Zondag 19 juni 2005


Omdat we de afgelopen dagen wel heel hard hebben gereisd, zijn we wel aan wat rust toe. Bij deze. We slapen uit en klooien de hele ochtend maar wat aan. Het is mooi weer, en op het picknickbankje voor onze kamer zitten we in het zonnetje wat te lezen. Aangenaam. Deze plek is toch zo gek nog niet.

We wandelen eens het dorpje in. St. Lucia is een blanke, toeristische enclave in een gebied dat verder vrijwel helemaal zwart is. Af en toe heeft het haast net iets teveel van een Spaanse badplaats. Het meest valt te beleven op MacKenzie street, de straat waar wij ook zitten. Daarachter liggen wat rustiger straatjes, die ook volledig gevuld zijn met vakantiekampen, bed & breakfasts en meer van dat soort dingen.

St. Lucia ligt op een landtong met de Indische Oceaan aan de oostkant, en een groot langgerekt meer aan de westkant. Het maakt deel uit van een uniek natuurgebied, op de Unesco werelderfgoedlijst, omdat hier op een relatief klein gebied vijf ecosystemen zijn: zee, duinen, meer, moeras en savanne. De hoeveelheid flora en fauna is dan ook enorm.

We informeren bij wat reisbureautjes wat daar de mogelijkheden zijn voor dagtochten. Al te veel concurrentie lijkt er niet te zijn. Iedereen biedt vrijwel dezelfde toers aan, met variërende mate van vriendelijkheid, sommigen lijken het zelfs wel zo makkelijk te vinden als je je toer ergens anders boekt. Prijsverschillen zijn er ook nauwelijks, dus besluiten we om alles maar gewoon bij de BiBs zelf te boeken. Wel kopen we ergens alvast twee kaartjes voor de rondvaart van vanmiddag drie uur. Daarna gaan we eerst weer terug naar onze kamer om bij te komen van deze enerverende belevenissen.

Tegen half drie melden wij ons al bij de steiger. Wel wat vroeg. Kunnen we mooi nog even onze verrekijkers uitproberen. De steiger ligt net achter BiBs, en er liggen al twee boten te wachten die om drie uur allebei uitvaren. We komen een Nederlandse man tegen van al wat gevorderde leeftijd waar we mee aan de praat raken. Hij en zijn vrouw blijken acht maanden op reis. Ze zijn met hun auto vanuit Utrecht vertrokken en via oostelijk Afrika hierheen gereden. Ze zijn zeven weken in Zuid-Afrika. Morgenochtend gaan ze op walvisvaart. Dat zijn wij ook nog van plan, later deze week. Bij deze rondvaart blijken ze op de andere boot te zitten.

We stappen op Fanna’s, onze rondvaartboot, die langzaam wat voller begint te lopen. Langs de kanten staan kuipstoeltjes, met ook aan de binnenkant nog twee rijen kuipstoeltjes. De boot is lang niet vol. De schipper, achter op de boot, doet ook dienst als gids. Wanneer er dieren gesignaleerd worden, wordt dat doorgegeven door de positie van het beest ten opzichte van de boot aan te geven. Daarbij is twaalf uur recht voor de boot, zes uur recht achter de boot, drie uur rechts haaks op de boot, en zo verder.

We varen uit. Aanvankelijk worden er vooral veel vogels gesignaleerd. Op de wal liggen twee krokodillen van een paar meter lang, die we ook tot op een paar meter mogen naderen. De beesten liggen er bewegingsloos bij. Krokodillen en nijlpaarden vormen de belangrijkste attractie van het meer en deze rondvaart. Inderdaad, nijlpaarden. De eersten zien we na een tijdje varen. Hun ogen komen nog net boven het wateroppervlakte uit. Dan duiken ze onder en blijven daar zo’n anderhalf tot vijf minuten. In het meer hier drijven ongeveer duizend nijlpaarden. Er zitten een slordige 1500 krokodillen van meer dan anderhalve meter, tot een maximum van ongeveer vijf.

Die nijlpaarden, dat lijken op het eerste gezicht goeiige lobbessen. Niets is minder waar. Als het ‘s avonds donker wordt, komen de beesten het water uit om gedurende de nacht hun maaltje bij elkaar te scharrelen, bestaand uit zo’n veertig kilo gras. Als iemand dan de weg terug naar het water blokkeert, dan gaat zo’n beest volledig door het lint. Dan komt het achter je aan en blijft het je ook achtervolgen, zelfs als je netjes een stapje opzij doet. De enige hoop op redding is dan om in een boom te klimmen. En het dier loopt ook nog eens 50 kilometer in het uur. Van alle mensen die in Afrika door toedoen van wilde dieren om het leven komen, is 60% het slachtoffer van een nijlpaard. Alleen de mug maakt meer slachtoffers. Op diverse plaatsen in St. Lucia staan dan ook borden met waarschuwingen voor nijlpaarden.

Wij varen langs nog een paar groepjes nijlpaarden. Dan zien we er een stuk of tien aan de kant staan. Dat is een meevaller, want normaal gesproken dobberen ze overdag alleen maar wat rond, om koel te blijven. Maar omdat het winter is, en laat op de dag, willen ze nog wel eens eerder uit het water komen. Fraai gezicht.

We varen nog wat verder, zien nog wat nijlpaarden, een paar krokodillen en veel vogels. De zon gaat onder. We varen terug naar de steiger.

Langs de weg buitelen een paar apen, de vervet monkeys ofwel meerkatten. Wij maken enthousiast foto’s. De apen schijnen erg veel voor te komen. De andere toeristen slaan er tenminste nauwelijks acht op.

Achter de BiBs is een restaurant annex zwembadcomplex. Für Elize. We gebruiken er ons diner. Het is nog rustig. Om in de stemming te blijven bestel ik de krokodillencurry. Ik geloof toch niet dat krokodil mijn favoriete vlees gaat worden. Maar het kan ook aan de curry liggen. We komen wat laat in bed, maar om tien uur slapen we dan toch.


Maandag 20 juni 2005


Vanochtend maken we gebruik van de gratis ochtendwandeling van de BiBs. Dat stelt nog een stuk meer voor dan wij dachten. Met een man of vijftien klauteren we achterin de van banken voorziene laadbak van een pick-up. We rijden naar het begin van de savanne, niet ver van de BiBs. De gids heeft ons aangeraden een korte broek en slippers aan te trekken, omdat het nogal vochtig is waar wij heen gaan. Dat van die slippers vinden wij achteraf niet zo’n goed idee.

Wij sjokken achter elkaar aan door het hoge nog vochtige gras. De gids wijst ons op een groot mierennest in een boom. Het ziet er meer uit als een vogelnest, maar na wat porren met een tak komen er inderdaad de wereld aan mieren naar buiten gekrioeld. De beestjes zijn vrij agressief, beweert de gids. Als je ze pest, komen ze met z’n allen naar buiten en gaan ze alles bijten wat ze tegenkomen. We gaan maar eens verder.

Dan zien wij voor ons een groepje impala’s. In heel Zuid-Afrika wemelt het van de impala’s, zo schijnt het, maar dit zijn onze eersten en we vinden het wel fraaie beesten. Hier in het park zitten eigenlijk maar heel weinig impala’s, zo wordt ons verteld, omdat de ondergrond eigenlijk te zanderig en instabiel is voor de beestjes. De impala’s behoren tot de antilopes, waarvan er in Zuid-Afrika tientallen soorten rondlopen. Onze herten en reeën behoren ook tot de antilopes, zo vermoed ik. Er is tenminste duidelijke overeenkomst waarneembaar.

Even verderop signaleren wij wrattenzwijnen. Een redelijk groepje. Guitige beestjes, de dames met twee slagtanden, de heren met vier. De beesten zijn beroemd geworden door hun rol in de Lion King, en als ze lopen houden ze hun staart recht in de lucht. Komisch.

We gaan weer verder. Onze eerste zebra’s. Burchell’s zebra, niet te verwarren met de bergzebra, die een stuk kleiner en zeldzamer is. Het park is ruim voorzien van de zebra’s. Vlak naast de zebra ontwaren wij het wildebeest, in het Nederlands beter bekend als gnoe. Beetje een gedrocht, met overdreven hoge schouders. Waterbokken, een andere antilope, maken ook nog deel uit van hetzelfde tafereel.

Wat verderop nog een groepje zebra’s, en nog dichterbij ook. Dankbaar maken wij foto’s. Het laatste beestje waar de gids ons op wijst is de mestkever. Een flinke jongen, die een cruciale rol speelt in de kringloop van de savanne. Hij kan vliegen. De kever gaat van hand tot hand.

We sjouwen weer terug naar onze pick-up, en na die wandeling van twee-en-een-half uur beginnen mijn slippers wel behoorlijk te irriteren. Rond elven zijn we terug in de lodge. We kuieren wat later het dorp weer in. Bij Beach Bums gebruiken we de lunch, op het terrasje onder een afdakje. Ze hebben hier pannenkoeken, zowel hartig als zoet. We nemen van allebei een portie. Plus een verse vruchtensap natuurlijk.

Op hetzelfde plein is ook een pinautomaat. Opnieuw stoppen wij onze pas er in, om vervolgens op cancel te duwen. Niks aan de hand. Op en rond de pinautomaat staan ook op alle mogelijke plekken en manieren waarschuwingen om voorzichtig te zijn en geen hulp van vreemden te aanvaarden. Zelfs op het beeldscherm zelf. Als we klaar zijn en nog met het geld in onze handen staan, duikt een zwarte man achter ons op die beweert dat we ons pasje nog eens in het apparaat moeten steken en dan op cancel moeten duwen om de transactie te beeindigen. Dat hebben we al gedaan, probeer ik maar eens. Nee, nee, dat moeten we nog eens doen. Kijk maar, zegt de man terwijl hij op het scherm wijst, net als daar weer de waarschuwing opduikt dat wij geen hulp van vreemden moeten aanvaarden. Er duikt nog een man op die zijn verhaal bevestigt. Wij geloven het wel en maken ons uit de voeten.

