Zondag 16 juli 2000


Vandaag verlaten we Danang. We pakken onze bagage in en gaan dan de straat op om ergens een ontbijt te halen. Valt nog niet mee. Ons hotel staat blijkbaar niet in de ontbijtwijk. Bovendien valt er een druilerige regen op ons neer. Na een paar straten zoeken belanden we dan toch in de Pho-buurt en werken bij het restaurantje van een vriendelijke verkoper onze soep naar binnen. Vandaag ook nog eens peper er bij.

Terug in het hotel hebben we nog even tijd. In onze hotelkamer wachten we tot het elf uur is. Dan gaan we naar beneden, checken uit en vragen een taxi te laten komen. Aan de overkant van de straat staat er net eentje, die door het hulpje in de lobby voor ons gehaald wordt. Naar het station. Ongeveer een uur voor de officiële vertrektijd van onze trein nestelen we ons in de wachtruimte. Er zijn hier nog vier andere buitenlanders. En ook in de stationshal van Danang hangt prominent een enorme poster van de Keukenhof. Je ziet ze veel dit jaar. Beetje verkleurd, maar toch.

Net als in de stationshal van Hue hangen hier twee televisietoestellen om het wachtende publiek te verpozen. En ook hier draait een natuurfilm, blijkbaar de ideale verpozing als je op een trein zit te wachten. En nagesynchroniseerd natuurlijk. De Vietnamese televisie heeft een wat merkwaardige manier van nasynchroniseren. Bij elk programma is er één mevrouw die mag vertellen wat iedereen zegt, zonder aanzien des persoons. Voor alle zekerheid is nog zachtjes de originele taal te horen, zodat je tenminste weet wie wat zegt.

De trein is redelijk op tijd. Een dik half uur na de officiële vertrektijd zet de trein zich in beweging. In de wagon liggen uiteindelijk nog een echtpaar met zoon, een jonge man en een dito vrouw. Dat zijn inderdaad zeven mensen, maar het echtpaar deelt het bed, met aan elke kant een hoofd. De trein is een betere dan de vorige nachttrein waar we in zaten. Op de bedjes is tenminste nog iets van een bekleding. Ook ligt er een onderlaken op, weliswaar beslapen, maar toch. En later krijgen we van de conducteur nog een gekleurd laken met motiefje ook.

In de coupé ook hier een ventilator. Helaas doet die van ons het niet enthousiast. Het is erg warm in de trein en we zijn aan de verkeerde kant gaan zitten, waar de wind niet heenwaait. Onze rugzakken gaan onder het onderste bed dat, handig, omhoog geklapt kan worden en zo extra - en veilige - bagageruimte biedt.

De reis verloopt voorspoedig. Om een uur of vijf krijgen we zelfs een warme maaltijd geserveerd. Een campingtafeltje wordt neergezet en we krijgen allemaal een vliegtuig-achtig blad met een bak rijst, een bakje groente, een bakje kip op groente en een bakje met flinke stukken rundvlees. Prima eten, alleen een beetje koud. En allemaal bij de prijs inbegrepen. Wij krijgen er ook nog een blikje fris bij, welicht omdat we als buitenlander meer voor ons treinkaartje hebben betaald.

Rond zes uur zien we buiten twee Cham-torens voorbij schieten. Hebben we die toch nog mooi meegepikt. Dat betekent dat we vlakbij Dieu Tri zijn, het treinstation vlakbij de veel grotere plaats Qui Nhon, de eerste stop op deze reis.

Het loopt tegen achten. De rest van de coupé maakt al aanstalten om te gaan slapen. Per slot van rekening komt de trein morgenochtend om vijf uur al aan, en is het buiten stikdonker. We doen het licht dus maar uit en beginnen te slapen. Om kwart over tien stopt de trein in Nha Trang, badplaats en populaire bestemming voor toeristen. Tweede stop van deze trein. Uiteindelijk slapen we prima.


Maandag 17 juli 2000


Gelukkig heeft de trein wat vertraging opgelopen. Dat betekent tenminste dat we niet zo idioot vroeg hoeven op te staan. Tegen half zes worden we wakker, op het moment dat we eigenlijk al een half uur in Saigon hadden moeten zijn. Dat zijn we uiteindelijk om kwart over zes.

Om Saigon Saigon te noemen is eigenlijk niet helemaal politiek correct, al komen de Vietnamese spoorwegen er wel mee weg. Na de "bevrijding" van Zuid-Vietnam in 1975, besloten de communistische Noord-Vietnamezen Saigon om te dopen tot Ho Chi Minh City. Officieel heet alleen district 1 van Ho Chi Minh City, het centrum van de stad, nog steeds Saigon. Maar de meeste Zuid-Vietnamezen, en vooral bewoners van de stad, houden het in de praktijk gewoon op Saigon.

De taxis bij het station blijken uitstekend geregeld. Ze rijden af en aan en binnen de kortste keren heeft iedereen een taxi. En de chauffeur spreekt geen Engels, en is dus ook niet in staat ons een hotel aan te smeren. We kunnen dus probleemloos naar onze eigen keuze, Hotel 64 aan de Bui Vien, op datzelfde nummer. De man van de balie wacht ons al op als we uit de taxi stappen. Een mevrouw doet buiten nog verwoede pogingen om ons naar haar hotel te lokken. In ons hotel komt een andere man ons gapend tegemoet, net wakker. Op dit moment is er nog even geen kamer vrij in het hotel, zo melden ze, maar om een uur of negen is dat zeker het geval. En kamers zijn er in twee smaken: van 10 en 15 dollar. Inclusief ontbijt, diner en de hele dag thee en koffie. En of we nu misschien een kopje thee of koffie willen. En een banaantje.

Het hotel is brandschoon, net gerenoveerd, heeft 14 kamers allemaal met airconditioning en een uitstekende reputatie. In de laatste internet-update van de Lonely Planet wordt zelfs een reiziger aangehaald die dit hotel omschrijft als het Hilton van de Rugzakkers. Wij vinden dat een uitstekende omschrijving.

Onze rugzakken mogen we alvast onder de trap neerzetten. We kijken ook eens naar de foldertjes van de reisagenten. Van de hotelstaf krijgen we een ontbijtje: een stokbroodje met jam. Voordat onze kamer klaar is, maken we nog even een ommetje.

We zitten midden in het meest toeristische gedeelte van Saigon, waar vrijwel alle goedkopere hotels en guesthouses zijn gevestigd. Toch zie je nog relatief weinig buitenlanders op straat. Het is hier drukker en minder groen dan in Hanoi. De straten zijn breder. Saigon is een stuk rijker dan Hanoi, en dat merk je vooral omdat er in Hanoi overwegend scooters rondrijden en in Saigon meer bromfietsen en motoren.

We maken een rondje en lopen dan door naar een straatje even verderop, waar alle reisagenten gevestigd zijn. We willen sowieso nog een tweedaagse tour door de Mekong-delta maken en de exacte route van de verschillende reisorganisaties is net even anders. Bij verschillende bureautjes laten we ons voorlichten, nemen een kaartje mee van de exacte route en vragen naar het gastenboek. Uiteindelijk valt onze keuze op Saigontourist en dat is handig, want die kunnen we ook bij ons hotel boeken. Voor dezelfde prijs.

Terug naar het hotel. Onze kamer is inmiddels op orde. Voordat we naar boven gaan wordt vriendelijk verzocht de schoenen beneden te laten staan. Dan blijft het hotel schoon. Klein nadeel is dat onze kamer op de vijfde etage is. En geen lift, maar wel zware rugzakken. Ook de kamer is nieuw, glimmend, en brandschoon. Wel aan de kleine kant. We krijgen een afstandsbediening voor zowel de airconditioning als de ventilator.

Na een korte pauze weer naar buiten. Inclusief deze hebben we drie volledige dagen in Saigon. Allereerst hebben we vers geld nodig. Niet ver van ons hotel kan gepind worden, bij de HSBC, voorheen Hongkong Bank. Maar daarvoor moeten we ons eerst door een massa fietstaxis heenslaan. Die zijn hier nogal hardnekkig en blijven eindeloos naast je rijden en tegen je aanzeuren, zelfs als je ze vriendelijk bedankt en dan volstrekt negeert. Zeer hulpvaardig wijzen ze de weg naar waar ze denken dat je heen wil. Ook bij de bank waar we, gelukkig in een afgesloten ruimte, willen pinnen, is er eentje wel erg opdringerig, terwijl wij ons pasje pakken. En als dan elke andere methode faalt, is er nog één ultiem redmiddel. Al die bestuurders hebben zo'n handig petje op, tegen de zon. Marco trekt het petje van zijn hoofd, gooit het een paar meter weg en wijst het na, met zo'n blik van: en jij er achteraan. Het blijkt zeer effectief.

