We vertrekken vanaf luchthaven Frankfurt. Dat is aanzienlijk goedkoper dan vanaf Schiphol, en een kleine 6 uur met de trein. Al heeft de trein wat vertraging, onder meer omdat er op een station moet worden gewacht om iemand in wagon 22 bij te staan.
Frankfurt is het meest onoverzichtelijke en deprimerende vliegveld dat ik ooit ben tegengekomen. Na een paar omzwervingen blijkt dat South African Airways te vinden is achter balie 320. En ook als je dat weet valt het niet mee om die te vinden. We zijn nog vroeg. We vertrekken vanavond om kwart voor negen, en om vier uur stonden we al op de luchthaven. Maar ach, er is hier vast wel een gezellige plek waar we iets kunnen drinken, zo denken wij. Dat blijkt niet het geval. Borden wijzen ons naar beneden, waar de 24-uurs-restaurants zich zouden moeten bevinden. We raken in een kelder die nog donkerder, lager en bedompter is dan de begane grond al was. Lange gangen. Er zit hier inderdaad een Ierse Pub en een Chinees restaurant, angstvallig afgesloten van de rest van de donkere gang. Ziet er ook niet heel aantrekkelijk uit. Verderop wordt ons een McDonald’s beloofd. Zelfs die ziet er deprimerend uit.
Wij
willen er uit. Na nog een eindje sjouwen vinden we de
uitgang, waar we wanhopig iets van frisse lucht naar binnen snuiven.
Ook hier geen aardige restaurantjes te vinden. Maar dan doemt hij op.
Onze Redding. De knalgele Asia Snack Box, een kleine, soort van
snackbar,
maar dan eentje waar overheerlijke Aziatische gerechten worden bereid.
Buiten is
zelfs een terrasje. Goed, je zit af en toe wel wat te happen in de
uitlaatgassen
van bussen die aan weerszijden voorbij denderen, maar wij stellen
inmiddels aan
lang geen hoge eisen meer. Met een flesje prik strijken wij gelukzalig
neer op
het terras van de Asia Snack Box. Carina bestelt er een portie
loempiaatjes
bij. Later laten wij nog twee Tom Yam soep en een portie Gado Gado
aanrukken.
Het is tijd ons weer in de luchthaven te storten. Net achter de incheckbalies blijken nog wel een paar winkels en restaurants te zitten, maar veel vinden wij het nog steeds niet. Ons vliegtuig staat haast met zijn neus tegen het raam geparkeerd. Dat geeft ons gelegenheid om in de cockpit te kijken.
We vertrekken keurig op tijd. We zitten bij het raam, net achter een keukentje. South African Airways heeft een buitengewoon geavanceerd entertainmentsysteem, met een eigen schermpje waarop uit 15 films gekozen kan worden, die op elk gewenst moment kunnen beginnen. Er zijn ook spelletjes. Wij vermaken ons wel. Eerst mogen we weer eten. In het vliegtuig bevinden zich een klein aantal zwarte medemensen. Het grootste gedeelte daarvan zit in de bediening.
Wij slapen af en toe nog best wel een beetje. Om vijf uur gaat het licht weer aan. Tijd voor het ontbijt. We vliegen inmiddels boven Zimbabwe. We zullen rond 7 uur landen, meldt de gezagvoerder, “as always with South African Airways, when we’re not on time, we’re too early”.
Op de luchthaven staan enorme rijen voor de douane. Er zijn net een paar internationale vluchten aangekomen. De korte rijen zijn voor Zuid-Afrikaanse ingezetenen. Een man met geel vestje dirigeert ons steeds weer een rij naar rechts, naar de rijen die oorspronkelijk voor ingezetenen waren.
We halen onze rugzakken van de band en peuzelen onze appels op, die niet geïmporteerd mogen worden. Inmiddels is het acht uur. In de aankomsthal heet een bijzonder vriendelijke zwarte meneer ons welkom. Hij wil ons wel van alle kanten helpen. En hij kan ook een taxi voor ons zijn. Eerst maar eens pinnen. Dat is al een niet ongevaarlijke bezigheid in Zuid-Afrika. Er wordt enorm veel gestolen, gesjoemeld en gefraudeerd met pinpassen, hebben we uit de Lonely Planet geleerd. Een favoriete truc is eentje waarbij je, na het invoeren van je pincode, je pas niet meer terug krijgt, bij de bank binnen loopt om te vragen hoe dat zit, terwijl de bandieten er vervolgens met je pas en pincode vandoor gaan. De LP adviseert daarom om na het invoeren van de pas in de automaat op ‘cancel’ te duwen. Komt de pas terug, dan is er niets aan de hand. Komt-ie niet terug, dan heeft men tenminste nog niet je pincode. Wij duwen braaf op cancel.
Bij de Telkom-winkel op de luchthaven kopen we een telefoonkaart. Daarmee bellen we onze lodge. De eigenares is al op de luchthaven en zal er binnen twee minuten zijn. Ze stelt zich voor als Andrea en stond samen met nog een rugzaktoerist al op ons te wachten. We lopen naar de parkeergarage waar haar stationwagon klaar staat. Het kinderzetje wordt eerst van de achterbank gehaald. Andrea heeft vanochtend eerst haar kind naar school gebracht, zo legt ze uit. Bij de uitgang staat een wacht. Nergens voor nodig, vindt Andrea, maar de parkeertarieven zijn hier twee keer zo hoog als elders, en men vindt blijkbaar dat men daarom toch wat meer service moet bieden.
We zijn in Zuid-Afrika. Op het eerste gezicht lijkt het hier erg veel op de VS; de wegen, de reclames langs de kant van de weg, dat soort dingen. Andrea praat honderduit. We rijden eerst naar Johannesburg. Die stad is ontstaan vanwege de goudaderen die daar zijn aangetroffen. En dat is nu ook precies het probleem. Dat goud trekt een heleboel immigranten uit Nigeria, Zimbabwe, Mozambique, Namibie, dat soort landen. Die denken allemaal dat je hier rijk kunt worden, maar als ze hier eenmaal zijn, komen ze er achter dat de enige manier waarop je rijk kunt worden van dat goud is door zelf een goudmijn te bezitten. Gauteng, de provincie waar Johannesburg en Pretoria deel van uitmaken, beslaat zo’n 10% van het totale oppervlakte van Zuid-Afrika, maar huisvest 30% van de bevolking en 40% van de economie. Daarom komt ook iedereen hier naar toe: het is het rijkste gebied van Afrika. De straten van Johannesburg zijn nog net niet met goud geplaveid, maar het scheelt niet veel; belangrijke goudaders lopen pal onder die straten. Pretoria is een stuk ontspannener dan Johannesburg. Maar de mensen zijn er snobistischer. Het is een echte universiteitsstad, met veel studenten die pas volwassen zijn geworden na de apartheid, en waar blank goed samen gaat met zwart. Verder zijn er veel diplomaten; Pretoria huisvest ruim 100 ambassades en consulaten.
De auto wordt na een korte rit geparkeerd bij de Purple Palm Lodge. We stappen hier over in de luxe auto, laat Andrea weten. Ondertussen mogen wij even naar binnen. Wij raken wat in de war. Op de muur staat hier ook een logo van North South, dus gaan wij in onze slaperigheid haast denken dat we hier overnachten. Al bijna heb ik ons ingeschreven bij de vriendelijke jongen die hier de receptie voert, en ben ik naar binnen gebanjerd bij het huis van de eigenaars.
John, de man van Andrea, brengt ons per auto verder naar ons adres is Pretoria. Hij is ons net iets te joviaal en vermoeiend. Ook hij praat honderduit terwijl hij ons rijdt. Gelukkig zitten wij achterin. John komt uit Dublin en is hier begin jaren ‘80 naartoe gekomen. Maar nu vindt hij het zoetjes aan tijd om weer terug te gaan naar Europa. Vroeger had je dat nog niet, al die criminaliteit. Maar tegenwoordig gaat het helemaal de verkeerde kant op. Hij wil hier weg voor het te laat is, en straks net als in Zimbabwe alles geplunderd wordt.
Aan het begin van Pretoria is Groenkloof, het oudste natuurpark van Zuid-Afrika. Het heeft een beetje dezelfde rol als Central Park in New York: de plek waar stadsbewoners gaan wandelen. Even verderop staat het Voortrekker Monument, wijst John.We rijden langs een groot gebouw dat op een heuvel staat. Unisa, de University of South Africa. Pretoria is een echte universiteitsstad, zo horen wij opnieuw, en wij zullen worden gehuisvest in Hatfield, een van de betere buurten met veel horeca en winkels. Het is er best wel veilig, zelfs als het donker is kun je nog wel over straat. Het is prettig wonen in Pretoria, vindt John, de muren om de huizen zijn maar half zo hoog als in Johannesburg. Hij vraagt wat onze reisplannen zijn. Tja, dit is wel Afrika, dus alles zal anders lopen dan we gepland hebben. Gelukkig baten zijn vrouw en hij ook een reisbureau uit en kunnen ze ons zeker helpen onze hele verdere reis te plannen.
