Vandaag verlaten we Sapa. Om half zeven vertrekt onze bus naar Bac Ha, een soortgelijk dorp met anders geklede minderheden en minder toeristisch, zo is ons beloofd. We rijden door de bergen en de weg is erg bochtig, maar blijft redelijk goed. We dalen en het wordt weer warmer. Regelmatig passeren we groepjes minderheden die langs de weg lopen. Bij een tussenstop wil een uitermate schattig klein jongetje wel tegen betaling van een gering bedrag op de foto. Ons rolletje is vol, zeggen wij. Het is nog waar ook.
Thuon vertelt waar het volgens hem enige restaurant in Bac Ha is waar we de lunch kunnen gebruiken. Dat zullen we nog wel eens zien. Wij gaan eerst maar naar de markt en kijken daar onze ogen uit. Honderden vrouwen in prachtige klederdracht zorgen voor een kleurrijk geheel. Dit zijn de Flower H'mong, de bloemenH'mong dus, die in erg kleurrijke kleding rondlopen. De variatie zit hem vooral in het fluwelen truitje, dat bij sommigen knalgroen, bij weer anderen blauw of rood is, of voorzien van een bloemenmotief. Daaronder draagt men een kleurige rok, en het geheel wordt gecompleteerd door een al even kleurige hoofddoek.
Het is hier inderdaad een stuk minder toeristisch dan in Sapa. Er lopen wel buitenlanders rond, maar de H'mong gaan toch vooral hun eigen gang zonder zich al te veel van die toeristen aan te trekken. Het is vanochtend een enorme drukte op de markt, vanmiddag zal dat al een stuk minder zijn. Er wordt vooral veel kleding verkocht en aan lange, lage overdekte tafels kan de lunch gebruikt worden. Op een belendend veldje worden dieren verhandeld, vooral kippen en varkens, maar ook katten en honden.
We lopen de markt af, de hoofdstraat van het dorp in, en maken contact met een vrouw met een uitermate schattig klein baby'tje. Ze vindt het wel leuk, al die aandacht voor haar kind. Als we weg willen lopen vraagt zij om het restant van ons flesje mineraalwater. Normaal geven we maar liever niets als er gebedeld wordt, en zeker geen geld, maar in dit geval maken we graag een uitzondering. Dankbaar neemt mevrouw de fles aan, giet wat water in de dop en voert dat de baby.
Het is tijd om te lunchen. We lopen voorbij het restaurant dat door Thuon werd aanbevolen en vinden een klein lokaaltje waar, getuige het uithangbord, op zijn minst noedelsoep te koop is. Van de eigenaar krijgen we meteen een kopje thee in een klein minikopje. Daar gaat een heel ritueel aan vooraf. Er wordt een beetje thee in een kopje geschonken, dat wordt daarmee omgespoeld, dat wordt overgegoten in een ander kopje, weer omgespoeld en vervolgens overgegoten in een derde kopje, waarna de overgebleven vloeistof wordt weggegooid. Het menu is in het Vietnamees en het Engels. Er staan geen prijzen bij, maar dat schijnt de gewoonte in dit land. Niet alles is momenteel verkrijgbaar, en we besluiten tot de gebakken pompoen en een vleesschotel, plus rijst. Het geheel kost precies een dollar, en wordt geserveerd met een schoteltje smaakvolle specerijen, wat bij navraag instant kippensoep blijkt te zijn.
Veel kinderen staan weer langs, of liever gezegd boven de weg, gillen enthousiast Hello en worden nog enthousiaster als die malle toeristen nog terugroepen ook. Een jongen op een os sukkelt ons voorbij. In de velden wordt weer druk gewerkt. We mogen nu ook in een huisje van de Flower H'mong kijken. Die zijn een stuk kleiner dan die van de Red Dzao. Een flinke meute kinderen staat ons al op te wachten. Zij willen wel iets van ons. Sommigen van onze groep vinden het een goed idee om Post-It blaadjes en krijtjes uit te delen.
De vrouw des huizes is buiten druk bezig bonen uit stapels takken te slaan. Binnen doen haar ouders hetzelfde. Verderop zijn twee meisjes met grote rieten schalen het kaf van de rijst aan het scheiden. Veel huizen hier zijn grotendeels opgetrokken uit leem, met soms wat hout. Binnen is het erg stoffig. Dit huis heeft dakpannen. Dat vergt veel onderhuid, maar is wel koeler dan de huizen met golfplaten daken even verderop.
