Om zes uur is er al weer veel leven in de trein. Buiten is het licht. Bij de prijs van de treinreis inbegrepen blijkt per persoon een gevuld broodje met vlees en ei. Soort broodje bapao, maar dan anders. Het landschap is bijzonder desolaat. We rijden nu ongeveer ter hoogte van de DMZ, de gedemilitarizeerde zone. Nadat de Vietnamezen de oorlog tegen de Fransen hadden gewonnen, in 1954, werd er een bestand gesloten waarin Vietnam tijdelijk in twee stukken werd verdeeld, elk onder hun eigen leiding. De bedoeling was dat er op korte termijn landelijke verkiezingen zouden plaatsvinden waarbij het land weer verenigd zou worden. De leiders in het zuiden zagen al aankomen dat Ho Chi Minh die verkiezingen zou gaan winnen. De nationale verkiezingen werden nooit gehouden en het noorden begon met een campagne om het zuiden te bevrijden. De Verenigde Staten schoot het zuiden te hulp. De grens tussen Noord en Zuid was de Ben Hai rivier. Vijf kilometer ten noorden en zuiden van die lijn was een gedemilitariseerde zone, de DMZ. De hevigste gevechten in de Vietnam-oorlog vonden dan ook in dit gebied plaats.
Erg veel groeit er niet meer. Een groot deel van het gebied bestaat uit kale zandgrond, met hier en daar wat gras. Wel wemelt het hier van de graven, soms simpel, maar vaak met uitgebreide grafmonumenten. Het hele gebied lijkt één grote begraafplaats, bezaaid met graven die her en der, schots en scheef over het landschap gestrooid zijn. Dat schots en scheef zie je door het land. Bij elke begrafenis wordt er eerst een Feng Shui-deskundige bijgehaald die moet bepalen in welke richting het graf gebouwd wordt.
Vlak voor Hue wordt ons via de intercom keurig in het Engels verteld dat we de stad naderen, en dat het zo'n belangrijke historische plaats is. We hebben nog even veel vertraging als toen we begonnen.
Hue is al weer een stuk toeristischer. Aan de oostkant van de parfumrivier zijn de meeste hotels, restaurants en cafees voor toeristen gesitueerd. Ook hier weer menig reisagent waar we een dagtochtje kunnen boeken. We maken gebruik van de diensten van een internetcafé en gebruiken de lunch aan de overkant. Daar eten we een kipgerecht met een paar stukjes kip die uit drie ruwweg gelijke delen vlees, vet en bot bestaan, en een rundvleesgerecht dat iets beter is.
Over de brug lopen we naar de andere kant van de rivier, het oude stadscentrum van Hue. Ook hier een citadel. En ook hier dezelfde ervaring als in Vinh: loop door de stadspoort en je staat midden in een weiland. Aanvankelijk lijkt het allemaal wat tegen te vallen, dat Hue. Het museum dat wij aanzien voor de Verboden Paarse Stad blijkt gesloten, ook al zou ie volgens het bordje open moeten zijn. Maar, o vreugde, die stad is verderop.
Tegenover de Verboden Paarse Stad staat een enorme,drie etages tellende vlaggenmast, waar nu trots de Vietnamese vlag wappert. Tijdens de Vietnam-oorlog was Hue een paar weken in handen van de Vietcong, die toen hun vlag hier in top hadden. In en rond Hue is dan ook enorm veel gevochten. Dat had ook nadelige gevolgen voor het keizerlijk paleis, dat gedeeltelijk platgebombardeerd werd.
In eerste instantie lijkt het hier ook niet veel meer dan een slap aftreksel van de Verboden Stad. Maar na de eerste paar gebouwen begint dat beeld langzaam te veranderen. De bibliotheek is voorzien van een prachtig tuintje, met meertje en rots. Het verblijf van de keizerin is uitermate pittoresk, met prachtige kleurige poorten en een klein optrekje aan het water. En al dat verval geeft een en ander toch ook wel weer een authentieke sfeer. Er wordt druk gerestaureerd aan deze ook al door Unesco beschermde bezienswaardigheid.
Het keizerlijk complex barst van de kleur en variatie ten opzichte van de wel erg strak en rood opgezette Verboden Stad. En er hangt een weldadige rust over dit complex. De laatste attractie die we zien binnen het complex zijn de Negen Keizerlijke Urnen, gebouwd in 1833 en 1834. Dat zijn enorme loeizware urnen, elk opgericht ter ere van een van de keizers van de Nguyen dynastie.
Onder de indruk verlaten we het keizerlijk complex. Dit keer nemen we toch maar eens een fietstaxi. Na kort onderhandelen is de berijder bereid ons voor 10000 Dong terug te brengen naar ons hotel. En voor die prijs wijst hij ons ook nog eens op alle bezienswaardigheden die we onderweg tegen komen. Bij de reisagent verbonden aan ons hotel boeken we voor morgen een boottrip over de Parfumrivier, inclusief bezoek aan drie tombes en twee tempels.
Terug in ons hotel genieten we van de rust en de koelte. En van onze televisie met 6 satelietzenders, al kunnen we er zelf maar 5 vinden. Het hotel is ook voorzien van een restaurant, beneden onder een afdakje in de open lucht. Het eten is buitengewoon lekker. Niet alles op de menukaart is ook verkrijgbaar, maar uiteindelijk wordt het een kip- en een varkensvleesschotel, allebei in citroenblad, zoetig en een beetje smakend zoals Indonesische saté, maar dan zonder de saus, en gelegen op een bedje van citroenblad. Ondanks dat ze op de menukaart anders omschreven zijn, lijken beide gerechten wel verdacht veel op elkaar. Maakt ons niet uit.
Het is een klein bootje met een ruim waarin kuipstoeltjes voor ons klaarstaan. Er zijn nog twee andere toeristen. Dat blijkt te weinig. Na een minuut of tien worden we overgegooid naar een andere boot die, na onze komst, vol zit. Naast toeristenboot is dit ook het huis van de eigenaars. Meneer en mevrouw zijn beide aan boord, en er lopen twee kindertjes rond. In een bamboe mandje aan het plafond hangt een baby. We varen uit.
In zuidelijke richting zakken we de rivier af. Ook daar is veel bedrijvigheid. Op kleine bootjes wordt zand gewonnen. Dat baggeren gaat op primitieve wijze. Bij een bootje zwemt een man rond met een grote bamboe schaal. Af en toe duikt hij onder water, en komt even later weer tevoorschijn. Met een hoop zand op zijn schaal, die hij in de boot leegkiepert.
Gastvrij haalt mevrouw een dienblad met gekoelde frisdrank tevoorschijn die we, uiteraard tegen betaling, mogen consumeren. Op de wal zien we al wat van de bezienswaardigheden langskomen, die we straks allemaal zullen bezoeken. Maar onze voerman vaart nog even door. Waarschijnlijk varen we eerst naar de laatste attractie en werken we dan terug.
We varen langs de plek waar zich volgens Christa en ons kaartje de tombe van Tu Duc zou moeten bevinden. Even verderop leggen we aan, na ruim een uur varen, om kwart voor tien. Voordat we de boot verlaten, kopen we voor 8000 Dong een blikje pruimensap, dat er wel interessant uitziet. We betalen met 10000, maar daar heeft mevrouw niet van terug. Geen probleem, vindt ze, dan betalen we toch gewoon als we straks weer terugkomen. We mogen nu de tombe van Tu Duc bezoeken, weet de booteigenaar duidelijk te maken. Die is ongeveer zes kilometer verderop. Maar bovenaan staan brommertjes die jullie er wel heen kunnen brengen.
Wat kosten die brommers?, roept een Canadese meteen. Wij lijken de enige die het allemaal wat merkwaardig vinden. Hoezo, wat kosten die brommers? Wij hebben voor drie dollar een boottocht geboekt met bezoek aan vijf bezienswaardigheden, exclusief toegang maar inclusief vervoer, zijn ook keurig vanochtend op de motor naar de boot gebracht en gaan nu dus zeker niet nog eens extra betalen. De rest van de groep is inmiddels druk aan het onderhandelen met het groepje brommerrijders dat boven klaarstaat. Aanvankelijk is de prijs anderhalve dollar, maar men wordt het eens op iets meer dan één. Na een kleine vijftig meter lopen blijkt de afstand tot de tombe al wel gehalveerd tot drie kilometer, vertellen de brommerrijders ons.