Voor de middag staat er alweer een toer op het programma. Dit keer gaan we naar de Wetlands Eastern Shore, een gedeelte van het natuurgebied. We vertrekken om drie uur ‘s middags. Onze gids rijdt keurig op tijd voor. Shawn, stelt hij zich voor. Type ietwat gladde jongen, gebruinde veertiger met behaarde armen en blonde lokken quasi-nonchalant naar achter gekamd. Als Shawn iets vertelt, dan klinkt het bij vlagen ietwat uit het hoofd geleerd. Shawn legt uit wat de bedoeling is. We rijden over de savanne naar Cape Vidal. Dan rijden we weer terug als het al donker is, om van het nachtleven te genieten.

We nemen plaats op een open Landrover, waarvan de achterkant voorzien is van drie banken. We beginnen op de plek waar we vanochtend onze wandeling hadden, en rijden dan dieper de savanne in. Er zijn weer veel dieren. We zien nu ook de kudu, een groter type antilope. Er staat er zelfs eentje vlak langs de weg, die zich ook nog gewillig laat fotograferen. De kudu heeft bijzonder fraaie hoorns, spiraalvormig. Verder zien we veel antilopes, de reedbuck, de waterbuck, en af en toe een duiker, de kleinste van het stel. In het Nederlands schijnt het beest een dik-dik te heten. De waterbuck, waterbok, schijnt nogal te stinken en daardoor niet heel veel last te hebben van vijanden. Het beest heeft een witte halve ovaal op zijn achterwerk. Het verhaal gat dan ook dat het als eerste de Ark van Noach betrad, toen de toiletbril nog niet helemaal droog was. Ook komen er weer wrattenzwijnen langs.

Verderop in de bush, als we van de asfaltweg af zijn, de meest spectaculaire sighting van de middag: neushoorns! Ineens duiken ze op, rechts in het gras, met z’n drieën, twee grote en een kleintje, de hele familie. Ik denk nog even dit dat wel hele grotte wrattenzwijnen zijn, maar het zijn dus neushoorns. Witte neushoorns. Niet te verwarren met de zwarte neushoorn, die ook grijs is, net als de witte. De witte neushoorn is eigenlijk de ‘wide’ neushoorn, omdat hij zo’n brede bek heeft, waarmee hij het gras oppeuzelt. Net een grasmaaier, volgens Shawn. De zwarte neushoorn eet vooral bladeren, en heeft zo’n brede bek dus helemaal niet nodig. We houden een korte stop en krijgen een glaasje vruchtensap.

We naderen Cape Vidal. Het loopt tegen vijven. In dit gebied huist de zeldzame Samonga (geloof ik) aap, en we zien een paar exemplaren. Al is het beestje dan ook zeldzaam, hier zie je ze veel. We komen aan bij het strand. Mooi uitzicht. Spectaculaire golven. De Indische Oceaan. We krijgen van Shawn ruim twintig minuten voor een strandwandeling, dan kan hij mooi een sigaretje roken en onze Landrover klaar maken voor de night drive.

Als we om twintig over vijf vertrekken, is het al beginnen te schemeren. En de duisternis valt hier snel. Er is nu een doorzichtig plastic zeil aangebracht tussen het dak van de cabine en het dak van ons compartiment. Tegen de kou. Met een flink zoeklicht speurt Shawn de velden en de bomen af, op zoek naar levende have.

Na nog geen half uur het meest spectaculaire moment van de dag. Met afstand. In het bos net links van ons op een heuvel net naast de weg, lichten twee oranje ogen op. Een luipaard! Ook Shawn is ademloos. Het luipaard lijkt even verdwenen maar duikt dan even verderop weer op, argwanend naar ons kijkend, midden in het zoeklicht. Shawn rijdt een klein stukje achteruit, om het beest nog beter te kunnen zien. Het spotten van een luipaard is zo ongeveer de droom van elke safari-ganger, zo leren wij later. Het beest is op zich niet zeldzaam, maar er eentje zien, dat gebeurt maar zelden. Sowieso is de enige kans ‘s nachts, want overdag houdt hij zich verborgen. Shawn vraagt zich meermalen af of wij ons realiseren hoeveel geluk wij hebben. Dit is zijn 65e luipaard, in 10 jaar tijd. De laatste die hij zag was twee tot drie maanden geleden. We blijven het beest nog een kwartiertje bestuderen, dan moeten we helaas verder. In dit gedeelte van het park mogen we ons na zes uur niet meer ophouden.

Nog lang onder de indruk van het luipaard rijden wij verder. De andere dieren doen nu wat gewoontjes aan. To the left we have another reedbuck. And to the right we have another waterbuck. Shawn observeert vrolijk verder. Na een flink eind doorrijden nog een bijzondere waarneming. Daar loopt een nijlpaard, in zijn eentje doodgemoedereerd over de savanne, op zoek naar goed gras. Zo’n zeven, acht kilometer van het water, constateert Shawn. Soms worden de beesten gesignaleerd op veertig tot vijftig kilometer van hun waterverblijf.

Het is tijd voor een korte pauze. Shawn heeft voor ons een kopje thee of koffie mee. We kiezen voor een kopje thee, geschonken in een aluminium kop, waar zo te proeven ook al eens koffie in heeft gezeten. Shawn steekt er nog eentje op. We moeten maar niet al te ver van de auto vandaan gaan.

De reis gaat verder. De weg wordt slechter. We rijden op een zandpad, al is van pad af en toe nauwelijks nog sprake. En van zand eigenlijk ook niet. Af en toe liggen er bomen langs of over de weg, die aanvankelijk door Shawn nog handig ontweken worden. We kunnen nog net onder een omgevallen boompje door. Even verderop moet Shawn uitstappen om een ander boompje opzij te leggen. Nog wat verder is er helemaal geen doorkomen meer aan. We keren om en nemen een andere afslag. Shawn rijdt over iets heen waarvan de auto nogal vreemde geluiden gaat maken. Dan is de weg weer geblokkeerd. Twee weken geleden is er een flinke storm geweest, legt Shawn uit. Wij komen eigenlijk in dit gedeelte van het park omdat hier de bushbabies zich graag ophouden. Ook bushbabies zijn nachtdieren en zien er uit als iets van een kruising tussen een aap en een vleermuis. Hier en daar zien we hoog in de bomen twee bushbaby-oogjes ons priemend aankijken. Maar tot het echt waarnemen van het beestje komt het niet. Ach. Een mens kan niet alles hebben.

Later zien we nog een buffel, heel in de verte, nog maar net identificeerbaar. En Shawn beweert nog een caret te zien, een katachtige. Verder hebben we natuurlijk nog onze reedbucks, waterbucks, duikers en kudus. En hier en daar een zebra. Shawn is niet meer te houden. Zelfs als we het park al uit blijft hij met zijn zoeklicht sporen naar tekenen van leven, tot diep in het dorp. Net buiten het park zien we nog een zebra naast een verkeersbord. Dat vinden we wel komisch. Keurig om negen uur worden we weer afgeleverd bij de BiBs. Niet veel later gaan we naar bed.


Dinsdag 21 juni 2005


Voor vanochtend staat er alweer een toer op het programma. Wij gaan opnieuw dieren zien. Wij worden verzocht ons om tien over zes te melden bij het vertrekpunt, een kleine kilometer verderop op MacKenzie Street. Vanochtend gaan wij walvisvaren, en blijkbaar moet je daar vroeg bij zijn. De toer is redelijk gevuld, met een man of 14. Het is ook van de belangrijkste attracties van het dorp deze tijd van het jaar. Het walvisseizoen loopt van juni tot november, wanneer de dieren op trektocht zijn. Wij gaan zeker walvissen zien, anders krijgen we ons geld terug.

Het is een heel spektakel. Wij nemen plaats op een boot met platte bodem, terwijl de boot nog in de straat staat, op een aanhangwagen achter een tractor. Als de tractor Moby Dick had geheten, dan hadden we dat op zich heel logisch gevonden, qua walvissen en zo. Maar het ding heet Moby’s Dick en volgens ons betekent dat toch iets heel anders.

Op het midden van de boot zijn bankjes, met voor ieder een eigen zitting. Iedereen wordt ten hoogste geadviseerd om zijn of haar bagage in de bergruimte onder zijn of haar zitting weg te stoppen, waar het min of meer waterdicht is. We krijgen allemaal een zwemvest om en een flinke zuidwester aan. Inmiddels staan we op het strand. Daar staan een paar man hulp klaar. We mogen nog even van de boot af. Dan volgt een peptalk van de schipper. Dit is geen pleziercruise. Wij gaan op walvisexpeditie. Wij zullen nat worden en af en toe zal het er heftig aan toe gaan, vooral bij de tewaterlating. Wie zwakke botten heeft kan dat nu nog melden. Wie zwakke botten heeft en dat zelf niet weet, komt daar vanzelf achter.

Vanaf de tractor wordt ons bootje in de zee gekieperd. Dat gaat inderdaad wat onstuimig. Carina heeft het geluk achter in de boot te zitten en komt tot haar enkels in het water. Of nog verder eigenlijk. Na wat kieperen en schutteren maken beide motoren vaart en klappen we de golven op en neer. We maken eerst flink vaart. De schipper zit boven, hoog en droog. Wij beneden. Iemand gaat voor op de boot zitten. Als je daar blijft zitten, wordt je kleddernat, waarschuwt de schipper.

