat allemaal het geval. We kunnen best wel naar de voet van de berg lopen, heb ik enthousiast besloten, naar de plek waar de kabelbaan vertrekt. Dat blijkt niet zo’n heel goed idee. Het is namelijk nogal warm en het blijkt toch iets verder dan ik in eerste instantie had ingeschat. En, het ergste nog, de weg loopt toch vrij serieus omhoog. We lopen eerst een flink stuk door een woonwijk. Langzaam omhoog. Dan slaan we rechtsaf. Via een kleine doorgang komen we op de doorgaande weg uit die verder omhoog gaat. Inmiddels is het een uur later en hebben we het al helemaal gehad. Gelukkig doemt in de verte een minibusje op. Die gaat inderdaad naar de voet van de kabelbaan, zo laat de bijrijder weten. Dankbaar stappen we in. We puffen uit bij het terrasje, onder het genot van een aantal ter plekke aangeschafte consumpties.
Er gaan aardig wat mensen in het bakje
van de kabelbaan.
Dat bakje is afgesloten en helemaal rond. Tijdens de tocht naar boven
draait
ook het bakje langzaam in het rond zodat iedereen van het fraaie
uitzicht kan
genieten. Eenmaal boven aangekomen wordt ons een wandelroute langs de
mooiste
plekjes aangeboden. Eerst bekijken we de stad nog eens goed die nu aan
onze
voeten ligt. In de verte ligt Robbeneiland. Op de rotsen lopen een paar
beesten
rond die in het Afrikaans bekend staan als rock dassies, een soort uit
de
kluiten gewassen bergmarmot die naaste familie schijnt te zijn van de
olifant.
We lopen langs de korte route over de berg. We komen iemand tegen met
een grote
microfoon. Aanvankelijk is het pad uitstekend geplaveid, maar even
verderop
wordt het klauteren. We kunnen nog een enorm eind verder wandelen, zo
zien we
op een wegwijzer. Bovenop een hoge rots even verderop staan twee mensen
die nog
het meeste weg hebben van een bruidspaar. Dat vinden wij ietwat
merkwaardig.
We sjouwen wat af vanmiddag. Carina blijft achter terwijl ik verder afdaal in een kloof. Ook daar heb je een fraai uitzicht. In de verte komt er een helikopter aan. Hij vliegt pal over mij heen. Ik klauter weer naar boven. De helikopter cirkelt nog steeds rond. Als we verder lopen worden we vriendelijk doch dringend verzocht om dekking te zoeken. In de deuropening van de helikopter zit een cameraman die opnames maakt van het vermeende echtpaar terwijl de helikopter rondjes maakt om de rots. We blijken tussen de bosjes gedoken te zijn met een complete filmploeg plus nog een aantal andere nietsvermoedende toeristen. Het echtpaar op de rots maakt een dansje en staat te playbacken. De bruid blijkt een man. Als alles op de film staat worden wij hartelijk bedankt voor onze medewerking. De film heet Mama Jack, zo vertelt een lid van de filmploeg ons, en gaat over een bekende Zuid-Afrikaanse komiek. Binnenkort in de bioscoop.
We blijken ergens van het juiste pad te zijn afgeweken.
Als we terug lopen stuiten we weer op onze toeristische route. We
besluiten
toch maar om die nog af te maken. De route gaat over het vlakke
gedeelte van de
berg. Met opnieuw fraaie uitzichten. En een Indiase mevrouw niet ver
achter ons
die veel te veel lawaai maakt. Het begint inmiddels te schemeren. Om
zes uur
gaat de laatste kabelbaan naar beneden, dus we kunnen de zonsondergang
hierboven nog even afwachten.