Wij spreken nogmaals in het Nederlands onze verontwaardiging uit. Tja, da's business hè, reageert een Belg gelaten. Wij noemen dat gewoon afzetterij. En het is duidelijk dat de bootman in het complot zit, want hij had ons gewoon vlakbij de tombe af kunnen en moeten zetten. Hij is ook even mee naar boven gelopen om te horen welke prijs wordt afgesproken. Voor de berekening van de provisie waarschijnlijk. Hoe dan ook, hier doen wij niet aan mee en koppig lopen wij verder. Een Franse Vietnamese, wel op de brommer, deelt mee dat we om het middaguur terug bij de boot moeten zijn.
Gelukkig blijkt een Vietnamese kilometer maar drie à vierhonderd meter te zijn, en bevinden we ons op minder dan een kilometer van de tombe. We lopen langs de akkers en besluiten dat we het verder wel gehad hebben met deze tour. Als deze ongein nu al begint, dan kan het alleen nog maar erger worden. Aan de afspraken zullen ze zich sowieso niet houden. We besluiten niet terug te gaan naar de boot. Kunnen ze ook meteen fluiten naar die 8000 Dong die ze nog tegoed waren van ons blikje pruimensap. Zal ze leren.
De tombe van Dong Khan is de kleinste van alle tombes die hier tussen de akkers verspreid liggen. Voor 22000 Dong mogen we naar binnen, en krijgen we zelfs begeleiding van een gids die net genoeg Engels spreekt om ons duidelijk te maken wat alles is. Het complex begint met een tempel waar ook een aantal originele gebruiksvoorwerpen van de keizer en zijn vrouw staan opgesteld, ons keurig aangeduid door de gids. Dong Khan regeerde 3 jaar, tot 1889, en was aangesteld door de Fransen. In de tempel hangt een foto van hem en van zijn vrouw.
We lopen naar buiten. Daar staat de eigenlijke tombe van de keizer, omringd door drie muren, een voor elk jaar dat hij geregeerd heeft. Nog een geluk dat de man niet veertig jaar aan de macht is geweest. Daar tegenover, onder een afdakje, een reusachtige tablet met alle heldendaden die deze keizer gedurende zijn toch korte regeerperiode heeft verricht. Een en ander wordt geflankeerd door twee rijen beelden van een olifant, een paard en vier mandarijnen: tweel militaire en twee civiele.
Ondertussen wijst de gids ons de ideale plekjes om foto's te maken. Here. Take Picture. Hij moet ook nog even onze kaartjes knippen, en neemt ze daarvoor mee naar zijn bureautje. Maar ondertussen mogen wij foto's blijven maken. Here. Take Picture of You. We mogen er zelf ook op. Take Picture Here. Picture of You Here. Door al die drukte zouden we bijna vergeten dat hij onze kaartjes nog ongeknipt in zijn bezit heeft. We willen ze toch wel weer terug. Voor het plakboek. Oh ja, bijna vergeten. Bij nader inzien kan dat hoekje er eigenlijk ook wel gewoon afgescheurd worden, en krijgen we ons toegangsbewijs weer terug.
Het is een slordige 500 meter lopen naar onze eigenlijke bestemming, de tombe van Tu Duc. Een flink stuk groter dan die van Dong Khan, niet zozeer de feitelijk tombe, maar meer wat er omheen gebouwd is. Tu Duc regeerde 35 jaar, halverwege de vorige eeuw. Daarmee was hij de langstzittende Nguyen-keizer. Gelukkig kon hij de verleiding weerstaan om voor elk jaar van zijn ambtsperiode een muur om zijn tombe te bouwen. Het gebied bestaat uit een enorm park met ook weer de nodige tempels en een uiteraard een tablet met de verdiensten en biografie van zijn regeerperiode. Voor de meeste keizers werd zo'n tablet pas na hun dood gebeiteld. Tu Duc leek het wel zo verstandig om zijn CV zelf te schrijven. De tablet waarop dat gebeurde is de grootste in Vietnam en weegt 20 ton. Naar verluidt heeft men er vier jaar over gedaan om hem over 500 kilometer hierheen te slepen.
Tu Duc hield er een luxe leventje op na. Zo stond hij er op alleen thee te drinken gemaakt van ochtenddauw. Verder wenste hij bij de warme maaltijd 50 gerechten bereid door 50 koks en opgediend door 50 obers. Die koks deden hun uiterste best om de keizer tevreden te houden en wat zij allemaal bedachten vormt nog steeds de basis voor de huidige Vietnamese keuken.
We kijken een uurtje rond op het complex, dat wemelt van de tempels, gebouwen en parkjes. Ook Tu Duc heeft bij z'n tombe twee rijtjes olifant, paard en mandarijnen. Vrij klein, want de mandarijnen mochten niet groter zijn dan hij zelf, en dat was maar 153 centimeter. De beste man had 104 vrouwen en vele concubines, maar geen kinderen. Waarschijnlijk zal het dus toch aan hem zelf gelegen hebben.
We bekijken de laatste ruïnes, waar niet echt meer veel aan te zien valt en worden daarbij lastig gevallen door mannetjes die op behoorlijk agressieve wijze hun eigen bootjes promoten. We keuvelen nog wat bij de ingang, en verlaten dan het complex. Inmiddels is het kwart voor twaalf.
Bij een van de vele terrasjes voor het complex eten wij onze dagelijkse ananas. We vinden het wel weer mooi geweest voor vandaag, laten de resterende tombes en tempels maar voor wat ze zijn, en besluiten terug te kuieren naar ons hotel, een slordige vijf kilometer noordwaarts. Maar eerst moeten we de uitermate aandringende brommerrijders bijna letterlijk van ons afslaan, die allemaal vinden dat we absoluut bij hun achterop verder moeten reizen. En dat is best wel irritant, zo'n brommer die naast je blijft rijden. De heren raken bijkans in paniek als we de afslag naar de aanlegplaats voor boten zomaar voorbij lopen. Het schijnt ondenkbaar dat toeristen zich op een andere manier voortbewegen.
Wat later worden we door een wat oudere brommerrijder lastig gevallen. Geïrriteerd bedanken we ook hem voor z'n diensten. Maar deze heeft een papiertje in zijn handen. Na onze eerste afwijzing heeft hij het papiertje open. Daarop blijkt iets in het Nederlands te staan. Verbaasd lezen we het briefje. Het blijkt afkomstig van de Belg, die meldt dat de groep zeer kwaad is omdat ze ruim een uur op ons gewacht hebben en dat we ze om drie uur op een bepaald punt weer konden vinden. Het briefje is geschreven om 12 uur 20, zo staat er boven. Inmiddels is het vijf over een.
Merkwaardig. We hadden toch ingeschat dat het al veel eerder zou doordringen dat we niet meer terug zouden komen. Misschien dat de booteigenaar toch nog wanhopig op z'n 8000 Dong zat te wachten. En op al die provisies die hij de rest van de dag nog over onze rug hoopte op te strijken. We schrijven een briefje terug waarin we melden dat ook wij erg boos zijn, omdat we een all-in tour voor 3 dollar hebben geboekt en dan niet in the middle of nowhere afgezet wensen te worden, waar we tegen forse meerprijs met brommers naar de uiteindelijke plaats van bestemming kunnen worden gebracht. Tenslotte melden wij dat men niet op ons hoeft te wachten, en geven het briefje terug aan de boodschapper.
Op het moment dat we de afslag naar de aanlegplaats zijn gepasseerd, is er onmiddellijk een wereld van verschil. Ineens geen irritante motormannetjes en aandringende verkopers meer, maar nu ineens heerlijke rust en vriendelijke mensen. En hoe verder van de tombe, hoe verbaasder de blikken. Op veel plaatsen wordt hier wierook verkocht, in fraaie kleuren die in smaakvolle bossen als ruikertjes gedrapeerd zijn. En ook hier wemelt het van de grafmonumenten.