De eerste walvissen worden gesignaleerd. Tenminste, ergens in de verte wordt een beweging in het water waargenomen die duidt op de aanwezigheid van walvissen. We zetten koers in die richting. Dan zien we een deel van de beesten boven water komen. Het zijn heuse bultruggen. Blij proberen we ze op de foto te krijgen. Dat lukt niet erg. Deze exemplaren zijn ook niet heel boot-vriendelijk, vindt de schipper.

Even verderop zien we weer een groepje. Snel varen we er heen. Deze laten zich wat beter zien. Een paar gaan zelfs met hun staart zwaaien. Het kan niet op. Nou ja, de spectaculaire sprong waarbij de bultrugwalvis volledig het water uitkomt, die wordt ons onthouden. Het is niet anders, laat de schipper weten. Hij kan ons wel de walvissen laten zien, maar hij kan ze niet voor ons laten springen. Wij vinden het al lang mooi.

We zijn al weer twee uur op zee, dus is het tijd ons terug te spoeden. Wij worden verzocht ons allen maar weer vast te houden. Als we bij het strand aankomen wordt dat verzoek nog eens met klem herhaald. Wij gaan nu het strand opvaren. Wij zetten ons schrap, de motoren beginnen te loeien en in volle vaart varen we recht op het strand af om daar met de nodige schokken keurig op te glijden. Wij worden weer op de tractor gehesen en rijden terug naar het startpunt.

Als we terug zijn in de BiBs is het amper elf uur, maar wij hebben er al weer een hele dag op zitten. Het weer is vandaag iets minder, tot nu toe hadden wij altijd een strakblauwe lucht, maar nu pakken wat wolken zich samen. Als lunch gebruiken wij twee porties spaghetti met tomatensaus, persoonlijk uit het blik gehaald en in de magnetron opgewarmd in de grote keuken. Het smaakt best wel en je kunt je kunstgebit er voor thuis laten.

We maken weer een rondje door het dorp voor wat inkopen. En om opnieuw te pinnen. Deze keer verloopt die operatie zonder interventie van derden. We zijn op zoek naar vervoer naar Eshowe voor overmorgen. Er schijnt hier een fotozaak te zijn die transfers heeft naar Richard’s Bay, een plaats die al een redelijk eind in de goede richting ligt. Na een flink eind sjouwen hebben we de fotozaak gevonden. Die blijkt momenteel op lunchpauze, voor de deur hangt een briefje dat men een half uur geleden terug zal zijn. Dat schiet dus ook niet op. We vinden wel een telefoonnummer met meer informatie over de transfer.

Terug in de BiBs bellen we. Helaas, de transfer blijkt nogal prijzig, en gaat uit van een auto vol met vier personen. We moeten er toch nog maar eens over denken, vindt de man aan de lijn. Dat beloven wij.

Een ander alternatief is de Baz Bus. Dat is een bus voor rugzakkers die de min of meer standaardroutes rijdt waar rugzakkers zoal heen plachten te gaan. Voordeel is dat je wordt gehaald en gebracht bij het backpackersonderdak van je keuze. En je kunt net zo vaak uitstappen en weer opstappen als je zelf wil. Nadeel is weer dat dat alleen handig is als je echt alleen maar met die bus wil reizen en dat willen we zeker niet. Bovendien rijdt de bus niet elke dag en is ie vooral op kortere stukken nogal prijzig.

Maar overmorgen rijdt de Baz bus dus wel. We informeren bij de receptie naar de prijs. Met het boeken kunnen we beter nog even wachten, vindt iemand bij de balie. De bus is immers nogal prijzig en misschien komen we iemand anders met een huurauto tegen die ook naar Eshowe gaat.

Inmiddels pakken donkere wolken zich samen boven St. Lucia. Als we al weer terug zijn in de lodge begint het zachtjes te regenen. Het is dan een uur of vier. Al snel begint het behoorlijk te regenen. En niet lang daarna zitten we in een flinke bui. Nogal ongebruikelijk voor de tijd van het jaar. Het hoort hier eigenlijk alleen maar in de zomer te regenen, en nauwelijks in de winter. Gelukkig hebben we niets gepland voor de rest van de dag. Sterker nog, ons diner gebruiken we vanavond in de BiBs, waar de traditionele bunny chow wordt aangeboden tegen geringe meerprijs.

Bunny Chow is een soort van Indiaas gerecht, maar dan met een Zuid-Afrikaans tintje. Eenvoudig en lekker. Men make een curryprutje met de suikerboon als basis. Flinke tijd laten sudderen. Men neme vervolgens een half witbrood, ongesneden. Het binnenste van dat brood wordt met een mes voorgesneden. Niet te krap langs de korstjes. Met de hand wordt die binnenste broodmassa vervolgens uitgegraven. Het aldus ontstane bakje wordt gevuld met een paar flinke scheppen van het eerder genoemde curryprutje. Met de handjes eten, te beginnen met het brood dat eerder uitgegraven is. Smullen.

Het valt nog niet mee om zo’n ding op te eten. Het handigste is, zo merken wij, om van boven naar beneden te werken, stukken brood van de zijkant te trekken en die in de curry te dopen. Maar als je broodbakje aan de onderkant lek raakt, dan heb je wel een probleem. Toch maar een vork er bij.

We zitten aan een van de hoge tafels bij de bar te eten, onder een afdakje, samen met een Engels stel, net afgestudeerd en nu acht maanden op reis over het zuidelijk halfrond. Het regent nog zachtjes. Alles begint nu toch wat nat te worden. Mijn fleece-jas bleek toch een flinke plens water te hebben meegekregen in het opbergruim van de walvisboot. En ook onze broeken hangen al aan ons waslijntje op de kamer te drogen. Later op de avond gaat het ook weer harder regenen. Wij gaan op tijd naar bed, want morgen mogen we weer vroeg op toer. In de keuken maken wij een lunchpakketje klaar voor morgen.


Woensdag 22 juni 2005


Het blijft een groot gedeelte van de nacht flink doorregenen. Om een uur of vier is het praktisch droog. Om half vijf gaat de wekker. Opstaan, wassen, ontbijtje. Ons ontbijt bestaat hier min of meer standaard uit ontbijtgraan met vruchtenyoghurt. Dat bewaren wij op ons eigen plankje in de koeling.

Om vijf uur staan we klaar voor de ingang van de BiBs. Daar meldt zich onze gids voor vandaag. Een zwarte man, dat is voor het eerst sinds Soweto. Jonge vent, kaal hoofd, baardje, baseball cap. We zitten opnieuw achterop een open Landrover. Onze bestemming vandaag: het Hluhluwe (spreek uit: Fsjloefsjloewie. Of zo iets)-Umfolozi Nationale Park. Ongeveer een uurtje rijden, maar onze gids belooft op de heenweg niet te hard te gaan, zodat wij geen kou zullen vatten.

Het begint wat lichter te worden als wij ons even na zessen melden bij de ingang van het park, dat dan net is geopend. De gids heeft onderweg al gevraagd wat wij allemaal al gezien hebben, en wat wij nog willen zien. Wij hebben nog giraffes, olifanten en natuurlijk leeuwen op ons verlanglijstje. Hij zal zijn best doen.

Hluhluwe-Umfolozi werd in 1895 gesticht en bestaat uit twee parken die inmiddels zijn samengevoegd. Inderdaad, Hluhluwe en Umfolozi. Het park beslaat 96000 hectare en is volgens iedereen eigenlijk mooier dan het Kruger park. Vandaar dat we Kruger maar links laten liggen.

Al snel nadat wij het park binnen rijden, is het raak. Daar staat een buffel, vlak langs de kant van de weg, ons nog vanuit het halfdonker aan te kijken. We zijn meteen wakker. Buffels leven bij voorkeur in grote kuddes, van soms meer dan duizend stuks. Maar af en toe gaat er ook wel eens een in zijn eentje op stap.

Verder zien we in eerste instantie vooral oude bekenden. Wat zebra’s. De koedoe. Impala’s. Wildebeest. Wrattenzwijn. Dat werk. Nieuw op het front is de nyala, ook een antilope, maar dan eentje die rondloopt op stokjes. Onder zijn knieen heeft het beest geen beharing op zijn benen, zodat daar wat oranje-achtige onderpootjes onder het verder vrij donkere beest uitsteken. Merkwaardig gezicht. Het heeft wel iets van een net ingevlogen Hollander die op een Spaanse boulevard voor het eerst zijn korte broek aan heeft. Het is een flink beest, in het algemeen vrij zeldzaam, zo lezen wij later. Maar hier in het park komen ze vrij veel voor.

We naderen onze eerste giraf. Niet eens zo ver van ons vandaan. Dit is al een behoorlijk oude giraf, weet de gids. Hij is namelijk behoorlijk donker gekleurd. Als de beestjes geboren worden, hebben ze nog een heel lichte huid. Door de jaren heen wordt die steeds donkerder. Het beest eet rustig en vreedzaam verder uit de kruin van een boom. Niet veel verderop staan nog een paar giraffes, ook wat kleinere.

We rijden verder. Hluhluwe is een mooi park, fraaie landschappen en flink wat hoogteverschil. Vaak ook flink wat begroeiïng, waardoor het lastiger is de dieren te signaleren. Wat verderop staat onze eerste olifant, verscholen in de bush. Hij is nauwelijks te zien, maar hij staat er wel degelijk. Af en toe piept net het wit van zijn slagtanden tussen het groen door. Waarschijnlijk is dit namelijk een mannetje; olifantenfamilies leven in grote groepen, alleen de mannetjes zijn vaak in hun eentje op pad.