Op weg terug naar het hotel maken we een praatje met Thuon. Hij is afkomstig van het platteland, even ten zuiden van Hanoi, en heeft zelf vroeger ook in de rijstvelden gewerkt. In de bergen is genoeg grond, maar de betere grond, de vlakke dus, is erg in trek. Lokale overheden herverdelen die grond dan ook eens in de paar jaar, op basis van het aantal gezinsleden. Vroeger deden ze dat elke 2 jaar, nu nog maar eens in de 20 jaar. Gemiddeld is er zo'n 225 vierkante meter per persoon, maar dat verschilt natuurlijk per dorp.
Thuon heeft Engels gestudeerd in Hanoi. Nu doet hij er in de avonduren bedrijfseconomie bij. Toen hij 18 werd kreeg hij van zijn vader 2 miljoen dong, en hij mocht zelf weten wat hij daarmee ging doen, een auto kopen, studeren, wat dan ook. Hij ging studeren. Zijn oudere broer zat in het leger. Van elke familie hoeft maar een zoon tegelijkertijd in dienst. Toen de tijd van zijn broer er op zat, is hij toch nog langer gebleven, zodat Thuon niet in dienst hoefde. Inmiddels is Thuon's broer beroepsmilitair. Zijn zus studeert nu ook in Hanoi, woont bij hem in en wordt door hem onderhouden.
Corruptie is een groot probleem in Vietnam. Werknemers van de overheid hebben een laag salaris, maar een hoog inkomen. De politie heeft een absurd laag salaris, maar verdient flink bij door te pas en te onpas boetes uit te delen. En als je voor zo'n boete geen bon hoeft krijg je 50% korting, en steekt de agent het geld in eigen zak. Iedereen in Vietnam heeft een hekel aan de politie, maar iedereen hoopt dat zijn zoon agent wordt. Daarvoor moet wel eerst een toelatingsexamen gedaan worden. Maar dat is ook te koop.
Bij binnenkomst van het land kregen we bij de douane al lichtelijk de indruk dat corruptie hier vrij gangbaar is. Op grote borden stond daar in het Vietnamees en het Engels onder meer het verzoek om bij de paspoortcontrole geen bankbiljetten in het paspoort achter te laten.
Terug in het hotel genieten wij een korte doch welverdiende rust. Dan is het tijd voor het diner. We zoeken het restaurantje van vanmiddag maar weer op. Dit keer bestellen we drie gerechten en iets minder rijst. Het is erg lekker en de totale kosten bedragen f 2.65. Het is hier best wel goedkoop. Na het eten krijgen we van meneer na het gebruikelijke ritueel weer een kopje thee aangeboden. Met behulp van onze taalgids Vietnamees knopen we een praatje aan. Hij is 54. zo leren wij, en getrouwd met mevrouw daar. Wij zijn ook getrouwd, al twee jaar, zo beweren wij. Hij heeft vier kinderen, drie zijn in Hanoi en de vierde is de jonge mevrouw daar. En het kleine meisje daar is zijn kleindochter die uit logeren is. Wij krijgen veel thee, een snoepje en een kleine vrucht die we niet geheel thuis kunnen brengen maar wel lekker is.
Wij nemen vriendelijk dankend afscheid, lopen terug naar het hotel en laten het muskietennet neer. Met de grote ventilator aan slapen wij vrij goed.
Tijd voor de thuisreis. Weer staan we vroeg op, maar inmiddels zitten we al redelijk in dat ritme. Probleemloos staan we om half zes op. Niet ver buiten Bac Ha moeten we, net als op de heenweg, bij een grote brug over de rivier uitstappen en te voet verder. Als de bus er met passagiers overheen gaat, houdt de brug het misschien niet, wordt ons uitgelegd. Geeft ons mooi de gelegenheid om weer iets bij de dames langs de kant van de weg te kopen. Er blijken hier 30 bananen in een gulden te gaan. Inmiddels hebben we in een van de andere toergroepen een Nederlands echtpaar van middelbare leeftijd gespot. Dankbaar maken we een praatje.