Bij een mevrouw kopen we twee yoghurtjes uit de koeling. Dat blijkt meer een vriezer en wordt dus yoghurt-ijs. Ook lekker. Mevrouw is verguld met onze komst en we krijgen nog een karafje water ook. Uit veiligheidsoverwegingen drinken we daar maar niet van.
Na een uurtje lopen zijn we weer terug bij ons hotel, dat gelukkig helemaal aan de zuidkant van de stad is. Eerst maar eens verhaal halen bij onze tour-operator. Hij zal zelf weinig schuld hebben aan al het leed dat ons is aangedaan, zo vermoeden wij, maar is toch verantwoordelijk voor de trip die hij ons heeft verkocht. Wij doen ons verhaal. Aanvankelijk begrijpt de man het niet helemaal (maar ik had toch ook gezegd dat de entrees nog betaald moesten worden), maar uiteindelijk beaamt hij dat de bedoeling is dat je het hele traject per boot en voet af kunt leggen. Niks motortjes. Wij zijn inderdaad afgezet door de booteigenaar, bevestigt hij. Maar daar heeft hij ook weinig invloed op, vooral omdat we waren overgeboekt op een andere boot. Na lang aandringen biedt hij zijn oprechte excuses aan, maar hij hoopt dat we onze trip naar Hoi An van morgen wel gewoon bij hem zullen boeken. Daar moeten we nog maar eens over nadenken.
Terug in de hotelkamer rusten wij uit van de enerverende reis. Beetje lezen, typen, en genieten van de koelte. We gaan alleen nog naar buiten om te eten. En om onze trip per minibus naar Hoi An van morgenochtend te boeken, toch maar weer bij ons hotel. Er vertrekken minibussen om acht uur en om twee uur. Ze kosten allebei vier dollar per persoon. Die van twee uur rijdt in één ruk door en is vier uur later in Hoi An. Die van acht uur pakt onderweg ook nog wat toeristische attracties mee, een visserdorpje, de Hai Van pas, de Marble Mountains en China Beach, en doet er daarom zes uur over. We boeken twee tickets op de bus van acht uur.
Het eten in het restaurant is nog boeiender dan gisteren. De in azijn gesudderde flinterdunne strookjes rundvlees blijken wij zelf nog te mogen sudderen. We krijgen een gasstelletje met pannetje waar we zelf ons rund in mogen fonduen. En onze kip wordt geserveerd op stokjes, en met flinterdun rijstpapier, salade en uitermate lekker sausje. We krijgen een kleine demonstratie. Men neme een stukje rijstpapier in de hand, doet daarop wat salade, vervolgens een stukje kip, trek het stokje er uit, rolt het papier op, doopt deze in de saus en voilà, je eigen doe-het-zelf Vietnamese loempia.
Wat vroeger opstaan dan gisteren, toen het nog een hele klus bleek ons copieuze ontbijt voor acht uur naar binnen te werken. We pakken onze bagage in en checken uit het hotel. We mogen hier, tegen geringe meerprijs, met credit card betalen. Dan wordt wel eerst het nummer van onze kaart gecontroleerd met een lijst van verdachte nummers verstrekt door de Vietcombank.
Met onze rugzakken gaan we naar het restaurant voor weer een bananenpannenkoekje, fruitshake etcetera. Bij het boekingskantoor maken we alvast melding van waar we zitten en om tien voor acht arriveert ons minibusje. Naast wij gaan ook een moeder en dochter uit Australië mee. Dat wordt nog een hele strijd. In het minibusje is plaats voor 12 passagiers, met achterin nog een zeer bescheiden ruimte voor bagage. Het is wel de bedoeling dat er uiteindelijk 12 mensen meegaan, dus is er weinig ruimte voor onze bagage. De chauffeur vindt het wel een goed idee om onze rugzakken op hun kant te leggen en er vervolgens een opklapbankje op neer te klappen. Onze rugzakken zijn veel hoger dan dat bankje, maar met flink aanstampen moet dat wel. Zijn wij het niet helemaal mee eens. En de Australiërs al helemaal niet, die een koffer met breekbare spullen mee hebben. Er wordt hevig gepast, gemeten en gediscussieerd. Uiteindelijk maakt de chauffeur aanstalten om dan maar zonder ons en onze bagage te vertrekken. We protesteren nog heviger en slepen het mannetje van het reisbureau er bij. Uiteindelijk kan de bagage van de Australiërs in het busje achter de chauffeur, zodat ook onze rugzakken plat kunnen liggen. Het busje vertrekt.
We gaan inderdaad nog aardig wat hotels bij langs om meer passagiers op te pikken. Er gaan zelfs Vietnamezen mee. En bij elke stop springt Christa er weer uit om er voor te zorgen dat onze rugzakken overleven. Maar uiteindelijk past alles in het busje. Onvermijdelijk stappen ook ergens twee mensen in van de tourgroep van gisteren, die ons verbaasd doch vriendelijk groeten.
We rijden zuidwaarts, langs een prachtige baai met felblauw water. Het is hier wat regenachtig. Uiteindelijk beleven we onze eerste stop op de Hai Van pas, waar we prachtige uitzichten hebben op de zee beneden en waar het net even droog is. Het wemelt van de straatverkopers. Marco knoopt een praatje aan met onze groepsgenoten van gisteren. Hij biedt onze nederige excuses aan. Ze hadden inderdaad lang op ons gewacht. En we hadden nu wel de lunch gemist. En ze hadden ons briefje terug inderdaad gekregen, en wisten dus hoe wij over een en ander dachten. Verder laten ze weinig over de trip los, behalve dat er bij de volgende attractie weer brommertjes waren.
We gaan op zoek naar het Minh Binh hotel, even ten noorden van het centrum. Dat zoeken valt nog niet mee. Op de hoek waar het volgens ons boekje zou moeten zijn is geen hotel te bekennen. En hier lijkt ook niet het huisnummer te zijn waar het hotel zich volgens ons boekje bevindt. We gaan op zoek naar dat nummer. Verderop is een groot complex dat een hotel zou kunnen zijn en waar we vragend naar binnen gaan. De meneer in de kamer zegt dat we maar even moeten gaan zitten als we hem vragen of dit een hotel is. Er wordt een vrouw bij gehaald, en in een telefoonboek gebladerd. We betwijfelen of dit wel goed komt en vragen uit ons Vietnamees boekje of er hier een tweepersoons kamer vrij is. Meneer neemt ons mee naar buiten en wijst naar een gebouw tegenover de hoek waar wij zochten en met de ingang net naar de andere straat dan wij verwachtten. Hotel Minh Binh.
Wij checken in en mogen negen dollar per nacht betalen. Voor die prijs krijgen we zo maar drie bedden, een tweepersoons en twee eenpersoons. Plus een badkamer. De kamer ziet er schoon uit, maar blijkt toch voorzien van interessante flora en fauna. Als we op ons bed liggen uit te rusten zien we in het hoekje op het plafond een enorme spin hangen, met een diameter van een centimeter of 15. We halen de dames van de receptie erbij, die met een bezem de spin te lijf gaan. Hij valt naar beneden, holt paniekerig heen en weer, maar wordt uiteindelijk gevangen in ons afvalemmertje. Zonder problemen verwijdert mevrouw hem met de hand en poseert ook nog even voor de foto.
Na een middagrust trekken wij de stad in. Hoi An is een toeristisch historisch stadje, eigenlijk de enige plaats van betekenis in Vietnam die ongehavend door alle oorlogen is gekomen. Hoi An heeft meer dan 800 historische gebouwen, met Japanse, Franse, Chinese en Vietnamese invloeden. Zeer pittoresk allemaal. Bovendien heeft het stadje een onwaarschijnlijke hoeveelheid kleermakers. In het hele toeristengebied zie je ze winkel aan winkel. Hoi An is de stad bij uitstek om maatkleding te laten maken, en sinds het die reputatie heeft is dat alleen nog maar erger geworden.