Hatfield blijkt een typisch Amerikaanse buitenwijk, met brede straten in ruitjespatroon, vrijstaande huizen keurig naast elkaar en grote betonplaten bij wijze van trottoir. Om de huizen staan inderdaad muren, voorzien van prikkeldraad. We komen aan op 355 Glyn Street, ons verblijfadres. John stelt ons voor aan Mollie, een vriendelijke zwarte vrouw die hier overdag de scepter zwaait. We schrijven ons in bij de receptie. Inmiddels is het half elf. We krijgen een welkomstpapiertje met op de achterkant een schematische plattegrond van de naaste omgeving.
Het is hier een echt rugzakkersbolwerk. In het huis zijn een paar kamers, met een gemeenschappelijke woonkamer en een keuken met koelkast en kookgelegenheden voor gezamenlijk gebruik. Koffie en thee zijn gratis. Wel graag de kopjes afwassen na gebruik. Buiten zijn nog wat uitbouwtjes. In één daarvan slapen wij. We krijgen een eenvoudige maar keurig nette kamer. Net tegenover onze kamer is het toiletgebouwtje met wasgelegenheid.
In de woonkamer nemen we een kopje thee en lezen we in de gratis rugzakreisgidsjes die we net gekregen hebben. We zijn erg moe. We gaan terug naar onze kamer, gaan op het bed liggen en doen een middagdutje.
‘s Middags gaan we toch maar eens op pad. We lopen naar
Hatfield Plaza, zo’n typisch Amerikaans winkelcentrum een
paar blokken
verderop. Bij de supermarkt, Pick ‘n Pay, kopen we een
hangslot voor onze kluis
in de lodge, en een late lunch, bestaande uit een flesje jus en een
kaasbroodje, dat we op een muurtje bij de parkeerplaats oppeuzelen. We
proberen
bij een telefooncel in het winkelcentrum het gratis nummer te bellen
van een
taxicentrale, dat we ook van de lodge hebben gekregen. Dat lukt niet
erg.
Uiteindelijk krijg ik een man aan de telefoon die duidelijk geen
taxi’s
uitbaat.
We lopen terug naar de lodge. Aan Mollie vertellen we dat we graag een taxi willen bestellen om nu naar het Voortrekker monument te gaan. Als we ook vertellen dat we morgen naar Soweto willen, fleurt ze weer helemaal op. Bij de telefooncel bij de lodge lukt het wel een taxi te bestellen. De taxi waarvan de chauffeur niet veel later bij de lodge aanbelt, is niet echt als zodanig herkenbaar. Misschien ook uit veiligheidsoverwegingen. De concurrentie in de taxibranche is hier namelijk moordend. Soms zelfs letterlijk.
Onze zwarte chauffeur rijdt in een wat aftandse oude Mercedes, en is uitermate beleefd en voorkomend. Hij rijdt ons naar het monument, nog een flinke rit. Om vier uur staan we voor de slagboom. We willen graag tot zes uur blijven, laten we weten. De openingstijden in LP blijken echter niet te kloppen, het monument gaat al een uur eerder dicht. Ook prima, dan blijven we tot vijf uur. Onze chauffeur is gaarne bereid om ons dan weer op te pikken. Hij zal er ook voor zorgen dat hij dan het wisselgeld heeft, dat nu tot zijn spijt niet beschikbaar is.
Het Voortrekker monument is
hier in de jaren ’40
neergezet ter meerdere eer en glorie van de Voortrekkers, een groep
Boeren, Zuid-Afrikanen van Nederlandse afkomst. Aan het begin van de
19e eeuw, toen alles hier nog goed en vredig was, doken ineens de
Engelsen op. Ze
konden het niet erg vinden met de Boeren. Toen de Engelsen ook nog het
schandalige
plan opvatten om de slavernij af te schaffen, hadden de Boeren er
genoeg
van. En aldus trokken zij op, weg van de kust, landinwaarts, met hun
huifkarren, veestapels, vrouwen, en kinderen. Naar onze indruk is die
tocht
vervolgens flink opgeblazen en bekend geworden als de Grote Trek.
Onderweg werd
nog een flink aantal Zulus een kopje kleiner gemaakt, bij de Slag om de
Bloedrivier.
Ter ere van deze heroïsche Voortrekkers is hier een monument
neergezet, een
flinke rechthoekige steenklomp die wat militarisch aandoet. Rond het
monument
staat een muur waar de huifkarren in uitgehouwen zijn. Binnen in het
monument
zien we langs de want in reliëf allerlei historische
tafereeltjes. De complete
Grote Trek in een kleine 20 panelen. Als we naar beneden kijken zien we
iets
dat nog het meest op een groot marmeren graf lijkt met daarin
gegraveerd de
worden ONS VIR JOU SUIDAFRIKA, en het nodige vlagvertoon. Het lijkt
hier nog
het meest op het mausoleum van een voormalig staatshoofd.
We lopen naar beneden. Ook hier
is langs de wand de Grote
Trek afgebeeld in een kleine 20 taferelen. Alleen is dat hier niet in
reliëf,
maar in kruissteek. Curieus. Een enorm borduurwerk, kleurig en erg
beeldend,
hangt om ons heen, bij elkaar gehandwerkt door negen vrouwen. Fraai is
het wel.
Bij de tafereeltjes op het handwerk ligt wat meer de nadruk op de rol
van de
vrouw bij de Grote Trek.
Om vijf uur zijn we eigenlijk ook wel uitgekeken. We genieten buiten van het uitzicht op Pretoria. Onze chauffeur is keurig op tijd. Op de terugweg stopt hij en vraagt of we het goed vinden als hij even geld wisselt. Dat vinden wij goed. Voor onze lodge worden we weer afgezet. We bellen aan en melden dat wij er weer zijn. Dan gaat het hek weer open. Rond de lodge staat een hoge muur met daarboven rollen prikkeldraad.
Wij stellen Molly er van op de hoogte dat we dat Voortrekker monument eigenlijk maar een lelijk ding vonden. Ze is gerustgesteld. Op onze kamer doen we maar weer een dutje. Als we om een uur of zes weer naar buiten gaan is het al stikdonker. Wij banen ons een weg naar Hatfield Square, een leuk pleintje met wat restaurants. Beide Chinezen zijn dicht. Dan maar naar de Romans, een soort van fast food pizzeria. En van elk soort is de tweede pizza nog gratis ook. Met een flink gevulde minestronesoep vooraf en een glaasje Ice Tea komt de totale schade op nog geen tien euro. En dat inclusief fooi. Het mapje waarin hier de rekening wordt gebracht, roept op weinig subtiele wijze op tot het geven van een flinke fooi, omdat het personeel hier slecht betaald wordt.
Het is zonnig maar nog wat fris als we ‘s ochtends opstaan. Het ontbijt, bij de prijs inbegrepen, gebruiken we op het terras. Er komen nog twee Nederlanders aan een belendend tafeltje zitten. Het is rustig in de lodge. Momenteel verblijven hier 7 mensen, vertelde Molly gisteren, in het hoogseizoen zijn dat er maximaal 28. Het is winter in Zuid-Afrika, dus laagseizoen.
Even na achten is onze gids gearriveerd. Erasmus, stelt hij zich voor. Een naam die ons Nederlanders ongetwijfeld bekend zal zijn. Liz, een Amerikaanse, is ook mee op de toer. Erasmus spreekt een grappig soort Engels dat eerst een beetje wennen is. Hij maakt zelf deel uit van de Ndebele-stam, vertelt hij ons, en woont nu in Pretoria. Op de rit van Pretoria naar Johannesburg (Jo’Burg voor intimi), een dikke 30 kilometer over de snelweg vertelt hij allerlei boeiende weetjes. Die palmbomen die we her en der langs de weg zien, die zijn niet echt, maar een reclame-uiting van een mobiele telefoonmaatschappij. In de kruin van de palmboom is een GSM-antenne verwerkt. We zijn nu in de provincie Gauteng. Dat is ook aan de nummerborden van de auto’s te zien. Die eindigen op GP; Gauteng Province. Volgens grapjassen staan die letters voor Good People. Cynische geesten houden het op Gangster’s Paradise. Inwoners van Pretoria geven de voorkeur aan Greater Pretoria.