We gaan verder. Het is best wel hard werken, zo’n safari. Je zit voortdurend in de bush en over de vlakte te turen of daar iets te zien is. En soms wil het wel eens een behoorlijke tijd duren voordat er dan iets te zien is wat de moeite waard is. Maar onze gids is iets op het spoor. We rijden nu over een vers zandpad en hier en daar ligt een flinke hoop olifantenmest. Hele verse olifantenmest en dat is te ruiken ook. Het beestje moet nog vlakbij zijn. Dan ineens duikt hij op, op de weg, recht voor ons, rustig van een boompje te eten. De gids vraagt van hoe dichtbij we hem willen zien. Hij rijdt een eindje achteruit, keert de auto, en rijdt dan achteruit terug naar de olifant. Op deze manier kunnen we ons snel uit de voeten maken mocht het beest problemen met ons hebben. Maar hij kijkt niet op of om. We staan nu nog maar een paar meter van de olifant en kijken zwijgend toe hoe hij aan het eten is. Bij nader inzien lijkt het beestje niet zo zeer van de boom te eten, maar eerder bezig te zijn om de hele boom weg te kauwen. De motor is afgezet en het is stil. Alleen horen we af en toe het kraken van hout terwijl meneer rustig aan het kauwen is.

Inmiddels staat er een andere auto achter ons. Twee Franse toeristen, aan hun accent te oordelen. Ze hebben een leeuw gesignaleerd, melden ze enthousiast, elders in het park. Het heeft voor ons niet zoveel zin om daar heen te gaan, oordeelt de gids. Hoogstwaarschijnlijk is hij al verdwenen tegen de tijd dat wij daar aankomen. Ook aan de andere kant van de olifant staat nu een auto. Na een tijdje observeren wil de gids weer verder. We draaien weer om. Alleen staat die olifant in de weg. Rustig, op een veilige afstand, wachten we af. Dat beest zou zo langzamerhand toch weer de bush in moeten gaan, vindt de gids. Het duurt nog even voordat de olifant het daar mee eens is en ver genoeg is doorgelopen zodat wij er weer veilig verder kunnen.

Niet ver voorbij de olifant staat een giraf, ook al midden op de weg. Giraffes zijn volstrekt niet agressief, zo schijnt het, en de gids heeft er dan ook geen problemen mee om er vlak langs te rijden. Het beest blijft nog even vlak voor ons lopen. Wat later zien we hem of haar van opzij.

We rijden verder. Voorlopig zijn er geen al te spectaculaire sightings meer te melden. Vlak voor een korte pauze zien we nog een groepje bavianen in het bos. Vanaf ons rustpunt hebben we een mooi uitzicht over de bergen met wat rotsen in de verte. Dan rijden we een andere kant van het park in. De weg is hier wat slechter. We slippen naar beneden naar een brug over een rivier. Mooie rivier trouwens. De gids stapt even uit om te kijken of we wat verderop door kunnen rijden. Dat is het geval. Een tegenligger in een normale auto wordt geadviseerd om maar niet de weg te nemen waar wij net vandaan komen.

Wij zien weer een tijdje weinig spectaculairs. Het is inmiddels ook al in de loop van de ochtends, en ‘s ochtendsvroeg schijnen veel dieren het actiefst te zijn. Maar dan zien we voor ons iets in de bosjes wegschieten dat ik van de plaatjes in het boek meen te herkennen als een wilde hond. De gids is het met mij eens. De wilde hond, in het Nederlands schijnt hij eigenlijk hyena-hond te heten, is zeer zeldzaam, en er lopen er waarschijnlijk maar een handjevol in het park rond. Een tegenligger even verderop meldt ook enthousiast dat hij een wilde hond gezien denkt te hebben. Waarschijnlijk was dat dezelfde die wij ook hebben gesignaleerd.

Het wordt tijd het park te verlaten. We rijden tussen een nieuwe troep bavianen door, waarvan een paar over de weg een eindje achter ons aan lopen. Heel in de verte, tegen een heuvel op, weet de gids nog een paar neushoorns te spotten. Met zijn verrekijker bewonderen we de beesten. Dan rijden we terug naar St. Lucia.

We zien de weg nu ook eens bij daglicht. Heuvelachtig, met veel dorpjes en bebouwing langs de weg en op de heuvels. De gids geeft onderweg nog een lift aan een bekende van hem, die twee grote vuilniszakken met inhoud vervoert. Wij vinden het prima. Om half een zijn we weer terug bij de BiBs.

Onze lunch bestaat dit keer uit een soort van curryprutje met rijst en zelfs ook aardappel, ook uit blik. Smaakt toch aanzienlijk beter dan ons blikvoer van gisteren. We hebben enorm veel geluk gehad met het weer. Als we goed en wel op onze kamer zijn begint het weer behoorlijk te regenen. De bui duurt een uurtje. Als het weer droog is vinden wij het tijd voor een wandeling. En maar hopen dat het ook droog blijft. We lopen naar de soort van rondweg die uiteindelijk op het strand uitkomt. Langs die weg is een kort wandelpad door het bos dat wij voorzichtig inslaan. Je weet tenslotte maar nooit met die nijlpaarden hier. Zelfs als we zonder begeleiding lopen zien we hier en daar nog wel wat dieren. Vooral duikers dit keer. Het pad komt ergens anders uit dan we verwachtten, maar we weten de juiste weg weer terug te vinden. We worden ingehaald door de Landrover van BiBs, die op pad is voor zijn gratis zonsondergangtoer. Bij het meer, vlakbij de zee, komen we ze weer tegen. We staan daar nog een tijdje te kijken naar wat ronddobberende nijlpaarden. Dan lopen we verder, over een paar honderd meter lange houten vlonder naar het strand. Vlak aan zee zien we de zon ondergaan. Nou ja, een echte zonsondergang is het eigenlijk niet, want de zee is hier in het oosten. In het schemerdonker gaan we via een andere route weer terug naar huis, eerst een eind langs het strand, dan linksaf langs het bos terug naar het dorp, dan linksaf op McKenzie street. Een paar kilometer.

Nu hebben wij een probleem. Het wordt hier best wel snel donker. En er is weinig straatverlichting. En bovendien komen die nijlpaarden dan de kant op gewaggeld, om alles wat in de weg staat omver te kieperen. We lopen dan ook niet bepaald ontspannen terug naar huis. Gelukkig heb ik nog wel mijn zaklamp bij me. Maar daar zal je zo’n nijlpaard ook niet bepaald mee afschrikken. Uiteindelijk weten we toch veilig de BiBs weer te bereiken. Daar willen een kaartje boeken voor de Baz Bus van morgen, naar Eshowe. Mevrouw achter de balie belt voor de zekerheid nog even of er nog plek is. Inderdaad, ze hebben nog een plekje. En we zijn met z’n tweeën. Dat gaat dus niet door. Dan zullen we met minibus taxi’s die kant op moeten.

Het avondeten gebruiken we opnieuw bij Für Elize. Daar is het behoorlijk druk, een complete groep is hier neergestreken. We nemen allebei een pizza, die idioot groot blijkt en niet bepaald smakelijk.


Donderdag 23 juni 2005


Vandaag trekken we er weer op uit. We hebben niet al teveel haast ‘s ochtends. Voor tien uur moeten we melden dat we weg gaan, voor elf uur moeten we ook daadwerkelijk de kamer verlaten hebben. Om elf uur verlaten we onze kamer. Even verderop, bij de fruitmarkt, schijnt de halte te zijn voor de minibus taxi’s. Bij de fruitmarkt is ook een markt voor souvenirs. Echt de tijd om daar te kijken hebben we echter niet, want al snel draait er een minbusje op de weg. Navraag leert dat dit inderdaad een taxi is. En we hoeven niet eens te wachten tot hij vol is voordat hij weg rijdt.

De eerste halte is weer Mtubatuba. Daar wordt ons gewezen waar de busjes naar Empangeni vertrekken. In een van de andere taxi’s zien we nog een bekend gezicht uit de BiBs stappen. We hebben geluk. De taxi naar Empangeni zit al redelijk vol en vertrekt dus snel. We hebben nog wel tijd om een zakje chips en twee bananen te kopen van de marktlui die om het busje heen circelen.

Ook naar Empangeni is het geen hele lange rit. Maar dan komt de zwaarste opgave. Een minibusje zoeken dat naar Eshowe gaat. Van de receptioniste van de BiBs hebben we al geleerd dat de juiste uitspraak eSJOwwe is en niet ESjowee. Desalniettemin is er toch iemand die denkt dat ik Hluhluwe zeg. Het Engels van de Zuid-Afrikanen is vaak wat lastig te verstaan. De uitspraak is soms net even anders of heeft net even een andere klemtoon dan wat wij gewend zijn. Als men begrepen heeft waar wij wel heen willen volgen een paar armbewegingen naar schuin rechts voor ons. Maar eerst moeten we de weg afdalen om bij deze standplaats vandaan te komen.

Als we beneden zijn vragen we het nog maar eens. Er volgen meer armbewegingen in dezelfde richting. We lopen een flink eind die kant op. Een weg oversteken en nog eens een kruispunt over. Maar er is hoop, want we zien aardig wat minibusjes uit die richting komen. We bereiken een keurig station, waar de minibusjes achter elkaar staan bij bordjes waar op staat waar ze heen gaan. Zo vinden wij al snel het busje voor Eshowe.