Na de oorlog zijn de rollen in de toeristenbranche van Saigon duidelijk verdeeld. De officieren van de VietCong, het Noord-Vietnamese leger, bevolken de top van Saigontourist, het staatsbedrijf dat een flink aandeel heeft in het toerisme in Saigon, als eigenaar van tientallen hotels en als de grootste tour-operator. De fietstaxis worden bestuurd door mannen die fout waren in de oorlog, die Zuid-Vietnamezen steunden en na hun "bevrijding" naar heropvoedingskampen werden gestuurd en wiens staatsburgerschap werd ontnomen, wat betekent dat ze officieel geen bezittingen kunnen hebben en eigenlijk niet eens in de stad mogen zijn. Veel wonen dan ook in hun fietstaxi.

De volgende berijder die ons aanhoudend lastig valt, krijgt ook een aanval op zijn petje te verduren, maar zag die al aankomen. Hij verdwijnt wel.

We lopen naar het herenigingspaleis, niet ver van ons hotel. Voor 1975 was dit nog het presidentieel paleis, van de toenmalige president van Zuid-Vietnam, Ngo Dinh Diem. In eerste instantie bouwden de Fransen, anderhalve eeuw geleden, al een paleis op deze lokatie. Maar dat raakte in verval. Diem zette er een nieuwe neer. De man was niet bepaald populair bij zijn onderdanen, en in 1962 werd het paleis gebombardeerd door zijn eigen luchtmacht. Tijd voor een nieuw paleis, nu met extra schuilkelders. En dat nieuwe paleis, de derde versie dus, staat er nog steeds.

We staan voor een aardig, doch lichtelijk vervallen donkergeel groot gebouw. Merkwaardig. Het heeft weinig weg van de fraaie, moderne jaren '60 architectuur die ons boekje ons beloofd heeft. Ook is het gesloten, maar dat kan kloppen, want het is lunchpauze. Wat navraag levert opheldering. Dit is het herenigingspaleis helemaal niet. Dat staat even verderop.

Verderop is een goed uitziende omheining met een verdraaid klein gebouwtje er achter. Deze dan? Ook niet. Al staat het daadwerkelijke paleis wel op dit terrein. En even later staan we er dan toch voor. Met fraaie niet-spuitende fontein ervoor, zien we een fraai wit gebouw, met ietwat gedateerde architectuur en witte flesachtige figuren aan de voorkant. Het hereningspaleis. Loodrecht op de ingang is een enorme brede weg.

Het paleis houdt inderdaad middagpauze. Maar over een uurtje zijn we zeer welkom. Hebben wij mooi even de tijd om de lokale Notre Dame te bezoeken. Als we die kunnen vinden tenminste. Valt ook nog niet mee. Uiteindelijk blijkt de kerk gewoon aan de andere kant van de oprijlaan van het paleis, maar daar komen we later pas achter. Eerst nemen we nog een kokosnoot met een rietje voor het paleis.

We maken een ommetje. Saigon trekt veel toeristen, maar is niet echt toeristisch. Al die toeristen gaan volkomen ten onder in de enorme drukte van 7 miljoen Saigonezen. Officieel zijn dat er maar 4 à 5, maar erg veel inwoners verblijven hier illegaal. Dat zijn meestal mensen die fout waren in de oorlog, naar een heropvoedingskamp zijn gestuurd, en vervolgens clandestien terugkeerden naar Saigon. Veel mensen wonen op straat. Er zijn hier dan ook enorm veel bedelaars.

Bij een kraampje langs de weg kopen we een cakeje. Ook hier zijn ze niet echt berekend op toeristen, de mensen spreken niet eens Engels. Verderop zoeken we verkoeling in een Italiaanse ijssalon voor Vietnamese yuppen. Ziet er allemaal keurig westers uit. We nemen een aardbeienijsje met kersen in plaats van de beloofde aardbeien.

Uiteindelijk weten we de Notre Dame dan toch te vinden. Een fraaie kathedraal, in Neo-Romaanse stijl. Er plakt weer een fietstaxi tegen ons aan. Vlak voor de kerk staat een beeld van Maria. Op de achtergrond enkele van de niet eens zo veel wolkenkrabbers die Saigon rijk is. Tegenover de kerk staat het hoofdpostkantoor, ook een gebouw dat de moeite waard is. Binnen kijkt een enorm portret van Ho Chi Minh toe hoe de post verwerkt wordt.

Het herenigingspaleis is inmiddels ook open. Over de oprijlaan lopen we naar de ingang. Een vriendelijke mevrouw in de onvermijdelijk Vietnamese ao dai, een fraai vormgegeven jurk, hooggesloten, met lange broek eronder, vraagt ons even te wachten tot er zich voldoende Engels-sprekende toeristen hebben verzameld voor een rondleiding.

Dezelfde mevrouw leidt ons rond, in slecht verstaanbaar en zacht Engels. We zien de verschillende kamers in het paleis, waar Diem gasten ontving, met zijn kabinet vergaderde, etcetera. Een etage hoger is het slaapkwartier van Diem en zijn gezin. Vrij sober. Zou in een beetje toeristenhotel toch niet meer dan een dollar of 20, 25 opbrengen. Verder zien we de bibliotheek van Diem, met boeken in het Engels, Frans en Vietnamees. We gluren naar de titels op de ruggen en zien dat Diem al terdege rekening hield met een carrière na zijn presidentschap. Een van de werken is getiteld Planning and Operating Motels and Motor Hotels.

We gaan verder naar boven en belanden op het helicopterplatform. Grote cirkels en teksten in het Vietnamees en Engels geven aan waar ooit twee bommen zouden zijn ingeslagen. Vanaf hier heb je een fraai uitzicht over de skyline van Saigon. Daar staan een aantal wolkenkrabbers, maar lang niet in de mate als het geval is in bijna elke willekeurige Chinese stad.

We dalen af naar de kelder, het meest boeiende gedeelte van het paleis. In de bunker daar, met eindeloze gangen en veel kamers, bevond zich het militaire hoofdkwartier van de Zuid-Vietnamezen. Aan de wand hangen gedetailleerde kaarten van Vietnam, met een overzicht van wie wat in handen heeft. Ook hangt er een staatje met welk land hoeveel troepen heeft gestuurd. Een kamer verder het communicatiecentrum, met een stuk of zes ouderwetse telefoons. Dan het radiocentrum, met enorme radio's. Verderop is een kamer die staat aangeplakt als de President's Battle Sleeping Room, de strijdslaapkamer dus, waar Diem sliep als het hem boven de grond te link werd.

Als laatste attractie krijgen we een video te zien waar de recente geschiedenis van Vietnam haarfijn wordt uitgelegd. In het Frans, op Vietnamese wijze nagesynchroniseerd in het Engels. De beeldkwaliteit is erbarmelijk. Aan het begin wordt keurig verteld dat deze film gebaseerd is op een documentaire van een zekere Tourenne, maar dat bepaalde gezichtspunten van Tourenne niet overeen komen met die van Vietnam. De film zal dus wel flink bewerkt zijn.

Als we buiten komen ziet de lucht er uit alsof het elk moment kan gaan stortregenen. Dat blijkt inderdaad het geval. Wij spoeden ons daarom naar het War Remnants Museum, vroeger nog het museum van Amerikaanse en Chinese oorlogsmisdaden, maar de Vietnamese regering heeft nu eenmaal toerisme als een van de speerpunten van haar beleid gekozen en dan is het niet verstandig om onnodig de gevoelens van potentiële toeristen te kwetsen.

Het hoost inderdaad. Van schrik slagen wij er in het museum binnen te komen zonder te betalen, terwijl wij later van anderen horen dat dat toch echt wel de bedoeling was. Het museum bestaat uit foto's, getuigenverslagen, kaartjes, tabellen en wapentuig die allen tot doel hebben om aan te tonen welk een enorm onrecht de Verenigde Staten Vietnam heeft aangedaan tijdens de oorlog. Natuurlijk is het beeld nogal eenzijdig, maar het museum slaagt toch bijzonder goed in haar doel. De grootste uitwassen van het Amerikaanse leger worden geïllustreerd aan de hand van foto's, meestal gemaakt door Amerikaanse journalisten. Verder wordt uitgebreid ingegaan op de economische en milieuschade die is ontstaan door de grote hoeveelheden chemicaliën die de VS over dit land hebben uitgestrooid, en krijgen we wat voorbeelden voorgeschoteld van de misvormingen die dat ook nu nog bij de bevolking tot gevolg heeft. Aan het einde van de eerste zaal zien we nog het in de VS zeer omstreden boek van McNamara, waarin hij onomwonden vaststelt dat het hele ingrijpen van de VS in Vietnam een grote fout was.

