Zondag 26 juni 2005


Vandaag ben ik jarig. Dat wordt des ochtends gevierd met de komst van drie ballonnen en een verjaardagskaartje. We gaan naar beneden om aan de grote eettafel in de woonkamer te ontbijten. Katrin maakt koffie. Het blijkt dat er vannacht hier nog meer mensen gelogeerd hebben. Sommigen zijn zelfs al weer weg, gisteravond laat gekomen met de baz bus, en vanochtend vroeg weer vertrokken, met diezelfde baz bus. Uit de kamer naast de ontbijttafel komen in de loop van de ochtend ook een aantal slaperige Zuid-Afrikanen naar buiten, die gistermiddag bij de rugbywedstrijd zijn geweest en gisteravond bij de festiviteiten naar aanleiding daarvan. Zuid-Afrika heeft gewonnen. Er lijkt geen eind te komen aan het aantal heren dat uit de kamer naar buiten komt. Er blijken er zeven te zitten.

Om half tien meldt Mark zich, onze gids voor vandaag. Type marinier, begin dertig, gemillimeterd hoofd. We stappen in zijn busje, waarin we de enige gasten zijn voor vandaag. De rit gaat via een pinautomaat eerst naar Addo, en dan nog iets verder door naar het olifantenpark. Onderweg vertelt Mark iets over wat we allemaal zien. Port Elizabeth is vooral een industrie- en havenstad. Het is ook wel bekend als het Detroit van Afrika, omdat hier overal autofabrieken zitten. Die penetrante zwavellucht die wij onderweg ruiken is afkomstig van een fabriek die grondstoffen maakt voor een bandenfabriek.

We rijden door de townships van P.E. Daar staan een ontzaglijke hoeveelheid identieke vrijstaande huizen. Afkomstig van een plan van Nelson Mandela. Iedereen die arm is en werkloos, heeft recht op een gratis huis van de overheid. Dit zijn die huizen. Maar helaas is ook hier veel corruptie. Zo zijn er huizen uitgedeeld aan mensen die al overleden zijn.

Even buiten de stad wordt de weg een stuk slechter. Dit gedeelte is aanzienlijk slechter onderhouden, legt Mark uit. We rijden langs grote sinaasappelplantages. Bij het Addo park maken we voor de ingang een korte stop zodat we even in de winkel kunnen kijken. Veel te dure dingen. Alleen die olifantenmok is wel leuk. We gaan het park binnen. Het is verboden om citrusvruchten mee het park in te nemen. Vroeger werden de olifanten namelijk gevoederd met sinaasappels en dat soort dingen, met als gevolg dat auto’s met sinaasappels aan boord werden bestormd door hordes hongerige olifanten.

We krijgen een kopietje met een overzicht van welke dieren er allemaal in het park te zien zijn, en hoeveel exemplaren er van elk beest aanwezig zijn. Men is hier ooit begonnen met elf olifanten, vertelt Mark, in de tijd dat de beesten met uitserven werden bedreigd. Inmiddels zijn dat er al een dikke 400, ook wel zo’n beetje het maximum dat het park aan kan op dit oppervlakte. De meeste olifanten zijn afkomstig van die 11 oorspronkelijke exemplaren, met als gevolg dat men hier wel een genetisch probleempje heeft. Normaal gesproken hebben alle olifanten slagtanden. Hier hebben veel vrouwtjes die niet. Een erfelijke afwijking, die men probeert op te lossen door nu ook olifanten van buiten dit park in te brengen.

Het is vandaag druk in het park. Dat heeft waarschijnlijk ook weer te maken met die rugbywedstrijd van gisteren, waardoor er dit weekend veel toeristen zijn. Het eerste beest dat we tegen komen is het wrattenzwijn. Er staat een auto bij met mensen die het beest enthousiast zitten te observeren. Niet echt nodig, vindt Mark, wat in dit park sterft het werkelijk van die beesten. Volgens onse parkinformatie zijn het er 400, maar volgens Mark zijn ze daarbij waarschijnlijk een nulletje vergeten. We eten een stukje van mijn verjaardagstaart. Nou ja, het is meer een soort van cake. Het was het enige dat we gisteren in de winkel konden vinden.

In de verte zien we onze eerste olifanten van de dag. Nog niet heel dichtbij, maar er zullen er vandaag nog heel veel volgen. Even verderop zijn ze al een stuk beter te zien. Er staan er een paar bij een waterplek te drinken. Daarom is de winter ook zo’n goede plek om hier op safari te gaan: het is dan een droge periode, zodat die beesten op zoek moeten naar water. Er is bij deze waterplek ook een uitkijkpost. Door anderen worden we gemaand om daar heen te komen want waar we nu zijn mogen we helemaal niet komen. We rijden een stukje rond, naar de parkeerplaats en stappen uit. Over een houten trap die over een afscherming heen gaat, over een bospaadje, komen we bij een grote houten schutting waar op gezette plekken kijkgaten gezaagd zijn. Er heeft zich hier een groepje mensen verzameld.

We kijken ademloos toe naar het tafereeltje niet eens heel ver voor ons. Er staan twee plassen water. Bij allebei staat een groepje olifanten te drinken. Er zijn ook een paar hele kleintjes bij, zes tot acht weken oud, schat Mark. Een paar olifanten krioelen in de modder. Dat doen ze om insecten kwijt te raken. Later spoelen ze de gedroogde modder weer van hun lichaam, en daarmee ook de insekten. Achter in de bosjes duikt plotseling een hyena op, horen we later van Mark. Zelf zien we het beest helaas niet. Onrust onder de olifanten. Er klinkt luid getetter om het beest weg te jagen. Een aantal olifanten gaat er van tussen.

Wij gaan ook weer verder. Het Addo-park is wat heuvelachtig en dicht bebost. Dat vinden olifanten lekker. Na een tijdje rondrijden en de nodige wrattenzwijnen en ander klein wild komen we bij een andere waterplaats. Ook hier staan al veel olifanten. We zetten de auto aan de kant, naast een flink stel auto’s dat er al staat. Mark zegt dat ik de schuifdeur wel mag openen. Langs een aantal plassen staan verschillende olifanten te drinken. Hoe langer we hier blijven staan, des te meer olifanten zien we vanuit de heuvels deze kant op komen. Zo af en toe komt er ook een alleenstaande man naar beneden. Enorme beesten. Een olifant kan in zijn slurf zeven liter water houden, weet Mark. De beesten drinken zo’n 300 liter water per dag. Door met hun oren te wapperen blijven ze koel. In die oren lopen enorme aderen. Totaal kunnen die 15 liter bloed bevatten.

Steeds meer olifanten komen deze kant op. Op een gegeven moment zien we een slordige zestig stuks. Plus nog enkele tientallen wrattenzwijnen. Vanuit de verte komt er zowaar een buffel deze kant op. Moedig exemplaar. Normaal gesproken houden die zich verre van olifanten. Maar deze wandelt vrolijk ons tafereeltje binnen en gaat staan drinken uit dezelfde vijver waaruit ook een olifant staat te drinken. In de verte zien we met onze verrekijker nog een jakhals, die staat te kijken of hier iets te halen valt. Mark vraagt of we hier langer willen blijven kijken. Voor de rest van het park is dan minder tijd. Wij vinden het prima. Wij vinden het hier veel leuker.

Uiteindelijk, als de eerste olifanten weer vertrekken, gaan wij ook maar weer. We zien verder nauwelijks nog olifanten, maar wij hebben onze portie dan ook wel gehad. We zien verder nog struisvogels, waarvan er ook aardig wat in het park rondstruinen. We nemen een kijkje bij een uitzichtpunt waar we van het park uit de auto mogen. Toch maar voorzichtig, want er lopen hier tegenwoordig ook een paar leeuwen rond. Beneden ons zien we een behoorlijk meer met een aantal vogels. Met onze verrekijker weten we langs de rand ook een aantal schildpadden te ontwaren. Hoewel, dit zijn geen schildpadden, laat Mark weten, want die zitten alleen in zout water, terwijl deze beestjes in zoet water zitten.

We gaan het park weer verlaten. Nog even de souvenirwinkel in. Daar zijn ook trotse mokken te koop met de mestkever. Addo heeft namelijk een populatie mestkevers die niet kunnen vliegen, en die uniek zijn op de wereld. Ze zijn er ook heel zuinig op. Zo stond er bij het uitzichtpunt een bordje dat mestkevers voorrang hebben. Zelf vonden wij de olifanten toch leuker.

Onze volgende bestemming is het Schotia park. Schotia is een privaat park dat deels grenst aan Addo, al is het van de ingang van Addo nog een flink stuk rijden naar de ingang van Schotia. We worden er om drie uur verwacht. Na binnenkomst krijgen we eerst een uitgebreid formulier onder onze neus met het verzoek dat te ondertekenen. Wij hoeven ons geen zorgen te maken, zo wordt gemeld, er staat eigenlijk alleen maar in dat wij het niet erg vinden als wij door de leeuwen worden opgegeten. We krijgen nog een kopje koffie en mogen dan het park in. Dat gaat in een open Landrover van het park zelf, met ook een ranger van het park zelf. Mark gaat ook mee. Verder zitten er op de toer nog twee Ieren, twee Nederlanders en een zwijgzame Duitser, plus nog de gids van een paar van de anderen. Precies een auto vol.

Onze gids is Peter. Ietwat gezette Zuid-Afrikaan van middelbare leeftijd, die ons zo af en toe streng en dan weer droogkomisch toespreekt. Het park is al zes generaties in handen van de familie Bean. Oorspronkelijk was het een boerderij, maar 22 jaar geleden zette de toenmalige Boer Bean er een hek omheen en liet hij er wat antilopes op los, tot grote verbazing van de omwonenden. Nu doet iedereen het. Inmiddels is de populatie hier uitgegroeid tot 2000 dieren van ruim veertig soorten, en lang niet meer alleen maar antilopes. Meteen na de ingang al zien we een aantal Vietnamese beestjes die hier ingevoerd zijn. Even verderop staan wat zebra’s. Beesten die we nog niet eerder gezien hebben zijn onder meer de springbok, de blesbok en de gemsbok. Impala’s zitten hier natuurlijk ook. En wrattenzwijnen.