Dit keer moeten we een behoorlijke tijd wachten voor het busje vol is. Eerst gaat de rugzak van Carina achterin, die van mij houden we bij ons. Uiteraard is ook hier een markt op de taxistandplaats. Ook hier aardige mensen, die er duidelijk van op kijken dat hier zo maar witte mensen lopen. Veel mensen groeten of lachen vrolijk. Al helemaal als ik ook nog de markt op ga om iets te kopen. Bij een mevrouw bij een vast stalletje even achter de bus koop ik twee blikjes Fanta. Als ik mijn bestelling heb geplaatst, klapt mevrouw een keer in haar handen en neemt vervolgens met twee open handen mijn geld aan. Ik denk even dat ik applaus krijg omdat ik het zo goed gedaan heb, maar als ik wat later nog een pak koekjes koop, herhaalt het ritueel zich.

Het kost wat moeite om de laatste mensen te vinden die naar Eshowe willen. Ik zit op de plek naast de schuifdeur. Als de laatste persoon is ingestapt, gooi ik professioneel en met een klap de schuifdeur dicht. Foutje. Er blijkt toch nog een zitplaats vrij te zijn.

We vertrekken. Het is een uur of drie als we in Eshowe aankomen. Dat is eigenlijk best wel een behoorlijke stad. En wij dachten dat het een bescheiden Zulu-dorpje was. De bus rijdt een heuvel af en parkeert beneden op een grote taxistandplaats annex markt. Onze volgende opdracht is om hier het George Hotel annex Zululand Backpackers te vinden. Ze hebben ons zelf in een e-mail laten weten dat dat ongeveer een kilometer van de taxistandplaats is. Nu zagen wij bovenaan de heuvel een toeristeninformatiebureau. We klauteren die kant op.

De grote glazen schuifdeur is dicht. Een zwarte mevrouw komt naar buiten gesneld, excuses, en laat ons binnen. We mogen meteen gaan zitten. Wij zijn op zoek naar het George Hotel, laten wij weten. Een moment. Mevrouw haalt even iemand die ons verder kan helpen. Niet veel later komt er een bijzonder vriendelijke zwarte jongeman bij. Wij willen naar het George Hotel? Helemaal niet moeilijk. Dat zal hij ons eens haarfijn uitleggen. Er wordt een plattegrond van de stad bij gepakt. Hier bevindt u zich nu. De hele route naar het George Hotel, in principe niet meer dan bij de rotonde rechts aanhouden en dan nog een eindje doorlopen, wordt keurig op de plattegrond ingetekend, compleet met een beschrijving van alle markante gebouwen die we onderweg zullen tegenkomen. Dan zien wij aan de linkerkant een winkel met satellietschotels, en aan de overkant, achter een witte poort, is het George Hotel. Maar hij kan ons nog veel meer informatie geven. Hier is een folder die we vast heel leuk zullen vinden. En hier is nog een folder. En deze is ook leuk. Dit kunnen we allemaal doen in de omgeving. We kijken zelf ook nog eens tussen de foldertjes. Als we nog iets willen weten, dan zeggen we het maar. Behulpzame mensen hier.

We lopen langs de aangegeven route. Het George Hotel bestaat uit het hotel zelf en de voor backpackers bedoelde Zululand Backpackers. Men voert een gemeenschappelijke receptie, bevrouwd door een persoon die overduidelijk van Indiase afkomst is. Er scharrelt hier nog een ietwat merkwaardige blanke man in korte broek en op blote voeten rond, die ook iets te vertellen lijkt te hebben. In Zululand zijn er alleen nog vierpersoons slaapzalen voor ons die we dan wel met ons tweetjes mogen gebruiken. We kiezen daarom voor een kamer in het hotel, tegen geringe meerprijs. Een zwart meisje brengt ons naar de kamer, in een andere vleugel. Het is wel een multicultureel gebeuren hier.

Eindelijk een kamer met onze eigen douche en toilet. Welk een luxe. Alleen blijkt de schuifdeur naar de badruimte ietwat ontzet, waardoor die niet meer dicht kan. We wagen het er tenminste maar niet op. Ook de deur die toegang verschaft tot onze kamer hangt niet helemaal netjes in zijn voegen. Maar na een paar flinke klappen op de bovenkant is de deur weer dicht.

We lopen naar de receptie om ons te laten rondleiden bij de backpackers. De vreemde blanke man neemt deze taak op zich. Darren blijkt hij te heten. We lopen door het hotel heen naar de achterkant. Langs het zwembad komen we bij de backpackers. Hij laat ons de keuken zien en de woonkamer. We kunnen gratis van de wasmachine gebruik maken. Hier en daar hangt nuttige informatie. Maar het gaat ons eigenlijk vooral om de toers, die buiten op een schoolbord worden aangekondigd. We gaan zitten terwijl Darren uitlegt wat een en ander inhoudt.

Wij vinden Darren een uitermate foute man. Hij is onaangenaam en maakt voortdurend de verkeerde grapjes. Bij hun toer gaan we naar een zulu-dorpje, legt hij uit. We gaan ook naar de sangoma, de medicijnman. Maar wacht even, daar komt net Victor aan, de gids. Victor vertelt ons ook het een en ander waar wij ook al niet echt vrolijk van worden. Victor mogen we ook al niet. Vooral niet als hij met Darren foute grapjes gaat maken. Wij zullen er nog eens over nadenken.

Eerst nog even naar onze kamer, dan lopen we de stad in op zoek naar iets te eten. Het is de hoogste tijd. We worden achterna gehold door het zwarte meisje. Ze gaan nu met z’n allen ergens heen om de zonsondergang te bekijken en we mogen mee. Dat doen we maar niet.

We raken verzeild bij een fast food restaurant die overigens wel een overheerlijke veggie-burger met ananas serveert. Verder vinden wij het hier eigenlijk helemaal niks, zo concluderen wij. Het is een stad van niks. En beide heren vinden we al helemaal niks. En op internet leek het allemaal zo leuk en interessant, al die dingen en toers hier. We zijn er gewoon ingeluisd. Morgenochtend gaan we hier weer weg.

We mopperen nog wat na en lopen op de terugweg bij het winkelcentrum langs. Laten we iets leuks gaan doen. Voor een van de winkels staat een kermisgraaiapparaat waar we dan maar een rand ingooien. Mis. Een wat oudere zwarte meneer, zwerverig type, staat geïnteresseerd toe te kijken en begint mij serieus aan te moedigen. Nog maar een keer dan. Weer mis. We willen al weg lopen, maar meneer weet mij duidelijk te maken dat dat ene sponsje nu toch echt voor het grijpen ligt. Vooruit, nog maar een keertje dan. Zowaar tilt de grijper de spons nu op, onder toejuichingen van ons alledrie. Halverwege valt ie echter toch weer naar beneden. Meneer kraait het uit en heeft de dag van zijn leven, zo lijkt het haast.

Wij kopen nog het een en ander bij de supermarkt en lopen terug na het hotel. Na een korte rust, wij zijn nu wat minder vermoeid en minder hongerig, besluiten we om morgen dan toch maar die toer te gaan doen. We informeren nog maar eens bij de vriendelijke Indiase mevrouw van de receptie. Als zij het vertelt, dan klinkt het allemaal meteen al een stuk leuker. Morgenochtend om tien uur verzamelen in de lobby van het hotel. We gaan terug naar de kamer en naar bed. Op de TV is ook al niks leuks.


Vrijdag 24 juni 2005


Er is de mogelijkheid om tegen geringe meerprijs in het hotel een ontbijtje te genieten. Dat doen we dus maar. Op verzoek krijgen we een roereitje en vier geroosterde broodjes. Bij het buffet kunnen we bovendien koffie, sap en ochtendgranen halen. Jummie. Het is niet erg druk. Er zit nog een ander stel te eten.

Om tien uur melden we ons bij de receptie. We moeten nog even wachten, onze gids komt er zo aan. Wij wachten rustig. Om kwart over tien belt de Indiase receptioniste maar eens naar achteren. Twee gasten uit de backpackers die ook meegaan, zitten nu nog te ontbijten, zo blijkt. Maar binnenkort zullen we vertrekken. Inmiddels is het al half elf. Mevrouw belt maar weer eens en maakt zich nu lichtelijk boos. Hoe zit dat met dat ontbijt zeg. Wij zitten hier al vanaf tien uur te wachten. Buiten slenteren nog twee toeristen rond, maar dat blijken niet de ontbijters.

Tegen kwart voor elf komt Victor tevoorschijn. We moeten maar gaan, dan komen de ontbijters straks wel achter ons aan. Ons idee. Als we amper op weg zijn, komen ze ons al achterop gelopen. Twee Duitse studenten van Turkse afkomst, die hier op uitwisseling zijn. De anderen op deze toer zijn een Duits stel, ook student, en aan dezelfde universiteit als de Turkse heren. Al kenden ze elkaar niet tot ze elkaar hier tegen kwamen.

Victor neemt ons mee naar de markt bij de taxistandplaats. Vanuit de hele omgeving komen de dorpelingen hier naar toe om hun inkopen te doen, legt hij uit. Dat is vaak een probleem, want er is veel werkloosheid. De enige uitkeringen die de overheid geeft zijn voor bejaarden. Elke maand als oma haar pensioentje heeft geïnd, komt de hele familie dan ook naar de markt in de stad om inkopen te doen.

Er wordt hier ook levende have verkocht. Geiten. Als er in de Zulu-gemeenschap een huwelijk plaats vindt, wordt een paar dagen voor het feest een geit geslacht. Die geit wordt dan een paar dagen later in zijn geheel geconsumeerd. Net als bij ons, roepen de Turken enthousiast.