Eenmaal beneden nemen we plaats in een minibus taxi die schijnt te gaan naar de plek waar wij zo ruwweg heen moeten. Voor vanavond hebben we een Thais restaurant uitgezocht niet ver van ons hotel. Als we daar na wat zoeken binnenkomen blijkt het restaurant nog niet open. Maar we kunnen wel alvast voor half zeven een reservering maken. Dan doen we dat maar. In de tussentijd gaan we op zoek naar een buurtwinkel. Dat lukt niet heel erg, dus lopen we een keer de brede weg op en neer. Uiteindelijk vinden we toch een plek om een ontbijtje voor morgen aan te schaffen. We moeten nog heel even wachten voordat we het restaurant in kunnen, dus brengen we onze spullen eerst naar het hotel. Het is inmiddels donker. Er is veel volk op straat, maar al die zwarte mannen in reflecterende hesjes die op elke straathoek staan, blijken van de beveilinging. Ze groeten ons allemaal vriendelijk.
Na nog maar weer eens een eind sjouwen zijn we terug in ons restaurant. Het is overheerlijk. Na ons avondeten hebben we een bezoek aan de bioscoop gepland, een eindje verderop, ook dichtbij het hotel, maar dan aan de andere kant. Het lokale filmhuis. De film waar we eigenlijk voor gekomen waren blijkt op dit moment niet te draaien omdat wij het programma van vorige week onder ogen hadden. Dan gaan we maar Hotel Rwanda, dat lijkt ons ook wel toepasselijk. De film begint om negen uur. Dat lukt maar net, want de film die daarvoor in dezelfde zaal draait is om pakweg vijf voor negen afgelopen. Men houdt er hier wel een strakke planning op na.
Nog diep onder de indruk lopen we om een uur of elf weer terug naar het hotel. Inmiddels is het al een stuk rustiger op straat, maar onze trouwe lijfwachten staan er nog steeds. Behalve dan in het straatje waar het guesthouse staat. We blijven daar midden op de weg lopen zodat we tenminste opvallen. Eigenlijk vindt het informatiemateriaal van Ashanti dat we in het donker niet over straat mogen, maar dat lijkt ons toch wat erg overdreven. We zullen voorzichtig zijn.
We gaan naar de haven. We stappen in een minibusje dat die kant op blijkt te gaan en zijn vrijwel de enige passagiers aan boord. De conducteur is enthousiast en praat honderduit, ons ondertussen ook nog eens wijzend op alle bezienswaardigheden die we onderweg zoal tegen komen. Zijn we al bij de Kaap geweest? Wat anders kunnen zij met alle plezier een excursie voor ons daarheen regelen. Veel goedkoper dan bij ons hotel. Het kost wat moeite om de man duidelijk te maken dat we tot onze niet geringe spijt vanochtend al zo’n excursie geboekt en betaald hebben. Misschien maar beter ook, denken wij er stiekem bij. Ach, dat is nu jammer, vindt ook de conducteur. Als wij vertellen dat we naar Robbeneiland willen, zet men ons netjes voor de deur af.
Toch is het nog even zoeken. We blijken door het luxeuze
winkelcentrum te moeten om aan de andere kant uit te komen bij de ook
al
hypermoderne terminal voor de boot naar Robbeneiland. In het
hoogseizoen
schijnt het hier knetterdruk te zijn en is het verstandig om je
kaartjes voor
de veerboot ruimschoots vantevoren te boeken. Vandaag blijkt de boot
van twaalf
uur wegens gebrek aan belangstelling uit de vaart te zijn genomen. Wij
kopen
ons kaartje voor de boot van 1 uur. Beneden is alvast een klein museum
waar we
een eerste indruk krijgen van wat ons allemaal aan de andere kant van
het water
te wachten staat. In een grote ladenkast zijn de persoonlijke
bezittingen
verzameld van verschillende gevangenen op Robbeneiland. En ook die van
de
muziekclub, de voetbalclub en de onderwijzers. De politieke gevangenen
hadden
zich namelijk tot doel gesteld om goed opgeleid weer naar buiten te
komen.
Sommigen volgden schriftelijke opleidingen aan universiteiten in
binnen- en
buitenland. Anderen werden opgeleid door hun medegevangenen. Dat ging
er
serieus aan toe. We zien complete tentamenroosters en cijferlijsten.
Voordat we boot op gaan hebben we nog even de tijd om op een terrasje de lunch te gebruiken. Het is hier aangenaam. Even verderop zit een straatmuzikant op zijn gitaar te spelen. Erg tekstvast is hij niet. Komisch is dat wel.