Peter mag overal door het park heen crossen en daardoor kan je sommige beesten een stuk beter zien. Daar staat tegenover dat het allemaal op een of andere manier toch net iets minder aanvoelt dan in een echt nationaal park. Hoewel deze beesten ook gewoon op hun eigen eten moeten jagen. Peter gaat op zoek naar de neushoorn van het park. Ergens midden op het terrein staat een huis met een flink hek er om heen. Dat hek was eigenlijk bedoeld om de dieren buiten te houden. Maar de neushoorn dacht daar duidelijk anders over en is er gewoon doorheen gebanjerd. Met wat geweld. Aan de andere kant van het hek stond immers ook gras.

Wij treffen de neushoorn nu ook vlak bij het huis aan, waar hij rustig staat te grazen. We kunnen hem van dichtbij observeren en zien nu ook waarom zo’n brede bek zo handig is. Het park heeft slechts één neushoorn omdat die beesten 300.000 rand per stuk kosten, zo laat Peter worden. Verderop bewonderen we de collectie giraffes. Wij leren hoe je het mannetje en het vrouwtje kunt onderscheiden; de met vel omklede hoorntjes steken bij de een recht omhoog en zijn bij de ander gedraaid, al is mij even ontschoten welke nu welke was.

We gaan naar de eetkamer van het park. Er is een bar in de open lucht en met dit weer is er een vuurtje waar we met z’n allen omheen kunnen zitten. Er zijn ook toiletten. Als je daar zijn naam noemt, dan krijg je een goed plaatsje, belooft Peter. Voor dit horeca-complex is een vijver waar ook de krokodil van het park huist. We krijgen allemaal een kopje thee en een traditioneel gebakken klein broodje. Jummie. Wij lusten er vast nog wel eentje, had Peter al aangekondigd.

De avond begint te vallen. We gaan dan toch op zoek naar de leeuwen. Want daar waren we eigenlijk voor gekomen. Peter rijdt ons naar een apart gedeelte van het park, hermetisch afgesloten van de rest met een dubbele poort. We komen nu in een gedeelte van 600 hectare waar vijf leeuwen huizen. Twee oude en drie wat jongere. Daarnaast lopen hier ook de nodige antilopes, zebras en dat soort spul rond. Die leeuwen moeten tenslotte ook iets te eten hebben en daar moeten ze zelf voor zorgen. In die zin zijn ze dus wild. Behalve dan dat ze elke avond door een horde toeristen in een auto achtervolgd worden.

Peter spreekt ons nog eens ernstig toe voor we de tweede poort binnen rijden. We gaan nu de leeuwen zien. Laat niets buiten de auto hangen en zeker geen lichaamsdelen. Eenieder die bij nader inzien toch liever ergens anders wil zitten kan nu nog van plaats wisselen. Probeer vooral niet de aandacht van de beesten te krijgen door poes poes of iets dergelijks te roepen. Op het moment dat dat gebeurt is Peter door het management genoodzaakt om onmiddellijk het park te verlaten, om onze maar ook zijn eigen veiligheid. Duidelijk? Duidelijk.

Peter gaat op jacht. We rijden een paar keer kris-kras door het park, ogenschijnlijk zonder enig plan. Maar dan laat Peter weten dat hij de leeuwen heeft gelokaliseerd. We zien ze nu ook. Vier exemplaren lopen langs de omheining. Peter geeft gas om ze voor te zijn zodat we ze nog beter kunnen zien. Een stuk verder zet hij de auto met de voorkant tegen de omheining. Daar komen de leeuwen aan. Eerst blijven ze nog even naar ons staan kijken, in Peter’s zoeklicht. Wij kijken ademloos toe vanuit onze open Landrover. Wij zitten op de achterste bank, ik links, Carina rechts. De leeuwen komen van rechts. Plotseling zet de voorste het op een holletje, recht op de auto af. Schrik. Pakweg twee meter van ons af maakt hij plotseling een scherpe bocht naar links, om vervolgens achter de auto te verdwijnen. De tweede leeuw doet hetzelfde. We schrikken al iets minder.

Twee van de leeuwen die we zien zijn in vol ornaat, met fraaie manen. De twee jongere hebben die niet. Leeuw nummer vijf houdt zich blijkbaar elders op. Ooit was er een leeuw nummer zes, maar daar bleek het park net iets te klein voor, dus die is verkocht aan een ander park. Later horen we Mark beweren dat die zesde leeuw regelmatig vocht met een van de anderen. Daardoor kregen ze littekens op hun kop en de parkleiding vond dat hun leeuwen er zo mooi mogelijk uit moeten zien, dus zonder littekens. Mark vindt dat wat vreemd.

We blijven het groepje van vier nog een tijdje achtervolgen. Soms is het even zoeken, maar al snel hebben we ze weer vol in de schijnwerper. Spectaculair is het wel. Een schijnaanval doen ze niet meer. Peter besluit om ook nog de vijfde leeuw op te zoeken. Dat wordt een flinke klopjacht. We rijden langs een dubbele afrastering. De een is van Schotia, de ander van Addo. De leeuwen zitten hier vaak, weet Peter, in een poging om te communiceren met de leeuwen van Addo. Uiteindelijk leidt de klopjacht tot niets. Dan laten we het maar bij onze vier leeuwen.

We gaan terug naar de bar. Daar mogen we nog een drankje nuttigen rond het vuur. Daarna kunnen we aanschuiven bij het diner. Er is een buffet. Bijzonder smakelijk, had Mark ons al beloofd, maar ook elke keer precies hetzelfde. De rangers zijn er al helemaal zat van. We zitten met z’n allen aan een tafel, waar aan de korte kant die tegen de muur staat de naam van Peter prijkt. Er zijn hier nog veel meer tafels. In de zomer is het namelijk veel drukker. Dan gebeurt het wel eens dat hier tien Landrovers rond rijden. We zijn blij dat we hier in de winter zijn. Met tien auto’s achter vijf leeuwen aanjagen, dat lijkt ons toch een stuk minder.

We krijgen nog een overheerlijk dessert en een kopje koffie, en gaan nog even om het vuur zitten. Mark en de andere gids nemen de laatste roddels door over de olifanten van Addo. Alle grote mannetjes blijken een naam te hebben, en er wordt druk gesproken over wie er ruzie met wie heeft, wie wie heeft aangevallen en meer van dat soort dingen. Als we terug lopen langs de auto is de lucht bezaaid met sterren. We zijn dan ook een behoorlijk eind van de dichtstbijzijnde stad. Met zijn schijnwerper wijst Peter een paar sterrenbeelden aan.

Met de Landrover worden we weer terug gebracht naar de ingang. Onderweg zien we nog wat dieren. Terug bij de ingang nemen we afscheid. Ik vertel Peter dat ik het een zeer geslaagde verjaardag vond. Hij feliciteert mij. We stappen weer bij Mark in de auto.

Onderweg vraagt Mark mij wat we nu echt van Schotia vonden. Ik antwoord dat het een beetje voelt als de zaak bedotten maar dat we toch blij zijn dat we de leeuwen gezien hebben. En dat dit toch de op een na beste manier is om ze te zien te krijgen. Gewoon in een nationaal park is natuurlijk nog spectaculairder, maar die kans is maar klein. Ik krijg de indruk dat hij het daar wel mee eens is. Dit is toch anders dan een nationaal park, vindt hij zelf. De beesten zijn toch net niet helemaal in hun natuurlijke omgeving. Zo kan je nog steeds zien dat dit een boerderij is geweest.

Om tien uur zijn we weer terug bij Katrin. We rekenen af met Mark en praten nog wat na. Onze taak hier is nu eigenlijk volbracht. We hebben de Big Five gezien. De Big Five, dat is een begrip voor iedereen die op safari gaat. Het zijn de vijf grootste dan wel belangrijkste beesten die je tegen kunt komen: olifant, neushoorn, leeuw, luipaard en buffel. Wie dat lijstje ooit verzonnen heeft en waarom nu net deze vijf dieren er op staan is ons volstrekt onduidelijk. Het nijlpaard zou er bijvoorbeeld ook niet op misstaan hebben. Of de cheetah, die tenslotte groter is dan het luipaard. Maar nu malen we daar natuurlijk niet meer om. Wij hebben ze alle vijf gezien. We kunnen met een gerust hart naar huis.


Maandag 27 juni 2005


We moeten vanochtend om 5 uur op. Katrin is ook al weer paraat, om ons ontbijt te verzorgen. Om half zeven vertrekt onze bus namelijk, ook door Katrin geregeld, naar East London. Wij dienen ons om zes uur te melden bij het busstation, twee minuten verderop, maar Katrin vindt dat we vroeg genoeg zijn als we om tien over zes daar zijn. We reizen weer met Intercape.

We weten het busstation probleemloos te vinden en de bus staat al klaar. Denken we. Compleet met apart karretje voor alle bagage. Helaas. Deze bus gaat de andere kant op. De bus naar East London, dat duurt nog even. Als de bus vertrekt, staat er verder alleen nog een oudere blanke man te wachten. Hij is op weg naar Mozambique, vertelt hij. Zijn zoon doet daar missionariswerk, al zo’n 12 jaar. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen. De man gaat nu naar East London en rijdt dan met een paar anderen per auto naar zijn zoon, ergens in het noorden van Mozambique. Die reis kan wel een dag of vier, vijf duren, want lang niet overal is benzine voorradig. Als ze in een dorpje stranden waar geen benzine is, dan kan het wel een dag duren voordat er weer een tankwagen komt. Of langer. Men spreekt daar Portugees en een lokale taal. Zijn zoon sprak al Portugees omdat hij daar tijdens zijn diensttijd geweest is. Vader wist niet eens dat zijn zoon Portugees sprak. Het moet de voorzienigheid geweest zijn. Vader blijft een paar weken daar. Zijn vrouw kon dit keer helaas niet mee.

Er komt een joviale zwarte man naar buiten. Goedemorgen allemaal. Wij staan op de bus naar East London te wachten? Nou, hij ook. Hij moet hem namelijk besturen. Maar het kan nog wel even duren. De bus heeft een uur vertraging. En hij heeft ook al geen hostess voor onderweg.

We gaan het kantoor van Intercape binnen dat inmiddels open is en wachten af. Onze bagage krijgt alvast een label en onze persoonsgegevens worden opgenomen. Een uurtje later gaan we weer naar buiten. Onze vrolijke chauffeur staat al klaar. Er komt een bus. Dat is hem. Maar de bus rijdt door. De chauffeur gaat maar eens informeren wat er allemaal aan de hand is. De bus komt terug. Dat is hem dan toch. Het ding is vertrokken vanuit Kaapstad. We gooien onze bagage in het karretje. De chauffeur wordt steeds vrolijker. Hij zingt niet onaardig. En hij heeft inmiddels ook een hostess gevonden.