We lopen naar het groente en fruit. Een aantal mannen en vrouwen zit hier met afgemeten porties voor zich. Alles kost hier drie rand, beweert Viktor. Wel zo handig. We wandelen langs containers die in hun geheel zijn omgebouwd tot vaste winkels. In sommige containers lijken ook mensen te wonen.

Intussen vermaken wij ons met het oefenen van wat Zulu-woordjes. Het Zulu is een kliktaal, waarvan een aantal letters wordt uitgesproken als merkwaardig klinkende kliks met keel of tong. Dat schijnen ze overgenomen te hebben van de Xhosa (spreek uit: [merkwaardig-klinkende-klik-met-de-tong-tegen-de-rechter-achterkant-van-de-ondertanden]ossa). Een man die ons op straat enthousiast aanspreekt, laat ons een Zulu-tongbreker met veel kliks nazeggen. Dat lukt niet erg, tot plezier van de omstanders.

Dan komen we bij de taxistop. Niet ver daar vandaan wandelen we een winkel met muti binnen, traditionele geneesmiddelen. Een stuk kleiner dan die in Johannesburg, maar ook hier wemelt het van de potjes met poedertjes, takjes en botjes. We lopen naar een overdekte hal waar kleine zelfstandigen hun bedrijfje kunnen beginnen. Zo zit er een kleermaker die religieuze kleding maakt voor Zionisten. Dat schijnen er hier nogal wat te zijn, merkwaardig genoeg.

Even verderop stappen we een radiostation binnen. Icora FM zendt uit in de regio en bereikt zo’n 300,000 luisteraars, met name op het platteland. Doel is om die mensen ook iets bij te brengen over HIV, vrouwenrechten en meer van dat soort dingen. Het station krijgt geld van de overheid die kant-en-klare programma’s bij ze aankoopt, en heeft ook wat inkomsten uit reclame, maar dat zet nog niet veel zoden aan de dijk. Door een glazen wand kijken we naar de disc-jockey die momenteel in de lucht is. We mogen ook wat kantoortjes bekijken waar niet al te veel te zien is, behalve dat het station het niet breed heeft. Verderop is de productieruimte.

Darren staat buiten op ons te wachten om ons mee te nemen naar ons Zulu-dorp. Dat betekent pakweg een half uurtje rondstuiteren over onverharde wegen. Het laatste stukje lopen we. We lopen twee jongens achterop die van school komen, keurig in uniform. Vandaag was de laatste schooldag, en iedereen heeft zijn rapport mee gekregen. Tenminste, degenen die over gegaan zijn. Veel kinderen moeten een aantal kilometer lopen om naar school te gaan. Niet elk dorp heeft een middelbare school.

Zo af en toe lopen we langs wat huisjes. Aan een huis wordt nog druk gebouwd. Je ziet hier haast alleen maar rondavels, in uiteenlopende kleuren. Zulu-mannen kunnen meerdere vrouwen hebben, vertelt Victor. Kijk, die man die daar woont, die heeft bijvoorbeeld vier vrouwen. Het is vooral een statussymbool, meerdere vrouwen hebben. Het is immers kostbaar, een vrouw. Een vrouw kost al gauw elf koeien. En een koe is zo’n 3000 rand.

Bij een Zulu-dorp hadden we ons iets voorgesteld als een paar hutjes rond een dorpsplein, maar de werkelijkheid zit heel anders in elkaar. Waar we nu lopen, dat hoort allemaal tot het dorp, een gebied begrensd door twee rivieren. Hier en daar staat een huisje, maar veel systeem lijkt er niet in te zitten. We gaan op bezoek bij Michael, de sangoma ofwel medicijnman van het dorp. Hoewel medicijnman een wat oneerbiedige aanduiding schijnt te zijn die de waarheid geweld aandoet. Sangomas voorspellen namelijk ook de toekomst. Hoe dan ook, Michael is momenteel helaas niet thuis. Volgens een mevrouw is hij er op uit om nieuwe medicijnen te halen.

Geen nood, dan gaan we eerst het dorp bekijken. Maar eerst gebruiken we de lunch op het erf van Michael. Op dat erf staan een aantal gebouwtjes, op het eerste gezicht allemaal niet meer dan eenvoudige rondavels. Maar waar wij de lunch gaan gebruiken, dat is de kerk. Dat is duidelijk te zien, want het is met krijt op de deur geschreven en bovendien hangt er recht tegenover de deur een doek met wat religieuze tekens en staat er een kandelaar. Dat de sangoma ook meteen de lokale kerk uitbaat vinden wij wat merkwaardig, maar goed. Wie zijn wij. Aan het begin van het erf van Michael hangt het lijkje van een bushbaby aan een paal genageld. Heeft ook iets met medicijnen te maken. Elders op het erf liggen nog wat dierenvellen.

We gaan op de grond zitten in de kerkrondavel en krijgen een klein styrofoam bakje met plastic er om heen gewikkeld. Onze lunch. Het bakje zit stampvol met een prutje van suikerbonen en semp, een of ander gerecht waarschijnlijk gemaakt van mais. Heel veel in dit land is gemaakt van mais. Er zitten ook nog wat andere dingen door onze lunch, zo ontwaar ik stukjes ui. Best wel lekker eigenlijk. Een soort van curry. En het vult behoorlijk. Ondertussen krijgen we van Victor verbazingwekkende verhalen te horen over Michael. Zo was hier ooit eens een toerist die door Michael zijn toekomst liet voorspellen. Hij kreeg te horen dat hij niet met zijn huidige vriendin zou gaan trouwen. Vervolgens kreeg hij de vraag of hij die-en-die uit Australië kende. Dat was het geval. Zat die persoon bij hem in de klas? Ook dat klopte. Dat is de persoon met wie hij gaat trouwen, wist Michael te melden. We bedanken de mevrouw die het eten voor ons bereid heeft hartelijk en lopen verder door het dorp.

Regelmatig komen we kindertjes tegen die achter ons aan lopen en graag op een digitale foto willen. Victor vraagt ze allemaal of ze over gegaan zijn. Hij komt zelf uit een dorpje dat grenst aan het onze. We komen in een winkeltje, dat wel in een rechthoekig gebouw zit. Ook een van de weinige plekken in het dorp met een koelkast, eentje die op gas loopt. Elektriciteit is hier niet. Er zijn wel telefoonlijnen over het dorp gespannen. We kopen een klein flesje met iets van een sapje. Verder is er niet overdreven veel te koop in de winkel. Op de planken liggen een paar zakjes semp, wijst Victor. Het valt niet mee om hier een winkel te runnen, weet hij. Veel gaat op krediet en als oma overlijdt voordat ze haar pensioentje voor die maand binnen heeft, dan heeft de eigenaar van de winkel een probleem.

We lopen verder. Het is prachtig weer. Hier en daar loopt een koe rond. Aan de rand van het dorp is een prachtig uitzicht over de meren die wat lager liggen. De omgeving is hier bergachtig, of op z’n minst heuvelachtig, en de grond is droog en dor. Victor vertelt nog meer verhalen over de wonderen die Michael verricht heeft. Maar tegenwoordig is het leven ook hier aan het veranderen. Steeds minder dorpsgenoten laten hun toekomst door Michael voorspellen, vertrouwt hij ons toe. Tegenwoordig zijn het vooral de blanke toeristen die dat doen.

We gaan naar de kroeg. Ook al ziet het er niet echt zo uit. Het is eigenlijk ook meer een winkel waar toevallig ook bier verkocht wordt. Zulu-bier. We krijgen een flinke maatbeker vol van het goedje. Merkwaardig spul. Het ziet er niet bepaald uit als bier, eerder als melk. Het belangrijkste bestanddeel van het goedje is, uiteraard, mais. Verder schijnt er ook ananas in te zitten. Ik neem een slok. Het heeft wel wat van airag, de gegiste merriemelk die ik vorig jaar in Mongolië gehad heb. Maar het smaakt duidelijk anders. Die airag was nog een stuk lekkerder. Onze Turkse vrienden nemen allebei een beker vol bier. Wij krijgen de indruk dat zij het ook niet heel smakelijk vinden. Victor knoopt een praatje met mij aan. Hij hoopt op deze manier een bijdrage te kunnen leveren aan het dorp hier, zo vertelt hij. Met enige regelmaat krijgt hij donaties, ook uit Nederland. Hij is nu bezig om geld bijeen te zamelen om een film te maken over het dorp hier. Met behulp van die film hoopt hij dan weer meer geld te kunnen ophalen.

We lopen weer terug naar het huis van Michael. Michael is nog steeds niet gearriveerd. Wij wachten op Michael. Ik hoop maar niet dat dit zo’n toer is waarbij je de hele tijd beloofd wordt dat je iets te zien krijgt, maar waarbij dat uiteindelijk niet door gaat. Maar het valt mee. Michael is er.

Michael ziet er wel echt uit, met een flinke zwarte baard. We gaan zijn huisje binnen, dat rechthoekig is. Michael is een hele tijd in Johannesburg geweest, vertelt Victor, en als soort van statussymbool heeft hij nu een rechthoekig huis gebouwd, om aan te geven dat hij ontwikkeld genoeg is om een rechthoekig huis te kunnen bouwen in plaats van een rond huis, wat veel eenvoudiger is. Michael gaat tegenover de deur zitten, op de grond, net onder het raam. Wij gaan tegenover hem zitten. In het huis is verder niets, alleen liggen op de grond in de hoek een enorme hoeveelheid flesjes, potjes en andere troep. Medicijnen. Michael zegt niet veel. Victor doet het woord, Michael laat af en toe een instemmend yeah, yeah horen.