Het is één uur. We maken ons op voor onze boottocht. En we zijn lang niet de enigen. We hebben in Zuid-Afrika nog nooit zoveel toeristen bij elkaar gezien. Bij lange na niet zelfs. In de haven dobberen zeerobben rond, waar het eiland ook zijn naam aan te danken heeft. Robbeneiland heeft al een paar eeuwen dienst gedaan als gevangenis. En bij tijd en wijle ook als leprakolonie. Het eiland is nog een stuk groter dan we ons hadden voorgesteld, zo zullen we later merken. De gevangenis beslaat slechts een klein gedeelte.
Eenmaal op het eiland worden we
gedirigeerd naar een
handvol bussen. We genieten eerst een rondrit over het eiland, onder
leiding
van een man die buitengewoon pakkend over het een en ander weet te
vertellen.
Niet ver voorbij de haven staan de barakken waar de politiehonden
getraind
werden, niet ver van het huis waar Robert Sobukwe zijn huisarrest uit
zat. Wij
blijken twee van de weinigen in de bus te zijn die van de man gehoord
hebben.
En dat ook alleen maar omdat we in Graaff Reinet zijn geweest. Er
blijken veel
nationaliteiten in de bus te zitten. Veel nationaliteiten ook die we
tot nu toe
nog niet in Zuid-Afrika hebben gezien. Eigenlijk hadden we haast alleen
nog
maar Nederlanders gezien. En af en toe eens een Fransman of een
Engelsman.
We rijden langs de steengroeve waar de gevangenen aan het werk werden gezet. Of, liever gezegd, bezig werden gehouden. Het was namelijk overwegend een vrij nutteloze bezigheid, die vaak bestond uit niet veel meer dan het heen en weer sjouwen van stenen. Het witte steen glinstert fel in de zon. Veel gevangenen kregen in de loop der jaren dan ook problemen met hun ogen. Bij het begin van de steengroeve ligt een flinke stapel stenen die op het oog weinig te betekenen hebben. Maar die stenen zijn hier neergelegd door oud-gevangenen, tijdens hun eerste reünie, als symbool. Nelson Mandela legde de eerste steen. Daarna volgden de andere oud-gevangenen. Robbeneiland is geen plek die herinnerd moet worden vanwege alle misstanden die hier hebben plaatsgevonden, geeft de gids ons mee. Integendeel. Van het eiland is een museum gemaakt om ons te laten zien dat de de menselijke geest uiteindelijk toch alles kan overwinnen.
We rijden langs het dorp waar ooit de bewakers woonden.
Er staat zelfs een school. Langs de kust aan de andere kant van het
eiland
houden we een korte pauze. Dan rijden we naar de gevangenis. Daar
worden we
door onze busgids overgedaan aan onze gevangenisgids. Met een flinke
groep
mensen lopen we het gevangenisgebouw in. Onze nieuwe gids houdt eerst
een
aantal inleidende beschouwingen. Dan lopen we een lange kale gang
binnen met
kleine cellen. Het gaat eigenlijk vooral om die ene cel, cel nummer 5,
iets
voor het midden van de gang. Dat is de cel waar Nelson Mandela lange
tijd
gevangen zat. De meeste cellen zijn nu leeg. In een paar cellen staat
nog iets
van het oorspronkelijke interieur. Niet dat dat veel voorstelt. Een bed
was er
niet echt, alleen een dun matje. Veel plaats is er ook niet in een cel
van vijf
vierkante meter. Een paar cellen verderop is de cel van Walter Sisulu,
ook een
van de leiders van het ANC na de apartheid.
Elke gevangene had een emmer in zijn cel. Met die emmer moest alles gedaan worden. Letterlijk. ’s Ochtends moest de emmer eerst grondig schoongemaakt worden. Vervolgens wasten de gevangen zichzelf en hun kleding met behulp van de emmer. De rest van de dag fungeerde de emmer als toilet.
De blanke leiders kozen er destijds voor om alle
staatsgevaarlijke gevangenen hier in de maximum security gevangenis te
zetten.