Jo’Burg ontstond toen George Harrison en George Walker er goud ontdekten, ergens aan het einde van de negentiende eeuw. Het bleek de rijkste ader ooit ontdekt en rap ontwikkelde de stad zich. We rijden eerst door Sandton, een wat rijkere buurt. Erasmus rijdt ons naar het huis van Nelson Mandela, een van de vier huizen die hij heeft. Daarnaast staat het huis van zijn dochter. Het complex staat onder strenge bewaking. De drie bewakers die in de wachtpost zitten zwaaien vriendelijk. Nelson Mandela zie je werkelijk overal in dit land, vertelt Erasmus. Het is net McDonald’s.
We rijden door naar downtown Jo’Burg. Dat ziet er
verdacht veel uit als ongeveer elke willekeurige Amerikaanse stad. In
het midden een paar wolkenkrabbers, en daar omheen vooral veel wegen.
Erasmus rijdt ons naar de enige muti shop in
Jo’Burg,
een winkel waar nog traditionele geneesmiddelen en aanverwante zaken
worden verkocht. Intrigerend. Niet ver van de ingang zien wij
bijvoorbeeld de
vacht van een complete baviaan hangen. Erasmus spreekt vol ontzag over
wat
zich hier allemaal afspeelt. Zijn dier is ook een aap. Dat betekent dat
hij maar
beter geen aap kan aanrijden. Doet hij dat wel, dan roept hij een vloek
over
zich af. Achter de balie staan allerlei potjes met zo te zien
lichaamsdelen van
dieren waarvan wij waarschijnlijk maar liever niet weten wat het
allemaal is.
Aan de andere kant van de winkel zit een man met een stok in een pot
spullen
te malen. De winkel wordt uitgebaat door Indiërs, vertelt Erasmus.
Net
als eigenlijk alle winkels in de wijk.
Erasmus wil ons nog graag een bordje laten zien een paar winkels verderop, dat nog stamt uit het apartheidsregime. Net boven de ingang zien we het hangen. NIE-BLANKE WINKEL staat er in grote zwarte letters op een klein wit bordje. “Hierdie kennisgewing is vertoon ooreenkomstig die bepalings van die ordonnansie”, staat er onder. Dankbaar nemen we een foto.
We stappen weer in de auto. Het is nog een flink stuk
rijden naar onze volgende stop, in het zuiden van de stad. Misschien
vragen we ons af waarom het laatste kruispunt voor onze eindbestemming
is
voorzien van twee man beveiliging met complete bewapening, zo merkt
Erasmus op.
Welnu, dat is omdat er geklaagd werd dat er op dat kruispunt enorm veel
overvallen
plaatsvonden. Reed je er vroeger langs, dan had je een goede kans dat
je je auto kwijt was.
We bereiken het apartheid museum, begrijpelijkerwijs een relatief nieuw museum. Recht tegenover Gold Reef City, een soort van Disneyworld maar dan met de goudmijnen alhier als thema. Wij kiezen voor het apartheid museum. We kopen twee kaartjes. De toegangskaartjes hier zijn ingedeeld in twee categorieen: blank en niet-blank. Bij de ingang worden we dan ook wreed gescheiden: de een moet door de blanke ingang, de andere door de niet-blanke, een scheiding die nog gedurende het eerste gedeelte van het museum gehandhaaft blijft. Prominent aan het begin van het museum hangt een krantenbericht uit 1985, waarin wordt gemeld dat er gedurende het afgelopen jaar 703 (geloof ik) kleurlingen zijn geherclassificeerd als zijnde blank, het aantal zwarten dat kleurling is geworden, het aantal blanken dat kleurling is geworden, en zo voort en zo verder. De grens tussen die rassen bleek namelijk niet altijd helemaal duidelijk, en dus moest er zo af en toe nog wel eens iemand omgeboekt worden.
We lopen buiten langs een aantal portretten op ware grootte, van voor- en achterkant, van een aantal afstammelingen van wat later beroemde Zuid-Afrikanen blijken. Binnen, in de eerste zaal, wordt kort hun verhaal verteld. De moraal lijkt vooral te zijn dat de huidige generatie Zuid-Afrikanen bestaat uit een smeltkroes van allerlei achtergronden en herkomsten, blank, zwart en gekleurd, die er samen het beste van maken.
Het museum zit bijzonder goed in elkaar. We beginnen met een film met een korte geschiedenis van Zuid-Afrika voor de apartheid. Daarna wordt uitgebreid uit de doeken gedaan hoe die apartheid ontstaan is, hoe het zich ontwikkeld heeft en hoe het uiteindelijk haar einde heeft gevonden. Dat gaat niet alleen aan de hand van foto’s en tekst, maar ook met veel beeldmateriaal. TVs zijn her en der over de tentoonstelling verspreid. Het is inderdaad wat merkwaardig om door een geschiedenismuseum te lopen met bewegende beelden, vaak zelfs in kleur.
Ik blijf een hele tijd staan kijken naar een oude Zuid-Afrikaanse film die het heroïsche verhaal van de Grote Trek vertelt. Dat is wel amusant. Verder leren wij hoe in 1948 de Nationale Partij, toen nog een kleine extremistische blanke partij, onverwacht de verkiezingen won met apartheid als belangrijkste programmapunt. In de loop van de jaren werd die apartheid steeds extremer en nam ook het verzet van de zwarte bevolking toe, gesteund door de internationale gemeenschap. Ik loop een hele tijd in m’n eentje in het museum rond, als blijkt dat Carina mij kwijt was en al een tijd naar mij op zoek is. Ze dacht dat we hier maar een uur korter hadden dan we eigenlijk hebben. Toch moeten we wat vlotter door het laatste stuk van het museum.
Even na half twee gaan we weer op stap. Well, good people, kondigt Erasmus aan, nu gaan we naar Soweto. Soweto staat voor South-Western Townships, die ontstonden in de jaren ‘30 onder aanvoering van een charismatisch leider die woonruimte claimde voor de zwarten en dankbaar gebruik maakte van een wet die stelde dat mensen pas uit hun huis gezet mochten worden als de overheid zorgde voor vervangende woonruimte. Wanneer mensen in krotten wilden gaan wonen, konden ze daar dus niet zo maar uit gezet worden.
Soweto bestaat tegenwoordig uit ruwweg drie soorten
wijken, laat Erasmus weten; the good, the bad, and the ugly. We gaan
eerst naar the ugly. Verder zullen we vandaag vooral the good zien. The
ugly is
een zogenaamd “squatter camp”, waar de allerarmsten
wonen, meestal afkomstig uit het buitenland. Aan het begin van de wijk
worden wij overgedragen aan
een lokale gids, een nogal expressieve zwarte jongen met sjofele
kleding en
een zwarte muts, die lijkt te leiden aan een vrij ernstige vorm van
ADHD.
We lopen door een brede straat, eigenlijk meer een zandweg. Aan weerszijden staan krotten, meestal overwegend bestaand uit golfplaat. In één zo’n huisje wonen doorgaans 8 mensen, zo wordt ons verteld. Er is geen elektriciteit, de overheid zorgt alleen voor een chemisch toilet per drie, vier huizen. We lopen langs een gebouwtje waarvan onze gids vertelt dat het een kleuterschool is. Zes weeskinderen wonen er permanent. Men zou ons zeer erkentelijk zijn voor een kleine financiele bijdrage. Onze gids leidt ons naar het huis van een vriendin van hem, even verderop, waar we binnen een kijkje mogen nemen. Overigens zou zij ons zeer erkentelijk zijn voor een kleine financiele bijdrage. Men is hier erg arm, zo blijkt hier binnen. De belangrijkste bron van inkomsten lijkt haast het toerisme te zijn. Iedereen is verder werkloos. Als we thuis nog kleren over mochten hebben, dan zou men ons zeer erkentelijk zijn als we die op willen sturen. Dat beloven we.