We keuvelen wat door de stad en komen aan bij de rivier. Daar worden we aangesproken door een meisje dat beperkt maar keurig Engels spreekt. We vermoeden onmiddellijk dat ze ons iets wil verkopen, maar vooralsnog blijkt daar weinig van. Vorig jaar heeft ze op een privé-school vijf maanden Engels geleerd, vertelt ze. Ze heet Hoa en heet ons van harte welkom in Hoi An. Even verderop is de markt, erg leuk. Wij lopen gedwee mee. Hoa wijst op de koopwaar en legt uit wat het allemaal is. Als ze iets wil verkopen, dan heeft ze wel een boel geduld. Haar moeder is kleermaker op de markt, vertelt Hoa. Zouden we daar misschien een kijkje willen nemen? Het is midden op de markt, dus erg moeilijk om toeristen te trekken. Aha, vandaar. Wij nemen graag een kijkje.
Hoogste tijd voor de lunch. Vlakbij de markt is een terras waar we een plaatselijke specialiteit, de cao lau, een wat merkwaardige combinatie van platte noedels, tauge, groenvoer, stukjes varkensvlees en croutons. Smaakt niet onaardig. We doen er een vruchtenshake bij.
We lopen terug naar ons hotel. Veel kledingzaken hier adverteren met grote plakkaten waarop tevreden klanten in hun eigen taal een aanbeveling hebben geschreven. Christa ziet nog een leuk pakje hangen. We worden de winkel binnengelokt, bij onze voornaam genoemd, en mevrouw weet inmiddels dat we in Nederland alles Hiel Mooi vinden. Christa laat zich hier een vierdelig pak aanmeten. Over de prijs moet hier heel stevig onderhandeld worden. Mevrouw opent op 43 dollar, maar we willen echt niet meer dan 37 betalen. Pas als Marco al bij de volgende straathoek is, krijgen we onze zin. Marco wordt weer terug geroepen, met hulp van de frisdrankverkoopster even verderop. Marco wil ook nog wel een paar overhemden. Na nogmaals stevig onderhandelen worden we het eens dat die 6 dollar per stuk gaan kosten.
Inmiddels zijn we druk bezig met het plannen van de rest van onze vakantie. Dat valt nog niet mee. De afgelopen dagen zijn we al ernstig aan het passen, meten, plannen en uitzoeken geweest. Nog een extra stad bezoeken wordt misschien krap, vooral vanwege de extra reistijd die dat oplevert. Maar als we dat niet doen, houden we misschien net iets te veel tijd over. We willen sowieso naar Danang, hier vlakbij, naar het Cham-museum. Vanuit Danang vertrekken ook treinen en vliegtuigen. Na een bezoek aan een reisbureautje lijken de twee beste opties de volgende. Of naar Danang, en vanaf daar rechtstreeks vliegen naar Ho Chi Minh City, of een dagtochtje naar Danang, en vanaf Hoi An met een bus naar Kontum, en dan naar Ho Chi Minh City vliegen vanaf het naburige Pleiku.
In ons hotel is er momenteel verder geen interessante fauna waarneembaar, behalve dan de mieren die ijverig op het randje boven ons bed heen en weer lopen. Bij de receptie boeken we voor morgen een excursie naar My Son, een Champa-ruïne niet ver van Hoi An. De tour duurt van acht tot twee, wordt ons beloofd.
's Avonds gaan we er weer op uit. Hoi An is erg toeristisch, maar wel gezellig, knus en leuk toeristisch. Er is hier een hele toeristische infrastructuur, die in alle plaatsen waar we tot nu toe geweest zijn ontbrak. Zo zijn hier zelfs echte restaurants, die ook in het westen die benaming zouden krijgen. Knus ingericht, met tafeltjes op normale hoogte en geen TV en TL-buizen. Een van die restaurants is Faifoo. Op de kaart aldaar staat een menu van 5 gerechten te kiezen uit 8. Die nemen we. Ook hier weer een aantal Hoi An specialiteiten, die we de komende dagen nog veel zullen tegenkomen. Zoals Witte Roos, krab gewikkeld in rijstpannenkoek, gedrapeerd in de vorm van een roos. Of de gefrituurde wonton. Overheerlijk allemaal.
Tijdens het eten komt Madam Tri, eigenaar, een praatje met ons maken. Ze biedt zichzelf aan als gids en kan voor 15 dollar een boottochtje van 2,5 to 3 uur voor ons regelen met een bezoek aan pottenbak- en houtsnijdorpjes in de buurt. En in de Lonely Planet staat zelf dat ze goed is. Dat laatste klopt. Ze kent de schrijver goed, zegt ze. Ze heeft hem geholpen bij het schrijven van de gids. Haar Engels is bijzonder goed. Lang geleden heeft ze Engelse literatuur gestudeerd, legt ze uit. We zullen de trip in overweging nemen. Madam Tri maakt bij ongeveer elke tafel een praatje en groet menig toerist die langsloopt.
Naar My Son. Even voor achten komt de minibus ons oppikken. Er zitten al meer mensen in, maar nog niet veel. Ook deze minibus wordt uiteindelijk helemaal gevuld. Gelukkig is Hoi An maar een klein stadje en zijn we daar snel mee klaar. Om half negen rijden we de stad uit.
De lucht ziet er donker uit. Halverwege de rit begint het behoorlijk te regenen. Als we aankomen bij My Son, rond half tien, regent het nog steeds. Voor de ingang van het complex is een rij restaurantjes, die allemaal adverteren met gratis parkeren. Dat begrijpen wij ook. Goed voor de omzet, zo'n groep buitenlanders.
Ook in deze bus zitten twee toeristen die we nog herkennen van onze mislukte boottocht in Hue. Zij vertellen ons dat de tocht uiteindelijk tot vijf uur duurde, in plaats van de twee uur die ons vantevoren gemeld was. En in die periode hadden ze nog maar drie van de beloofde vijf attracties gezien.
We gebruiken het toilet en hopen dat het droog wordt. Lukt nog niet erg. Eerst maar een kaartje kopen. Dan lopen we over een smalle brug naar een jeephalte even verderop. Daar rijden jeeps en minibusjes heen en weer om ons de laatste dikke kilometer naar de ingang van het park te rijden.
My Son ontwikkelde zich van de 4e eeuw tot de 13e - de langste periode voor een monument in Zuid-Oost Azië. Ooit stonden hier bijna 70 gebouwen. Door veelvuldige oorlogen en plunderingen waren daar veertig jaar geleden nog 25 van over. Na bombardementen van de Amerikanen is er nog maar weinig van over. De Vietcong had een basis in My Son, in de hoop dat de VS zo'n monument niet zou bombarderen. Dat bleek ijdele hoop. Na de bombardementen schreef een bekende Franse archeoloog een verontwaardigde brief naar Nixon, met het verzoek geen bommen meer op My Son te gooien. Aan dat verzoek werd voldaan.
Het best bewaarde stuk is vlak na de ingang. Een aantal Cham-torens waarvan op zijn minst het onderste gedeelte in min of meer oorspronkelijke staat behouden is gebleven. Hooguit lichtelijk overwoekerd door groen. Prachtige versieringen en beeldhouwwerk ook. En ook hier is het weer heerlijk rustig, ondanks dat er een redelijk aantal toeristen rondloopt. Langzamerhand stopt het zelfs te regenen.
De rest van het complex ligt er desolaat bij. Veel meer dan een paar overwoekerde hopen steen kunnen we er niet van maken, met hier en daar een bomkrater. Maar weer terug naar de ingang dus, waar we nogmaals het eerste groepje gebouwen bewonderen.
We moeten een tijdje wachten voordat de volgende jeep vertrekt en spotten nog een paar Nederlanders opererend in kuddeverband. Even na half twaalf melden we ons weer bij het busje. We moeten vooral rustig aan doen, roept de chauffeur al. Het duurt nog wel een kwartiertje voordat we vertrekken. Om tien voor twaalf rijdt de bus ons weer terug naar Hoi An. Inmiddels is het weer gaan regenen.