Bij elkaar. Achteraf gezien was dat niet zo verstandig. Hier kwamen
alle
politieke gevangenen elkaar immers tegen en spraken ze uitgebreid over
politiek
en over hoe Zuid-Afrika er uit zou moeten zien na de apartheid. Het
politieke
onderwijs, zoals de gids dat noemt. Uiteraard ging dat buiten medeweten
van de
bewaking. Maar een van de gevangenen was handig met sloten en slaagde
er
uiteindelijk na lang klussen in om de sleutel van de celdeuren na te
maken.
Elke avond, als er geen bewakers meer aanwezig waren, kwamen de
gevangenen uit
hun cel en verzamelden ze zich in de cel van Mandela om over politiek
te
praten. Pas na bijna twee jaar kwam de bewaking daar achter. Al die
tijd hadden
de gevangenen ook gewoon de gevangenis kunnen verlaten, maar dat deed
men niet.
Omdat men politieke gevangene was, en dus onterecht vast zat, vond men
het
principieel onjuist om te ontsnappen.
Via de eetzaal lopen we verder. In een ander zaaltje kunnen we allemaal gaan zitten en doet onze gids zijn verhaal. Hij heeft hier zelf ook een aantal jaren gevangen gezeten. Als jongere kwam hij al in contact met het ANC. Uiteindelijk werd hij lid van de tak van het ANC die zich bezig hield met het uitvoeren van sabotage-acties. Dezelfde tak waar Nelson Mandela jaren eerder ook lid van was. Ze kwamen regelmatig in het buitenland, om daar opgeleid te worden. Zo zat onze gids een tijd in Angola. Vlak voor het uitvoeren van een sabotage-actie werden de leden van de groep opgepakt. Een van de leden van de groep bleek een verrader. Sinds een paar jaar is hij terug op het eiland, als gids. Iemand vraagt waarom hij besloten heeft om terug te keren. To tell the story, is zijn antwoord.
We lopen nog door een ander cellenblok, maar veel tijd is
er inmiddels niet meer. We zien grote foto’s van de reünies
die hier elke vijf
jaar plaatsvinden. Dan lopen we naar buiten. We hebben geen tijd meer
om de
penguinkolonie te bekijken die ook op het eiland huist. De boot ligt al
te
wachten.
We varen terug naar Kaapstad. De tafelberg is alweer in nevelen gehuld. We blijven rondhangen in het Victoria & Albert Waterfront, de gerenoveerde haven van Kaapstad waar nu vooral winkelcentra, terrasjes en luxe appartementen zijn. Heel aardig gedaan. We drinken een glaasje op het terras van een Duits restaurant. Dan willen we naar de Craft Market, maar die is aan de andere kant van het water, en de brug is momenteel buiten bedrijf. We moeten allemaal met een klein bootje naar de andere kant van het water worden gebracht. Daarvoor moeten we een flinke tijd in de rij staan. Maar ach, het heeft ook wel weer iets pittoresks. Als we eenmaal aan de overkant zijn en de Craft Market hebben gevonden, zijn we nog net op tijd om het ding te zien sluiten.
Gelukkig blijkt een ander winkelcentrum nog open. En daar hebben ze ook een winkel met kleinere winkeltjes waar ze verantwoord geproduceerde Zuid-Afrikaanse souvenirs verkopen. Vooral de winkel met handgeschilderde felgekleurde houten dingen geproduceerd in een naburig township vinden wij leuk. Ik koop er een schaakspel, Carina een paar onderzetters en een fruitschaal. In de kelder gebruiken wij ons avondeten bij een Aziatisch fast-food restaurant. Met een taxi rijden we weer terug naar ons guesthouse.
In de keuken gebruiken wij ons ontbijt. Er zijn nog wat rusks over. Keurig op tijd melden we ons bij de receptie in het hoofdgebouw. Er werd al naar ons gezocht. Het busje van onze toer voor vandaag staat om de hoek. Er gaat nog één andere gast van Ashanti mee, dus het wordt weer een rustige toer met weinig mensen. Denken we. Helaas blijkt dat we nog half Kaapstad door moeten crossen om her en der andere deelnemers op te pikken. Bij een van de hotel blijkt de geboekte gast niet eens op te komen dagen.