Het is frappant dat men het in Vietnam voortdurend heeft over de oorlog tegen de VS, terwijl het in eerste instantie toch een burgeroorlog was, waarin de VS het zuiden te hulp schoot. Maar de eerste interpretatie is waarschijnlijk eentje die binnenlandse gevoeligheden voorkomt. Ook opvallend is dat de Vietnamezen, zowel op de video in het herenigingspaleis als hier in het museum, de Amerikaanse soldaten bij voorkeur weergeven met een sigaret in hun mond. Waarschijnlijk om ze een nog iets onverschilliger houding te geven.

Het eigenlijke museum bestaat uit twee zalen. Daarnaast is er nog een tentoonstelling, die ook in andere landen te zien is geweest, over oorlogsfotografen die het leven lieten tijdens hun werk. Van hen krijgen we een boel foto's te zien, plus vaak ook Hun Laatste Foto. Op een of andere manier heeft het toch iets wrangs, na dat ietwat amateurisch opgezette museum over Amerikaanse oorlogsmisdaden, plotseling over te schakelen op een uitermate gepolijste en professionele tentoonstelling, die begint met een lijst van sponsors, waaronder ook Amerikaanse bedrijven. Vooral de naam van UPS, een van de grootste Amerikaanse bezorgers van pakketpost, roept cynische gedachten op. De VS hebben inderdaad ruimschootse ervaring in het bezorgen van pakketjes in Vietnam.

Als we zijn uitgekeken, gaat het museum net zo'n beetje sluiten. Buiten is het weer min of meer droog. We lopen terug naar het hotel. Bij een winkeltje onderweg kopen wij onder meer een cakeje. Het blijkt iets van een viscake. Wij geloven niet dat wij dat echt lekker vinden, en houden het na één hap voor gezien. Verderop kopen we een cakeje dat wel smaakt. We lopen langs brede wegen, barstensvol motoren. Het is spitsuur. Voordeel daarvan is dat je weinig last hebt van fietstaxi's, vooral als je aan de linkerkant van de straat loopt. In de buurt van ons hotel maken we straatkinderen blij met onze viscakes. Ruim op tijd voor het eten zijn we terug in ons hotel.

Het diner bestaat vanavond uit noedels met daarop iets van kool en gemalen pinda's, en Vietnamese loempia's. Simpel, doch doeltreffend. Door de immer vriendelijke hotelstaf wordt een en ander geserveerd in de lobby, op de grote salontafel met glazen plaat, waaronder een enorme hoeveelheid visitekaartjes van mensen die hier ooit hebben gelogeerd, zijn tentoongesteld.

Na het eten blijven we nog een tijdje in de lobby zitten, om te lezen en te typen, onder het genot van een kopje thee. Een van de hotelmedewerkers vertelt dat hij afkomstig is uit de buurt van Hoi An, maar naar Saigon is verhuist omdat hier meer te verdienen valt. Vorig najaar waren er nog enorme overstromingen in en rond Hoi An en ook het huis van zijn familie was ondergelopen. In een uur tijd stond het water een meter hoog.

We gaan niet al te laat naar boven en op tijd slapen. Morgen gaan we weer op tour.


Dinsdag 18 juli 2000


We hebben opdracht gekregen rond kwart voor acht klaar te zijn voor de bus, die ons bij ons hotel oppikt. Om zes uur op dus, rugzakken inpakken die de komende twee dagen onder de trap staan, naar beneden en ontbijten met twee broodjes jam en bananen. Rond tien voor acht rijdt de bus inderdaad voor. De komende twee dagen maken we een tour door de Mekong-delta. We zitten in een kleine busje met een toerist of 15. De gids heet Long, de chauffeur Bao. Allereerst krijgen we allemaal gratis en voor niks een T-shirt van Saigontourist, met op de achterkant hun pakkende slogan. Same, same, but different.

We rijden eerst nog een flink stuk door Saigon, met name door de Chinese wijk Cholon. Er wonen hier nog ongeveer een half miljoen Chinezen, vertelt Long. De reis gaat verder zuidwaarts. De Mekong delta heeft een oppervlakte van 40.000 vierkante kilometer, en zo'n 16 miljoen inwoners. Het gebied is volledig vlak, leeft vooral van de landbouw en haar geschiedenis wordt gekenmerkt door een voortdurende strijd tegen het water. De Mekong delta vertoont inderdaad veel overeenkomsten met Nederland.

De eerste stop is bij iets wat is aangekondigd als Bonsai tuin, maar vooral bestaat uit in vorm geknipte hegjes. In het midden is een kooi met een drifig heen en weer springende aap en daarnaast een paar kooien met slapende slangen. We rijden verder. Het is hier vlak en groen, een soort Holland in de tropen. In dit gedeelte van de delta wordt vooral kokosnoot verbouwd, vertelt Long. Een van de lokale specialiteiten is dan ook het kokosnootsnoepje. Ze worden verpakt in een dun stukje rijstpapier, handig tegen plakkerige vingers, voordat ze in echt papier worden gewikkeld. Van Long krijgen we er allemaal twee. In Vietnam betekent dat geluk. Die van hem hebben een pindasmaak. Overheerlijk.

De eerste echte stop waar iets te zien is, is Cai Be. De eerste boottocht. We worden verhuisd naar een lange lage blauwe boot met afdakje. Langs de vervallen huizen op palen langs de kant van de rivier varen we naar een rijstpapierfabriek.

Vietnamezen zijn dol op loempia's. Dat zijn over het algemeen andere loempia's dan de Vietnamese loempia's die in Nederland verkocht worden. De echte zijn gerold in flinterdun rijstpapier. Dat papier wordt geproduceerd in kleine fabriekjes in de delta, waar een paar mensen werken. Bij een van die fabriekjes nemen we een kijkje. Eerst wordt een rijstpapje gemaakt van rijstbloem, zout en water. Een katoenen vlies wordt gespannen boven een vuurtje dat wordt gestookt op het kaf van de rijst. De as die dat oplevert wordt weer gebruikt voor bemesting. Op het katoen wordt elke minuut een soeplepel rijstepap gladgestreken. Bamboe dekseltje er over, even wachten, en met een lang plat mes wordt de verse rijstpannenkoek van het katoen gehaald. Op bamboe schermen wordt een heel rijtje in de zon te drogen gelegd. Mevrouw maakt 800 tot 1000 vellen per dag, vertelt Long. Op een droge dag verdient zij zo circa vier dollar.

Naast de rijstpapierfabriek staat een fabriek waar koeken en wafels van gepofte rijst worden gemaakt. Daar werken wat meer mensen. Ook hier worden we door het produktieproces heengeleid. In een grote pan ligt een papje van suikerriet en gember te pruttelen, waar gepofte rijst aan wordt toegevoegd. Daarnaast is een grote tafel met opstaande kanten waar de prut wordt uitgestort en met blote handen platgestreken. Twee mannen snijden het vervolgens in keurige wafels. Aan tafel zitten twee dames die de wafels vlot in plastic zakjes doen en er een elastiekje omheen knopen. Van Long krijgen we allemaal een stuk. Lekker.

De boot vaart langs de eerste varende markt die op het programma staat. Een aantal grote boten liggen her en der in het water en hebben allemaal een vlaggemast waar het produkt inhangt dat ze verkopen. Kleinere bootjes varen er tussendoor en kopen of verkopen produkten. We meren aan bij een ananasboot, waar we allemaal op mogen klimmen. Vanaf daar heb je een aardig uitzicht op de rest van de drijvende markt. Long koopt een zak ananassen en we varen verder.

De Mekong wordt steeds breder. Links van ons wordt gebaggerd, op een geavanceerdere manier dan wat we een paar dagen geleden op de parfumrivier zagen. We varen op een flink eiland af, even verderop. Daar zullen we de lunch gebruiken. Als we bij het eiland aankomen, varen we eerst nog een stuk door een van de vele kanalen. Dit exemplaar is in 1892 gegraven door de Fransen. Of in opdracht van, waarschijnlijk. We varen onder een enorm hoge, enge brug van gammel hout, zonder leuningen. Vlak daarachter is een brug die er een stuk geavanceerder uitziet. Van beton, met leuning. Helaas haalt die de overkant niet.

We leggen aan en lopen naar het restaurant. Daar eten we in de buitenlucht onder een bamboe afdakje een heerlijke lunch van doe-het-zelf loempia's, recht opstaande vis, soep, vlees, groente en rambutan na. Na het eten krijgen we de gelegenheid om een eindje te gaan fietsen. Een hele reeks mountain bikes staan voor ons klaar. Links, vertelt Long, zijn de rambutan-plantages, en rechts is een dorpje. Wij fietsen naar rechts, over een breed zandpad.