Op de parkeerplaats worden we bestormd door souvenirverkopers. Uiteindelijk gaan we maar snel weer het busje in. We moeten immers nog verder. We rijden naar Orlando, de oudste wijk in Soweto. Hier werden oorspronkelijk kleine vierkamerhuisjes gebouwd, in de volksmond bekend als matchboxes. Inmiddels is Orlando ook de beroemdste wijk van Soweto. Vooral Vilakazi Street, waar een belangrijk gedeelte van de recente geschiedenis van Zuid-Afrika zich heeft afgespeeld. Aan het begin van de straat staat het huis van Desmond Tutu. Even verderop staat de school waar in de jaren ‘70 de opstand begon. Weer even verderop is namelijk Hector Pietersen Square, genoemd naar de 13-jarige scholier die hier op 16 juni 1976 tijdens een demonstratie werd neergeschoten. Die demonstraties waren uit protest dat de overheid had besloten dat al het onderwijs in het Afrikaans moest plaatsvinden. Het neerschieten van Hector Pietersen leidde tot nog veel meer protesten en onlusten en uiteindelijk, 18 jaar later, tot de afschaffing van de apartheid. De 16e juni is nu een nationale feestdag. Aan het einde van de straat staat het huis waar Nelson Mandela gewoond heeft. Pas jaren later kwamen Tutu en Mandela er achter dat ze vroeger in dezelfde straat woonden. Uiteindelijk wonnen ze allebei een Nobelprijs.

In deze straat gaan we ook de lunch gebruiken. Dat doen we in een uitermate hip restaurant, dat je in eerste instantie niet in deze omgeving zou verwachten. Wij nemen een warm broodje met salade. Erasmus vertelt dat hij op een aantal plekken in Europa is geweest, waaronder Amsterdam. In alle gevallen reisde hij met zijn moeder mee. Zij schildert in de Ndebele traditie, grote gekleurde geometrische figuren met zwarte lijnen er omheen. Ik vraag hem of hij ook in Maastricht is geweest, waar in de kelder van de economische faculteit ook Ndebele-schilderingen zijn aangebracht. Inderdaad, hij is daar ook geweest en die schilderingen heeft zijn moeder gemaakt. De wereld is klein.
Op die manier is hij zelf eigenlijk ook in het toerisme
gerold. In het dorpje waar hij woonde ging alles gewoon zijn gangetje,
iedereen deed wat hij altijd al deed, totdat er plotseling steeds meer
toeristen
kwamen om de schilderingen te bewonderen. Tot grote verbazing van
vooral zijn
moeder, want die wist eigenlijk niet dat ze iets bijzonders deed. En zo
kwam
van het een het ander.
We rijden verder, kriskras door Soweto. De volgende attractie is het huis van Winnie Mandela, ook zwaar beveiligd. Inmiddels zitten we in de villawijk van Soweto, hoe merkwaardig dat voor ons ook mag klinken. Maar er staan hier behoorlijke optrekjes. Erasmus meldt dat een van die optrekjes toch al snel 125,000 euro kost. Wij houden wijselijk onze mond.
We rijden verder, door nog wat straten. Iets lager zien we een complex liggen dat nog het meest weg heeft van een flinke gevangenis. Dat is het niet. Dit zijn de alleroudste woningen in deze buurt, de barakken die oorspronkelijk bedoeld waren om de mannen te huisvesten die in de goudmijnen werkten. Ook nu woont daar niet bepaald het beste publiek, meldt Erasmus voorzichtig. Het zit nog maar net een categorie boven de squatter camps die we eerder vandaag bezochten.
Onze toer is ten einde. Erasmus rijdt ons weer terug naar Pretoria. Na ons namiddagdutje lopen we weer naar Hatfield Square. Inmiddels weten we de weg. De Chinees is vanavond wel open. Het is een eenvoudig doch vriendelijk en smakelijk restaurant, waar veel Chinezen komen, en dat is altijd een goed teken. De rekening bedraagt een slordige 70 rand en we betalen met een biljet van 100. Van het wisselgeld laten we een fooi van 10 liggen, dat is hier zo gebruikelijk. Ietwat verontrust komt de uitbater achter ons aan. We hebben maar 10 betaald, terwijl de rekening 70 is. Het kost wat moeite om de man uit te leggen dat we de rekening al betaald hadden en dat dit de fooi is. De arme man maakt een wat verwarde indruk.
Terug in de lodge bestellen we een taxi voor morgenochtend, kwart voor zes. Om een uur of negen liggen we in bed.
Vanochtend gaat de wekker om vijf uur. Het ontbijt wordt pas vanaf zes uur geserveerd, zo is ons verteld, dus lijkt het ons weinig zinvol om nog vroeger op te staan. Als we rond half zes naar buiten komen, staat Josh ons echter al op te wachten. Hadden wij een taxi besteld? Dat klopt. De taxi is er al. Dan is de taxi te vroeg. Dat vond Josh ook al. Josh vraagt of wij ook een ontbijtje willen. Dat slaan we niet af. In rap tempo worden etenswaren op de keukentafel gezet en wij slaan snel een portie ochtendgraan, zoals men dat hier noemt, met melk naar binnen. We geven Josh de sleutel en haasten ons naar de taxi, waar we om tien voor zes instappen. Pas een paar dagen later bedenken we dat we de 50 rand borg voor de sleutel vergeten zijn.
We rijden naar het station in downtown Pretoria. Alles verloopt vlekkeloos. Bij het kantoor van Intercape meld ik mij met onze internetreservering. Na betaling met credit-card wordt een betalingsbewijs aan mijn uitdraai geniet. Buiten verschijnt de bus. Onze bagage gaat in het achterruim en we krijgen een bonnetje voor onze rugzak. Het is een luxe bus, dubbeldeks. Wij weten het plekje boven voor bij raam te bemachtigen. De bus is niet erg vol.
De eerste stop is Johannesburg. Wij vonden het wat merkwaardig dat de bus daar pas vertrekt twee uur na de geplande vertrektijd in Pretoria. Terwijl dat ritje normaal gesproken maar veertig minuten duurt. We hadden zelfs overwogen om op een andere manier naar Johannesburg te reizen, zodat we tenminste nog een uurtje langer in bed konden blijven liggen. Maar nu blijkt waarom. Het is spitsuur. En dan is het heel druk op de snelweg tussen Pretoria en Jo’Burg. Hier en daar zien we pickups waarvan de achterbak vol zit met mannen die naar hun werk gaan. Ze zwaaien enthousiast terug. “The Lord has been good for us today”, meldt de autoradio, “there’s only one accident in the Johannisburg area”. De chauffeur zoekt een andere zender op.
Uiteindelijk zijn we eigenlijk nog maar net op tijd op het station van Johannesburg. Daar stroomt de bus helemaal vol. We zijn uitverkocht. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de nationale feestdag van morgen, waardoor half Zuid-Afrika een lang weekend heeft. We gaan weer de snelweg op, waar het nu een stuk rustiger is.
Op het eerste stuk van de rit is het uitzicht niet overdreven boeiend. We rijden over kale dorre vlaktes. Veel mais. Buiten de chauffeur zit er maar liefst drie man personeel op de bus. Een van hen komt langs met een dienblad vol kopjes thee en koffie, van het huis. Een van de kopjes gaat vlak achter mij onderuit. Er zit hier standaard melk in de koffie.
Het landschap wordt fraaier, met bergen, hier en daar een
meertje en wat bomen. Aan het begin van de middag stoppen we bij
Montrose, een pleisterplaats voor doorgaande bussen, met fast-food
restaurants,
winkels en toeristeninformatie. Daar slaan wij onze slag. Ze hebben
hier de wereld
aan foldertjes, over alle plekken in Zululand waar een mens
mogelijkerwijs
maar heen zou kunnen willen. Het toerisme is hier duidelijk in
ontwikkeling.
Op de onderste rij staan een rits foldertjes over hoe je zelf je eigen
guesthouse kunt beginnen, hoe je een business plan moet schrijven, en
meer van dat
soort dingen. Bij de winkel kopen we twee grote koeken en twee flesjes
drinken. De andere passagiers blijken complete meeneemmaaltijden van de
Burger King
te hebben meegesleept.
Het landschap wordt steeds bergachtiger. En mooier. Tegen drieën komen we aan in Pietermaritzburg, een klein stadje vernoemd naar Pieter Maurits Retief, aanvoerder van de Voortrekkers, waar op het eerste gezicht niet heel veel te beleven valt. Om half vier zullen we bij het kantoor van de busmaatschappij worden afgehaald door ons busje van de Sani Pass Carriers, die ons verder zal leiden richting eindbestemming. Hebben wij nog net tijd om naar de McDonald’s aan de overkant te gaan, voor een plas en een milkshake.
Pietermaritzburg is al in rep en roer voor de Comrades Marathon, die hier morgen voor de tachtigste keer zal plaatsvinden. De Comrades Marathon is een grote internationale hardloopwedstrijd de jaarlijks wordt gelopen tussen Pietermaritzburg en Durban, toch zo’n 86 kilometer. De loop begint morgenochtend om half zes en werd oorspronkelijk gehouden ter nagedachtenis van de gevallen kameraden tijdens de eerste wereldoorlog. Zelfs bij McDonald’s zien wij hardlopers.