Een goed uur later zijn we dan toch op pad. Onze chauffeur en reisleidster voor vandaag is Andrea, een enthousiaste ietwat gezette jonge blanke Zuid-Afrikaanse. We rijden in een luxe bus. In de aanhanger staat een rij mountainbikes. Andrea heeft een koptelefoon met microfoon op haar hoofd waarmee ze ons via het omroepsysteem van het busje op de hoogte houdt van wat voor bezienswaardigheden we allemaal passeren. Het is hier duidelijk andere kost dan aan de Wild Coast. In deze omgeving zien we een en al luxe, fraaie villa’s met fraaie uitzichten over de oceaan. Het is prachtig weer. Het lijkt hier verdraaid veel op California. De huizen, de oceaan, de luxe, het klimaat. Ze hebben zelfs een wijnstreek. Op straathoeken en bij stoplichten hangen groepjes werkloze zwarte mannen rond. Dat zijn de gelegenheidswerkers, legt Andrea uit. Als je je huis wilt verbouwen of iets dergelijks, dan haal je er gewoon een paar op die je voor een paar euro per uur inhuurt.
Onze eerste stop is Hout Bay, een plaatsje aan de kust
even ten zuiden van Kaapstad. Het is hier wel heel erg toeristisch. Op
de
parkeerplaats waar ons busje parkeert, wemelt het van de
souvenirverkopers,
winkeltjes en cafeetjes. De belangrijkste attractie is echter de
handvol
rondvaartboten die ons vlakbij de zeerobben kunnen brengen. Wij mogen
een
kaartje voor de boot kopen, maar we mogen ook gewoon aan de kant
blijven.
Uiteraard kopen we een kaartje. Nadat we een stapeltje souvenirs hebben
gekocht, luidt een vrolijk groepje straatmuzikanten in vrolijke kledij
ons uit.
De boot zit vol toeristen. Het lijkt hier een compleet andere wereld
dan de
Drakensbergen, Lesotho, Zululand en de Wild Coast. Dat is het eigenlijk
ook.
Mooi is het hier wel. De boot vaart langs prachtige bergtoppen en dorpjes die tegen die bergen aangeplakt liggen. Dan bereiken we een aantal rotsen in het water die werkelijk vol liggen met zeehonden. Enthousiast maken wij foto’s. Dan varen we weer terug. De straatmuzikanten staan ons alweer op te wachten.
Terug in het busje. We gaan de bergen in en rijden over Chapman’s Peak, volgens Lonely Planet een van de mooiste wegen-langs-zee in de wereld. Het uitzicht is inderdaad spectaculair, vooral ook omdat de zon fel schijnt op de oceaan beneden ons. De weg is een tijdje afgesloten geweest, zo vernemen wij, omdat er stenen van de bergen op de weg gerold waren. Inmiddels is er een ingenieus stenenopvangsysteem aan de berg gemonteerd, dat moet voorkomen dat dergelijke calamiteiten zich nog eens gaan voordoen. Het schijnt een nogal duur grapje te zijn geweest, en niet iedereen is even gelukkig met het resultaat. Bovenop Chapman’s Peak houden we een korte stop om van het uitzicht te genieten. Twee Fransen in de groep gaan helemaal uit hun dak bij de rotswand waar het busje naast geparkeerd is. Ze blijken geologie te studeren.
De volgende stop is Boulders Beach. Bekend om zijn penguinkolonie. Het busje wordt weer aan de kant van de weg gezet, en het laatste stukje naar het strand mogen we lopen. Op Boulders Beach wemelt het van de penguins. De beesten schijnen er een bijzondere voorkeur voor te hebben om bij elkaar op de lip te zitten. Met honderden tegelijk. Overigens betreft het hier niet de keizerpenguin, die ook op de zuidpool rondzwerft, maar een iets kleiner type. Nadat we het park binnenlopen slaan we rechtsaf. We lopen dan over een aantal plankieren naar het strand. Rond, op en onder die plankieren wemelt het ook al van de penguins. Een flink aantal blijkt hier een nestje te hebben gebouwd waar je bijna met je neus bovenop kunt gaan liggen. De pasgeboren penguins zijn beduidend wolliger dan hun volwassen soortgenoten.