Na een paar kilometer fietsen kunnen we niet verder. Wel is er die hoge enge houten brug. We wagen het er op. Aan de andere kant van het water is een kleine markt. Het is duidelijk dat hier niet veel toeristen over de brug komen. Als we een flesje fris drinken vormt zich een klein groepje om ons heen. Even verderop houdt de markt op en is er een nieuwe brug. We laten het er maar bij. Over de eerste brug balanceren we weer terug.

We fietsen terug naar het restaurant, hebben tijd over en fietsen nog een stukje de andere kant op. Weer een brug, deze breed en veilig, met daarachter een vrij verlaten markt. Ook daar drinken we een flesje fris. We gaan terug de brug over en fietsen nog een klein eindje verder de plantages in en houden het dan voor gezien. Terug naar het restaurant waar we keurig even voor drieën aankomen. De rest van de groep ligt daar al in een hangmat.

Terug naar de boot, die ons naar Vinh Long vaart. Van Long krijgen we een stuk ananas, dat inmiddels bereid is. De opvarenden van een kleinere boot die ons voorbij vaart, groeten ons enthousiast. Zoals gebruikelijk zwaaien wij enthousiast terug. Ze hebben een paar takken van dezelfde vrucht, kleine versie van de lychee, die we van de meisjes in het dorpje net buiten Hoi An kregen. Het blijk longan, zo heeft Long eerder vandaag al uitgelegd. Men gebaart dat wij ook wel een paar mogen. Wij gebaren dat we dat een prima idee vinden. Meteen vliegen de longans onze boot binnen.

Ook in de Mekong delta is bijna alles inmiddels gemotoriseerd. Wat dat betreft is het een stuk minder primitief dan we verwacht hadden. Bijna alle boten hebben een lange stok met aan het uiteinde een driebladige propellor die flexibel in en uit het water gehaald kan worden. Met de stok wordt ook gestuurd. Langs de waterkant staat hier en daar een pompstation. Koddig gezicht. Bijna alle boten, ook de grote, zijn aan de voorkant voorzien van twee geschilderde ogen, soms ook nog met een anker er tussen. Een oude Vietnamese traditie, om de boze geesten te verjagen.

In Vinh Long staat de bus klaar om ons naar Can Tho te brengen, een andere grote stad in de delta. Voor het zover is, moeten we nog een klein stukje met de pont. De bus kan er op rijden, maar wij moeten apart, te voet, de boot in. Dat is veiliger. Aan weerszijden van het voertuigenruim zijn een paar etages waar op een smal stuk voetgangers kunnen staan. We worden bestormd door verkopers.

Aan de andere kant van het water kunnen we weer de bus in. Can Tho. We rijden verder naar onze slaapplaats voor vannacht, een bungalowpark in een klein dorpje een stuk buiten Can Tho. De fietstaxi's zijn hier een slag groter en gemotoriseerd. Tegen het invallen van de avond arriveren we bij onze bungalow. Geinig. Het is meer een blokhut eigenlijk, met de omvang van een redelijke hotelkamer en een ventilator aan het plafond. Het muskietennet is in deze bos- en waterrijke omgeving geen overbodige luxe.

Het is hier geen Center Parcs, maar toch heel aardig aangelegd. In het midden heeft men een vijvertje gegraven, waar een enorme hoeveelheid flinke karpers in zwemmen. Over een bruggetje kom je dan in het restaurantgedeelte, in de open lucht, onder een afdakje.

We laten onze bagage in de blokhut en maken snel nog even een wandeling, voordat het straks helemaal donker is. We verlaten het park en slaan linksaf, in de richting van het kleine dorpje waar we doorheen gereden zijn. Onderweg worden we druk bezwaaid en beroepen. Druk zwaaien en roepen wij terug en schudden handen van die kinderen die niet meteen achter hun moeder kruipen als we iets dichterbij komen. Het blijft boeiend, die buitenlanders.

Het vinden van een restaurant wil hier niet echt lukken. Af en toe komen we wel langs een eetgelegenheid, maar het voedsel dat daar is tentoongesteld is van dien aard dat we het niet aandurven. Sowieso zijn hier meer cafees. Of eigenlijk, huiskamers waar ze iets te drinken verkopen. Na een half uurtje lopen komen we in wat het centrum van het dorpje moet zijn. Er is hier een kleine markt, waar we met open armen worden ontvangen. Een fietser die ons aan ziet komen lopen, gaat spontaan onderuit. De hilariteit stijgt verder als we ook nog fruit kopen. Twee dragon fruits en een flinke zak rambutans kosten hier samen minder dan een gulden.

We lopen terug, zodat we voor donker weer thuis zijn. Een motorrijder die verbaasd omkijkt als hij ons passeert, crasht op vrij spectaculaire wijze. Zijn spatbord is te veel ontzet om verder te kunnen rijden. Dat is al het tweede verkeersongeval dat we hier veroorzaken. De hoogste tijd om ons terug te trekken in ons bungalowpark.

Als het net zo'n beetje donker is, zijn we weer terug. We verschansen ons nog een tijdje in onze blokhut en gaan dan eten in het restaurant op het terrein. Onze groep krijgt een eigen tafel toegewezen, maar we zijn een van de eersten. Er liggen kleine menukaartjes in het Engels en de prijzen zijn best nog wel fatsoenlijk. Naast elke zitplaats ligt een papiertje en we krijgen het verzoek om daar op te schrijven wat we willen eten. Dat communiceert en rekent wel zo makkelijk.

Het eten is wat aan de koude kant, maar verder prima. De rest van de group begint ook binnen te druppelen. We zitten naast twee Duitsers, waar we tijdens de trip naar Halong Bay ook al mee gegeten hebben. Vorig jaar zijn ze een maand naar Peru geweest. We wisselen onze Aziatische en Zuid-Amerikaanse ervaringen uit en praten tot een uur of tien. Dan terug naar de blokhut en naar bed.


Woensdag 19 juli 2000


Vanochtend staan we om zes uur op. De boot vertrekt al om zeven uur, zodat we op tijd zijn om de drijvende markt van Cai Rang te halen, de grootste in de omgeving. Die markt begint elke ochtend om een uur of vijf en is om tien uur al weer zo'n beetje afgelopen. Op die manier wordt de grootste hitte vermeden.

Wij gebruiken het ontbijt in onze blokhut, waar we een groot gedeelte van het fruit consumeren dat we gisteravond op de markt kochten. De dragon fruit blijkt net niet meer helemaal fris. De meeste groepsgenoten ontbijten in het restaurant. Wij kopen daar voor vertrek nog twee broodjes.

De boot voor vandaag is laag, lang en open. Op plat liggende planken kunnen we zitten, en planken die rechtop in gleuven aan weerszijden van de boot worden geschoven, doen dienst als rugleuning. Deze boot heeft geen afdakje, maar van Long krijgen we allemaal een originele Vietnamese kegelvormige hoed tegen de zon.

Na een uurtje varen komen we bij de markt. Een slagje groter dan die van gisteren, maar ook weer niet zo enorm groot. Het is wel een enorme drukte, waar onze boot met moeite door heen kan laveren. Al bij het binnenvaren van de markt worden we ge-enterd door een cateringboot die flesjes frisdrank verkoopt. Er varen hier sowieso veel meer kleine bootjes rond dan op de markt van gisteren, ook kleine bootjes waar een paar manden vol agrarische koopwaar wordt aangeboden. En bootjes waar een kant en klare maaltijd voor u bereid wordt.

Na wat heen en weer dobberen varen we verder. De volgende attractie is een rijstverwerkingfabriek, even verderop. We zien machines waar het rijst van zijn kaf wordt ontdaan, rijst wordt gepolijst en wordt gesorteerd. De zilvervliesrijst is minder gepolijst, maar die eten ze hier niet. Wordt je veel te snel zat van. Buiten zijn mannen met enorme manden bezig flinke hoeveelheden kaf vanuit de fabriek in een boot te laden.

We hebben nog een flinke tocht voor de boeg en varen door kanalen die steeds smaller worden en waarvan de begroeiïng langs de oevers steeds verder over het water reikt. Tussen de bananenbomen staat hier en daar een huisje met een dak en de muren zijn gemaakt van bananen- of kokosbladeren, of een schuilplaats voor een boot. Dit is het type omgeving waarin je af en toe visioenen krijgt van Amerikaanse soldaten die met hun mitrailleur boven hun hoofd, hier door het water waden. De mensen langs de kant geven ons af en toe het gevoel alsof we zojuist het Europees Kampioenschap voetbal hebben gewonnen.

We maken een tussenstop bij een restaurant. Zo'n restaurant met een brandschone glimmende vloer waar je je schoenen moet uittrekken voordat je er in mag, maar waar ondertussen wel elke dag een brommer wordt geparkeerd. We krijgen tropisch fruit, ananas, dragon fruit, rambutan en miniscule zogenaamde damesvingerbananen. We mogen er ook nog iets te drinken bij kopen.