We rijden stevig door. De weg is vrij slecht. Dat is wat lastig met de koffie. Ook krijgen we onderweg weer een recente bioscoopfilm te zien. Uiteindelijk zijn we om kwart voor twaalf bij het Windmill House in East London, vlakbij het strand. Onze bestemming voor vandaag is Buccaneer Backpackers te Cintsa, een dikke dertig kilometer verderop. Dat heeft Katrin ook al voor ons geregeld. En we worden hier afgehaald door de eigenaars. Maar dat zal zeker niet voor twaalf uur zijn.

We zitten te wachten in het zonnetje, voor het buskantoor met uitzicht op de parkeerplaats. Onze afhaler laat op zich wachten. Een mevrouw die bij ons langs komt om dingen te verkopen weet te vertellen dat ze heus wel komen. Er zitten hier wel vaker mensen te wachten voor Buccaneers. Er komt uiteindelijk wel een meneer of een mevrouw, maar ze moeten eerst even hun boodschappen doen. Om half een bel ik maar even. Men weet dat we er zijn en we worden tussen half twaalf en half twee opgepikt, zo wordt mij verteld.

Rond kwart over een rijdt er een busje voor van waaruit wordt gezwaaid. Daar zul je ze hebben. Er wordt verzocht om via de voorste stoel achterin te klimmen want de schuifdeur doet het niet meer. We worden afgehaald door een jong stel en een wat oudere vrouw. Ze moeten eerst nog even wat boodschappen doen, als we het niet erg vinden. Het is een gezellige bedoening. Eerst naar de videotheek om vijf videos weg te brengen en vijf nieuwe te halen. Dan moeten we nog even een eindje rijden naar het winkelcentrum. Willen wij ook winkelen? Doen we.

We komen in een groot, zeer Amerikaans aandoend winkelcentrum dat in zijn geheel om een parkeerplaats heen ligt. Over een uurtje gaan we weer verder. Dan kunnen we meteen nog even geld pinnen en wat boodschapjes doen bij de Pick ‘n’ Save, een stuk verderop. Verder zijn hier weinig boeiende winkels. Als we terug komen is de familie er nog niet. Bij een reiswinkel kopen we een opblaasbaar kussen. Vriendelijke mensen. Als we weer terug komen is moeder weer terug. Ze laat ons in de auto. We wachten nog even op de rest. Ondertussen krijgen we een zakje chocoladerozijnen voor onze neus.

Inmiddels is onze auto omsingeld. Een paar veiligheidsmensen, in vol gevechtstenue, kogelvrij vest en machinegeweer, heeft zich achter en naast ons busje verschanst. Ze komen uit een geblindeerd busje achter ons. Een ander gaat met een lege tas naar binnen bij de bank voor ons. Het lijkt er even op alsof wij middenin een bankoverval zijn beland. Maar het schijnt hier de gebruikelijke manier om waardetransporten uit te voeren. Het hele tafereel herhaalt zich bij een bank even verderop.

De anderen zijn inmiddels weer terug. We krijgen nu een zak chips onder onze neus. Nog even tanken en we kunnen eindelijk op naar Cintsa. Dat is nog een aardige rit. We rijden niet ver van de kust, door de heuvels. Een grote vrachtwagen zwaar beladen met tegels rijdt voor ons. Hij gaat al wat opzij, maar onze chauffeur vindt het gekkenwerk om hier te passeren. Even later gaat de vrachtwagen helemaal de berm in en kan een inmiddels flinke sliert auto’s passeren. Anne, de jongste vrouw van het stel, wijst ons op een paar giraffes die in de verte in de heuvels lopen. We rijden nu langs een natuurreservaat.

Om kwart voor drie bereiken we Buccaneers Backpackers, prachtig gelegen tegen de heuvel aan een baai, met het dorpje aan de overkant. We rijden omhoog naar de receptie. Daar staat Lou klaar om ons in te checken. Pal achter ons blijkt het Nederlandse stel te hebben gereden dat we gisteren al zagen in het Schotia park. We wisten al dat ze in hun huurauto ook deze kant op gingen. We kiezen dit keer voor een tweepersoonskamer met badkamer ensuite, want die is nog de komende twee nachten beschikbaar. De chauffeur brengt ons naar ons huisje. Het blijkt een gebouw met drie kamers, plus een gemeenschappelijke keuken. Vanaf ons royale balkon hebben we een grandioos uitzicht over de baai en de Indische Oceaan. Bij de receptie tekenen we nog een nachtje bij.

Voordat het donker is hebben we nog net tijd voor een strandwandeling. Op het strand slaan we linksaf. Een fraaie wandeling, langs veel rotsen die half in het water liggen. Even verderop gaat een houten trap omhoog de heuvels in. We gaan omhoog en zien zittend bovenaan de trap de zon ondergaan.

Een klein nadeel van zo’n ondergaande zon is dat het daarna al vrij snel stikdonker is. We lopen terug, en gaan dan een klein eindje verder het dorp in, op zoek naar de winkel die ons bij de receptie is aangewezen. Er zit daar inderdaad een klein winkeltje waar we onder meer lucifers kopen voor het gasfornuis in ons keukentje. Gelukkig heb ik mijn zaklampje bij me waarmee we met de nodige moeite de weg langs de zee en de rivier weer terug weten te vinden naar ons huisje.

Buccaneers zorgt ‘s avonds ook voor warm eten. Dat is geen sinecure want men kan hier ruim honderd man huisvesten. Vanavond eten we worstjes van de barbecue plus het een en ander aan groente en aardappelen. De maaltijd wordt geserveerd in de bar, die onder de receptie is, in een houten gebouwtje tegen een heuvel aan gebouwd. Wij eten prima en gaan op tijd naar bed.


Dinsdag 28 juni 2005


Voor onze toer van vanochtend dienen wij te verzamelen om 7 uur in het main house. Dat lukt niet helemaal. Wij komen wat moeizaam op gang vanochtend en bovendien zijn we nieuw hier en kunnen we dus het main house niet vinden. Via de aanwijzingen bij de receptie en tips van iemand die er al zit, vinden wij toch onze weg. We beginnen de toer met een ontbijt. Langs de buitenkant van het balkon kunnen we ontbijten, met uitzicht over de baai en zee bij zonsopgang beneden. Spectaculair wel. De gids is er ook, Grant. Verder gaat er een Nederlands stel en een Engels stel mee.

We vertrekken om half acht, in een ietwat vervallen 4WD met zes zitplaatsen achterin, drie naar voren en drie naar achteren. De ruimte is afgesloten met doorzichtige plastic flappen die met ritssluitingen vast zitten. Aangenaam, want het is nog frisjes. We gaan naar de Transkei, het voormalige thuisland, nu weer integraal onderdeel van Zuid-Afrika. Vroeger moest je je paspoort meenemen op een trip als deze, al was er buiten Zuid-Afrika geen enkel land dat de Transkei als afzonderlijk land erkende. Omdat de Zuid-Afrikanen vonden dat de Transkei geen deel van hun land uitmaakte, laat de infrastructuur hier nogal te wensen over. Dat gaat nu veranderen. Men is nu bezig met het aanleggen van een asfaltweg, dwars door de hele Transkei. Maar zover is het nog niet.

We beginnen op een matige, maar begaanbare weg en rijden naar Kei Mouth, een uurtje rijden. Bij een kleine supermarkt daar doen we onze laatste inkopen. Dan rijden we naar de Kei-rivier, waar we met een veerpontje overheen geholpen worden. Dan zijn we nu echt in de Transkei. En dat is te merken. Van een weg is meteen amper nog sprake. Maar later op de dag zal het nog erger worden. Een fraai uitgedoste vrouw in witte kleding mag met ons meerijden. Zij werkt bij het project dat wij gaan bezoeken, vertelt Grant.

We rijden naar Qolora, een van de vele zogenaamde “upliftment projects” in het land waarin wordt gepoogd de arme zwarte bevolking een vak te leren, aan het werk te helpen, of anderszins op te stuwen in de vaart der volkeren. Bij de ingang van ons project worden we overgedaan aan een mevrouw van het project die hier dienst zal doen als onze gids. Ietwat verlegen type. Ze vertelt dat dit project oorspronkelijk werd gefinancierd door de overheid, maar dat men sinds een paar jaar zelf de broek moet ophouden. Dat valt niet mee, begrijpen we later van Grant. We zien een aantal vrolijk gekleurde rondavels. Aan sommige rondavels wordt nog gebouwd. Men is hier onder meer bezig een backpackerverblijf op te zetten. Een aantal rondavels voor dat doel is al klaar. Er zijn zelfs al gasten geweest. Maar het blijft lastig, want het is hier nogal afgelegen. We nemen een kijkje in de meubelwerkplaats, waar houten meubelen worden gefabriceerd. In een kast ligt een cursus over hoe je je eigen bedrijfje moet opzetten. We bewonderen de meubeltjes. Ook wordt hier leer bewerkt. We nemen een kijkje in een piepklein naai-atelier. Er is ook een winkel, waar de lokaal geproduceerde goederen worden verkocht. Wij kunnen er helaas niets van onze gading tussen vinden, de anderen gelukkig wel.

In de verte horen wij al vrouwen zingen en muziek maken. Dat is onze volgende bestemming. We worden ontvangen in een andere rondavel. Op de grond zitten pakweg zes vrouwen, waarvan een paar met een trommel. We gaan tegenover ze zitten. Naast ons zitten nog drie Xhoa vrouwen. Nadat onze gids is binnen gekomen, krijgen we het verzoek om weer te gaan staan. De vrouwen zingen het Zuid-Afrikaanse volkslied. Klinkt mooi.

Na het volkslied krijgen we een klein inkijkje in de Xhosa cultuur. Twee van de vrouwen die ons hebben toegezongen zijn sangoma, waaronder die ene die we een lift hebben gegeven. Haar gezicht is beschilderd met witte klei. We krijgen een demonstratie hoe er meel gemaakt kan worden van mais. Een paar korreltjes op een steen strooien, en met een andere steen in beide handen daar flink op inslaan. Een schuivende beweging van je af maken, naar het schijnt. Dat lijkt ons nog een hele klus. We mogen het allemaal ook eens proberen.

Het volgende agendapunt is de sangoma-dans. Onder begeleiding van getrommel dansen beide sangoma’s in het rond, met een stok in hun hand en onder luid gezang. Onvermijdelijk mogen wij ook meedoen. De drie andere vrouwen die naast ons zaten, vermaken zich wel.