Als laatsten worden we bij ons hotel afgezet. De chauffeur was even vergeten waar wij ook weer logeerden. Iets na één uur zijn we terug op onze kamer. In Hoi An is het dan weer droog. Terug op straat kopen we een ticket voor de bezienswaardigheden van Hoi An. Dat is hier goed geregeld. Tegen betaling van 50,000 dong krijgen we een kaartje dat recht geeft op bezoek aan een Oud Huis naar keuze, een Chinese Ontmoetingshal naar keuze, een Museum naar keuze, een Ander Oud Ding naar keuze plus een bonusbon voor één van bovengenoemde. Heel Hoi An denkt met de toerist mee, zo lijkt wel. In plaats van een aantal individuen die geld uit de zak van de individuele toerist proberen te kloppen, lijkt hier sprake van een serieuze infrastructuur van restarants, hotels en andere attracties die het toeristen, tegen betaling uiteraard, zo aangenaam mogelijk probeert te maken.
De hoogste tijd om te kijken hoe de dames kleermaaksters het er af gebracht hebben. We gaan eerst naar ons winkeltje op de markt, waar Christa's pak al klaarligt. Zij past en is tevreden. Ook Marco's broekjes zitten keurig. Wij plaatsen nog een bestelling tegen een nog schappelijker prijs, als we beloven morgen nog meer te kopen. Op naar de andere winkel, die bij ons in de straat. Een beetje duistere zaak, want de elektriciteit is net uitgevallen. De ventilator doet het dus ook niet meer. Met zaklamp en looplicht bekijken we onze kleding. De kleermakers hebben flink doorgewerkt. Christa is zeer tevreden. Het is hier nog beter afgewerkt dan op de markt. Je betaalt dan ook wat meer. Ook Marco's bloesjes zijn Hiel Mooi. We plaatsen ook hier een nieuwe bestelling.
Inmiddels hebben we besloten dat we zondagochtend van Danang naar Ho Chi Minh City te vliegen. De hoogste tijd om onze vlucht te boeken, want iedereen raadt ons aan dat zeker twee à drie dagen vantevoren te doen, wegens grote drukte. Het blijkt dat alle vluchten tot en met maandag al zijn volgeboekt. Dan maar met de trein. Ook dat blijkt niet mee te vallen. Onze reisagente belt driftig heen en weer. Zaterdag zijn alle slaapplaatsen al bezet. Op zondag is onze voorkeurstrein vol, en in alle andere treinen is er geen soft sleeper meer, die eigenlijk onze voorkeur heeft. Uiteindelijk bemachtigen we twee hard sleepers op de S1, de snelste trein. Vertrek Danang zondag 12:20, aankomst Saigon de volgende ochtend om vijf uur.
Het loopt alweer tegen etenstijd. Vermoeiend, al die kledingzaken. Vanavond maar eens naar een ander restaurant, het Ly Cafe 22. De ober hoort ons tegen elkaar praten en begroet ons prompt in het Nederlands. Hij blijkt zelfs in staat een elementair gesprek in het Nederlands te voeren en in het Nederlands onze bestelling op te nemen. Geleerd van toeristen, die hier vooral een jaar of vijf geleden nog in grote aantallen langskwamen. Zijn Nederlands is beter dan het Engels van de meeste Engelssprekende Vietnamezen. Van de menukaart kiezen we het Little Bit of Everything, een soort Vietnamese Rijsttafel van vooral lokale specialiteiten, inclusief soepje en fruitsalade na. Beetje Van Alles, vertaalt de ober behulpzaam.
Een westerse man loopt het restaurant binnen en vraagt of we al besteld hebben. Dat beamen wij en we willen hem de kaart geven, maar hij loopt verder naar achteren. Merkwaardig. Als het eten op is vraagt hij in het Nederlands of het gesmaakt heeft. Blijkbaar hoort hij bij het restaurant. Het blijkt de Vlaamse echtgenoot van de eigenaar, afkomstig uit Brussel. Hij is nu tweeëneenhalf jaar hier, waarvan het laatste jaar permanent. Een heel verschil met België, maar het bevalt hem prima. Hij spreekt nog geen Vietnamees, expres niet, want dan heeft hij helemaal geen rust meer. Vietnamezen hebben nog nooit gehoord van privacy en hebben daar ook geen behoefte aan. De hele dag loopt iedereen in en uit. Zonder kloppen.
De meeste restaurants zijn, zo is onze indruk, gewoon huizen waarvan de bewoners hun woonkamer hebben opgeofferd en daar een paar tafeltjes en stoelen hebben neergezet. Voor henzelf is er dan achter nog een klein kamertje, en soms een bovenverdieping. Maar meestal blijft het restaurant ook gewoon dienst doen als woonkamer. Het is hier een ontzettend dorp, vindt de Belg. Iedereen weet alles van iedereen. En als ik Vietnamees zou spreken, zou ik helemaal iedereen permanent over mij heen hebben.
De Nederlands sprekende ober vraagt of we ook Nederlands papiergeld bij ons hebben. Hij verzamelt buitenlands papiergeld en heeft al 21 exemplaren. Marco heeft een tientje bij zich, maar dat krijgt hij niet. De ober is in staat vlot alle Nederlandse munten op te noemen. Hij is bereid zijn twee rijksdaalders en twee guldens in te ruilen voor Marco's tientje. Doen we ook maar niet. Voor drie gulden moet de gemiddelde Vietnamees toch een dag werken.
Een jaar of vijf geleden stikte het hier nog van de Hollanders, vertelt de Belg. Elke verre-reisorganisatie had wel een reis naar Vietnam en wekelijks kwamen er meerdere groepen naar Hoi An. Maar de laatste tijd is het helemaal niks meer. Negen op de tien reizen worden gecancelled wegens gebrek aan belangstelling. Waarom is hem een raadsel. Ons ook. Misschien heeft het te maken met de toenemende populariteit en openheid van China.
Onze laatste volledige dag in Hoi An. De hoogste tijd derhalve om aan onze plicht als toerist te voldoen en de bezienswaardigheden in het dorp af te lopen. We beginnen koers te zetten naar de Japanse Brug. Het is vandaag weer warm, maar we hebben er inmiddels veel minder last van. Misschien is het net een tikje minder warm dan in Hanoi, of misschien zijn we er inmiddels beter aan gewend.
De Japanse brug is overdekt en werd, u raadt het al, gebouwd door de Japanners. Dat deden ze in 1593 om hun wijk te verbinden met de Chinese. De brug was uitermate degelijk. In Japan zijn namelijk nogal wat aardbevingen. De Fransen hadden de brug plat gemaakt. Dat is handiger voor het verkeer. Later werd hij weer in de oorspronkelijke boogvorm hersteld.
Rond de brug ziet het er buitengewoon pittoresk uit. We kunnen de verleiding dan ook niet weerstaan om de officiële bezienswaardigheden links te laten liggen en een andere brug over te gaan, die naar een buitenwijk leidt. We lopen over een breed zandpad langs huizen op palen, opgetrokken uit bamboe. De bewoners zijn al snel minder gewend aan toeristen. De hellos vliegen je tenminste alweer om de oren.
Even verderop wordt een boot beladen met ijs. Enorme blokken worden met haken van een bakfiets getild, op een ingenieuze bamboe glijbaan gezet en rechtstreeks de boot in gegleden. Ook in de stad zie je regelmatig bakfietsen rondrijden met enorme hoeveelheden ijs. Geamuseerd slaan wij het schouwspel gade. Een man komt van het terras aflopen en maakt een praatje in het Engels. Hij woont in de VS, vertelt hij. Maar zo goed is zijn Engels nu ook weer niet. Regelmatig komt hij een maand of paar maanden terug naar Vietnam, maar dan geeft hij honderd dollar per dag uit en moet dus weer terug als het geld op is. Wij vragen wat hij in de VS doet. Is hij zeer geheimzinnig over. Kan hij niet vertellen. Wat het ook is, erg legaal lijkt het ons niet. Rare man. Hij vraagt hoeveel we betalen voor ons hotel in Hoi An en vindt dat al bijna bij voorbaat te duur. In Vietnam moet je overal afdingen, weet hij.