Als we om 15:25 weer terug lopen, staat er al een wit busje met opschrift Sani Pass Carriers op ons te wachten. De chauffeur stapt uit en stelt zich vriendelijk voor. Onze rugzakken gaan in de achterbak, waar ook een paar banken staan. We mogen zelf naast de chauffeur voorin. Dat is wat krapjes. We moeten nog een jongedame ophalen, vertelt de chauffeur. Dan gaan we richting Sani Pass. De jongedame, die met haar bagage een paar straten verderop staat te wachten, gaat achterin.
We rijden naar Underberg, een dorpje aan de voet van de Sani Pass, de grens van Zuid-Afrika en Lesotho. Dat is een fraaie rit van een slordige twee uur door de bergen. Het gaat er hier ook steeds traditioneler uit zien. Langs de kant van de weg lopen regelmatig mensen. Hier en daar zien we dorpjes met een paar rondavels, traditionele ronde huisjes.
De zon is al onder als we in Underberg aankomen. We gaan het kantoortje van Sani Pass Carriers binnen om af te rekenen voor de heen- en terugreis. Dan worden we afgehaald door Russell, de eigenaar van de Sani Lodge, onze uiteindelijke bestemming. In een landrover rijden we de laatste paar kilometer over een zandweg. Er gaat niets boven een zandweg, vindt Russell. Hij is zelf ook ooit eens in Groningen geweest, hij had daar een vriendin zitten, maar dat contact is verwaterd. Onderweg komen we een reedbuck tegen.
In de Sani Lodge worden we verwelkomd door Matthew, een sympathieke, bij vlagen ietwat wazige Zuid-Afrikaanse jongen die hier de leiding heeft. We krijgen weer onze eigen blokhut, al is dat wel een rijtjesblokhut. Het is hier al knap koud, maar we krijgen elk drie dekens en een kruik. Het sociale leven in de Sani Lodge speelt zich af in een gemeenschappelijk huis, met grote voorkamer met open haard, achterkamer, veranda op het westen en keuken. Tegen geringe meerprijs kunnen we hier ook ons diner gebruiken, mits dat voor twee uur ‘s middags wordt gemeld. Voor vandaag zijn we dus te laat. Gelukkig weet Matthew nog twee flinke kommen stevige pompoensoep te regelen waarmee we ons avondeten doen.
Het is momenteel niet heel erg druk in de lodge. Er overnachten zeven man, waarvan drie in een tent. Dat lijkt ons zelf wat koud. Morgen wordt het een stuk drukker, is ons verteld. We zijn inmiddels doodmoe van de lange reis en de slaapachterstand, en liggen om tien over acht in bed.
Vandaag is het Youth Day, een nationale feestdag in Zuid-Afrika, naar aanleiding van de scholierenopstand die op deze dag in 1976 in Soweto begon. Wij hebben voor vandaag een wandeling geboekt naar de rotsschilderingen van de Bosjesmannen. We vertrekken om een uur of negen.
Het ontbijt kunnen we gebruiken in de Theetuin, een klein restaurant annex winkeltje zo’n vijftig meter van de lodge. Het vriest. Het gras is nog wit en ook de autoruiten zijn bevroren. In het restaurant is het ook koud. Het ontbijt is uitstekend, vooral de warme muffins vinden wij uiterst smakelijk.
Om negen uur komt onze gids. Steve, een nog erg jong ventje, begin twintig, van naar eigen zeggen Iers/Schots/Engelse afkomst. Per jeep rijden we naar het Sani Hotel. Dat scheelt weer een kilometer lopen. En een kilometer op de terugweg. Dat brengt de totale wandeling op 14 kilometer.
We lopen langzaam omhoog. Een flink stuk van het terrein
hier hoort nog bij het Sani Hotel. Dat heeft nu sinds een jaar of tien
een nieuwe eigenaar. De vorige eigenaar heeft er nogal een zootje van
gemaakt. Hij heeft op de verkeerde plekken paden door de bergen
getrokken, waardoor
daar veel erosie is ontstaan en er nog meer grond is weggeslagen. En
hij
heeft zomaar wandelpaden uitgezet naar de rotsschilderingen, zonder er
rekening mee te houden dat het snel is afgelopen met die schilderingen
als iedereen
er maar een beetje op eigen houtje langs gaat banjeren.
In het gras zien we een reedbuck liggen. Onderweg vertelt Steve honderduit over alle bomen en plantjes die we tegenkomen. De natuur zit hier vreemd in elkaar. Voor een aantal bomen en planten is brand noodzakelijk om zich voort te kunnen planten. Vroeger zorgde met name onweer daarvoor, nu doet de mens dat vaak zelf. Langs de horizon zie je op diverse plekken dat er bosbrandjes zijn. Dat zijn gecontroleerde branden, om te voorkomen dat een spontaan ontstane brand straks iemands huis of iets dergelijks afbrandt. Veel mensen zijn momenteel nog bezig met die branden. Het seizoen waarin dat is toegestaan loopt nog tot eind juni.
We zien de Proteus Nogwat, ofwel treefern, een boom met een merkwaardig dikke zwarte bast, en wat bladeren bij de kruin. Daarmee heeft ie wel iets van een palmboom. Inmiddels moeten we flink klimmen. Die warme kleding die ons was aanbevolen gaat al snel uit. Als de zon gaat schijnen begint het sowieso redelijk op te warmen.
Ook de Bosjesmannen waren op de hoogte van veel van de
eigenschappen van de bloemen en planten in de Drakensbergen. Steve
vertelt van een plant die tot effect heeft dat iedereen die ermee in
aanraking
komt, tijdelijk verlamd raakt. Een andere plant is dermate giftig dat
als je
er een klein beetje van in je lichaam krijgt, dat meteen dodelijk kan
zijn. De
Bosjesmannen gebruikten beide planten voor hun pijlen. Met een andere
plant, een soort van aardappel die hier groeit, was het ook uitkijken.
Gedurende het grootste gedeelte van het jaar was het ding prima te
eten, maar tegen
het einde van de zomer vormde zich een beschermende laag om de knol.
Die laag is
dodelijk.
Onze klim is inmiddels ten einde. We lopen nog een flink eind min of meer horizontaal. Dan komen we bij de eerste rotsschilderingen. Ziet er fraai uit. Hier en daar staat op de rots, meestal in het rood, een tafereeltje geschilderd. Een mens, een dier, of een aantal objecten. Niet alle tafereeltjes zijn nog even goed te zien. Sommigen zijn er afgewreven door een ander volk, die in die handeling weer magische krachten zien. De schilderingen, waar heel Zuid-Afrika mee bezaaid is, zijn gemaakt met dierenbloed, vermengt met nog zo het een en ander, waardoor de verf beter blijft zitten. De bruinige buiken van de beesten zijn van oker, van een bepaalde steen die gemalen werd.
Over de interpretatie van veel schilderingen zijn veel deskundigen het niet helemaal eens, laat Steve weten. Dat kan ook moeilijk anders, want niemand was er bij toen ze gemaakt werden. De schilderingen zijn tussen de 200 en 900 jaar oud. Op de meest recente, die wij overigens niet te zien krijgen, is te zien hoe bijvoorbeeld de Voortrekkers met hun karren en ossen de bergen introkken. Ook zijn er schilderingen bekend van blanke mannen met geweren.
Waarom de Bosjesmannen de moeite namen om de rotsen te
beschilderen, is niet helemaal duidelijk. Misschien deden ze het zelfs
gewoon voor de kunst zelf, zonder bijbedoelingen. Een merkwaardige
gewoonte is
dat men soms meerdere afbeeldingen over elkaar heen schilderde. De
Bosjesmannen
zijn inmiddels uitgeroeid, ingeklemd als ze werden door de blanken in
het
zuiden en de Zulus in het noorden. Bovendien hadden ze een hele andere
manier van
het omgaan met de natuur dan de blanken. Dieren zijn van iedereen, en
kunnen nooit het eigendom van iemand zijn. Toen de blanken hier kwamen
met hun vee,
vonden de Bosjesmannen het dan ook de gewoonste zaak van de wereld om
ook op
dat vee te jagen en het mee te nemen. De blanken dachten daar duidelijk
anders
over. Inmiddels zijn de Bosjesmannen uitgeroeid. Alleen in de
Kalahari-woestijn wonen er nog een paar die verwant zijn aan de
Bosjesmannen die ooit in de
Drakensbergen leefden.
De volgende rots is nog zeker drie miljoen keer zo mooi als deze, belooft Steve ons. Dat blijkt inderdaad het geval. Onder een enorme schildering van tientallen Bosjesmannen plus nog een flink aantal dieren, gebruiken wij onze lunch.