De volgende attractie. Een van de sangoma’s demonstreert hoe een medicijn tegen maagklachten wordt gefabriceerd. Ze zit op de grond. Voor haar staat een karaf, waar op het oog alleen maar water in zit. In haar hand heeft ze een takje. Ze roert stevig met het takje in de karaf, waarop een flinke schuimkraag ontstaat. Nog eens flink roeren, nog een flinkere schuimkraag. Op haar knieën buigt ze voorover om wat van de schuimkraag af te slurpen. We mogen allemaal hetzelfde doen. Daarna hebben we inderdaad geen last van onze maag.

Onze kleine culturele demonstratie is ten einde. In de keuken mogen wij een ontbijt gebruiken, bestaande uit kleine, wel heel stevige broodjes met jam. De Nescafe gaat hier in de warme melk.

We stappen weer in de auto. Alle zijflappen hebben we inmiddels al omhoog en nu gaat ook het dak er af. Dat is leuk, want dan kan je op de banken staan en buiten naar alle kanten kijken. Het is wel wat stuiteren, want de weg wordt steeds slechter. We rijden door dorpjes, waar we bestormd worden door kinderen die snoepjes willen. We komen bij een tolweg, merkwaardig genoeg. Het dorpshoofd verlangt hier een bijdrage van vijf rand per persoon om gebruik te mogen maken van de weg die naar een fraaie kloof leidt. Het geld komt ten goede aan de dorpsschool, zo beweert hij. Dat hopen we dan maar. Een meisje komt het geld innen. Een jongetje holt achter ons aan. Hij zal straks op de auto passen.

De weg is erbarmelijk. Af en toe duiken wij gaten in onder een hoek van praktisch 45 graden. Op de weg liggen stenen. We tuimelen alle kanten op. De auto wordt geparkeerd. Grant vraagt hoe het jongetje heet. Elvis. Elvis krijgt de opdracht de auto goed in de gaten te houden. We lopen een eindje en stappen dan met z’n allen in een bootje. Het is hier prachtig. Langs weerskanten rijzen de rotsen hoog op uit het water en we varen door een kloof waarin ik me haast even weer in de Three Gorges in China waan. Goed, deze kloof is iets kleiner, maar toch. Een hagedis ligt aan de kant op de uitkijk. We meren aan en klauteren de rotsen op. Aan de overkant zijn twee watervallen. In de zomer, in het regenseizoen, wemelt het hier van de watervallen, vertelt Grant. Hij springt vanaf een rots van een meter of zes hoogte in het koude water beneden. Andy, de andere Nederlandse jongen, volgt zijn voorbeeld. Ik sta op het punt om hetzelfde te doen, maar bedenk dan dat dat wat onhandig is met mijn bril.

We peddelen weer terug en zien en horen een aantal vogels. Vooral de neushoornvogel maakt zoals altijd nogal een rotherrie. De Zulu’s beweren dat het beest hoogtevrees heeft en daarom zo gilt als het opstijgt. Elvis houdt nog trouw de wacht bij de auto. Hij krijgt een bijdrage voor bewezen diensten.

We stuiteren weer verder, en rijden nu naar de kust. Ook al weer prachtig. De kust is hier nog volledig ongerept, met geen enkele bebouwing. Het enige gerepte wat je ziet is af en toe een scheepswrak. We zetten de auto aan de rand van een heuvel, met een baai aan onze voeten. Na een korte wandeling gebruiken we daar onze lunch bij wijze van picknick.

We wandelen naar het wrak van de Jacaranda, dat even verderop aan de kust ligt. Het schip is in 1971 aangespoeld, alle opvarenden werden gered, en Grant belooft het verhaal van het wrak te vertellen op het moment dat we terug zijn. Dan kunnen we eerst zelf wat detective-werk verrichten.

Op de rotsen voor het schip zit een flinke groep blanke Zuid-Afrikaanse bejaarden te lunchen. Ze hebben het duidelijk naar hun zin. Ze komen uit Durban en Pietermaritzburg, en zijn hier aan het wandelen. Als we verder lopen zit daar een redelijk aantal zwarte Zuid-Afrikanen op de rotsen, met grote rugzakken naast zich. Wij krijgen het angstige vermoeden dat zij zijn ingehuurd om de bagage van de blanke wandelaars te dragen. Wij krijgen daar toch een wat onaangenaam gevoel bij.

We nemen een kijkje bij het schip. Al behoorlijk weggeroest staat het toch nog pal en fier op het strand. Als we terug lopen staat de zwarte gids van de blanke bejaarden net op het punt om het verhaal van de schipbreuk uit de doeken te doen. Een van de bejaarde heren nodigt ons uit om mee te luisteren. De kapitein was dronken, vertelt de gids. Bovendien had hij dames aan boord. Daarom had hij geen aandacht meer voor de koers van het schip. Maar gelukkig was daar ook een veertienjarig jongetje dat toen het roer heeft overgenomen en er in geslaagd is om het schip netjes op het strand te zetten en zo alle inzittenden te redden.

We lopen terug naar Grant en zijn benieuwd naar zijn verhaal. Dat is heel anders. Er doen drie theorieën de ronde over deze schipbreuk, vertelt hij. Allereerst is ons misschien opgevallen dat aan de andere kant van het schip te zien is dat de naam is overgeschilderd. Oorspronkelijk had het een andere naam. In scheepskringen is algemeen bekend dat het hernoemen van het schip ongeluk brengt. Een andere mogelijkheid is dat het schip bij slecht weer en storm gewoon in de problemen gekomen is en uiteindelijk hier is gestrand. Maar dan is er iets merkwaardigs aan de hand. Het schip staat loodrecht op het strand, haast alsof het daar bewust zo is neergezet. Dat is vreemd. Als het door storm op de kant is geworpen, dan zou je verwachten dat ie zijdelings op het strand zou zijn beland. De meest voor de hand liggende verklaring is dan ook dat men het schip inderdaad bewust heeft laten vastlopen, om de verzekering op te lichten.

Wij vertellen het verhaal van de andere gids. Dat vindt Grant wel komisch. Hij had het ook wel eens gehoord, dat er prostituees aan boord zouden zijn geweest en dergelijke. Die andere gids gebruikte iets andere bewoordingen, maar goed. Maar dat verhaal is onzin, weet Grant.

Grant wijst ons op een duin even verderop. Die blijkt volledig opgebouwd uit schelpen. Eigenlijk zou dit een beschermd gebied moeten zijn, vertelt hij. Maar dat is het niet. Hier worden namelijk ook archeologische vondsten gedaan van volkeren die hier in een ver verleden rondliepen. Pijlpunten, handgereedschap, dat werk. Hij heeft zelf ook wel eens iets gevonden hier.

We stappen weer in het busje. Een lange hobbelige weg brengt ons terug naar het veerpontje. Het is inmiddels koud, dus het dak gaat er weer op. Aan de overkant gebruiken we nog een consumptie in de bar van een hotel, met prachtig uitzicht over de zee. Grant belt onze bestelling door voor het eten van vanavond. Rond zeven uur zijn we weer terug in Cintsa. We eten vanavond een Indisch buffet. Overheerlijk, en geserveerd in het main house.


Woensdag 29 juni 2005


Voor vandaag hebben wij besloten tot een rustdag. Onze veranda met uitzicht op zee is daarvoor immers een ideale lokatie. Hoewel we wel weer vroeg op zijn. Vroeg genoeg om vanuit ons bed de zonsopkomst te genieten. Het ontbijt wordt weer gebruikt in het main house. Meteen een goede gelegenheid om wat was te laten doen. De rest van de ochtend brengen we door op ons balkon.

Het is vandaag prachtig weer, met een strakblauwe lucht. We willen naar het strand, misschien zelfs een klein eindje de zee in, maar voordat we daar zijn stuiten we bij de waterplas net voor ons huisje op een kano. Ook leuk natuurlijk. Ietwat labiel nemen we plaats. Gelukkig is het hier ondiep.

We roeien het meer op. Het is heerlijk rustig hier. Langs de kant staat af en toe een koe of een vogel verstoord op te kijken. Het is wel uitkijken waar je vaart. Hier en daar is het zo ondiep dat onze kano vastloopt. Ik stap uit om de boot weer op gang te helpen, maar zak meteen behoorlijk ver in het zand weg. Snel weer in de boot. We dachten eigenlijk dat we op een meer vaarden, maar er komt maar geen eind aan dat meer. Na elke bocht is er weer een nieuw stuk. Later horen we dan ook dat dit een stilstaande rivier is. Na ruim een uur peddelen keren we maar weer om. Er komt hier inderdaad geen eind aan.

Eenmaal terug in ons huisje kost het wat moeite om alle zand weer van onze slippers en voeten te krijgen. We gebruiken een late lunch met alle proviand die we nog van de afgelopen dagen over hebben. De rest van de middag wordt weer gevuld met weinig tot niets doen.

Tegen de avond wordt het tijd om voorbereidingen te treffen voor de dag van morgen. Wij willen dan per bus naar Graaff Reinet, en volgens onze van internet gehaalde dienstregeling moet dat kunnen vanaf East London met Intercape. Men verkoopt hier geen buskaartjes, en we worden geadviseerd om de busmaatschappij te bellen. Helaas. De Intercape bus is net vandaag vertrokken en gaat pas zondag weer die kant op. De volgende poging. Translux. Translux heeft morgen wel een bus. Er zijn nog 24 plaatsen vrij. Dankbaar geef ik onze persoonsgegevens door. Ik krijg een referentienummer en de mededeling dat de kaartjes morgenochtend voor tien uur afgehaald moeten worden. Terwijl de bus om een uur of drie vertrekt. Dat gaat dus niet lukken. Maar we hebben nog een hoop. Via Computicket kan je bustickets boeken op het internet. En verdraaid, dat lukt ook nog. Met mijn credit card. We nemen alle gegevens over in onze Lonely Planet.

Inmiddels is het tijd om te gaan eten. In de bar gebruiken we dit keer een flink bord spaghetti met vier stukken Italiaans brood. Jummie. Net als elke avond krijgen we er ook nu een consumptie bij.


Donderdag 30 juni 2005


Vandaag staat in het teken van ons vertrek naar Graaff Reinet. De bus vertrekt om kwart voor vier vanuit East London, dus we hebben nog even. Om twee uur worden we hier door een taxi afgehaald. Het weer ziet er vandaag wat somber uit, met een flink pak wolken aan de horizon. Het dreigt te gaan regenen als we ons ontbijt gebruiken op het terras van het main house. We pakken onze spullen in en melden ons om 11 uur bij de receptie om uit te checken. In de gemeenschappelijke keuken van het backpackers gedeelte maken we een kopje thee. We hebben nog even.