Zoals bij zoveel huizen hier het geval is, stap je ook bij dit restaurant direct het water in als je de achterdeur uitgaat. Onze boot pikt ons daar weer op en vaart ons terug naar Can Tho. Long wordt een beetje zenuwachtig, want om onduidelijke redenen heeft de boottocht een stuk langer geduurd dan de bedoeling was. Maar niemand heeft plannen om vanavond nog verder te reizen. In Can Tho krijgen we vijftig minuten om te eten, en Long wijst ons een goed restaurant. Wij moeten natuurlijk weer ergens anders heen.

Zo op het eerste gezicht lijkt er in Can Tho niet echt veel bijzonders te beleven. Aan het water staat een standbeeld van Ho Chi Minh, dat lijkt uitgevoerd in aluminium. Verder is er veel verkeer, weinig boeiende gebouwen en restauranteigenaars die ons naar binnen proberen te lokken. We slaan af en verlaten het toeristische gedeelte. Wat verderop is een grote ruimte waar veel mensen zitten te eten. Achteraan wordt gekookt en je kunt aanwijzen wat je wilt eten. Lijkt ons wel wat. We nemen allebei een bord met een flinke hoeveelheid rijst, een merkwaardig uitziende groente, wat vlees en tofu. Op tafel staan nog wat sausjes. Het eten is verrassend lekker. We betalen iets meer dan een rijksdaalder. Bij een supermarkt even verderop kopen we twee ijsyoghurt als toetje.

Terug naar het restaurant waar de anderen verblijven. We moeten even wachten, maar stappen dan in de bus voor een ritje van een uur naar de laatste attractie van deze tour, het ooievaarreservaat. Long waarschuwt alvast dat er daar veel kinderen zijn die allemaal vakantie hebben en dus de hele dag de tijd hebben om toeristen te pesten.

Het reservaat is niet per bus bereikbaar. Vanaf de plek waar we parkeren is het nog ongeveer een kilometer lopen over een smal paadje langs het water. Vanaf onze eerste stapjes worden we al omsingeld door vriendelijke kinderen die niet veel meer doen dan aan onze hand meelopen en af en toe een voorzichtig praatje maken. Nog niks aan de hand. Marco krijgt eindelijk de kans om zijn nutteloze zinnetjes Vietnamees van de CD-ROM cursus in de praktijk te brengen. De auto is geel. De vogel vliegt. De jongen zit op het vliegtuig. Alles wordt door het meisje aan Christa's hand keurig nagewauweld.

De meiskes wijzen ons op de eerste ooievaars. Als we de ingang van het reservaat naderen, beginnen ze toch voorzichtig te informeren naar Monnie. We bedanken vriendelijk. Long koopt kaartjes voor de hele groep en we gaan het park in. De vogels zijn het beste te zien vanaf een houten observatieplatform. Het bordje belooft dat dat 25 personen kan houden, maar sinds we in het herenigingspaleis een lift zagen met een capaciteit van naar keuze 8 personen of 500 kilo, hebben we daar toch onze twijfels bij. Maar het houdt.

Van het platform hebben we een spectaculair uitzicht over enorme hoeveelheden nestelende ooievaars. Hoewel, ooievaars zijn het eigenlijk helemaal niet, maar voor het gemak noemen de Vietnamezen ze toch maar zo. Feitelijk zijn ze een slag kleiner, en worden ze door Engelstaligen aangeduid als egrit en comeron. Thuis opzoeken wat dat in het Nederlands is. De meeste zijn wit, sommigen zwart en de meest interessante exemplaren wit met een oranje kop. Het is een gekwetter van jewelste.

Op de terugweg nemen we dezelfde route, maar dan met de boot. Dat is vooral, grapt Long later, om alle kindertjes van het lijf te houden. De kindertjes hollen zwaaiend langs de waterkant. Terug bij bus worden de verzoeken om Monnie al wat nadrukkelijker. Een grote plastic fles met nog wat water kunnen ze krijgen, maar daarmee uit. Als we in de bus stappen, zijn ze boos. Het is toch wat, zomaar weggaan zonder geld achter te laten.

Vanaf de ooievaars is het nog een hele reis terug naar huis. Vijf uur om precies te zijn. En aangezien het de bedoeling was dat we om half zeven thuis zouden komen, gaat dat erg krap worden. In plaats daarvan hebben we rond een uur of half zes onze laatste stop bij een wegrestaurant Vietnamese stijl. We laten het menu voor wat het is, maar kijken met interesse naar de kraampjes langs de zijkant, waar men iets verkoopt gewikkeld in bananenblad. Het komt in pakjes van tien, en is verkrijgbaar in drie maten, voor 5, 10 en 15 duizend Dong. Nieuwsgierig proberen wij het kleinste pakje.

Na het verwijderen van drie lagen bananenbladeren houden we een klein in plastic gewikkeld pakketje over. Het blijkt varkensvlees, gekookt, en op speciale wijze bereid, met wat peper en een eetbaar blaadje. Op deze manier verpakt zeker een week houdbaar, vertelt Long. Het vlees is prettig zoet-pikant. We delen wat uit en eten de rest zelf op. Op naar de middelgrote versie. Daar zit ander vlees in, zo begrijpen. Dat blijkt niet het geval. Hetzelfde vlees, maar grotere porties. We eten elk een stukje en bewaren de rest voor thuis.

Uiteindelijk zijn we om half negen thuis, twee uur later dan eigenlijk de bedoeling was. We lopen terug naar ons hotel. De man achter de balie maakte zich al zorgen. Een half uur geleden had hij al naar de tour-operator gebeld, om te vragen of we al terug waren. We krijgen nu een kamer op de eerste etage.

Het is nog steeds mogelijk het diner in het hotel te gebruiken. Vandaag eten we een noedelsoepje met loempia's. Daarna trekken we er op uit om te internetten. Dat is in Saigon al helemaal onwaarschijnlijk goedkoop. Voor een gulden kunnen we een uur vooruit. En ook in Saigon kan je CDs kopen. Tikkie duurder dan in Hanoi, maar meer keus. Net om de hoek bij ons hotel zijn twee straten die zich volledig richten op buitenlanders. Veel restaurants, cafees, souvenirwinkels en winkels met andere waar waar buitenlanders in geïnteresseerd zijn.


Donderdag 20 juli 2000


Voor vandaag hebben we een dagje Chinatown gepland. Dat is een kilometer of zes van ons hotel. Aanvankelijk zijn we van plan een taxi te nemen, maar lopen is ook wel weer eens prettig. Langs brede straten lopen we naar het zuidwesten. In Saigon zijn meer lichtelijk westers aandoende winkels dan in de rest van Vietnam. Het gaat zelfs een beetje richting de gemiddelde middelgrote Chinese stad. Onze eerste stop is een boekwinkel. Ziet er op het eerste gezicht wel indrukwekkend uit. De collectie bestaat echter vooral uit cursussen Engels.

Terug de straat op. Ook op de straten van Saigon wemelt het van de dames die op het punt lijken te staan de lokale spaarbank te beroven. Vaak nog onder hun Vietnamese hoed hebben ze een zakdoek over hun gezicht gebonden waarbij soms alleen hun ogen nog net zichtbaar zijn. Dat zie je door heel Vietnam. De verklaringen lopen uiteen. Volgens één lezing is dat tegen de vervuiling en stinkende uitlaten. Volgens een andere lezing is het in Vietnam erg modieus om niet bruin te worden. Boeren die de hele dag op het land staan te werken, die zijn bruin, niet een welgestelde stadse mevrouw. Veel motorrijdende vrouwen hebben dan ook handschoenen aan die tot bijna onder hun oksels reiken. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen.

We komen bij iets wat op een warenhuis lijkt, maar niet veel meer dan een supermarkt blijkt te zijn. Voor de deur een van de vele motorparkeerplaatsen van Vietnam. Zo'n parkeerplaats beginnen is niet moeilijk. Je spant gewoon een stuk touw langs de stoep, houdt ruimte over als in- en uitgang en klaar. Verder ben je alleen maar een stapel bonnetjes nodig en een krijtje om het overeenkomstige nummer op het zadel van de motor te schrijven.

Verderop zit nog een boekenwinkel, waar ze boven ook nog andere dingen blijken te verkopen. Een bijzonder vriendelijke man in uniform bewaakt zo lang ons rugzakje. Beneden blijkt tevens een academische boekhandel met onder meer een aantal Amerikaanse economische tekstboeken vertaald in het Vietnamees. Boven zijn nog wat CDs, CD ROMs, al net zo illegaal als die bij ons hotel verkocht worden, en andere prullaria.