Na de lunch geeft Steve wat uitleg over het een en ander. De flinke hoeveelheid mannetjes die allemaal naar rechts kijken, dat duidt waarschijnlijk op een migratie. Een aantal kijkt naar links, die gaan misschien de andere kant op, of dat duidt juist op hoop dat alles ooit weer wordt zoals het vroeger was. Op het linker paneel staan immers een groot aantal dieren, dat geeft wellicht de traditionele leefwijze van de Bosjesmannen weer. Een aantal figuren stellen de medicijnman voor, of sangoma. Bij sommige figure staan een aantal streepjes in hun nek, dat duidt op een trance.
De Bosjesmannen geloofden dat iemand die een dier doodde, één werd met dat dier. Ze wisten ook dat als iemand gif had ingenomen, dat gif weer via zweet, ontlasting, overgeven of wat dies meer zij het lichaam kan verlaten. Het was dus belangrijk dat iemand die een dier had gedood, gedurende drie dagen na die dood geen vocht verloor, op wat voor manier dan ook. Als het beest na te zijn neergeschoten nog moest worden achtervolgd, dan mocht dat dus ook niet gebeuren door degene die de fatale pijl had afgevuurd. Die zou daardoor immers gaan zweten, waardoor dat hele gif weer geen effect zou hebben. Verder hadden de Bosjesmannen groot respect voor alles wat leeft. Aan elk dier dat werd afgemaakt, werd eerst excuses aangeboden.
We lopen weer terug naar het Sani Hotel, opnieuw een
fikse wandeling. We zien nog een derde rots die beschilderd is, maar
die is duidelijk minder spectaculair dan de tweede. De tweede is een
maand of
vier geleden ook al beklad, tot grote woede van Steve. Neerschieten
moeten
ze ze. Een tijdje geleden werden op de luchthaven van Johannesburg een
paar
Japanse toeristen betrapt die een compleet uitgehakt tafereel in hun
bagage
hadden zitten. Men is nu steeds voorzichtiger met de rotsschilderingen.
Het is
streng verboden ze te bezoeken zonder erkende gids. Er gaan zelfs
stemmen op
om een aantal rotsen te lamineren, om ze zo te beschermen tegen verval
en
vandalisme. Maar daarmee gaat het oorspronkelijke karakter natuurlijk
ook verloren.
Uiteindelijk bereiken we weer het Sani Hotel. In het Sani Hotel schijnen ze ook internet te hebben, zo vertelde Matthew ons gisteren. Nu we hier toch zijn is dat een goede gelegenheid om daar gebruik van te maken. We vertellen Steve dus dat we hier nog even blijven. Eerst gebruiken we een consumptie op het terras van het driesterrenhotel, met uitzicht over de bergen. Dan informeren we bij de receptie. Helaas. Het internet is vandaag defect. We lopen weer terug naar de Sani Lodge. Dat brengt ons totaal voor vandaag op 15 kilometer. Om een uur of vier zijn we weer terug.
De Sani Lodge is in de tussentijd overspoeld door Zuid-Afrikanen. Matthew kijkt ietwat wanhopig rond. In verband met het lange weekend naar aanleiding van de nationale feestdag gaat iedereen er op uit. Wij komen midden in een Zuid-Afrikaans familieweekend terecht. Met jeeps komen ze het terrein opstormen. Uit die jeeps komen grote koelboxen en enorme plastic containers vol proviand. En natuurlijk zakken vol houtskool voor de barbecue waaraan elke Zuid-Afrikaan verslaafd lijkt te zijn. Voor we er erg in hebben staat er in de tuin voor de veranda al een stapel houtskool in de hens. Wij slaan een en ander geamuseerd en met lichte verbazing gade. Het is net of wij in een Cultural Village zijn beland, een traditioneel dorp van een van de oorspronkelijke stammen van Zuid-Afrika dat speciaal voor toeristen is open gesteld. Alleen zijn het hier de echte originele Afrikaners. Matthew vindt dat ook wel komisch. Wij zijn vanavond de enige buitenlanders die hier verblijven.
Om zes uur kunnen we eten. Matthew eet met ons mee. We krijgen rijst met een drabje met broccoli en een soort van vegetarische quiche. Lekker. Intussen stort Matthew zijn hart uit. Hij werkt hier nu zeven maanden, maar heeft het inmiddels wel gehad, krijgen wij de indruk. De afgelopen maanden heeft hij eigenlijk alleen maar gewerkt en geslapen. Eigenlijk wil hij zelf ook reizen, het liefst langere tijd ergens zijn, bij voorkeur in Oost-Europa. Maar daarvoor heeft hij het geld niet. Eigenlijk lijkt hij ook nog niet zo goed te weten wat hij nu precies wil.
We blijven nog een tijdje de Afrikaners observeren, maken zo hier en daar nog een praatje met ze, maar dan vinden we het welletjes. Vooral als ze een nogal luidruchtig spelletje gaan doen. Dit keer liggen we om een uur of negen pas in bed.
Ook vandaag hebben wij een toer op het programma gezet. En ook vandaag blijkt Steve de gids. Met excuses van Matthew; meestal probeert men dat te voorkomen, twee dagen na elkaar dezelfde gids bij dezelfde mensen op verschillende toers, maar dit keer is dat niet gelukt. Wij vinden het prima zo.
Na een ontbijt in de Tea Garden, dit keer helaas zonder
muffins, vertrekken we om negen uur per Landrover richting Lesotho. Dat
is een dolle rit. De zandweg verslechtert al snel na het Sani hotel,
zodanig
dat men haast beter van een rotsweg kan spreken. Er zitten hier en daar
flinke
gaten in de weg en er liggen flinke keien. Dit noemt men de Afrikaanse
massage,
laat Steve weten terwijl wij door de Landrover buitelen. Na acht
kilometer
stoppen we bij een uitzichtspunt. Een prachtig uitzicht over het dal
van de
Drakensbergen achter ons, en een rotswand die de Twaalf Apostelen wordt
genoemd voor ons. Aan de bovenkant van die rotswand zijn namelijk een
slordige
twaalf pieken waarneembaar.
Nog een eindje doorrijden en we komen bij de Zuid-Afrikaanse grenspost. Die bevindt zich acht kilometer voordat we daadwerkelijk in Lesotho zijn. Wij wachten buiten terwijl Steve naar binnen gaat om de paspoorten te laten stempelen. Vandaag krijgen we maar liefst vier stempels in ons paspoort. Nu eentje om Zuid-Afrika uit te gaan. Aan het einde van de dag eentje om Zuid-Afrika weer in te gaan. En de grensbeambten van Lesotho geven voor het gemak bij binnenkomst zowel een stempel om het land in te mogen, als eentje om er weer uit te gaan.
Na de Zuid-Afrikaanse grenscontrole wordt de weg pas echt
een feest. Het is nog steeds hobbelig, maar de weg gaat nu ook steil
omhoog en het wemelt van de haarspeldbochten. Die bochten zijn vaak
behoorlijk
scherp, nogal krap bemeten en voorzien van een flinke afgrond. Bij elke
bocht
vertelt Steve ons de bijnaam van die bocht. We komen bij een nieuw
uitzichtpunt. Steve’s favoriet. We hebben een bijzonder
spectaculair
uitzicht over het dal. Groene velden liggen er bij alsof het
rijstterrassen zijn. De bergen
werpen hun schaduw over de lager gelegen gedeelten. Het is onbewolkt.
We stappen weer in voor de laatste en meest onbegaanbare bochten. Steve maakt zich vrolijk over alle chauffeurs die duidelijk voor het eerst de berg op rijden. Hij is zelf al een paar honderd keer op en neer geweest.
We komen bij de grens van Lesotho. Dagelijks geopend van acht tot vier. En hun klok loopt vijf minuten voor, weet Steve. Bij de grens is een bar waarvan de muur trots meldt dat dit de hoogste pub van Afrika is. De Sani Top Chalet bevindt zich op 2874 meter hoogte. Het laagste punt van Lesotho ligt iets boven de 1500 meter boven de zeespiegel. In die zin is het het hoogstgelegen land ter wereld.
Steve brengt onze paspoorten naar de stempelpost en maakt een praatje met de mensen daar. Wij kijken naar het dorpje even verderop, bestaand uit een handjevol rondavels. Lesotho heeft ongeveer twee miljoen inwoners, de Basotho geheten. Daarnaast wonen er ook nog eens een slordige twee miljoen Basotho in Zuid-Afrika. De taal die men spreekt is het Sesotho. Het land werd in de jaren ‘60 onafhankelijk en is een koninkrijk. Het is ongeveer even groot als Belgie.