Michael komt uit een familie van sangomas. Het is een niet erg geliefd baantje, want als sangoma kun je nooit eens met je vrienden gaan stappen. Maar je wordt nu eenmaal uitverkoren, door je voorouders. Michael had er eigenlijk ook geen zin in, maar toen kreeg hij nachtenlang elke nacht opnieuw nachtmerries. Zijn voorouders vertelden hem dat hij sangoma moest worden, en dat ze hem dan pas rustig zouden laten slapen. Ook werd hem verteld dat hij ergens heen moest gaan, en dat hij daar iemand tegen zou komen die hem alle fijne kneepjes van het sangoma-vak zou bijbrengen. Aldus geschiedde.

Victor vertelt enthousiast nog een aantal verhalen uit de dagelijkse praktijk van Michael, steeds onder luide instemming van de man zelf. En af en toe een fikse gaap. Michael heeft een flinke hoeveelheid botjes voor zich liggen. Het zijn niet allemaal botjes, maar voor het gemak noemt men ze maar zo. Om iemands toekomst te voorspellen wordt er eerst een paar keer met de botjes geschud. Afhankelijk van hoe ze op de grond vallen, kan Michael iets over je toekomst vertellen. Tenminste, dat is meestal het geval. Uiteindelijk is het afhankelijk van je voorouders. Die kennen je toekomst. Als zij niet bereid zijn om die te onthullen, dan kan Michael verder ook weinig beginnen. Als ze je beter gezind zijn, dan vertellen ze je toekomst aan de voorouders van Michael, die het vervolgens aan jou laten weten. Via de botjes. Michael geeft altijd alleen redelijk vage aanduidingen. Door gericht vragen te stellen kun je er vervolgens achter komen wat er precies aan de hand is.

Maar nu komt het. Stel bijvoorbeeld dat deze rode steen, Victor wijst op een doorschijnende plastic rood dingetje, stel dat deze steen in jouw richting valt. Dan betekent dat dat je een auto-ongeluk krijgt. Maar als je voorouders hebben onthuld dat je zo’n ongeluk zult krijgen, dan hoeft dat niet noodzakelijk ook te gebeuren. Michael kan dan advies geven over wat je moet doen om te voorkomen dat wat jou te wachten staat ook daadwerkelijk gaat gebeuren. Vaak kan dat door middel van bepaalde medicijnen. Verkrijgbaar bij Michael zelf.

Veel van de zaken in Michael’s praktijk hebben te maken met de liefde. Jongens die graag willen dat bepaalde meisjes verliefd op hen worden, of juist andersom, of een jongen die vermoedt dat een meisje een medicijn gebruikt om hem verliefd op haar te laten worden, maar die dat wil voorkomen. In de meeste gevallen schrijft Michael een medicijn voor. Maar niet in het laatste geval, want dan moet de jongen dat maar gewoon laten gebeuren. Daar moet een mens niet tegenin willen gaan. Als een familielid van je vermoord is, ook dan kun je Michael’s hulp inroepen. Hij zal er dan voor zorgen dat de dader gekweld zal worden door nachtmerries, net zolang totdat hij zijn daad opbiecht.

Ook wij mogen onze toekomst door Michael laten voorspellen. Voor 50 rand. En dat terwijl dorpsbewoners 50 rand betalen plus de kosten van de medicijnen. Maar ach, die medicijnen, die zullen wij toch wel niet willen. De Turkse jongens laten zich graag hun toekomst voorspellen. De rest gaat naar buiten, want je toekomst, dat is een privé-aangelegenheid. Buiten is Darren al gearriveerd met het minibusje. Het wachten is op de toekomst van de Turken. En dat duurt nogal een tijdje. Ze krijgen waar voor hun geld. Inmiddels genieten wij van de zon die ondergaat. En van vier ezeltjes die langs lopen. Uiteindelijk komen de Turken weer naar buiten. Ze schijnen een gezonde toekomst tegemoet te gaan.

We kunnen weer terug naar Eshowe, een vrij wilde rit. Tot ons genoegen constateren wij dat wij ook een klein uurtje te laat weer terug zijn in Eshowe. Toch nog waar voor ons geld. In het hotel is het plotseling een enorme drukte. Er schijnt hier iets aan de hand te zijn. Naast de receptie, tegenover de ingang, is een balie waar iedereen zich kan inschrijven voor Woodstock, met drie dagen muziek. Het wemelt hier van de Zuid-Afrikaners, soms met complete families. Naast het zwembad hebben ze al een behoorlijke fik gestookt. Als ze zich maar een beetje rustig houden vannacht.

We eten vanavond in het hotel. Behoorlijke lappen vlees worden hier geserveerd. Zo kan ik kan me nauwelijks voorstellen dat die kippenborst op mijn bord van slechts één kip afkomstig is. Het smaakt allemaal best wel. Verder mogen wij getuige zijn hoe aan een belendend tafeltje gevuld met Amerikanen via de mobiele telefoon een familieruzie wordt beslecht. Later komt een andere mevrouw melden dat ze haar hondje kwijt is. Je maakt wat mee hier.

Inmiddels vinden die Afrikaners in de tuin het nodig om op Afrikaanse trommels te gaan meppen. Daar zijn wij niet heel blij mee. Wij maken ons ondertussen druk over wat we de komende dagen allemaal willen gaan doen, en hoe we dat moeten inpassen qua bustijden en dat soort dingen. Dat leidt tot nogal wat stress. Uiteindelijk willen we ergens in de buurt van East London uitkomen, maar dat is een slordige twaalf uur van Durban, wat op zich weer een slordige twee uur per minibus taxi van Eshowe is. Dat zou betekenen dat we morgen naar Durban kunnen, daar overnachten, de volgende ochtend rond half zeven verder met de Baz Bus, en dan ‘s avonds om een uur of zeven daar aankomen, of anders onderweg nog een stop in Port St. Johns. Wat een gedoe allemaal. Driftig lopen we heen en weer tussen het hotel en de Backpackers, waar alle informatie over het openbaar vervoer hangt.

Op het internet ontdekken wij dat het ook nog mogelijk is om overmorgen van Durban te vliegen naar Port Elizabeth, even voorbij East London, en helemaal niet duur eigenlijk. Met Kalula voor een slordige 550 rand. Terug op de hotelkamer zitten we nog wat te dubben, met nog steeds die irritante trommels op de achtergrond. Dat helpt ook niet erg. Ik maak nog eens een planning voor de komende dagen en kom tot de conclusie dat het allemaal wel wat krap wordt. Misschien is het toch wel wat, die vlucht. Ik ga nog eens het internet op om te kijken en wellicht te boeken. Helaas, ons uur internetkrediet dat we hier gisteren hebben aangeschaft is inmiddels verbruikt, en de nachtportier heeft geen nieuw krediet voorhanden. Telefonisch zijn ze ook niet meer bereikbaar. Dan maar wachten tot morgenochtend.

We willen gaan slapen, maar die Afrikaners zitten nog steeds op die trommels te meppen. Ik ga maar weer eens naar de receptie, nu om vriendelijk te vragen hoe lang dat nog gaat duren, want wij kunnen zo niet echt slapen. De nachtportier zal iemand voor mij opzoeken. Even later komt hij terug met een mevrouw bij wie ik het verhaal opnieuw doe. Tja, ze kan ze toch ook moeilijk laten ophouden, die trommelaars. Is ons niet verteld dat het vanavond wel eens onrustig kon zijn? Nee, dat is ons niet verteld. Oh. Tja, wat verwacht ik van haar? Dat ze ze laat ophouden, want wij kunnen zo niet slapen. Muziek is nog tot daar aan toe, we zitten een flink eind van het zwembad, dus daar zullen we weinig last van hebben, maar die trommels, die gaan overal doorheen. Mevrouw belooft ons verzoek neer te leggen bij de trommelaars.

Het helpt niet echt. Nou ja, een goed kwartier later stoppen de trommels, maar wordt er overgegaan op keiharde muziek. We besluiten toch maar een poging te doen om te gaan slapen. Carina heeft daar geen enkele moeite mee. Ik doe oordopjes in, slaap eerst even, maar ben van half een tot een toch weer wakker, ondanks die oordopjes.


Zaterdag 25 juni 2005


Om half acht zijn we wakker. Ik sta snel op om Kulula te bellen of ze vandaag nog een vlucht hebben van Durban naar Port Elizabeth. Dat is niet het geval. De eerstvolgende is morgen. Maar er is nog een andere maatschappij die ook dezelfde route vliegt, Nationwide. Die melden dat ze vandaag om kwart voor een nog een vlucht hebben. Voor 393 rand per persoon, pakweg 45 euro voor dik duizend kilometer. Misschien kunnen we die nog halen.

We pakken in, checken uit, en laten het ontbijt in het hotel maar schieten. We hebben nog wel wat proviand over van ons bezoek aan de supermarkt een paar dagen geleden. Wij melden ons even na half negen bij de minibusjes. De taxi naar Durban zit ongeveer halfvol. Waarschijnlijk moeten we dus nog wel even wachten. Op de markt kopen we nog iets eetbaars.

We raken aan de praat met een zeer vriendelijke, minzame oudere zwarte man, keurig in het pak met stropdas, die op weg is naar zijn geboorteplaats even verderop in Zululand. Hij is gepensioneerd dominee, en heeft gestudeerd in de VS. Aan Yale onder andere. Ook is hij eens in Nederland geweest, in Driebergen.