Aan het begin van Cholon is op straat een motoronderdelenmarkt. Het begint te regenen en we schuilen bij een terrasje grenzend aan een pompstation, waar we een blikje met weer een ander exotisch vruchtensap consumeren. De straten in Cholon lopen nogal ingewikkeld door elkaar en de plattegrond die we hebben is net niet gedetailleerd genoeg. Zoeken dus. Langs merkwaardig door elkaar kronkelende straatjes ziet het er inderdaad wel Chinees uit. Winkels waar de koopwaar hoog is opgestapeld, Chinese medicijnen en slangenwijn, als is dat laatste ook onder Vietnamezen erg populair.

Een brede weg ziet er uit alsof het hier iets van een eeuw geleden inderdaad best wel welvarend was. We pikken een pagode mee, een van de velen in Saigon, die op de route ligt. Na veel omzwervingen bereiken we hem dan toch. De overdekte markt van Cholon. En het is een enorme markt. In eindeloze rijen ligt de koopwaar tot het plafond opgestapeld. Buiten de hallen worden de levensmiddelen verkocht, die in fraaie kleuren zijn gerangschikt. Binnen beginnen we met de schoenenafdeling. Er wordt hier vooral in grootverpakkin verkocht. Overdreven veel klandizie loopt hier niet rond. De tassen- en koffermarkt vorm weer een aparte vleugel. Daar kopen we een originele namaak Nike-tas, om onze extra bagage naar huis te krijgen. De serviesafdeling buiten blijkt vooral uit plastic te bestaan. Boven worden de koekjes en snoepjes verkochte. Het is een enorme drukte. Af en toe krijg je het gevoel dat je hier als potentiële klant vooral heel erg in de weg loopt.

We keren de enorme hoeveelheid koopwaar weer de rug toe. Nu willen we wel een taxi nemen om terug te gaan naar ons hotel, maar opnieuw komt het er niet van. Net buiten de markt staat een bus die, volgens het opschrift, ons weer naar de juiste wijk zou moeten brengen. We vragen voor de zekerheid nog even na en krijgen een bevestigend antwoord. Binnen knoopt een echtpaar van middelbare leeftijd een praatje aan in vrij goed Engels. Ze wonen in Amerika en zijn nu terug in Vietnam om hun land te bezoeken. Ze wonen al 22 jaar in Amerika. Even rekenen. Geëmigreerd in 1978, hoogstwaarschijnlijk dus fout geweest in de oorlog en na de overwinning van de communisten het land uit gevlucht. Dat verhaal wordt later bevestigd. Eerst hadden ze een paar weken in Thailand gezeten, en daarna mochten ze door naar de VS.

Met behulp van ons boekje volgen de route van de bus en slagen we er in bij de halte net achter ons hotel uit te stappen. In het hotel een korte pauze. Vanavond gaan we maar eens ergens een anders eten. De Duitsers adviseerden ons een restaurant net achter het toeristengebied, dat niet in de Lonely Planet, maar wel in een Duits boek staat. We lopen er heen. Het restaurantgedeelte is op de tweede etage, in de openlucht en wordt vooral bezocht door Vietnamezen. En door onze twee Duitsers, die er ook al weer zitten. Dit is zo'n restaurant waar de doe-het-zelf loempia's er standaard bijgeleverd. We krijgen een stapel in vieren gesneden rijstpapier, plus wat groenten en een sausje. Van de kaart bestellen we nog de krabloempia's en het rundvlees met gesmolten kaas. Uitstekend allemaal. Het enige nadeel is de vele vliegjes die hier rondvliegen en in je water gaan zwemmen.

Niet al te laat terug naar het hotel en naar bed. Morgen beleven we onze laatste dagtocht in Vietnam.


Vrijdag 21 juli 2000


Vandaag worden we rond kwart over acht opgehaald, zo is ons beloofd. Daarvoor weer het gebruikelijke ritueel. Opstaan, douchen, aankleden en in de lobby ontbijten. De bus is weer keurig op tijd, we hebben dezelfde chauffeur als een paar dagen geleden en de gids van vandaag heet Du, spreek uit You. In de bus zitten zowaar nog meer Hollanders.

We rijden rechtstreeks naar Tay Ninh, een middelgrote stad in de Mekong delta en vooral van belang als het hoofdkwartier van de Cao Dai. Eerst rijden we weer een flink eind door Saigon en vertelt Du meer wetenswaarigheden over Vietnam en Saigon. Het gaat hard de goede kant op met Vietnam, zo vindt ook hij. De partij laat steeds meer de teugels fieren en de afgelopen jaren is er op economisch gebied steeds meer mogelijk. En steeds meer Vietnamezen kunnen hun eigen brommertje veroorlover. En dat terwijl zo'n ding toch al gauw een twee tot drie duizend dollar kost, tegen een gemiddeld maandsalaris van rond de dertig. Maar het hele gezin rijdt dan ook mee op zo'n brommer. Drie of vier personen per voertuig is heel gewoon. Waarom er zoveel motoren en zo weinig auto's zijn? Nogal logisch. Het gemiddelde huis is te smal om een auto in te parkeren.

De eerste stop is bij alweer een rijstpapierfabriek. Die kende we al. Wel weet Du er bij te vertellen dat mevrouw 200 Dong per vel betaald krijgt. Een langere stop is bij een tankstation annex boerderij. Hier worden krokodillen gekweekt. In grote kooien liggen talloze exemplaren van de zon te genieten. Een lucratief baantje, dat krokodillen fokken, vertelt Du. De Chinezen zijn dol op het vlees en ook het leer levert een leuk centje op. Maar ja, de eigenaar heeft dan ook goede connecties binnen de partij. Naast krokodillen wonen hier ook nog wat apen en een beer. Met name die laatste ziet er niet overdreven gelukkig uit.

We rijden verder. Het aantal CaoDai-kerken neemt zichtbaar toe. En tegen half twaalf rijden we de CaoDai Holy See, het hoofdkwartier van de CaoDaïsten, binnen. De CaoDai is een religie die in 1926 is bedacht door Ngo Van Chieu. Vanaf 1919, zo beweerde hij kreeg hij een reeks openbaringen van God, waarin de grondbeginselen van de CaoDai religie uit de doeken werden gedaan. Dertig jaar later had de religie in en rond Tay Ninh feitelijk al haar eigen staat. De CaoDaisten geloven dat alle belangrijke wereldreligies eigenlijk op hetzelfde neerkomen. God heeft zich gedurende drie perioden aan de mens geopenbaard, alleen de manier waarop de mensen in kwestie dat geinterpreteerd hebben kwam niet helemaal overeen met de eigenlijke bedoeling van die openbaringen. En zo ontstonden verschillende religies. Tijdens de eerste golf openbaarde God zich aan Laotse en nog wat andere Aziatische figuren. Gedurende de tweede golf openbaarde hij zich aan Buddha, Mohammed, Confucius, Jezus en Mozes. En de derde openbaring was, uiteraard, die aan de CaoDaisten zelf.

Aan de regel dat vrouwen links en mannen rechts naar binnen moeten, blijkt niet erg fanatiek de hand te worden gehouden. We houden ons er toch maar aan. Wel moet iedereen z'n schoenen uit doen. Binnen ziet het er uit als een kathedraal die is ontworpen door Disney zelf. Een rij pilaren is voorzien van kleurige draken. Het geheel ziet er wel zuurstokkleurig uit. Achter weer de wereldbol met het oog, in een gedeelte dat helaas in de stijgers staat. Ook in de ramen zijn driehoeken te zien met in het midden daarvan ook het oog. Aan weerszijden van de kathedraal is een galerij met een fraai uitzicht op wat er beneden gebeurt.

Om twintig voor twaalf gaan we nog even naar buiten om naar de andere gebouwen, een paar honderd meter verderop, te kijken. Om tien voor twaalf zijn we terug in de kathedraal. Door wat monniken wordt iedereen naar boven geleid, waar al een bandje klaar zit om de gebedsdienst te begeleiden. Wij staan op de linkervleugel van de gallerij. Langzamerhand druppelen de gelovigen binnen. De meesten in het wit, maar sommigen in het rood, geel of blauw. Men gaat zitten en lotushouding in keurige rijen, de witgekleden achteraan. Vooraan zitten de gekleurden, war er aanzienlijk minder van zijn. De muziek speelt en op het balkon achter zingt een dameskoortje. Anders dan in Danang zingen de biddenden zelf niet.

Om tien over twaalf lopen we weer naar achteren. We maken een praatje met een in wit geklede gelovige. Ze is hier vrijwilligster, vertelt ze. De meeste mensen hier wonen niet op het terrein, maar gewoon in de stad. De drie kleuren staan voor verschillende functies binnen de kerk. In de hiërarchie zijn negen stappen, die overeenkomen met de plaats die men in de kerk tijdens het gebed inneemt. De dames die in het koortje zingen moeten allemaal ongetrouwd zijn.