We dalen verder af en het wordt warmer. De airconditioning werkt nog steeds niet. Bij onze ontbijtstop laten we het door de organisatie geregelde restaurant maar meteen links liggen. In plaats daarvan gaan we op onderzoek uit in het dorpje. Op een televisie die ergens aanstaat vangen we flarden op van de EK-finale. We maken een praatje met omstanders. Een wat oudere meneer spreekt Frans en weet te melden dat hij nog op Nieuw-Caledonië heeft gewoond. We kopen een ijsje en schuiven even verderop aan bij een etablissement waar ze pho, noedelsoep dus, verkopen. Iets aan de late kant komen we terug bij de bus.
We maken iets meer tussenstops dan op de heenweg, deels bij bekende adressen. Iedere keer gaan we nu maar op eigen houtje in de omgeving rondkijken. Bij de lunchstop gaan we op zoek naar brood, en dat is nog moeilijk te vinden. Maar het lukt en bij de vriendelijke aanbieder gaan we op zijn provisorische terrasje in de schaduw zitten. Hij biedt ook een ananas aan. Lijkt ons wel wat.Vietnamezen hebben een slimme manier om een ananas te eten. Met een flink mes wordt eerst de buitenkant er af gesneden. Dan worden diagonaal inkepingen gemaakt om de pitjes te verwijderen. Wat je dan overhoudt is een naakte ananas met een spiraalvormige inkeping. Die wordt in vieren gesneden, de binnenkant verwijderd en geconsumeerd. Overheerlijk. Een meisje van een belendend kraampje komt met een dienblad met vier kleine ananassen en zegt in keurig Engels dat mevrouw daar ons uitnodigt om van haar vier ananassen voor 4000 dong te kopen. Dat wordt wat teveel van het goede.
De laatste stop vindt weer plaats bij het restaurantje waar we op de heenweg ontbeten. We maken een praatje met de Nederlanders. Zij reizen van Ho Chi Minh City naar Hanoi, en dan weer terug. Ze bevelen ons van harte een tocht door de Mekong Delta aan.
Tegen zessen rijden we Hanoi binnen, en om half zeven staan we weer voor het Queen cafe. Wij danken chauffeur en gids hartelijk, geven een bescheiden fooi en lopen terug naar ons hotel, waar we weer met open armen worden ontvangen. We mogen onze eigen kamer weer terug, de 406, waar onze rugzakken alvast zijn heengebracht. Op onze kamer halen we alle reisgidsen er weer eens bij en bezinnen we ons op het programma voor de komende dagen. We willen eigenlijk naar Halong Bay, waar ieder cafe wel een tweedaagse trip naar toe heeft, maar we hebben weinig zin om daarna voor de derde keer weer terug te komen in Hanoi. Op eigen houtje naar Halong Bay blijkt ook wat omslachtig. Uiteindelijk komen we tot de conclusie dat het waarschijnlijk het handigst is om een halve toer te boeken, dus ons wel in groepsverband naar Halong Bay en het bijbehorende Cat Ba eiland te laten brengen, maar vanaf daar op eigen houtje verder te reizen.
We lopen terug naar het Queen Cafe. Op de door ons bedachte constructie wil de man achter de balie aanvankelijk niet meer dan 1 dollar korting geven ten opzichte van de reguliere toer, uiteindelijk worden dat er 2, maar daar blijft het toch bij. Maar ja, 15 dollar per persoon inclusief bus, boot, eten en hotel blijft spotgoedkoop. Bovendien krijgen we elk weer een half uur gratis internet die we na afloop van ons diner, ook in het Queen Cafe, verzilveren.
Onze laatste dag in Hanoi, dus ook onze laatste kans om de bezienswaardigheden hier af te hollen. Gelukkig zijn dat er niet overdreven veel. Als we beneden komen, horen we tot onze verbazing dat er Nederlands gesproken wordt. Het blijkt een echtpaar uit Rotterdam, met een jongetje van een jaar of acht. Ze zijn net aangekomen, dus we vertellen over onze ervaringen, onder anderen dat de tours aangeboden door dit hotel veel te duur zijn. Ons mannetje achter de balie lijkt niet echt gelukkig met dit druk overleg waar hij niets van kan verstaan.
Bij de tabletten worden we aangesproken door een student in amper tot niet begrijpelijk Engels. Wij zijn erg geïnteresseerd in geschiedenis, zo merkt hij op. Hij bezoekt de tempel met zijn vader. We mogen ook wel bij hem thuis langskomen. Helaas moeten we morgenochtend vroeg Hanoi al weer verlaten, laten wij spijtig weten. De communicatie verloopt ook wel heel erg moeizaam. De jongen is erg verguld als hij van ons allebei een visitekaartje krijgt.