Een politieman van bij de grens maakt graag van de
gelegenheid gebruik om van ons een lift te vragen naar het volgende
dorp. Een andere man en zijn vrouw stappen ook in. De man heeft een
groot
machinegeweer om zijn schouder hangen. Geen probleem, beveiliging, laat
Steve weten.
Even verderop wordt aan nog een vrouw een lift gegeven. De vrouw stapt
al
snel weer uit, de anderen rijden nog met ons mee naar het dorpje even
verderop,
waar we zelf ook heengaan.
We arriveren in Skering. Een aantal kindertjes komt naar buiten en heeft duidelijk al eerder toeristen mee gemaakt. Wij gaan op bezoek bij een mevrouw die momenteel hier woont. Een gedeelte van het jaar woont ze een eind verderop. Er is een herder bij haar die we ook begroeten. We mogen een kijkje nemen in het huis van mevrouw, zo’n rond geval met een rieten dak. Het huis is gebouwd van stenen. Aan de binnenwand is de muur gepleisterd, net als de vloer. Onder de vloer schijnt ook nog een laag stenen te liggen. In het midden van het huisje staat een kachel. Bomen zijn er niet in Lesotho, dus wordt een struik gebruikt als aanmaakhout, en mest als brandstof. De stenen die onder de vloer liggen doen dienst als vloerverwarming. En omdat het huis rond is, zijn er nergens koude hoeken.
Ook hier worden we begroet met het traditionele handgebaar. Eerst de handen normaal schudden, dan de handen zodanig schudden alsof je gaat armpje drukken en tenslotte de duimen om elkaar krullen. Die gebaren staan voor vrede, regen en rijkdom, zo legt Steve uit. Meer is een mens immers ook niet nodig. Maar er zijn maar weinig mensen die die oorspronkelijke betekenis nog kennen.
Het is hier onbeleefd om iemand aan te kijken als je met
hem of haar spreekt, zo leren wij. En als je ergens binnenkomt, moet je
wachten op toestemming voor je gaat zitten. Maar goed, wij hebben ons
buiten al
voorgesteld dus mogen we verder onze gang gaan. Als we eenmaal binnen
zijn kijken we toe hoe de vrouw des huizes bezig is. Er worden
voorbereidingen getroffen om brood te gaan bakken. Langs de muren van
het huisje is een
verhoging die dienst doet als bank.
Mevrouw verkoopt ook van die geinige ronde hoedjes waar men in Lesotho mee rondloopt. Carina koopt er eentje. Mevrouw klaart helemaal op.
We nemen weer afscheid. Met onze Landrover trekken we nog wat verder het land in. We rijden naar de Black Mountain, waar we onze lunch genieten met een kopje thee. We hebben een fraai uitzicht. De bergen liggen er kaal bij, met veel rotsen. Beneden zien we een man lopen in zwarte kleding. Hij zwaait naar ons. Wij zwaaien terug. Hij roept en zwaait nog eens met zijn armen. Het lijkt zelfs alsof hij een traditionele Lesoothse volksdans voor ons gaat uitvoeren. Het is ons niet duidelijk wat hij nu precies wil.
We maken een korte wandeling naar een hoger gelegen gedeelte van de berg. Het hoogtepunt van onze vakantie. Volgens Steve’s hoogtemeter zitten we nu op 3305 meter hoogte. Het weer vandaag valt mee, er staat niet veel wind. Koud is het natuurlijk nog wel.
We rijden terug naar de grens. Eerst nemen we een kopje warme chocomel in Afrika’s hoogste kroeg. Het is hier opvallend druk. Veel mensen die een dagje naar Lesotho zijn geweest, vaak op eigen gelegenheid. Vaak met een 4WD, met een gewone auto mag je de berg niet eens op, maar een hele groep ook op quads. Vanaf het terras van het café heb je ook al weer een mooi uitzicht. Op de stenen wemelt het van de ijsratjes.
Om half drie gaan we weer verder. Steve wil graag voor de
drukte uit zijn die straks bij de grens gaat ontstaan. Dat lukt niet
helemaal. Tussen beide grenzen stuiten we op twee onervaren 4WD-rijders
die niet
opzij willen, tot grote ergernis van Steve. Dat hoort bij de etiquette,
dat
je opzij gaat als er iemand achter je zit die sneller kan dan jij. Bij
de
Zuid-Afrikaanse grens ziet hij zijn kans schoon. Snel parkeren, naar
binnen gaan, stempelen en weer verder. We zijn net voor de meute aan.
Waarom de Zuid-Afrikaanse grenspost acht kilometer voor de eigenlijke grens zit? Boven is geen telefoon. En geen elektriciteit. Bovendien wonen de Zuid-Afrikaanse grensbeambten allemaal in Underberg, dus die hebben geen zin om elke dag ook nog eens die bergpas op en neer te rijden. Plotseling zet Steve de auto stil. Bavianen! Inderdaad, in het groen net links van de weg zit een troep bavianen van een aap of tien. Geintrigeerd kijken wij toe. Rechts van de weg zit er ook nog eentje.
Rond een uur of vier zijn we terug in de Lodge. We mogen nog een kopje thee drinken in de Theetuin, bij de prijs inbegrepen. We gaan braaf op het terras van de Theetuin zitten, terwijl de thee in de keuken van onze lodge natuurlijk ook gewoon gratis is. Maar goed. In de lodge is ons Zuid-Afrikaans familieweekend nog steeds in volle gang. Ook zijn er drie verse Nederlanders gearriveerd, zien wij op het bord waarop iedereen aan kan geven of hij mee wil eten. Het blijken drie jonge landgenoten, die per huurauto in twee-en-een-halve week door het land trekken.
Het avondeten bestaat uit een wat merkwaardige combinatie van spahetti en bruine bonen, plus groente in iets van een kaassausje die lijkt op wat we gisteren ook hadden. Maar het smaakt prima. Dit keer liggen we op negen uur in bed.
Vandaag is het tijd de Sani Lodge weer vaarwel te zeggen. Met het openbaar vervoer hopen we tot in St. Lucia te komen, of dat gaat lukken is een ander verhaal. Volgens Matthew moet het geen probleem zijn. We willen reizen met de minibus taxi’s. Die zijn niet overal in het land even veilig, maar hier is het geen probleem, opnieuw volgens Matthew. Hij gebruikt ze zelf ook. En ons vervoer tot aan Pietermaritzburg is al geregeld. Dat gaat opnieuw met de Sani Pass Carriers.
We moeten vroeg op. Om twintig over zeven rijdt Russell, de eigenaar van de Sani Lodge, ons naar de Sani Pass Carriers. Hij is al druk bezig met het ijsvrij maken van zijn voorruit. Intussen maak ik nog een laatste foto van de bergen bij de Sani Pass bij zonsopkomst.
De lunchpakketjes van de afgelopen dagen waren nogal ruim
bemeten, zodat we nog een ontbijt voor vandaag over hebben. In
Himeville, een dorpje even voor Underberg, worden we bij de
plaatselijke herberg al
uit de auto gezet. We hebben er alle vertrouwen in dat het allemaal wel
goed
komt. Niet veel later komt er inderdaad een zwart minibusje aanrijden
met de
mevrouw van Sani Pass Carriers achter het stuur. Zij rijdt ons naar het
kantoor
in Underberg. Onderweg maken we een praatje. Ook volgens haar moet het
geen probleem zijn om vandaag nog veilig per minibus taxi in St. Lucia
te
geraken.
In Underberg vertelt ze ons rustig in de warme bus te blijven zitten. Het busje is aanzienlijk comfortabeler dan het exemplaar op de heenweg, met luxe stoelen die bijna helemaal achterover kunnen. De chauffeur die ons naar Pietermaritzburg zal brengen stapt in. En met hem een meisje dat ook mee gaat naar beneden.
We laten ons afzetten bij de taxistandplaats naar Durban. Daar wemelt het van de minibusjes. Ik loop naar het onwelriekende toiletgebouw. Als ik daar weer uit kom vertelt een man mij uitgebreid dat ik daar even verderop mijn behoefte had moeten doen. Ik begrijp hem niet helemaal en zeg maar dat ik het roerend met hem eens ben en er in het vervolg rekening mee zal houden. We kijken nog eens om ons heen. We zijn de enige blanke gezichten in de wijde omtrek.