Het loopt tegen een uur of twaalf. De Baz Bus arriveert. We zitten op een bankje net voor de receptie en luisteren toe hoe Lou een keer of acht het complete verhaal over wat hier allemaal te doen is en hoe het allemaal werkt afwerkt voor de nieuw aangekomen. Het weer lijkt wat bij te trekken, dus maken wij ons op voor nog een wandeling langs het strand.

Als we naar beneden lopen treffen we een klein bordje met de mededeling dat het naar de dam rechtsaf is. Intrigerend. We nemen de afslag, die diep het bos in leidt. Er staat nog ergens een houten bordje, dus we zitten echt goed. Uiteindelijk besluiten we dat dit allemaal niet echt ergens toe lijkt te leiden, en lopen we weer terug. Dit keer gaan we wel naar het strand. En op het strand slaan we dit keer linksaf. Daar maken we nog een flinke wandeling.

We zijn op tijd terug bij de receptie om nog een kopje instantsoep te kunnen maken. We hebben er ook nog broodjes bij. Dan is het wachten op de taxi. Beneden zien we af en toe een auto stoppen, maar niets wat op een taxi lijkt. Rond tien over twee stopt er een auto met op het oog twee gezellige huisvrouwen. Dat kan onze taxi dus ook niet zijn, want taxichauffeurs komen doorgaans alleen. Op het dashboard ligt een krant. De dames blijven staan wachten. Ze toeteren. Dan komt er een bordje met taxi tevoorschijn. Dus toch.

Ik hou niet zo van dat bordje taxi, licht de mevrouw achter stuur toe, een gezellig ogende nogal gezette blanke vrouw van middelbare leeftijd met keurig gekapt zwart haar in een ietwat traditionele coupe. Ik leg uit dat we niet hadden verwacht dat er twee mensen in onze taxi zouden zitten. Dat komt, ik ben haar aan het inwerken. Vandaar. Naast haar zit een aanzienlijk ielere mevrouw, ook van middelbare leeftijd. De dames kwebbelen onderweg honderduit. Waar we vandaan komen en of we pas getrouwd zijn. Ineens dringt het tot mij door. We zitten in de taxi bij het Zuid-Afrikaanse evenbeeld van Cathy en Gré, de verslaggevers uit de Oosterparkwijk van onze lokale Oog TV. Inmiddels zijn wij op de achterbank amper nog in staat om ons lachen in te houden. De dames willen graag weten hoe koud het bij ons is, een vraag die op een of andere manier bij dergelijke gesprekken steeds weer tevoorschijnt komt. Carina doet een duit in het zakje door te vertellen dat het een paar maanden geleden nog min twintig was. Dat vinden de dames maar wat. Goh, als het min twintig was, dan zou ik toch de hele dag in bed blijven, zegt de bijrijder. Wij hoeven alleen nog maar het Groningse accent er bij te denken.

Helaas belanden we bij het busstation. Als we hier weer komen, moeten we getrouwd zijn, vindt de chauffeur. Dat beloven wij. En dan moeten we ook weer een taxi nemen bij Auntie Dinges. Ook dat beloven wij.

De man achter de balie bij onze busmaatschappij begrijpt niet helemaal wat de bedoeling is. Ons referentienummer kan hij inderdaad ook vinden in zijn computer. Maar waar zijn onze tickets!? Die hebben we niet. Oh. Mooi is dat. En waarom niet? Omdat we online geboekt hebben. En daar kregen we de informatie dat de tickets bij het vertrekpunt klaar zouden liggen. Oh. En wie heeft ons dat verteld? Het systeem. Oh. Gelukkig brengt een collega uitkomst. Meneer moet even met iemand bellen. Daar wordt niet opgenomen. Maar als we hier even rustig wachten, dan komt het vanzelf goed.

Nog een paar keer bellen biedt geen uitkomst. We krijgen een computeruitdraai mee met de handgeschreven mededeling dat er geen autorisatie van Computicket is, omdat die niet bereikbaar waren. Of iets dergelijks. Plus een stempel.

Onze bus vertrekt en is dan nog bijna leeg. Het is een wat minder luxe exemplaar dan die van Intercape. Het is dan ook een flinke hap goedkoper. Er is maar één etage in de bus. Geen hostesses met gratis koffie. En op de video oude films in plaats van recente bioscoophits. Pas als we bij het station van East London langs gaan, begint de bus wat voller te lopen.

Het wordt donker. Rond een uur of zes maken we een stop bij een pompstation annex winkel annex fastfood-restaurant annex nog zo het een en ander. Over tien minuten gaan we verder, kondigt de chauffeur aan. Het blijkt hier ook een halte waar opnieuw aardig wat mensen instappen. Die tien minuten blijken wat krap, zeker omdat onze bestelling bij het fast-food restaurant nogal op zich laat wachten. Ik ga alvast bij de deur van de bus staan, terwijl Carina op ons eten wacht. Als ze terug komt zijn we alweer een kwartier verder. Maar de chauffeur lijkt het niet erg te vinden. Sterker nog, die tien minuten worden uiteindelijk ruim een half uur.

De Translux bus heeft geen hostess, maar wel een mannelijke bijrijder. Later op de avond ontstaat er wat ophef. Er stappen twee mannen in waar de bijrijder het niet helemaal mee eens lijkt te zijn. Even dreigt hij een van de mannen er weer uit te zetten. Maar hij is ziek, protesteert de ander. De bijrijder gaat overstag. Goed, dan zal hij een plaatsje voor hem zien te vinden. Achter ons. Maar u stinkt heel erg, roept hij de man nog eens na. En als u problemen oplevert, heb ik er geen problemen mee om u stante pede in het donker weer buiten te zetten. Waarvan akte.

We zijn een half uurtje te laat in Graaff Reinet, tegen elf uur. We komen aan in de Kerkstraat, en dat zou dezelfde straat moeten zijn waar onze backpackers, waar we gisteren telefonisch gereserveerd hebben, ook zit. Sterker nog, die zit pal naast de kerk. Dan moeten we alleen nog uit zien te vogelen welke kant de kerk op is. De eerste voorbijgangers aan wie ik het vraag claimen van niets te weten. De tweede nemen ons enthousiast mee naar het midden van de straat. Kijk eens even. Daar is onze mooie kerk.

Het is een paar honderd meter. Er zijn hier nog aardig wat mensen op straat, dus het lijkt veilig genoeg. Onze Graaff Reinet Backpackers blijkt inderdaad pal naast de kerk. Men had ons al verwacht. De heer des huizes doet open. We komen in een redelijk oud pand, met grote kamers die zijn omgebouwd tot slaapzalen. Chris, onze gastheer, is een echte regelaar. Hij overstelpt ons met informatie over wat we allemaal kunnen gaan doen en wat hij allemaal voor ons kan regelen. Maar morgenochtend na het ontbijt moeten we maar eens rustig om tafel gaan zitten om een planning voor de komende dagen te maken, begrijpt hij. Daar zijn wij het helemaal mee eens. We drinken nog een glaasje sap en gaan dan naar bed.


Vrijdag 1 juli 2005


We slapen uit. Rond negen uur zitten we eindelijk aan het ontbijt dat al voor ons klaar staat. We krijgen er ook een grapefruit bij, uit eigen tuin. Chris en Almut zijn hier in januari dit jaar begonnen. Ze staan dan ook nog niet in de Lonely Planet, maar wel in de Coast to Coast, een gratis boekje met wervende reclameteksten over alle backpackers van Zuid-Afrika. Zij is afkomstig uit Namibië en spreekt Duits tegen het paar jaar oude zoontje dat hier ook rondloopt. De afgelopen nacht waren hier nog twee gasten, zo schijnt het, maar op dit moment zijn wij de enige.

Na het eten neemt Chris de opties met ons door. Natuurlijk willen we naar de Valley of Desolation. Dat kan bij zonsopkomst, maar ook bij zonsondergang. Daar kan hij ons heen brengen voor 125 rand per persoon. Met alles er op en er aan. We mogen dan zelf bepalen wat we daar allemaal doen, en hoe lang het duurt. ‘s Middags kunnen we dan, voor dezelfde prijs, een game drive maken in het nationale park alhier. Of we kunnen ook naar Nieu Bethesda. Dat moeten we eigenlijk doen. Een collega van hem, die daar een guesthouse heeft, gaat er morgen toch weer heen, kunnen we mooi meerijden. Nieu Bethesda is een onooglijk dorpje in de Karoo dat vooral beroemd is omdat er een vrouw woonde die tegen haar vijftigste besloot dat alles anders moest en vervolgens een kleine 25 jaar lang als een bezetene aan de slag is gegaan om haar huis en tuin om te bouwen tot kunstwerk en vervolgens zelfmoord pleegde. Het dorpje bestaat uit zandpaden en een paar huisjes en inmiddels aardig wat kunstenaars. We beloven Chris dat we er nog eens over na zullen denken. Wij lazen hier ook iets over een township tour. Dat klopt, dat is Xolila, goeie vent, de toer begint om twee uur. Zullen we dat meteen vanmiddag maar doen dan? Dat vinden wij prima.

Maar eerst gaan we Graaff Reinet in. Eerst kijken we eens bij de plaatselijke tour-operator en VVV om te kijken of we misschien nog iets gemist hebben. Ook in Graaff Reinet is men op zijn veiligheid gesteld. Voor de meeste winkels, musea en kantoortjes zit een groot hek. Als je naar binnen wil, moet je eerst aanbellen. Verder vinden wij het stadje eigenlijk een hele veilige en ontspannen indruk maken. Ook bij de toeristeninformatie worden wij weer uitermate enthousiast onthaald. Op allerlei kaartjes en stenciltjes wordt ingetekend wat we allemaal gaan doen en hoe we daar moeten komen.

We lopen naar het Drostdy hotel, een behoorlijk sjiek hotel waar vroeger de landvoogd huisde en dat daarom nog steeds als bezienswaardigheid geldt. Klassieke, statige inrichting. Het leukste zijn de gastenverblijven, die gehuisvest zijn in een complete straat die volledig in traditionele staat is teruggebracht, met hagelwitte huizen en hier en daar een kleurtje. Vroeger waren dit de slavenverblijven. Nu lopen er nog steeds de vrouwelijke bediendes met slavenmutsje rond.