Op het strand is het een drukte van
jewelste. Penguins
lopen af en aan. Koddige beestjes. Veel hebben een nest in het zand
gegraven.
Anderen lopen vooral driftig heen en weer, of zijn wat aan het buurten
bij de
buren. Achter de penguins zitten nog veel meer penguins. De beesten
schijnen
elkaars nabijheid wel op prijs te stellen.
Op de weg terug naar de ingang van het park kunnen we het niet laten om eindeloos veel foto’s van penguins te maken. De een loopt nog koddiger en fotogenieker rond dan de ander. Of heeft een nog knusser nestje gebouwd met nog schattiger kleintjes. Ook moeten we bij het winkeltje bij de ingang nog een penguinmok kopen, die rustig en geduldig voor ons wordt ingepakt. Ondertussen zijn we eigenlijk dus wel te laat, zeker omdat we ook nog een flink stuk terug moeten lopen naar het busje, waarvan Carina gelukkig nog weet waar ie staat. Wij verontschuldigen ons met de mededeling dat we alle penguins op de foto moesten zetten.
We rijden door naar het Nationale Park. Onderweg komen we nog een troep bavianen tegen die langs de kant van de weg bivakkeert. Een van de apen heeft een kleintje aan haar brede borst hangen. Het Nationale Park is een stuk minder spectaculair dan de andere Nationale Parken die we de afgelopen weken gezien hebben. Zo lopen er nauwelijks wilde dieren van enige betekenis rond. Maar er is hier wel een zeer bijzondere flora, zo lezen wij. Een van de geloof ik vijf in de wereld onderscheiden plantenrijken is vrijwel exclusief in dit smalle strookje schiereiland gehuisvest, zo schijnt het. Wij gebruiken de lunch in het park, bij de picknicktafels bij het bezoekerscentrum bij de ingang. Terwijl wij de penguins bewonderden, heeft Andrea bij de lokale supermarkt onze lunch bij elkaar gezocht.
We rijden verder tot we de kust bereiken. Daar ligt
hij.
Niet ver meer bij ons vandaan. Kaap de Goede Hoop. Het legendarische
meest
zuid-westelijke puntje van Afrika. En vooral, de plek waar twee oceanen
elkaar
tegenkomen: de Atlantische oceaan aan onze linker-, en de Indische
Oceaan aan
onze rechterzijde. Langs een voetpad wandelen we omhoog. Hier en daar
zijn
uitzichtspunten waar we uitbundiger van het uitzicht kunnen genieten.
Om het
hoekje staat de vuurtoren.
Terug op de parkeerplaats maken we ons op voor onze fietstocht. De mountainbikes zijn inmiddels van de aanhangwagen gehaald. We hoeven maar een klein eindje te fietsen, waarvan het grootste gedeelte bergafwaarts is, zo wordt ons beloofd. Snel gooien we de deur van het busje dicht als er even verderop op de parkeerplaats een flinke baviaan wordt gesignaleerd. Er blijkt geen helm te zijn die op mijn hoofd past. Dan maar zonder. Dat doe ik thuis immers ook altijd.
Op de fiets. Het is inderdaad aangenaam fietsen hier. Je hoeft niet echt heel veel moeite te doen om beneden te komen. We rijden naar de voet van Kaap de Goede Hoop, vlak aan het water. Onderweg komen we weer een troep bavianen tegen, die we uitgebreid op de foto zetten. De beesten komen steeds dichterbij. Eentje zit bovenop een rots. Verderop lopen een paar struisvogels rond. Onderweg rijdt Andrea ons voorbij in het busje.