Op het terras zijn de voorbereidingen gaande voor een bruiloft. En zowaar, daar komen bruid en gom al. In een minibus. Plus gasten, die ook in een andere minibus komen. Iedereen ziet er op zijn paasbest uit. Het is de bedoeling, zo blijkt, dat alle gasten met z'n alleen in een klein bootje het water op gaan. Het zal het huwelijksbootje zijn. Ook de bruid hijst zich, met jurk en al, in de gammele boot. Het scheelt niet veel of het bootje kapseist. Maar uiteindelijk kiezen zij toch het ruime sop. We zwaaien ze na en lopen verder.
Bij een jongetje op straat kopen we een blikje fanta. Verderop, buiten het dorp, komen we drie meisjes te fiets tegen die een aantal takken hebben waar een paar centimer grote soort van uit de kluiten gewassen katjes aan hangen. Het blijken vruchten. We mogen er eentje proberen. Familie van de lychee waarschijnlijk, maar dan een stuk kleiner.
Langzamerhand wordt de straat weer drukker en dichter bebouwd. We naderen Hoi An. Een vriendelijke meneer wijst ons de juiste richting. Uiteindelijk blijken we een keurig rondje gemaakt te hebben, en bij de Japanse brug weer uit te komen. We nemen een kijkje bij enkele van de vele schilderijenverkopers in dit straatje. Dan verzilveren we onze eerste bon voor een blik in de Japanse brug. Daar is niet veel te zien. Een altaartje, zoals je dat in vrijwel elk huis in Vietnam vindt. Veel meer is het niet. De brug zelf wordt aan de ene kant geflankeerd door twee gebeeldhouwde apen, aan de andere kant door twee honden.
Meteen maar door naar de volgende attractie, het Tan Ky huis. Een van de vele Historische Huizen van Hoi An waar toerististen een kijkje mogen nemen, ondanks dat het achterste gedeelte nog bewoond is. Na binnenkomst worden we welkom geheten door een geroutineerde Engelssprekende gids. Het huis is klein maar erg fraai. Het is al acht generaties in handen van de familie, zo wordt ons verteld. Portretten van de huidige bewoners en hun ouders hangen aan de muur. Verder Chinese gedichten over de lente, een Buddha-tempeltje met vrouwelijke Buddha, en fraaie donkerhouten meubelen met veel paarlemoer. Alles is nog in oorspronkelijke staat. Bij het plafond zijn drie horizontale balken, een typisch Japans element. Het was een handelsfamilie die hier woonde. Het huis staat aan de rivier. Aan de achterkant werd het vanaf de rivier bevoorraad, en aan de voorkant werd dat weer doorverkocht. Middenin het huis is een binnenplaats met open dak. Goed voor licht, lucht en afwatering.
Aan de overkant van de straat is een werkplaats waar met de hand meubels en andere voorwerpen gemaakt worden, vertelt de gids. Mogen we ook een kijkje nemen. Doen we. We komen in een behoorlijke ruimte waar flink gewerkt wordt. Een mevrouw leidt ons rond. Op bestelling kunnen hier allerlei donker houten meubelen worden gemaakt voorzien van uitbundig paarlemoer. Verzenden is ook geen probleem, dat gaat gewoon per boot. Van elk denkbaar land heeft men als bewijs daarvan een vrachtbrief aan het prikbord hangen. Op dit moment staat er bijvoorbeeld een flink bureau, uitbundig versierd, klaar voor verzending naar de VS. Zo'n bureau komt op 700 dollar. Helaas, vertellen wij, is ons huis te klein. Geen probleem, dan maken ze het gewoon kleiner. We nemen een kijkje in het fotoboek en de brieven van enthousiaste klanten. De fax die net binnenkomt over schade ontstaan bij het transport die niet gedekt wordt door de verzekeringsmaatschappij krijgen we bij nader inzien toch maar niet te lezen. We nemen een uitgebreide folder mee en mogen per fax altijd onze wensen kenbaar maken. Per kerende post komt er dan een prijsopgaaf.
De lunch gebruiken we vandaag bij de Belg. Daar is het nu een stuk rustiger. Wel zit er nog een andere Belg druk met de onze te praten. Hij is gepensioneerd en vond dat hij dat maar het beste in een tropische land kon doen. Ergens buiten Hoi An heeft hij een enorme villa laten bouwen, met zwembad. Zijn geld is nu wel op, vertelt onze Belg later. In Danang zitten nog één of twee Belgen, weten ze, maar verder woont de dichtstbijzijnde Belg een paar honderd kilometer verderop. Ideaal.
Een jongetje wil ons de Vietnam News verkopen, de enige Engelstalige krant van het land. Wij vragen wat dat kost. Hij laat het zien. De originele prijs van de krant is onleesbaar gemaakt en daar is in rood keurig 30000 Dong naast gestempeld. Net echt. Wij danken hartelijk. Vijf gulden vinden wij wel wat erg prijzig voor zo'n vodje. Het jongetje is bereid voor ons iets van de prijs af te doen, maar we laten het er maar bij.
De gangbare prijs is 10000, vertelt de gepensioneerde Belg. Zelf moeten ze er 6000 voor betalen. De Belg van het restaurant heeft ook een goede deal. Elke ochtend krijgt hij zijn krantje en betaalt 5000, mits hij de krant een half uur later weer inlevert.
Niet veel later komt er weer een krantenverkoper. Wij betalen niet meer dan 10, stellen wij. Het jongetje wil eerst nog 20, maar stemt dan toe. Of hij de krant later weer mag terug hebben, vraagt hij. Voor 20, antwoorden wij. Hij is snel verdwenen.
Tot onze ontzetting zien we een foto in de krant waarbij het water in Hanoi tot enkelhoogte staat, wegens aanhoudende regenval. Ook in de Mekong delta is wateroverlast, vertelt de Belg. Verder meldt de voorpagina van Vietnam News trots dat alle provincies in Vietnam nu op het elektriciteitsnet zijn aangesloten.
Het is alweer de hoogste tijd voor onze dagelijkse gang langs de kledingzaken. Eerst maar weer naar de markt. De kleding zit nog beter dan gisteren en Christa laat zich, in overleg met de verkoopster, een nog uitgebreider pak aanmeten. Dat is geen enkel probleem hier. De winkels hebben allemaal een stapel modebladen en -catalogi liggen. Daar hoef je maar iets in uit te zoeken, te vertellen hoe je het zelf precies wil hebben, en het wordt probleemloos nagemaakt. Marco bestelt een stapel bloesjes. Men is weer zeer blij met ons.
Met de aangeschafte kleding lopen we terug naar het hotel. Daarbij maken we een omtrekkende beweging zodat we niet langs die andere kledingzaak komen. Met lege handen gaan we terug naar de andere winkel. Aan sommige kleding moet nog wat bijgewerkt worden, maar dat is geen enkel probleem. Als de klant maar tevreden is. We worden nu geholpen door een andere mevrouw, die alles Bjoooooootiful vindt. Plotseling valt in de hele straat de stroom weer uit. Snel brengen we onze rugzak in veiligheid. Het is nu stikdonker. We laten al onze kleding eerst achter en komen vanavond of morgen terug, als de wijzigingen zijn doorgevoerd.
Een paar deuren verderop dineren we, met weer een multigangendiner. Ook hier brabbelt de ober wat Nederlands. Alleen vergeet hij ons de rijst bij het hoofdgerecht te brengen. Sowieso krijgen we hier wat weinig aandacht. Het eten is uitstekend. In Vietnam is het niet echt de gewoonte om borden en schalen weg te halen als ze leeg zijn. Als we ze zelf opstapelen en op een andere tafel zetten komt een mevrouw ze halen. Een jongetje verkoopt kaarten met zijden voorkant, waarvan we in Hanoi 8 voor 14000 hebben gekocht. Het jongetje zet in op 15000 per stuk.
De ober vraagt wat we morgen gaan doen. Naar Danang. Aha, hij kan voor 8 dollar wel een auto met chauffeur regelen om ons te brengen. Oh, even verderop kostte dat maar 7. Vindt hij ook geen probleem. Voor we het weten krijgen we een contract onder onze neus geduwd. Hij loopt ons iets te hard van stapel. Mochten we er behoefte aan hebben, dan komen we morgen wel weer langs.