Graaff Reinet is een alleraardigst stadje. Het is een van de oudste steden in het land en de gelukkige bezitter van de meeste monumenten. Ruim 200 stuks. En dat op een bevolking van amper 34000 zielen. De meeste van die monumenten zijn hagelwitte, statige gebouwen uit de tijd dat de Nederlanders hier zaten. Verder is het hier aangenaam rustig. We lopen naar het huis Reinet, het grootste museum hier en een van de fraaiste historische monumenten. Helaas, het huis sluit over negen minuten en gaat dan pas om twee uur weer open.

Inmiddels zijn we ook druk bezig met het organiseren van een vlucht van Port Elizabeth naar Kaapstad aanstaande zondag. Dat wil niet heel erg lukken. Bij Nationwide zit het vliegtuig al vol, tenzij we bereid zijn om drie keer zo veel te betalen en business class te vliegen. Dat zijn we niet. Maar maandagochtend om kwart over negen is er ook een vlucht. Dan nemen we die maar. Het lijkt ons het verstandigst om die op het internet te boeken, en dat kan weer bij het Traveller’s Cafe, op een steenworp afstand van het huis Reinet. De boeking verloopt voorspoedig. En we kunnen de zaak nog uitprinten ook.

We hebben nog eventjes de tijd, dus gebruiken we de lunch op het terras van het café. Het kan eventjes duren, waarschuwt de menukaart, want alles wordt hier ter plekke bereid van de beste ingredienten. En dat is te merken. Overheerlijk allemaal.

We zijn keurig om twee uur terug. Onze gids zit al te wachten. Xolile Speelman, staat er op zijn naambordje. Een bekende naam, de Lonely Planet meldde al dat een aantal lezers zijn township tours van harte aanbevelen. En wij mogen hem meteen al. Xolile (wiens naam ook al weer begint met die merkwaardige klik) is bijzonder vriendelijk, professioneel, informatief en integer. Xolile is zelf Xhosa, en woont in het township dat we gaan bezoeken. Het is nog geen tien minuten lopen, dus we wandelen er heen. We lopen nu even flink door, verontschuldigt Xolile zich, maar als we eenmaal in het township zijn, doen we het wat rustiger aan.

Voordat we het township binnen gaan, geeft Xolile wat aanvullende informatie die hij ter ondersteuning aanwijst op een vel papier waarop met zwarte viltstift de kernpunten zijn aangebracht. We gaan naar het township waarvan de Xhosa-naam iets betekent in de trant van “wij bouwen”. Dit township ontstond al aan het einde van de negentiende eeuw, maar groeide met name in de jaren ‘20 en ‘30. Tijdens de apartheid werden hier alle zwarten gehuisvest. De enige blanken die hier kwamen waren soldaten, die controleerden of de bewoners zich wel aan alle apartheidswetten hielden. De lichtmasten die gebruikt werden om de zwarte bevolking in de gaten te houden, staan er nog steeds. De zogenaamde kleurlingen hadden hun eigen township, even verderop. Daar staan geen lichtmasten.

Maar Nelson Mandela zegt dat we niet om moeten kijken naar het verleden, dat alleen de toekomst nu belangrijk is. We moeten geen wrok hebben. Daar is Xolile het mee eens, al lijkt hij er af en toe toch nog wel een beetje moeite mee te hebben. De naam van Nelson Mandela zal nog vaak vallen vanmiddag, en altijd met het grootst mogelijke ontzag. De Europese Unie heeft veel geld gestoken in dit township, weet Xolile. Dankzij de EU zijn er nu bijvoorbeeld geasfalteerde wegen, in plaats van de zandwegen die er vroeger waren, en die leidden tot enorm veel ademhalingsproblemen bij de bevolking. Nelson Mandela zegt dan ook dat we aan Europeanen moeten laten zien hoe de townships er nu bij liggen, en hoeveel goed hun geld heeft gedaan. Daarom moet hij het ons laten zien. Het waren immers onze belastingcenten.

Xolile vertelt dat er vast mensen zullen zijn die naar ons toe komen en om geld vragen. Dat moeten we niet doen. Van het toeristenbureau mogen we hier maximaal 30 rand gaan uitdelen, 10 aan een huis dat we gaan bezoeken, en 20 bij de initiatieschool. Dat voorkomt ook dat hij een volgende keer wordt overspoeld door bewoners die om geld komen vragen.

Als we het township binnen lopen, is het meteen raak. Een sjofel geklede man die met een grote zak sinaasappelen aan het zeulen is, vraagt ons om geld. Xolile roept hem meteen tot de orde. Dat kunnen we helaas niet doen. Aan de man doet hij nog eens hetzelfde verhaal dat hij net nog aan ons deed. De man lijkt zich er bij neer te leggen, maar het er niet helemaal mee eens te zijn. Hij vraagt of we dan een foto van hem willen maken. Dat willen we. Een glimlach breekt door.

Xolile heeft een envelop bij zich waar een flinke stapel foto’s in zit. Opgestuurd door een Duitse toerist. Hier en daar zoekt hij mensen op en geeft ze hun foto. Iedereen is enthousiast. Wij begrijpen het en zetten ook flink wat mensen op de foto. Dat vinden we sowieso niet erg. Iedereen wil graag gefotografeerd worden. We zien ook een blanke man die het duidelijk niet breed heeft. Goh, wonen hier ook blanken?, verbazen wij ons. Inderdaad. In het township wonen inmiddels drie blanken. En in de stad zelf, waar het duur wonen is, wonen inmiddels drie tot vier zwarte gezinnen.

We dwalen wat door het township, een spoor van foto’s achterlatend. Af en toe vertelt Xolile het een en ander. Vroeger moest iedereen een identiteitspasje hebben, waarop ook het ras van de persoon in kwestie stond vermeld. Die van de zwarten stond bekend als de dompas. Uiteraard hebben de blanken moeite met alle kliks van het Xhosa. Daarom veranderden ze maar gewoon de namen van de Xhosa in iets wat ze wel konden uitspreken. Zo kwam Xolile aan de achternaam Speelman. En zo ook kwam Nelson Mandela aan de voornaam Nelson. Zijn oorspronkelijke Xhosa voornaam had twee kliks. Veel te moeilijk voor die blanken. Daarom hebben ze er Nelson van gemaakt en dat ook op zijn dompas gezet.

Net als in veel andere townships loopt de kwaliteit van de woningen hier nogal uiteen, van golfplaten huisjes tot behoorlijk luxueuze optrekjes. Een aantal woningen uit de jaren ‘20 en ‘30 zijn inmiddels behoorlijk vervallen en worden door golfplaat bij elkaar gehouden.

We lopen langs een school. We gaan naar wat Xolile de initiation school noemt, al is nog niet duidelijk wat we ons daarbij voor moeten stellen. Onderweg vertelt hij de achtergrond. Als hij eenmaal 19 is, ondergaat elke Xhosa-man de initiatie-rite. Op een ochtend wordt hij door zijn oudere broers voor dag en dauw naar de rivier gebracht om gewassen te worden. Dan wordt hij naar de bergen gebracht waar vader al staat te wachten bij een speciaal geconstrueerd tentje, samen met de man die de besnijdenis zal gaan uitvoeren. Na aankomst vindt de operatie plaats. De jongen blijft dan nog vier weken in zijn tentje om te genezen van de operatie. Naakt, en beschilderd met witte klei. Daarbij moet hij voor zijn penis zorgen al was het een klein kindje. Het geslachtsdeel wordt ingepakt in geneeskrachtige kruiden, die in het begin elke vijf minuten vervangen moeten worden. Pijnlijke toestand. Xolile heeft het zelf ook ondergaan. Jongetjes uit het dorp brengen speciaal voedsel. Zoutloos, want van zout ga je maar drinken en van drinken moet je plassen en dat is nogal pijnlijk.

Na de operatie en de hele herstelperiode is de Xhosa-jongen officieel een man. Dat betekent dan ook dat een Xhosa die de operatie niet ondergaat geen man is en altijd als kind beschouwd zal worden. Na de operatie vormt zich een zwarte rand om de penis, dus iemand die de operatie niet heeft ondergaan valt snel genoeg door de mand. Geen enkele Xhosa vrouw zal willen trouwen met iemand die de operatie niet heeft ondergaan.

We hebben geluk. Het is winter, de schoolvakanties zijn net begonnen, dus dit is de periode dat veel jongens de operatie ondergaan. Al zijn er in de zomer nog meer, want het is wel wat koud, zo in je blote niks in de bergen. We mogen een bezoek brengen aan de jongens die op dit moment in de heuvels aan hun herstelperiode bezig zijn. Dat wil zeggen, ik mag een bezoek brengen, Carina moet op gepaste afstand blijven. In de verte zien we tegen de heuvel al zeven plastic tentjes staan. Een soort wigwams, in elkaar geknutseld van vuilniszakken en ander plastic. Beneden staan wat kinderen. Zeven jongens verzamelen zich om ons heen, met alleen een lendendoekje. De eerste heeft een doorgeknipte band om zijn nek. Dat betekent dat deze jongen hier al drie weken zit, legt Xolile uit. Die band werd immers gebruikt om zijn penis in geneeskrachtige kruiden te wikkelen, en dat is nu blijkbaar niet meer nodig. Ik mag een aantal foto’s maken van de groep jongens en krijg het verzoek om ook die foto’s naar Xolile te sturen. Uit een van de tenten komt een wit gemaakt hoofd van een jongen naar buiten. Hij heeft zijn operatie minder dan acht dagen geleden ondergaan, legt Xolile uit, en mag daarom zijn tent nog niet verlaten.

Ik geef mijn bijdrage van 20 rand. Een van de jongens neemt het geld aan door het op te vangen in zijn lendendoekje. Vandaag is er immers maar één toerist, legt Xolile uit aan de jongens. Als er meer toeristen waren geweest, dan hadden ze meer gekregen. Ze begrijpen het.

Elke Xhosa jongen in de township ondergaat deze operatie, vertelt Xolile. Sterker nog, er komen ook vaak jongens van elders om hier hun operatie te ondergaan. De man die hier de operaties uitvoert, doet dat deskundig en heeft een goede reputatie. Elders is het recent zelfs wel eens voorgekomen dat jongens overleden na een slecht uitgevoerde operatie. Overigens mag de operatie niet door een dokter worden uitgevoerd. Wel wordt tegenwoordig voor een operatie het bloed van de jongen in kwestie getest. Op een lager gelegen gedeelte van de heuvel staan nu huizen. Vroeger hebben hier ook van die tenten gestaan, weet Xolile. Maar elke lokatie mag slechts één keer voor dit ritueel gebruikt worden.