Tien minuten later zitten we weer in de bus. We zijn niet ver van de volgende attractie, de Cu Chi tunnels. Dat is een ondergronds netwerk van gangen en kamers van zo'n 200 kilometer, gegraven en bewoond door de Vietcong tijdens hun oorlog tegen de VS en volgens velen een van de belangrijkste redenen dat zij die oorlog wonnen. We worden eerst binnengelaten in een gebouwtje waar we wat inleidende informatie krijgen. Aan de muur hangt een plattegrond van de vertakkingen van het gangenstelsel. Aan de andere kant staat een maquette met een dwarsdoorsnede van hoe de tunnels er uit zagen. Tenminste, hoe de Amerikaanse inlichtingendienst dacht dat de tunnels er uit zagen. Dat verschilt niet eens zo veel van hoe ze er echt uitzagen, behalve dan dat de ingang in werkelijkheid niet onder water was, zoals de Amerikanen dachten. Tijdens de oorlog maakten ongeveer 60000 soldaten gebruik van de tunnels. Daarvan overleefden 8000. Tenslotte krijgen we een lichtelijk lachwekkende en pathetische video te zien, waar in een kwartier de onvoorstelbare heldendaden van de bevolking van Cu Chi op communistisch-propagandistische wijze uit de doeken worden gedaan.

Dan mogen we naar buiten. De Amerikanen hadden een sterk vermoeden van het bestaan van de tunnels, vooral nadat tijdens het Tet-offensief plotseling een hele rits VietCong-soldaten vanuit het niets in Saigon opdoken. Om het de Amerikanen moeilijk te maken de daadwerkelijke tunnels te vinden, werden overal in de omgeving valkuilen en andere constructies gebouwd. We beginnen dan ook met een hoekje waarin precies uit de doeken wordt gedaan hoe al die vallen precies in hun werk gingen. We krijgen een stuk of tien te zien, die allemaal neerkomen op uiteenlopende manieren om dingen met scherpe punten op fatale wijze in Amerikaanse lichamen te krijgen. Du legt uit hoe een en ander precies in z'n werk gaat, terwijl een hulpvaardige Vietnamees in uniform dat demonstreert met behulp van de desbetreffende val. Door de manier waarop het gebracht wordt, krijgt een en ander een haast komisch effect, ondanks de gruwelijke martelwerktuigen die we te zien krijgen. De heren brengen het alsof ze de nieuwste staafmixer presenteren. Veel vallen zijn gebaseerd op het feit dat Amerikanen groter en zwaarder zijn dan Vietnamezen, iets wat de heren uitermate komisch lijken te vinden.

Even verderop wordt de ingang van een tunnel aangekondigd. Wij zien alleen bosgrond met een boel dode blaadjes. Maar dat is precies de bedoeling. Ergens onder de blaadjes ligt een klein deksel dat toegang biedt tot de tunnel. Onze soldaat demonstreert hoe hij daar precies inpast. Hij strooit weer wat blaadjes op het deksel, houdt het boven zijn hoofd en verdwijnt onder de grond, zonder een spoor achter te laten. Krap is het wel. Amerikanen pasten daar natuurlijk nooit in, weet Du, zelfs al zouden ze de ingang vinden. Veel te groot en dik.

Hier en daar zijn miniscule luchtgaatjes te zien. Vaak werden die door de VietCong gecamoufleerd alsof het konijnenholen betrof. Af en toe, als er ergens een ingang werd gevonden, wilden de Amerikanen nog wel eens speurhonden naar binnen sturen. Maar door al die vallen, ook binnen, kwam er vaak maar weinig hond terug. Ook hadden de VietCong andere methoden om die honden op het verkeerde been te zetten. Als er Amerikanen gevangen werden genomen, werd hun kleding vaak gebruikt in de tunnels. De honden roken dan iets bekends en vonden het allemaal wel best. De VietCong was erg slim, glundert Du.

Dan het moment waarop we allemaal gewacht hebben. We mogen zelf de tunnel in. Speciaal voor die gelegenheid is bij vijftig meter originele tunnel de toegang iets ruimer gemaakt. We krijgen aanwijzingen over hoe door de tunnel te komen. Op de hurken en vooruit schuifelen. En vooral voldoende afstand bewaren. Gelukkig is er voor de gelegenheid verlichting aangelegd, dus dat is het probleem niet.

Wij dalen af in de tunnel. Het is nogal krap, en slechts 1 meter 20 hoog. Nu zijn wij natuurlijk ook iets groter dan de gemiddelde Vietnamees. Het is een benauwde bedoening. De tunnel is niet voorzien van airconditioning, en al snel druipen we van het zweet. Vijftig meter blijkt buitengewoon lang te kunnen zijn. Vooral als ergens halverwege ook nog de stroom uitvalt. Gelukkig hadden we daar rekening mee gehouden, en een zaklampje bij de hand. Af en toe zijn er behoorlijke hoogsteverschillen in de tunnel en moeten we een stuk klimmen of dalen. Op het laatste stuk vliegen kleine vleermuizen rond ons hoofd. En dan, eindelijk, is er ligt aan het eind van de tunnel. In een veel grotere ruimte kunnen we vrijwel rechtop staan. Vroeger was dit een slaapkamer voor officieren. Dodelijk vermoeid en druipend van het zweet klimmen we weer naar buiten. Tot onze ontzetting horen we dat tijdens de oorlog de soldaten enkele uren per dag in de tunnels doorbrachten. Wij hebben nog dagenlang behoorlijke spierpijn in onze bovenbenen.

We worden naar de keuken geleid, die inmiddels iets meer in de blote buitenlucht is. Ook ten tijde van de oorlog moest er gekookt worden. Nadeel daarvan was natuurlijk wel dat als er ergens rook gesignaleerd werd, die plek onmiddellijk door de Amerikanen zou worden gebombardeerd. Via een ingenieus systeem werd de rook daarom geleid naar een plek die op grote afstand lag van waar de keuken zich daadwerkelijk bevond. In de keuken krijgen wij een kopje thee plus wat stukjes tapioca, iets dat door de soldaten hier veel werd gegeten. Heeft wel iets van aardappel en is gesneden in de vorm van frieten. Het wordt geserveerd met gemalen noten.

Het bezoek is ten einde. We krijgen nog de gelegenheid onze handen te wassen, iets te drinken en souvenirs te kopen. Maar dan gaan we weer de bus in. Het is een kleine twee uur rijden terug naar Saigon, waar we om kwart over zes weer in ons hotel aankomen. Vandaag dineren we maar weer in ons hotel. Wel zo praktisch. We zien en spreken weer een aantal van de andere gasten in het hotel. Bellen naar Europa gedurende één minuut en zes seconden kost 15 gulden, zo leren wij. Er logeert hier ook een toeriste met een pasgeboren baby. Zij verblijft een half jaar in dit hotel.

Na het eten gaan we het toeristencentrum in. We hebben nog niet alle CD-winkels gehad. De Vietnamese overheid neemt het niet zo nauw met auteursrechten. Iedereen kan dan ook vrij en zonder enig probleem de meest illegale produkten verkopen. Iets zegt ons dat de oorspronkelijke producenten weinig zullen zien van de CDs en CD ROMs die hier worden verkocht. En ook worden een straat verderop boeken verkocht. Alle denkbare Engelstalige bestsellers zijn verkrijgbaar, in een keurige Vietnamese kopie, voor een paar gulden. Ook de Lonely Planet moet het ontgelden.

Bij een van de CD-winkels was men gisteravond zeer geïnteresseerd toen ze hoorden dat we in Hanoi een flinke hoeveelheid CDs hadden gekocht. Ze wilden die CDs graag zien. Het is zo'n winkel waar ze een enorme collectie hebben, tot Nederlandstalige CDs aan toe. We nemen een klein stapeltje Hanoi CDs mee en laten ze zien. Dan wordt duidelijk waarom. Een aantal CDs wil men graag een dagje lenen. Hmm. Hoeveel hebben ze daarvoor over? Als dank mogen we dan uit hun selectie een aantal CDs uitzoeken. Interessant. Het kopen van CDs wordt zo wel heel erg lucratief. We gaan terug naar ons hotel en halen nog wat Hanoi CDs op. Ook daar zit een exemplaar bij dat de interesse van mevrouw heeft. Morgenavond halen we onze CDs weer op. Wij begrijpen nu ook waarom in sommige winkels, inclusief deze, een briefje hangt met het verzoek de hier gekochte CDs niet in andere winkels te laten zien.


Zaterdag 22 juli 2000


De laatste dag van de vakantie. Tijd om nog wat laatste dingen in Saigon te bekijken. We doen het rustig aan. Om een uur of half tien zitten we beneden aan het ontbijt. Dan langzamerhand de straat op. En opnieuw is het erg heet. We lopen langs een markt waar vooral lederwaren worden verkocht. Teveel toeristen waarschijnlijk, want we vinden de portemonnees wel erg prijzig. Er zijn in Saigon nog een paar musea die we willen bekijken. We beginnen bij het kunstmuseum. De belangrijkste reden is dat dat het enige museum is dat tussen de middag gewoon open is.