Vandaag verlaten we Hoi An. Voordat het zover is, moeten natuurlijk nog wel alle zakelijke transacties naar tevredenheid worden voltooid. Eerst maken we een begin met het inpakken van onze bagage. Dat valt niet mee, met al die nieuwe aankopen. Eerst maar eens naar de winkel in onze straat. Daar is al het textiel naar behoren afgewerkt. Afleveren bij het hotel en op naar de markt. Ook daar moeten hier en daar nog wat kleinigheden worden veranderd. We spreken af vanmiddag om half twee terug te zijn. Meteen bestellen we nog wat allerlaatste kledingstukken.
De bezienswaardigheden van Hoi An moeten we ook nog afronden. We beginnen met de plaats van samenkomst van de Chinese gemeenschap uit de provincie Fujian. De Fujian Chinese Congregation Assembly Hall dus. Het complex heeft een prachtige gekleurde driedubbele toegangspoort, gebouwd in 1975. Het gebouw zelf is veel ouder. Oorsponkelijk was dit het clubhuis van de Fujian gemeenschap, maar later werd het omgebouwd tot tempel voor Thien Hau, beschermheilige van zeelieden in nood, en geboren in Fujian. Rechts van de ingang zien we een fraaie muurschildering van haar, bezig een bootje in nood te redden. Links zijn, als helden te paard, de hoofden te zien van de zes families uit Fujian die hier in de 17e eeuw heenvluchtten. Achter het altaar de 12 voedvrouwen, die elk baby's een nuttige eigenschap leren. Kinderloze paren komen hier bidden. Wij lopen verder.
Lunch. Bij weer een ander restaurant eten we een gerecht dat bestaat uit gesneden wortel, iets koolachtigs, komkommer en pinda.. De garnaal en varken die we ook hadden verwacht zitten er niet in. Door een vergissing van de ober hebben we een eenvoudiger, goedkoper gerecht gekregen. Toch buitengewoon smakelijk.
We lopen naar het postkantoor, een vrij modern, ge-airconditionede ruimte. Onze kaartjes worden bestempeld. Jammer. Wij willen postzegels. De kaartjes in envelop wil mevrouw ook bestempelen, maar daar steken we een stokje voor. We willen postzegels. Morrend stemt mevrouw in. Gedoe allemaal. Op elke envelop gaan drie zegels. We krijgen ze in vier soorten en plakken ze zelf op de envelop.
Vanuit het postkantoor lopen we naar het Franse Straatje, waar nog wat Franse architectuur overeind staat. Deze straat niet op het officiële toeristenprogramma. Toch schokkend dat men één straat voorbij het toeristengebied al verbaasd is toeristen te zien. Er staan wat aardige huizen in het straatje. We slaan af en lopen naar de [] tempel. Een aardig klein tempeltje met karakteristieke karpers op de hoeken van de daken. Bovendien blijkt achter de tempel het Historisch Museum, waar wij al naar op zoek waren. Een bescheiden, klein museum dat vooral aan de hand foto's ons meer vertelt over de geschiedenis van Hoi An. En met behulp van gloedvolle Engelse teksten.
We gaan terug naar de shop op de markt. Alles is nu klaar en men is zeer dankbaar dat we zo veel hebben aangeschaft. Als dank en souvenir is de jongste zus net bezig een persoonlijk kaartje voor ons allebei te schrijven, met behulp van een Engels woordenboek. Al onze vrienden moeten we ook maar naar Hoi An sturen, vinden ze, en vooral naar hun shop. En als ze zeggen dat wij ze gestuurd hebben, zullen ze er ook nog iets voor ons bij doen. We nemen afscheid.
Terug naar het hotel. Nog net tijd om al onze aankopen in onze rugzakken te stampen. Bij ons hotel bleek je ook gewoon een auto naar Danang voor zeven dollar te kunnen boeken, dus die hebben we om vijf uur besteld. Om tien over vijf staat er een vlotte, jonge, vaag-Engels brabbelende chauffeur, type Vietnamese yup, met een flinke auto voor ons klaar.
Waar of we vandaan komen, vraagt de chauffeur na een eindje rijden. Uit Nederland. Aha. Voetbal. Very Good. Hij vindt alles prima, zolang we maar niet uit de VS komen. Hoezo dat? US destroyed Vietnam. Hij imiteert een mitrailleur. Duidelijk. En Frankrijk dan? Daar heeft Vietnam toch ook een oorlog mee gevoerd? Fransen zijn prima. Die hebben Vietnam na de oorlog veel steun verleend.
Af en toe probeert de chauffeur ons nog wel eens iets duidelijk te maken. Hij is een prima chauffeur. En dit is al de vierde keer vandaag dat hij heen en weer naar Danang rijdt. Uitgebreid laat hij zien wat hij allemaal van voorgaande passagiers uit dank heeft gekregen. Good Driver. Hij wijst ons op de Marble Mountains, die we een paar dagen geleden gemist hebben. Met alle plezier wil hij daar een stop maken. Wij danken vriendelijk. Hij dringt nog een paar keer aan, maar we laten het erbij. Dan moeten we het zelf maar weten.
Zijn wij getrouwd? Ja, twee jaar. Prima. Al die Europeanen die hij vervoert zijn allemaal maar niet getrouwd. Vijf jaar samen, zeven jaar samen, tien jaar samen. Maar trouwen, ho maar. Vindt ie maar niks. In Vietnam is het tenminste duidelijk. Twee jaar samen en hop, trouwen. Geen gedoe.
Marco blijft in de auto zitten bij de rugzakken, terwijl Christa onder begeleiding van de chauffeur de kamer bekijkt. De eerste is groot, van alle gemakken voorzien, balkon op de achterkant, ligt op de vierde verdieping en wordt ingezet op 15 dollar. Hmm. Ietwat prijzig. Heeft u niets goedkopers? Op de tweede etage is een kleinere kamer, minder gemakken, maar nog steeds airconditioning en badkamer. Wordt ingezet op 12. OK, nu blijven we 2 nachten. Hoe duur wordt het dan? Dan is de bovenste kamer 12, vindt mevrouw. Aha, dat suggereert meteen hoeveel er naar de chauffeur gaat. En de kleine, hoeveel is die dan? 10, vindt mevrouw. 9, vindt Christa. Mevrouw moet eerst even naar beneden om te rekenen, maar gaat dan akkoord. Het kan uit.
Het hotel is er nieuw. Zo nieuw dat er nog een slot op onze deur gezet moet worden. Wij wachten op twee timmerlieden die het slot er in prutsen. Eerst achterstevoren, maar uiteindelijk komt het goed. Alles ziet er nog erg nieuw uit. De klerenkast heeft nog wat moeite open en dicht te gaan. En het bed zit ook nog niet helemaal degelijk in elkaar. Maar verder ziet het er keurig uit.
We mijmeren over de chauffeurs en hun provisie. Volgens de Lonely Planet betaal je uiteindelijk gewoon zelf die provisie. Wij betwijfelen of dat waar is. Het zou ons niet verbazen als ze bij de berekening van de totaalprijs uitgaan van het Vietnamezentarief, en daar de te betalen provisie bij optellen. Dan kom je wellicht hoger uit dan de buitenlanderprijs, maar niet zo hoog als de buitenlanderprijs plus provisie. Hoe dan ook, wij zijn tevreden.
De mevrouw achter de balie vragen we naar een goed restaurant. Ze wijst ons iets, maar dat kunnen we uiteindelijk niet vinden. Wel lopen we tegen een ander degelijk restaurant aan. Daar eten we goed. Het is druk op straat. Om de hoek even voorbij ons hotel zitten zomaar vier ijssalons, iets wat we nog niet eerder hebben gezien in dit land. Natuurlijk zijn het wel ijssalons op z'n Vietnamees: met plastic mini-kuipstoeltjes en tafeltjes die reiken tot je scheenbeen. We gaan bij een naar binnen en bestellen een Frozen Flan. Curieus. Een kleine vanillepudding met caramelsaus, in Spanje noemen ze het Flan Casero, maar dan in bevroren toestand. Hoe zo'n Spaanse pudding ooit in Vietnam is terechtgekomen, is ons een raadsel. Ze vinden het wel leuk, de andere klanten, die buitenlanders. Vooral de mensen met kinderen. En we zijn ook wel goed voor de omzet, is onze indruk.