We lopen terug het township in. We mogen een kijkje nemen in een van de armere huizen. Daar mogen we ook nog eens 10 rand achterlaten. Xolile kiest die huizen met zorg, vertelt hij. Hij probeert steeds bij andere mensen langs te gaan, bij mensen die het geld hard nodig hebben. We worden binnen gelaten door een wat oudere man, maar nog niet oud genoeg om een pensioen te genieten. Het huis bestaat uit twee kamers. Een kleine woonkamer annex keuken, en een slaapkamer waar net vier bedden in passen. Er wonen hier namelijk vier mensen. In de woonkamer hangt een elektriciteitsmeter. In de winkel kan elektriciteit worden gekocht, die dan net zo lang het huis blijft binnenstromen totdat het saldo weer op is. Ook dit huis was oorspronkelijk van steen, maar wordt nu deels overeind gehouden door golfplaten. Er zitten gaten in het dak. Dat is een probleem als het regent. We geven de man onze tien rand. Xolile spreekt hem toe, waarbij meermalen het woord paraffin valt. Blijkbaar vindt hij dat de man het geld moet gebruiken om brandstof te kopen.

Wat ons opvalt is dat veel Xhosa’s Afrikaans tegen elkaar spreken. Of eigenlijk een mengeling van Afrikaans, Engels en Xhosa. In Zululand is dat ondenkbaar. We hebben geen enkele Zulu iets in het Afrikaans horen zeggen. Xhosa’s hebben daar blijkbaar geen problemen mee. Toevallig las ik een paar dagen in een nationale krant een column waarin werd beweerd dat Xhosa’s veel succesvoller zijn dan Zulus omdat Xhosa’s veel flexibeler zijn en bereid zich aan te passen. Xolile is het daar roerend mee eens. Zulus zijn zo ontzettend koppig, verzucht hij. Veiligheidsagenten zijn ook vaak Zulu, want ze zijn er erg goed in om strikt, rigide en rücksichtlos opdrachten uit te voeren. Laatst was kwam ergens de baas van een bedrijf na half vijf nog terug omdat hij zijn sleutels was vergeten. De Zulu veiligheidsagent was echter onvermurwbaar. De baas mocht niet meer naar binnen; na half vijf mocht hij immers niemand meer binnen laten.

Zulu’s doen niet aan besnijdenis. Ook dat leidt nog wel eens tot problemen tussen de bevolkingsgroepen. In de belevingswereld van de Xhosa is iemand immers pas man op het moment dat hij de operatie heeft ondergaan. Zulu’s ondergaan die operatie niet. Dat zijn dus allemaal kinderen. Ook toen hij in dienst was, merkte Xolile dat dat problemen opleverde. Zulu’s wilden liever niet dienen met Xhosa, uit angst dat ze onder de douche zouden worden uitgelachen.

Xolile gaat bij zijn moeder langs, waar hij zelf ook nog steeds woont. Zijn huis ziet er beter uit dan veel andere huizen die we gezien hebben, maar het is duidelijk dat ook hij het niet bepaald breed heeft. Hij heeft een foto mee voor zijn oma, die hier ook is. Ze schreeuwt het uit van plezier als ze de foto krijgt. “Nee!!! Is dat ek die!?”. Vlees is voor veel Xhosa nog steeds een ongekende luxe. Ook in het huis van Xolile. En als er al vlees is, dat meestal de kop van een beest. Hij tilt het deksel op van een pan die op het vuur staat te sudderen. Varkenskop. Uit de koelkast haalt hij een plastic zak waarin een geitenkop zit.

We zoeven verder door het township. We moeten een beetje doorlopen, want Xolile wil ons nog graag de kliniek laten zien en die gaat om vier uur dicht. Maar we kunnen nog wel even bij de rastaman langs. Merkwaardig figuur. Zijn huis is uitgebreid beschilderd, onder andere met een portret van Mandela. “Nelson Mandela will free the rastaman”. Verder binnen natuurlijk veel posters van Bob Marley en dat soort dingen. De rastaman verkoopt ook groente en fruit. Wij kopen vier appeltjes.

We zijn nog net op tijd bij de kliniek, een brandschoon en steriel gebouwtje dat daarom niet helemaal op zijn plaats lijkt in het township. Maar men is er uiteraard erg blij mee. Hier wordt toegezien op de gezondheid van de bewoners. En natuurlijk wordt hier getest op HIV, en anderszins aan voorlichting gedaan. In het township is van 7% van de bewoners bekend dat ze seropositief zijn. Maar het werkelijke aantal ligt natuurlijk veel hoger. Landelijk ligt dat ergens tussen de 25 en 30%. Seropositieven krijgen hier ook medicijnen.

We lopen door het mooiste straatje van de township, een fraaie rij met kleurig geschilderde huizen. Bekend als het Royal Block. En ook al een monument. We nemen een kijkje in een winkel en gaan dan naar de kroeg van het township. Helaas blijkt daar alleen maar alcohol geschonken te worden en niets anders. We gaan dus weer verder. In een winkel annex restaurantje gaan we nog even iets drinken. Xolile geeft ons zijn adres, zodat we wat foto’s kunnen opsturen. Met z’n drieeën lopen we weer terug naar onze backpackers.

Voor vanavond heeft Chris een tafel voor ons gereserveerd in het Kliphuis, een klein en naar verluid erg goed restaurantje net achter onze backpackers. En ze zijn net vandaag weer open gegaan, want ze waren een tijdje dicht. Hebben wij even geluk. Het is inderdaad erg knus, met maar een paar tafels en een open haard. Op de menukaart staan aardig wat beesten die we de afgelopen weken hebben mogen bewonderen. Wij kiezen voor de pasta van de dag, plus een overheerlijk nagerecht.


Zaterdag 2 juli 2005


Vanochtend staan we vroeg op. Zo rond kwart voor zeven vertrekken wij samen met Chris naar de Valley of Desolation. Zonder ontbijt, zo heeft Chris besloten. Dat kunnen we nog wel nemen als we weer terug zijn. Het is de bedoeling dat we daar voor zonsopkomst aankomen. Gelukkig gaat de zon hier momenteel niet heel vroeg op. Bovendien gaat het park, waar de vallei deel van uitmaakt, pas om zeven uur open.

Onderweg zien we nog een aantal beesten, waaronder de zeldzame bergzebra, niet te verwarren met de veel gangbaarder Burchell’s Zebra. Ze zijn wat lastig op de foto te krijgen, als het nog halfdonker is. We kunnen kiezen. We kunnen de zon nu zien opkomen boven de bergen, dan in de auto springen en een paar minuten later de zon zien opkomen boven de vallei, of we kunnen meteen naar de vallei gaan om daar op de zonsopgang te wachten. Uiteraard willen we allebei. Chris rijdt ons eerst naar het uitzicht over de bergen. Hij parkeert de auto en wij lopen nog een klein eindje verder. Vanaf ons uitzichtspunt heb je een prachtig uitzicht over de hele stad, een grote circel die voor een groot gedeelte de stroming van een rivier volgt. In de verte zien we dat de zon er aankomt. We moeten nog een paar minuten wachten, maar dan zien we de eerste zonnestralen over de stad glijden. En over het stuwmeer daar niet ver vandaan.

Wij spoeden ons terug naar de auto. Nu mogen we naar de vallei. Het is niet veel verderop. We hollen bijna over het bospad naar ons uitzichtspunt. De Valley of Desolation bestaat uit een aantal fraaie rotspilaren die door de erosie grillig gevormd zijn. Het lijken wel stalagmieten waar iemand vergeten is een grot omheen te bouwen. Vooral in het nog rode licht van de zonsopkomst liggen ze er prachtig bij. De favoriete tijdstippen om hier te komen zijn dan ook bij zonsopkomst en bij zonsondergang. Katrin uit Port Elizabeth had ons al ten sterkste aangeraden om hier bij zonsopkomst te komen. Dan is het het mooist. Bij zonsondergang komt de zon eigenlijk van de verkeerde kant.

Zoals afgesproken komt Chris een paar minuten later achter ons aan met koffie. We krijgen er een rusk bij. Op z’n Afrikaans heet dat beskuit, maar het is geen beschuit. Het lijkt meer op de Italiaanse biscotti, maar dan wat dikker en voedzamer. Zeer geliefd en typisch Zuid-Afrikaans tussendoortje dat ook kan dienen als ontbijt. Dat vinden wij leuk, want we hebben ze nog niet gehad. Het is de bedoeling dat je ze in de koffie doopt, vindt Chris. Dat vinden wij ook, want anders kom je helemaal niet door die dingen heen.

Aan de rotsen voor ons bungelen een paar bavianen. Met onze verrekijkers kunnen we ze wat beter bekijken. Geinig gezicht. Binnen de kortste keren tellen we een baviaan of tien. Je kunt die beesten hier horen gillen. We wachten rustig af totdat de zon nog wat hoger staat en hollen ondertussen opgewonden heen en weer van het ene uitzichtspunt naar het andere. Er zijn hier nog wat mensen, maar niet veel. We kunnen ook nog een wandeling maken over de berg heen waar we nu op staan. Doen we. De wandeling duurt ongeveer een uur, maar Chris zegt dat we vooral de tijd moeten nemen. Verderop zijn er nog meer mooie uitzichten, nu meer over de valleien en de bergen in de verte. We zitten aan de rand van de woestijn. Eigenlijk is het hier al semi-woestijn. In de zomer is het niet ongebruikelijk als het een graadje of 42 wordt, heeft Chris al verteld. En in de winter kan het behoorlijk koud worden, vooral omdat we toch vrij hoog zitten. Vanochtend om 5 uur vroor het in Graaff Reinet zelfs twee graden. Maar nu de zon op is, is de temperatuur weer aangenaam.

Na anderhalf uur zijn we weer terug. Ik wandel nog even terug naar ons eerste uitzichtspunt, om dat bordje op de foto te zetten waar in uitermate komisch Afrikaans op staat dat je hier geen stenen naar beneden mag gooien. Op de terugweg raak ik prompt de weg kwijt. Dwars door de rimboe weet ik mij uiteindelijk weer een weg terug te banen naar de auto. We rijden terug en zijn tegen een uur of tien weer thuis. Dat is duidelijk later dan de vrouw des huizes verwacht had. Dan kunnen we nu eindelijk uitgebreid gaan ontbijten.