Erg druk is het niet. Overal in het museum staan ventilatoren, die we zelf in- en weer uitschakelen. Het museum is niet geheel gevrijwaard van communistische propaganda. We zien met name interpretaties van de Vietnamoorlog. En terwijl buiten de fake Nikes, fake Adidassen en fake Calvin Kleins worden aangeboden, hangen binnen de fake Miro's, de fake Picasso's en de fake Klimts. Beter goed gekopieerd dan slecht zelf bedacht.

Het museum is niet overdreven spannend, maar best wel redelijk onderhoudend. Op de bovenste etage staan nog een paar Cham-dingen plus nog wat speerpunten en aanverwante prullaria die nog ouder zijn. Tenslotte zien we nog wat recentere beeldjes. We gaan weer naar buiten. Tijd voor een markt. Dit keer nemen we de Ben Thanh markt, ook al overdekt, maar een stuk toeristischer dan die in Cholon. En niet zo groot. Er wordt hier veel koffie verkocht, vooral aan toeristen. Vers gebrand en, indien gewenst, gemalen. We kopen een paar pakken, en krijgen er nog een aluminium filtertje bij ook.

Op de markt kun je nog eten ook. En daar wordt vrij agressief voor geworven. Door een mevrouw met een menukaart worden we naar een smalle tafel gesleurd, waar we met onze neus zo ongeveer tegen haar kraampje zitten. Eten, kreng. Wij gaan door de knieën en bestellen twee rijst met vlees. Verrassend lekker. We nemen er ook nog twee vruchtensapjes bij die we onmiddellijk leegdrinken, want er zit een enorme hoeveelheid ijs in en dat vertrouwen we niet zo. Naast ons zit een keurig gekleed jong echtpaar waarvan hij een praatje aanknoopt. Hij werkt part-time bij de telefoonmaatschappij en part-time bij de kerk. Volgend jaar wil hij een MBA gaan doen en daarna wil hij dominee worden. Opmerkelijke carrièreplanning. Hij vindt het jammer dat we morgen alweer naar Nederland gaan. We krijgen zijn kaartje en hij die van ons. Als ze afrekenen, blijken ze ook meteen voor ons te betalen. We protesteren hevig, maar dat heeft geen zin. Dat is de Vietnamese gastvrijheid, legt hij uit. En de volgende keer dat we elkaar tegenkomen, betalen wij gewoon. Dankbaar nemen we afscheid.

Het volgende museum is dat van Ho Chi Minh. We lopen naar de oever van de Saigon-rivier waar het museum gehuisvest is. In het museum zijn alleen Vietnamese bijschriften, zo was ons verteld, maar dat blijkt mee te vallen. In bijna alle zalen hangen nu ook Engelstalige bijschriften en daar wordt een en ander wel zo duidelijk van. Het museum geeft een chronologisch overzicht van leven en werken van Ho Chi Minh, een naar verluidt zeer bescheiden man, communist en nationalist, die uitgroeide tot politiek leider van Vietnam. Door Vietnamezen wordt de man aanbeden en in de volksmond beter bekend als Bac Ho oftewel oom Ho.

In de eerste zaal zien wij interessante objecten zoals een foto van het huis van de grootvader van Ho. Naast die kamer is een klein altaartje waar wierook voor Ho gebrand kan worden. Buiten zit een schoolklasje tekeningen van de haven te maken. We gaan naar boven, voor de volgende fase van het leven van Ho. Dat begint al een stuk interessanter te worden. In het trappenhuis hangt een enorm schilderij van Ho die in zijn tuin zijn bloemetjes water geeft. Boven zien we hoe Ho naar Frankrijk trok, daar betrokken raakte in de internationale communistische beweging, en bezoeken bracht aan ondermeer de Sovjet-Unie en China. Via een gevangenis in Hongkong kwam hij in 1941 weer terug in Vietnam, om daar leiding te geven aan de vrijheidsstrijd, eerst die tegen de Fransen, later die tegen de Amerikanen. In 1969, nog tijdens die laatste oorlog, overleed hij.

Als we het museum verlaten, willen we nog een eindje langs het water lopen. Valt niet mee, want wat op de kaart langs het water lijkt te zijn, daar blijkt in de praktijk nog een rij huizen tussen te staan. Dit is een ontstellend arm gedeelte van Saigon. Langs de rivier staan complete krottenwijken. We lopen de brug over en lopen midden in het allerarmste gedeelte, eigenlijk niet eens zo ver van ons hotel. We lopen over een straat die niet verhard is. In dit gedeelte wordt vooral smeer verkocht. Een bedelaar zonder benen, waarschijnlijk verloren tijdens de oorlog, maken we blij met onze laatste vier in bananenblad verpakte stukken vlees. Ook hier is een koffiewinkel waar we met handen en voeten en pen en papier onze laatste halve kilo koffie kopen.

Even verderop zit een gezinnetje, vader, moeder en kind op straat. Ze houden hun hand op als we langslopen en zijn volledig perplex als we ze een plastic zak geven met daarin een spijkerbroek en een t-shirt van Christa die ze toch niet van plan was om weer mee terug naar Nederland te nemen, en die we vandaag speciaal hadden meegenomen om weg te geven. Schept veel voldoening.

Nergens in Vietnam hebben we zoveel 'rijkdom' gezien als in Saigon, al is dat behoorlijk relatief, maar we hebben ook zeker nergens in Vietnam zo veel armoede gezien als in Vietnam. In de hooglanden is ook armoede, maar daar gaat alles er gewoon wat primitiever aan toe, wat lang niet zo'n hopeloze indruk maak als het haveloze verval dat we hier zien. Twee straten verder en we zijn weer in ons hotel.

Beneden drinken we een kopje thee en boven puffen we uit. Zo langzamerhand maar eens gaan inpakken en dat is een hele toer met de hoeveelheid inkopen die we in dit land gedaan hebben. De extra sporttas blijkt geen overbodige luxe. 's Avonds eten we buiten de deur, in een prima restaurantje net om de hoek van de CD-straat. Af en toe komt er een mevrouw binnen met een enorme stapel boeken onder haar arm. Bij onze CD-winkel halen we onze gisteravond uitgeleende CDs weer op, nogmaals met dank van de verkoopster.

Terug naar het hotel en verder met het inpakken van de bagage. Dat duurt nog tot na elven. Dan gaan we naar bed.


Zondag 23 juli 2000


Op tijd op. Voor de laatste keer ontbijten in het hotel, afrekenen en om kwart voor negen een taxi naar de luchthaven, waar we ruimschoots op tijd aankomen. We hebben nog een paar gulden aan Vietnamees geld over, die we van plan zijn in de belastingvrije zone uit te gaven. Het blijkt hier echter absurd duur, ongeveer twee tot zes keer zo duur als normaal in Nederland, en dus nog eens een veelvoud daarvan vergeleken met de rest van Vietnam. Geïrriteerd geven we hier geen cent uit. Dan geven we ons geld nog liever aan het Rode Kruis, dat hier een inzamelbakje heeft staan.

Om twintig over een vertrekt het vliegtuig voor de eerste etappe, naar Singapore. Twee uur later, om half drie plaatselijke tijd, komen we daar aan. Dan is het nog eindeloos wachten op de aansluitende vlucht, die negen uur later vertrekt.

Maar als je dan toch negen uur op een vliegveld moet doorbrengen, kun je dat maar het beste in Singapore doen. De luchthaven is hier werkelijk van alle gemakken voorzien, een enorm winkelcentrum, een entertainmentcentrum, zes zenders sateliettelevisie, een internet-café, supermarkt en zelfs een bioscoop.

Keurig op tijd vertrekt ons vliegtuig. Dat blijkt nog niet eens zijn eindbestemming in Amsterdam te hebben, maar nog door te vliegen naar New York. Je moet er maar zin in hebben.


Maandag 24 juli 2000


Onderweg genieten we weer van ons persoonlijk entertainment-systeem. Naast ons zit een mevrouw die op weg blijkt naar Boston. Ze komt uit Frankrijk, maar werkt bij HIID, het Harvard Institute for International Development, een organisatie voor ontwikkelingssamenwerking verbonden aan Harvard. Met ingang van binnenkort is zij voor die organisatie de contactpersoon in Vietnam. We praten over onze indrukken van Vietnam en China.

Bijna een uur te vroeg komen we weer aan op Schiphol. Dat komt mooi uit, want dan zijn we nog voor de spits weer thuis. Het weer is nog net zo troosteloos als het hier de afgelopen weken geweest schijnt te zijn. Om kwart voor acht zijn we weer thuis.