Vanochtend naar de belangrijkste attractie van Danang, het Cham Museum. Al vanaf 1915 zijn daar een aantal beelden, beeldhouwwerken en kunstwerken van Cham-monumenten verzameld. En dat is maar goed ook, want daarom is er nu tenminste nog iets intact van wat er ooit in bijvoorbeeld My Son stond.
We lopen naar het museum en merken dat we steeds dichterbij komen door een gestage toename van het aantal mensen dat ons op straat aanspreekt. Eerst een ontbijt. Bij een restaurantje niet ver van het museum wordt pho geserveerd. Rauw rundvlees wordt in flinterdunne plakjes gesneden en in heet water gegooid, bij de groente, olie en andere smaakmakers die daar al inzitten. En in zulk water is het vlees in een paar seconden klaar. We krijgen nog een hele vracht ingrediënten die we allemaal in onze soep mogen gooien. Twee verschillende soorten blaadjes, sambal, chilisaus, limoensap, knoflook, het kan niet op. We brouwen een smakelijk soepje.
We slenteren wat rond door Danang. Zo op het eerste gezicht is deze stad net even iets rijker dan wat we tot nu toe in Vietnam gezien hebben. Het type winkels is net gericht op de iets rijkere medemens, en er zijn zelfs juweliers. Al is het vergeleken met elke stad in China nog steeds een arme bedoening. Op een terrasje kopen we twee keer twee yoghurtjes, inmiddels ver genoeg van het museum om verbaasde gezichten en een normale prijs te krijgen.
We drentelen verder en komen op het lumineuze idee om een fietstaxi terug naar het hotel te nemen. Een berijder begint de onderhandelingen enthousiast op 3 dollar, zijn collega zelfs op 5, dus we gaan er maar niet serieus op in. Dan maar lopen. De eerste probeert het nog wel een paar keer, maar het is al te laat.
We lopen langs een brede snelweg, in de richting van de haven. Hier is het lokale Ho Chi Minh-museum, maar helaas, rond lunchtijd gesloten. Even verderop zitten een handvol mensen ananas te verkopen. Wij kopen er twee, keurig bereid in een zakje, tot grote hilariteit van de agrariërs. We mogen zelfs bij hen op het bankje zitten om ze op te eten. De gebruikelijke vragen en het boekje komen weer tevoorschijn.
We lopen verder en het is inmiddels alweer behoorlijk heet. Tijd voor onze middagrust dus. We maken een mevrouw blij met onze lege fles en lopen langs het water weer terug naar het hotel. Net even verder heeft zich een flinke hoeveelheid mensen verzameld. De bloemenmarkt.
We komen terug in onze heerlijk koele kamer er verpozen ons enige tijd aldaar. Rond vier uur de straat weer op. De volgende attractie is de kathedraal van Danang, net achter ons hotel. De poort is dicht, maar er komt net iemand om hem voor ons open te maken. Deze kerk is uitgerust in stemmig roze, en lijkt wel wat op de kerk in Vinh. Binnen staan twee rijen Vietnamezen in de rij om te biechten. Deze kerk heeft zelfs buiten nog een attractie. Onder de rotsen staat een beeld van Maria, met uitgehouwen in de rotsen iets van een kerststal plus bovenop een wervende tekst. Aan deze kathedraal, zo lezen wij, is ook nog een klooster verbonden, waar ongeveer honderd nonnen wonen. Hier lopen er een paar rond.
Net naast de kerk blijkt een kleuterschool, waar kleutertjes die er vrij welgesteld uitzien, vrolijk rondhuppelen. We lopen het terrein op en worden aangesproken door een non. Ze spreekt Frans en een beetje Engels. Dit is een privé-school, legt ze uit, uitgebaat door de katholieke kerk. Er zitten hier ongeveer 500 kindertjes. Tot zes jaar, want aan oudere kinderen mag je van de regering geen privé-school aanbieden. Ouders betalen 120.000 Dong per maand, twintig gulden, om hun kind hier onder te brengen. Maar of we haar nu maar willen excuseren, want ze moet weer ergens anders heen.
We lopen een keertje langs de klasjes, die op de binnenplaats uitkomen, heen en weer, en zwaaien naar de kindertjes. We lopen verder, langs een markt en een parkje, constateren dat Danang zeker welgestelder is dan de steden die we tot nu toe hebben gezien, en lopen naar de CaoDai-tempel. De CaoDai is een religie die met name in Vietnam erg populair is, en aspecten van alle belangrijke godsdiensten combineert. Als we in Saigon zijn, zullen we nog op bezoek gaan bij het hoofdkwartier van de CaiDaoìsten.
Eigenlijk moeten mannen hier door de ene, en vrouwen door de andere poort naar binnen, is ons verteld. Maar alleen de damespoort is open. We gluren de tempel binnen. Een monnik, geheel in het wit, komt naar buiten en vraagt ons nog vijf minuten te wachten. Doen we. Een minuut later komt hij al weer terug en laat ons binnen. We hebben de tempel voor ons alleen.
Aan de voorkant, achter een gordijn dat open is, staat een enorme wereldbol met daarop geschilderd een gigantisch oog, het symbool van God voor de CaoDaïsten. Iets verder naar voren hangt aan het plafond een schilderij waarop Jezus, Mohammed, Buddha, Confucius en Lao Tse gebroederlijk naast elkaar staan afgebeeld met daarbij in het Vietnamees de tekst Alle Religies Hebben Dezelfde Reden. De vloer is bezaaid met kussentjes waar biddende monniken op kunnen bidden.
We trekken onze schoenen weer aan en kijken buiten rond. Achter de tempel staat een gebouw dat wel iets weg heeft van de lobby van een goedkoop hotel. Door het raam gluren we naar binnen. Aan de muur hangen de portretten van vooraanstaande CaoDai-leiders, de oprichter het grootst. Het loopt tegen zessen. De ene na de andere monnik komt naar buiten en stelt zich op op een van de kussentjes in de tempel. Zes uur is het gebedsuurtje van de CaoDaïsten. Dat doen ze om twaalf, zes, twaalf en zes uur. De mannen verzamelen zich aan de rechterkant, de vrouwen links. Allemaal zijn ze in het wit gekleed. Vooraan slaat iemand af en toe op een gong, een ander slaat ritmisch met twee stokjes. Er wordt meerstemmig gezongen, hetgeen een licht hypnotiserende werking heeft. Zet het op een CDtje en het zou bij New Age adepten in het westen geheid scoren. Na een kwartiertje luisteren en toekijken lopen we weer verder.
Het begint te schemeren en dat betekent dat het in een land als dit verdraaid snel donker gaat worden. Tijd voor een restaurant. We lopen terug naar het water, waar op de plek waar wij ons restaurantje verwachtten, een enorme brug blijkt te zijn verrezen. Futuristisch geheel met hippe kleurige vuurwerk imiterende knipperlichten als lantaarnpalen. Ons restaurant is onverrichterzake verhuisd. Op een boom hangt een bordje met het nieuwe adres, niet ver hier vandaan.
De straat blijkt de sjieke winkel- en hotelstraat van Danang. En ook het restaurant zelf blijkt een luxe, moderne, hippe bedoening gericht op de moderne buitenlandse zakenyup die in Danang is gestrand. De prijzen zijn er ook naar, al zijn er ook een aantal degelijke Vietnamese gerichten die niet overdreven veel duurder zijn dan elders. We bestellen een rundvleesschotel waarvan ons beloofd wordt dat het voldoende is voor twee personen. Dat blijkt inderdaad het geval. De schotel is relatief goedkoop, maar de rijst en het water peperduur, zodat we uiteindelijk toch weer op een normale prijs uitkomen. Je kan hier ook internetten, maar dat kost 800 Dong per minuut. Dat moet goedkoper kunnen. Blijkt inderdaad het geval, in de straat met de ijssalons, voor 500. Meteen een goede gelegenheid om daarna een ijsje te eten