Het is een drukke dag. Na ons ontbijt willen we nog even in het stadje rondkijken. En we willen vanmiddag eigenlijk ook nog een eindje fietsen, op de fietsen die Chris verhuurt. Hij laat ze al vast klaar maken voor ons gebruik. Het zijn twee heuse mountain bikes. Chris en Almut moeten straks zelf even een tijdje weg, maar het hulpje zal ons met de fietsen er uit laten, als we daar aan toe zijn.

We gaan nog even rondkijken. De kerk is vandaag helaas gesloten. Dan proberen we het maar bij het huis Reinet, waar we eerder deze week al voor een dichte deur stonden. Dat lijkt nu even weer het geval, maar het valt mee. We krijgen meteen een voordeelkaartje aangesmeerd voor drie musea in de stad. Plus het advies om eerst maar eens naar de Old Residency te gaan, want dat gaat over minder dan een uur dicht.

De oude residentie bevindt zich schuin tegenover het Huis Reinet. We worden ontvangen door een vriendelijke doch ietwat gestresste mevrouw. Ze moet hier de kaartjes van iedereen controleren en tegelijkertijd nog mensen rondleiden ook. Druk druk druk. Of we even een momentje hebben terwijl zij eerst een groep wegwerkt. Goed. De residentie is een ietwat merkwaardige ratjetoe van nogal uiteenlopende collecties. Zo hebben we in de kamer rechts allereerst een kleine collectie van het werk van een beroemde Zuid-Afrikaanse houtbewerker. Het is haast niet te geloven wat die man allemaal kon met hout, laat mevrouw ons weten. Veel van de kasten en stoelen die hier staan zijn ook niet eens van een uniek soort hout, want de man was gewoon in staat om al het hout te verwerken dat hij maar in handen kreeg. Wij knikken vol bewondering. Een zaal daar achter is weer gewijd aan de belevenissen van iemand anders in de Tweede Wereldoorlog. Verder zien wij veel over de oorlog tussen de Boeren en de Engelsen.

Verreweg de leukste zaal is die in het midden. De muziekkamer. Daar staan nog een aantal oude muziekdozen en koffergrammofoons. Mevrouw demonstreert zelfs nog twee muziekdozen als er weer een groep aan komt waaien. Het zijn wel hele bijzondere muziekdozen, voorlopers van de koffergrammofoon. Deze hebben ook al grote metalen platen die op de muziekdoos worden gelegd. De gaatjes die in de platen zitten worden afgetast door de metalen pinnetjes op de muziekdoos. Aan de draaitafel draaien en er ontstaat muziek. Precies hetzelfde principe als de CD-speler dus eigenlijk.

De zaal daar weer achter noemt mevrouw zelf maar de Africana. Dat zijn speerpunten en soortgelijke gebruiksvoorwerpen van de autochtone bevolking, die hier zijn aangetroffen bij een verbouwing. Zo vindt je nog eens wat. Als laatste, ook een belangrijke attractie van het museum naar het schijnt, vinden wij de zaal met antieke geweren en ander schiettuig. Het kan ons niet bijzonder boeien, maar anderen duidelijk wel.

Nu we de Oude Residentie hebben afgewerkt, mogen we terug naar het Huis Reinet. Dat was oorspronkelijk de woning van de dominee, zo leren wij. Inmiddels is het, deels heringericht, geopend voor het publiek. En herbouwd ook, want een jaar of 20 geleden was het huis volledig afgebrand. Het Huis Reinet is ook in het gelukkige bezit van een van de oudste wijngaarden. Maar eerst moeten we het huis bekijken. Dat is best wel aardig, met veel 19e eeuwse meubelen en tegeltjes met stichtelijke teksten, ook in het Nederlands. In de kelder zijn nog wat specifiekere tentoonstellingen, bijvoorbeeld van de gezondheidszorg en het onderwijs in die periode. Komisch is ook de klok die de dominee aan de gemeente kado had gedaan omdat de man zich er zo aan irriteerde dat iedereen zat om te kijken naar de klok boven de uitgang om te kijken hoe lang het nog ging duren, net op het moment dat hij in de climax van zijn preek zat. Dan maar een extra klok boven de preekstoel. Preken duurden in die tijd twee uur.

Buiten is nog een watermolen die met een muntje aan de gang kan worden gezet, een kleine tentoonstelling over een soort van illegaal gestookte jenever, het koetshuis en de tuin. Het is aangenaam weer. Tijd voor ons derde museum.

Het derde museum is de Oude Bibliotheek. Ook al weer zo’n gezellige ratjetoe. Het meest interessante hier is de zaal die gewijd is aan Robert Sobukwe, de oprichter van het PanAfrikaanse Congres, en geboren in het township in Graaff Reinet waar we gisteren geweest zijn. Sobukwe werd door de machthebbers onder huisarrest geplaatst op Robbeneiland. Een huisarrest dat steeds zonder duidelijke reden met een jaar verlengd werd, op basis van een wet die speciaal met dat doel was aangenomen, en die bekend stond als de Sobukwe-clausule. Er wordt beweerd dat de belangrijkste reden om de man in het gevang te houden was dat hij volgens de machthebbers veel te charismatisch was en als vrij man ongetwijfeld in staat zou zijn om een grote groep zwarten te mobiliseren en te organiseren. Sobukwe overleed aan kanker aan het eind van de jaren ’70. De oude bibliotheek huisvest verder nog een fossielenverzameling, een modeverzameling, een expositie van een pionierend fotograaf uit Graaff Reinet van een dikke honderd jaar geleden en een aantal wetenschappelijk verantwoord nageschilderde rotsschilderingen.

We zijn er door. We gaan terug naar huis om daar bij te komen en vervolgens op onze fietsen te klimmen. Chris en Almut zijn inmiddels ook weer terug. Chris zit vol spanning naar het rugby te kijken. Dat is de meestbekeken sport in Zuid-Afrika. Nou ja, door de blanken en kleurlingen dan. Onder de zwarten is voetbal verreweg het populairst. Bij twijfelgevallen werd die kennis ook gebruikt om te bepalen of iemand al dan niet als zwart werd ingedeeld, vertelde Xolile ons gisteren nog. Als iemand een voorkeur voor voetbal bleek te hebben, dan zal hij toch wel zwart zijn.

We bestijgen onze mountain bikes en peddelen de stad uit. Dat valt nog niet mee, want zo’n ding heeft wel overdreven veel versnellingen. En je moet zo raar voorover zitten. Maar langzamerhand krijgen we het steeds beter onder de knie. Toen we vanochtend naar de Valley of Desolation reden, heeft Chris ons nog een paadje gewezen dat mooi zou zijn om te fietsen. Om een berg heen en dan aan de andere kant op de hoofdweg weer uitkomen die ons weer de stad in zou moeten leiden. Dat gaan we proberen. Het pad blijkt niet geasfalteerd, maar heeft wel een stevige ondergrond. En aanzienlijk grotere hoogteverschillen dan we hadden verwacht. Maar we slaan ons er doorheen. Net op het moment dat we overwegen om weer terug te gaan, blijkt dat we al over de helft zijn. Nog maar even doorzetten dus, en bovendien gaat het vanaf hier grotendeels bergafwaarts. Af en toe komen we een hardloper tegen, of een auto.

Uiteindelijk komen we weer uit op de Kerkstraat, al heb ik dat pas later door. Beide banden van mijn fiets zijn aan de zachte kant, en Almut heeft ons al het advies gegeven om daarmee langs te gaan bij het pompstation. Zelf hebben ze namelijk geen fietspomp. En bij de benzinepomp hebben ze een apparaat waarmee je niet alleen handig je autoband kunt oppompen, maar ook je fietsband. De omstanders vinden het ook wel komisch. Erg handig, zo’n automatisch pompje. Gisteravond zagen we bij een pompstation al mensen die een compleet tweepersoons luchtbed aan het opblazen waren.

We zijn weer terug in de stad en maken nog een rondje door een wat rustiger woonwijk. Mooie huizen. Het Travellers’ Cafe is helaas gesloten. We komen uit bij een hotel dat bestaat uit een complete straat met felgekleurde huizen en een grote cactustuin aan de overkant. Die tuin is helaas ook al dicht. Dan maar weer terug naar onze Backpackers. Chris vindt dat we vroeg terug zijn.

In de avond gaan we op zoek naar de bioscoop. Er schijnt hier, niet ver van ons vandaan, een kerk te zien die is omgebouwd tot bioscoop en waar één tot twee keer per week een film wordt vertoond, op vrijdag en zaterdag. We zijn benieuwd. Het adres dat in de Lonely Planet staat lijkt niet te kloppen, want daar vinden we alleen maar pompstations. We lopen nog maar eens terug naar onze kamer om in de Lonely Planet te kijken of dat adres klopt. Dat blijkt het geval. Maar op het kaartje is onze bioscoop ergens anders ingetekend. Daar nog maar eens proberen. En inderdaad, op een straathoek, onmiskenbaar een witte kerk, daar is onze bioscoop. Die overigens gedurende de ganse schoolvakantie gesloten is. Nu dus ook.

Voor vandaag heeft Chris ons de Spur aangeraden om te gaan eten. De Spur blijkt een keten van steakhouses voor de hele familie. Met sappige biefstukken en hamburgers. Ergens op de kaart blijkt zelfs nog een vegaburger verscholen voor de vegetarische medemens. Naar keuze mogen we bij onze hamburger ook twee warme groentes nemen. Tegen geringe meerprijs kunnen we genieten van de salad bar. Zo bij elkaar smaakt het eigenlijk toch nog wel prima. Na het eten drinken we een kopje koffie in een kroeg een paar straten verderop. Gezellige boel.

Terug bij Graaff Reinet Backpackers spreken we Chris over onze plannen van de komende dagen. Hij loopt weer vol van suggesties, tips en dingen die we absoluut zouden moeten gaan doen. Uiteindelijk is de man toch wel erg aardig, besluiten wij. Al kunnen zijn adviezen soms dat dwingend overkomen. Een paar dagen geleden heeft hij ook al een taxi voor ons gereserveerd die ons morgen weer in Port Elizabeth zal brengen. Toen dachten we nog dat we om twaalf uur op de luchthaven moesten zijn, waar de deeltaxi speciaal voor ons rekening mee zou houden. We hadden dan ook een tikje eerder moeten vertrekken. Inmiddels hoeft dat niet meer, omdat we overmorgen pas een vlucht hebben. Chris heeft al een paar pogingen gedaan om de chauffeur te bereiken en hem te vertellen dat we later kunnen vertrekken. Maar dat is niet gelukt. Geeft ook niet. Dan ontbijten we morgen gewoon om zeven uur, en worden we om half acht opgepikt.