Ons busje vertrekt, het is dan even voor negenen. De chauffeur, die ons bekend voorkomt, heeft er flink de vaart in. Dat racen met een paar andere minibusjes had van ons niet echt gehoeven, overigens. Maar het schiet wel lekker op. Even na half elf staan we in Durban. Ik snel naar een openbare telefoongelegenheid bij het station. Er staan vier telefoons. Bij de jongen achter het kraampje kun je muntjes geven, die dan op het saldo op je telefoon worden bijgeschreven. Ik bel weer naar Nationwide. Voor reserveringen, toets 1. Ik krijg een wachtmuziekje. Voor ik er erg in heb, is het saldo alweer op en wordt de verbinding verbroken. Meer muntjes. Opnieuw bellen. Zenuwentoestand. Ik wordt weer in de wacht gezet. Meer muntjes. Maar dan krijg ik contact. Er is nog plaats op de vlucht, laat mevrouw weten. Als wij nu naar de luchthaven gaan, kunnen we dan nog op de luchthaven een kaartje kopen en mee op de vlucht? Mevrouw antwoordt bevestigend. Ik vraag het voor de zekerheid nog maar eens. Zelfde antwoord.

We maken een stevige wandeling terug langs de weg via welke we gekomen waren. Daar is het station en daar heb ik een taxi zien staan. We komen bij de taxi. De zwarte jongeman die even verderop staat blijkt de chauffeur. Naar de luchthaven kost 120 rand, laat hij weten. Dat klopt met wat de Lonely Planet meldt. Hij wil ook wel de meter aanzetten, biedt hij aan als we al in de taxi zitten. Dat hoeft niet. Aardige man, die chauffeur. Hij wil graag weten waar wij vandaan komen, en hoe koud het daar is.

De luchthaven is een 15 kilometer ten zuiden van de stad. Om kwart over elf komen we daar aan, onze vlucht vertrekt over anderhalf uur. Snel op zoek naar de balie van Nationwide, om een kaartje te kopen. De mevrouw achter het glas lijkt het doodnormaal te vinden dat we nu nog een kaartje kopen. Na ontvangst van de tickets kunnen we meteen inchecken bij de incheckbalie achter ons.

Ik ben bijzonder in mijn nopjes met deze actie. Vanochtend om negen uur stonden we nog in Eshowe, nu hebben we een vliegticket en zitten we op de vlucht van kwart voor een. Dat scheelt een enorme hoop gedoe, zoals een overnachting in Durban zien te regelen. We gebruiken de lunch bij een pizzeria boven de vertrekhal. We delen samen een grote. Opnieuw zijn we niet heel erg tevreden over de kwaliteit, ondanks dat men doet alsof het heel wat is, compleet met een rekje met sausjes en pepertjes die we zelf nog over de pizza heen mogen gooien. Het afrekenen duurt ook wat lang en we hebben haast.

Snel door de beveiliging. Dan zijn we ook al bij de gate. De vlucht zit nog niet eens halfvol. We stijgen op en hebben een mooi uitzicht over de kustlijn. Tot onze verbazing wordt er nog een maaltijd geserveerd ook. Daar hadden we niet op gerekend. Ach, na die halve pizza kan dat er ook nog wel bij.

Rond twee uur komen we aan in Port Elizabeth, P.E. voor intimi. In alle hectiek zijn we er niet aan toe gekomen om hier een overnachting te regelen. Daarom pakken we maar een taxi naar de plek die door de LP het meest wordt aangeprezen, Calabash. Onze taxichauffeur is een blanke man van middelbare leeftijd, met zwaar Afrikaans accent. We zullen ons wel afvragen waarom het zo druk op de weg is, valt hij met de deur in huis. Dat was ons eigenlijk nog niet opgevallen, maar goed, vertel. Dat komt door de rugbywedstrijd van vanmiddag. Zuid-Afrika speelt tegen Frankrijk, hier in Port Elizabeth. Daar wisten wij niets van. Hoe dan ook, daarom zal de man een beetje gaan omrijden om de grootste drukte te vermijden. Daar zullen we geen spijt van krijgen, anders komen we muurvast te zitten. Wij vinden het prima. De man lijkt er nog niet heel erg gerust op te zijn, hij legt het ons nog een paar keer uit.

Als we de straat van Calabash inrijden, waarschuwt de chauffeur ons. Slechte buurt. Zeker niet in het donker over straat hier. Dan kunnen we beter een taxi nemen, begrijp ik. Inderdaad. Hij zal ons wel even het nummer geven van een taxicentrale. 24 uur per dag bereikbaar. We bedanken de man en rekenen af.

Calabash ziet er wat verlaten uit. We bellen aan. Geen reactie. Het lijkt een behoorlijk complex, met zeker drie panden. Door het raam zien we een briefje liggen met de melding dat de tour operator die hier ook gehuisvest was, verhuisd is. Merkwaardig. Onze taxi staat er nog. De chauffeur ziet dat wij zoekend rondkijken en belt het nummer dat nog ergens aangegeven staat. We hebben pech. Calabash is onlangs verkocht en nu gesloten.

We stappen weer in onze taxi. De chauffeur kan ons nog wel ergens anders heen brengen. Wij noemen nog een andere favoriet. Niet verstandig, begrijpen we later van de chauffeur, want die zit pal naast het rugbystadion en zit dus zeker vol. Hij weet nog een ander, hier ook in de buurt. Dit keer moet ik maar eerst even vragen of er plaats is voordat we met de chauffeur afrekenen. Dat doe ik. De man zet netjes de meter stil op het moment dat ik de taxi verlaat.

Helaas. Er zijn hier alleen nog maar slaapzalen vrij. Dan maar weer even verderop iets proberen. Een vriendelijke mevrouw doet open en kwebbelt honderduit. Maar uiteindelijk komt het er op neer dat het ook daar mudjevol zit. Vanwege die rugbywedstrijd he. Ze heeft ook een groepje Fransen, die speciaal om die reden langer gebleven zijn. En ze heeft zelfs mensen die in de woonkamer slapen.

Verder dan maar weer. We proberen een paar guesthouses, vlakbij elkaar. Bij de een staat al een bordje op de deur dat ie vol is, bij de ander laat een medewerker dat weten. We gaan weer verder. Bij een backpackers verderop laat de mevrouw aan de deur weten dat zij vol is, maar dat ze bij P.E Backpackers even verderop zeker nog wel plaats hebben. Dan gaan we daar maar heen. Een mevrouw doet open. Ja, hier is nog plaats. Juichend ga ik terug naar de taxi. We halen onze bagage uit de achterbak en geven de chauffeur een flinke fooi.

Het is verbazend rustig in P.E. Backpackers. We worden ontvangen door Katrin, een buitengewoon aardige en behulpzame vrouw van middelbare leeftijd. Vanuit Zwitserland een jaar of tien geleden naar Zuid-Afrika geëmigreerd. We worden rondgeleid door de keuken, de woonkamer, en naar onze kamer gebracht. Wij willen alles weten, vooral over toers naar het Addo Elephant National Park. Dat is mogelijk, ze hebben toers van een halve dag. Laten we dat dan meteen morgen maar doen.

Katrin is ook geïntrigeerd door het verhaal van onze goedkope vlucht. Er is een prijzenslag onder de budget luchtvaartmaatschappijen, weet zij. South African Airways is nu ook al aan het stunten met speciale tarieven. Onze vlucht van vandaag was precies 3 rand duurder dan een rechtstreekse ticket op de Baz Bus, zo blijkt.

We bekijken rustig alle posters, folders en informatie die hier hangen. En dat zijn er nogal wat. Elke backpackerplek in Zuid-Afrika heeft foldertjes van ongeveer alle andere backpackerplekken in Zuid-Afrika. Ook zien we dat hier een leeuwenpark in de buurt is. Dat lijkt ons ook wel wat. Opnieuw vragen we Katrin om meer informatie. Schotia is een privaat park, zo blijkt. En de gids die ons morgen naar Addo gaat brengen, doet ook gecombineerde dagtrips naar Addo en Schotia. Dat willen wij dan ook wel. Ze belt hem opnieuw. Het is geregeld.

We maken een wandeling in de buurt, vooral om nog wat inkopen te kunnen doen. Dit schijnt een van de veiliger buurten van Port Elizabeth te zijn, maar op een of andere manier voel je je toch niet heel erg comfortabel als je hier over straat loopt. Een stuk verderop is een klein winkeltje waar we het een en ander halen. Ook P.E. ziet er alweer erg Amerikaans uit. P.E. Backpackers zit in een oud herenhuis. Bij een pinautomaat bij een pompstation vlakbij ons huis proberen we te pinnen, maar het ding weigert. Er schuin tegenover, aan de andere kant van de straat, is nog een pinautomaat, maar daar hangen ons net even teveel mensen om heen. Terug naar huis.

Om een uur of zeven wordt het diner geserveerd. Katrin maakt vanavond risotto. Normaal gesproken woont ze in Nieu Bethesda, een ruime vier uur per minibus verderop. Maar op dit moment wordt er een nieuwe manager gezocht, terwijl de andere dit weekend vrij heeft. We nemen onze plannen voor de komende dagen door. We willen toch nog naar de wild coast, waar we vanmiddag overheen gevlogen zijn. Dan kunnen we daarna naar Graaff Reinet, om vervolgens vanaf P.E. naar Kaapstad te vliegen. Dan missen we de Garden Route, het stuk tussen P.E. en Kaapstad. Katrin vindt het een uitstekend idee. De wild coast is veel boeiender, aan die garden route missen we niet veel.

Er komen nog meer gasten. Een Noors echtpaar, met baby van een paar maanden oud. Ze zijn in Zuid-Afrika wezen jagen, onder andere op wrattenzwijnen. De man klaagt dat hij zulke problemen had om zijn geweer door de douane te krijgen. Wij geloven niet dat wij ze heel aardig vinden. We maken een uurtje gebruik van het internet in de kelder en gaan dan naar bed.