Beneden aangekomen kunnen we nog een rots beklimmen die
deel uitmaakt van de eigenlijke Kaap. Het wemelt hier van de rock
dassies. De
beestjes zijn inmiddels zo tam dat je moet oppassen dat je er niet
bovenop gaat
staan. Ook deze beestjes worden uitgebreid gefotografeerd.
We lopen terug en wandelen een eindje richting zee. De zee is hier wild en onstuimig. En dat terwijl het vandaag toch een vrij rustige dag is. Dan wandelen we terug naar het busje, om terug te rijden naar Kaapstad. Daar worden eerst een flink aantal mensen weer in hun respectievelijke hotels afgezet voordat wij naar buiten mogen.
Terug in het guesthouse hangt er een briefje aan de deur met het verzoek of we zo snel mogelijk contact op willen nemen met de receptie. Dat heeft waarschijnlijk alleen maar te maken met het feit dat we morgen gaan vertrekken, zo blijkt, en dat we nog niet betaald hebben. Persoonlijk vind ik dat lichtelijk irritant. Maar goed. Het is onze laatste avond. Tijd dus voor ons laatste avondmaal. Voor die gelegenheid kiezen wij een Vietnamees restaurant dat bij binnenkomst een stuk sjieker en hipper blijkt dan de buitenkant deed vermoeden. Erg lekker is het ook. En druk.
Vandaag vertrekken we uit Zuid-Afrika. We hoeven pas ergens in de middag te vertrekken, de ochtend kunnen we dus besteden aan het bezichtigen van de laatste bezienswaardigheden van Kaapstad. We lopen door de Company’s Gardens niet ver van ons hotel, wat wel aardig schijnt te zijn. Het is inderdaad een aardig park. Ook in dit park schijnt het niet altijd veilig te zijn, waarschuwt het boekje, maar ook hier is de beveiliging inmiddels opgevoerd. En we zullen voorzichtig zijn. In het park voegen we de eekhoorn toe aan onze collectie foto’s van wilde dieren.
Ergens aan de rand van het park staat de presidentiële ambtswoning. Ook leuk. Vanaf daar lopen we het zakelijke en politieke hart van de stad binnen. Op een terrasje in een drukke winkelstraat gebruiken we een consumptie. Even verderop blijkt een toeristische markt waar we een paar rondjes maken. Maar er is toch geen schaakbord zo mooi als dat van mij.
We lopen terug naar ons hotel, door een fraaie en door
het boekje geadviseerde straat, Long Street. Er staan hier aardig wat
huizen en
gebouwen met fraai gevormde hekken en dat soort dingen, waardoor je
haast het
gevoel krijgt dat je in New Orleans zitten. We zijn ruimschoots op tijd
terug
bij onze backpackers. Nog net op tijd om mee te maken hoe de hele
schoonmaakploeg ernstig wordt uitgekafferd door de opzichtster die
vandaag een
bezoekje brengt.
Het café is gevestigd op de bovenste etage. We gebruiken onze lunch aldaar, op het terras. Van de televisie, die door een ietwat opgewonden iemand wordt aangezet, krijgen we de indruk dat er in Londen iets ernstigs is gebeurd. We kijken nog eens op het internet beneden, en dat blijkt inderdaad het geval te zijn, al zijn er nog maar weinig details bekend.
We hebben nog een redelijke stapel Zuid-Afrikaanse rand over. We denken dat we die ook beneden kunnen wisselen, maar dat blijkt niet het geval. Er is wel een bank in de buurt waar dat wel kan, laat het meisje achter de balie weten. In een winkelcentrum, even verderop. We lopen er heen. Hoogstwaarschijnlijk kan dat op de luchthaven ook wel, maar we hebben toch tijd over, en dan hebben we dat maar alvast gehad. De bank blijkt iets verder dan ons was beloofd. Als we eenmaal binnen zijn en er nog een redelijke rij voor ons staat, besluiten we dat het toch maar verstandiger is om weer om te keren.
Samen met nog twee toeristen worden we naar de luchthaven gebracht. Dit keer tegen betaling. Op de luchthaven kunnen we inderdaad onze overtollige rand nog omzetten in harde euro’s. De terugvlucht verloopt zonder noemenswaardige incidenten.