Het voorste minibusje is zo’n beetje vol, dus de man die ons een handje helpt, zet ons in de tweede. Deze minibus taxi’s rijden door heel Zuid-Afrika en je kunt er werkelijk elke uithoek mee bereiken. Ze hebben niet altijd een hele beste reputatie. Chauffeurs rijden vaak roekeloos en de concurrentie is soms moordend. Letterlijk. Er schijnen gevallen bekend te zijn waarin volle minibusjes door de concurrent onder vuur zijn genomen en doorzeefd met kogels. Maar tegenwoordig, en in deze regio, schijnt dat dus heel erg mee te vallen.
In een busje kunnen een man of twaalf. Iedereen heeft recht op een zitplaats. Dat betekent dus dat de rugzak op schoot moet. De busjes vertrekken op het moment dat ze vol zijn. Er worden nauwelijks blanken gesignaleerd in deze taxi’s. Alles gaat er uitermate gemoedelijk aan toe. Aan het begin van de rit betaalt iedereen het tarief voor de rit. Iedereen weet ook wat dat tarief is. Behalve wij natuurlijk. Maar we worden geholpen door mijn buurvrouw. De rit naar Durban blijkt 25 rand te kosten. Degene die naast de chauffeur zit krijgt al het geld aangereikt en zorgt er ook voor dat iedereen z’n wisselgeld krijgt. Via mijn buurvrouw wordt bij ons geïnformeerd of we misschien een biljet van 10 rand kunnen wisselen, zodat zij weer haar wisselgeld kan krijgen. Dat kunnen wij. Uiteindelijk wordt bij de chauffeur een pak bankbiljetten ingeleverd. Hij telt ze nog eens na en is tevreden.
Na een uurtje zijn we in Durban. Op de plek waar de laatste andere passagiers uitstappen, doen wij dat ook maar. We staan nu op een soort minibusstation. Op de perrons staat keurig aangegeven waar het betreffende busje heengaat, maar ons reisdoel staat daar niet tussen. Opnieuw zijn wij de enige blanken in de verre omtrek. Een man vraagt waar wij heen willen. Dan moeten we naar het busstation even verderop, zo wijst hij. We kunnen met een van deze busjes meerijden, laat hij er op volgen. Dan wordt het wel heel ingewikkeld. We gaan eerst maar een eindje lopen.
Even verderop staan nog een paar busjes. Als we zoekend rondkijken komt een wat louche uitziende man onze kant op. Durban heeft geen hele goede reputatie, dus ik ben op mijn hoede. Maar ook deze man blijkt alleen maar behulpzaam en vraagt waar we heen willen. St. Lucia? Dan willen we dus in de richting van Empangeni? Inderdaad. Gelukkig zijn we inmiddels een beetje op de hoogte van de geografie van deze regio. Dan moeten we een station verderop, deze weg een eindje langslopen en dan bij de Kentucky Fried Chicken naar rechts, zegt de man terwijl hij naar links wijst. Afijn. We komen er wel uit.
We lopen een paar honderd meter. Vlak voor de Kentucky Fried Chicken staan meer minibusjes. De man die blijkbaar de coördinatie voert, meldt dat dit ene busje naar Mtubatuba gaat, vlakbij St. Lucia. Blij melden wij ons. Onze rugzakken kunnen zelfs achterin, al stelt die achterbak niet veel voor. Platgeslagen kunnen de rugzakken net boven elkaar liggen.
We moeten nog een aardige tijd wachten voordat het busje helemaal vol is. Ondertussen vermaken we ons met het kijken naar wat er buiten allemaal gebeurt. Er komt een man langs die grote zakken snoep verkoopt. Een ander verkoopt flesjes drinken. Wij kopen er twee. Verder komen nog verkopers langs van nep gouden kettingen, knijpers, sokken, en onderbroeken. We betalen de prijs van de rit dit keer aan de coördinator. 60 Rand per persoon.
De bus is volgedruppeld. Tijd om te vertrekken, al maakt de chauffeur nog niet heel hard aanstalten. Het is voor ons ook wat lastig te beoordelen wie er nu wel en niet meegaat. Tegen een uur of twaalf rijden we weg. Dan hebben we precies een uur in Durban vertoefd. Onze chauffeur gaat eerst nog eens tanken. Dat duurt allemaal wat lang. Maar dan zitten we zo op de snelweg.
We vangen een glimp op van de Indische Oceaan als we langs het strand in noordelijke richting rijden. Durban is vooral bekend als strandbestemming en daarom laten we het verder maar links liggen, zeker in deze tijd van het jaar. We rijden de tolweg op en de chauffeur heeft de snelheid er al snel goed in zitten. Zo af en toe zitten we tegen de 140. Chauffeurs die wat langzamer rijden gaan hier ook altijd keurig opzij voor snellere collega’s. Meestal door half, of haast helemaal, over de vluchtstrook te gaan rijden.
Na goed twee uur rijden komen we aan op het taxistation van Mtubatuba, een eenvoudig zwart dorpje. Het is ons nog niet helemaal duidelijk of ons busje nog doorgaat tot St. Lucia. Dat blijkt niet het geval. De chauffeur wijst waar ons volgende busje staat.
De derde minibus taxi van de dag. Voor nog eens 8 rand worden we naar St. Lucia gebracht. Dat gaat wel via een omweg. Na een eindje rijden nemen we plots een afslag terwijl we toch echt rechtdoor moeten. Na een flink stuk rijden langs een rechte weg, wat mensen afzetten en wat mensen oppikken, draait het busje weer om en gaan we terug naar de afslag.
We komen aan in St. Lucia. Dat ziet er heel anders uit dan Mtubatuba. Het wemelt hier van de vakantie-adresjes en witte mensen. Het is even lastig om te beoordelen waar we uit willen stappen. Waarschijnlijk willen we naar de BiBs International Backpackers. Of naar die andere backpackerfaciliteit die ook in de LP staat. Als we stoppen bij een pompstation zie ik aan de overkant van de weg een bordje met International Backpackers. We wagen het er op en stappen uit. Bijna vergeten we een plastic zak met wat proviand, maar de vriendelijke medereizigers komen die achter ons aan brengen.
Het is wat lastig om uit te vogelen waar we nu precies
zijn, vooral omdat we geen plattegrond hebben van dit dorp. Als we een
tijdje zoekend staan rond te kijken met onze rugzakken om, komt er uit
een
kantoortje een mevrouw naar buiten. Of ze ons kan helpen. Nou,
allereerst willen
we graag weten waar we zijn. We zijn in St. Lucia. Mooi, dan klopt dat
alvast.
In MacKenzie Street. Ook al goed. De BiBs is een 500 meter verderop,
laat
mevrouw weten, en dat andere adresje, dat bestaat niet meer. En zij
zijn
Stokkiesdraai, daar mogen we ook wel overnachten maar we kunnen beter
naar BiBs, want
daar hebben ze betere faciliteiten voor rugzakkers.
We danken mevrouw hartelijk. Bij BiBs bestellen we een tweepersoonskamer. Een vriendelijke jongen met baseballcap brengt ons naar de kamer. Het gebruikelijke recept. Een buitenhuisje met een bed, en een douche en toilet net naast de deur. Hier hebben we zelfs ook een TV, maar daar zullen we geen gebruik van maken. Het ziet er goed uit in de BiBs. Het is een compleet vakantiepark met her en der huisjes, een bar in de open lucht en een grote keuken. We kunnen 20 verschillende tours boeken. Daarnaast zijn er dagelijks ook nog diverse gratis activiteiten.
Nadat we ons in onze kamer geinstalleerd hebben, gaan we eerst bijkomen van de enerverende reis. Bij de BiBs is het ontbijt niet inbegrepen, daar moeten we zelf voor zorgen. Even verderop zit een Spar. Wij gaan naar de Spar. Wij kopen meteen iets te eten voor nu.
Bij de gratis activiteiten hoort elke zaterdagavond om zes uur ook een optreden van een groep Zulu-dansers, in traditionele kledij met niet veel om het lijf. Wij nemen een kijkje. Vooral de meerstemmige zang is fraai. Het dansen gaat gepaard met veel wild getrommel en veel benen die hoog in de lucht worden gegooid. Uiteraard mag het publiek ook weer mee doen. Uiteraard behoor ik tot een van de slachtoffers. Ik sla mij er doorheen.
Een Zulu-diner is ook nog inbegrepen, en nog gratis ook. Wij krijgen een soort van granenmengsel op basis van mais, met een prutje van wat men hier suikerbonen noemt. Het smaakt best wel eigenlijk. De rest van de gasten staat ons op het eerste gezicht niet heel erg aan. Erg jong en ook wel erg rugzakkerig. Het wordt er niet beter op als er ‘s avonds een uur lang voor ons raam een Nederlands schaap in een mobiele telefoon staat te blaten.