De tempel is een beetje merkwaardige mengeling van tempel en universiteit. Alles is opgezet en gebouwd volgens de principes van een reguliere Chinese tempel. In de eerste tuin is de vijver van Hemelse Helderheid, waar opvallend smerig roestbruin water in ligt. Daarachter de schildpadden, gevolgd door een gebouwtje waar nu een traditioneel Vietnamees strijkje zit te spelen. Daarachter is een grotere tempel met een enorm beeld van Confucius, geflankeerd door vier discipelen, net zoals in elke Boeddhistische tempel een enorm beeld van Buddha staat, geflankeerd door een aantal volgelingen. Zeer fraai. Een vriendelijke meneer bij de ingang wil voor de administratie graag weten waar wij vandaan komen.
Als wij het tempelcomplex verlaten, worden we meteen al weer belaagd door de traditionele Vietnamese straatventers. Een meisje hadden we ook al gezien voordat we de tempel binnen gingen, en ze beweert dan ook prompt dat we beloofd hadden later, nu dus, iets van haar te kopen. Nee nee, antwoordt Marco naar waarheid, ik had beloofd dat we nooit iets van je zouden kopen.
Het blijft lastig om met de straatverkopers en soortgelijk volk om te gaan, maar zo langzamerhand beginnen wij er vrij ervaren in te raken. De meest effectieve en cultureel correcte methode blijft toch een vriendelijk doch beslist No Thank You, gevolgd door een volkomen negeren van persoon in kwestie. Als er ook maar het geringste spoortje van aandacht wordt bespeurd, loop je de kans dat je ze voorlopig niet kwijt bent. Al valt het gros van de verkopers in Hanoi wat dat betreft nog wel mee. Voor de echte aanhouders, meestal fietstaxi's, moeten we zwaardere middelen in de strijd gooien. Vooral Marco is een groot liefhebber van het Beroep op Ontoerekeningsvatbaarheid. Als je gewoon volstrekt absurde en in het geheel niet ter zake doende antwoorden geeft, druipen ze al snel af. Erg leuk is bijvoorbeeld als ze vragen waar je heen wil, de plaats te noemen waar je op dat moment bent.
En die buitenlanders, die zijn er niet alleen om vragen aan te stellen, die zijn er ook om aan te raken. Al die haren op het been van Marco, dat vinden de jongens wel boeiend. Er wordt dan ook flink in benen en armen geknepen en vergeleken met de Vietnamese exemplaren. Erg wit, vooral de binnenkant van zijn armen, zeker vergeleken met die van een Vietnamees. De nieuwsgierigheid van de jongen is nog niet gestild. Hij wil wel eens zien hoe bleek die buitenlanders echt zijn, en begint Marco's T-shirt omhoog te trekken. Als hij geen weerstand biedt, wordt het genadeloos uit zijn broek getrokken. Boeiend, zo'n witte buik. Hierdoor aangemoedigd knijpt een vrouw, tot hilariteit der omstanders, nog even in Marco's borst.
Het lijkt steeds warmer te worden in Hanoi. We puffen verder en vinden zowaar een kleine geairconditionede supermarkt, waar we dankbaar wat fris, water en twee bakjes yoghurt kopen. Buiten slaat de warmte ons tegemoet. Op de hoek van de straat is een van de weinige wolkenkrabbers, of op zijn minst hogere flats van Hanoi, een complex met een hotel en wat westerse berijven, dat met enig gevoel voor humor Hanoi Towers is gedoopt. Om de hoek staat het Maison Centrale, een nog door de Fransen gebouwde gevangenis waar alleen nog de gevel en een klein museum van over is. Hier werden tijdens de Vietnam-oorlog (die met de VS} de Amerikaanse krijgsgevangenen gevangen gehouden. Bij de Amerikaanse strijdkrachten stond het complex bekend als het Hanoi Hilton.
We puffen terug naar het hotel voor de broodnodige middagrust en slapen een uurtje totdat er weer schaduw is in de straten van Hanoi. Eerste onderdeel van het (na)middagprogramma is het zien te verkrijgen van verse Dong. In een juwelierszaak op de hoek zit het kantoortje van de VietcomBank maar, anders dan wat de tarieven ons deden vermoeden, kun je daar geen traveller's cheques verzilveren. En het is net vier uur geweest, dus de echte bank is al dicht. We zullen hier dus toch maar onze schaarse contante dollars moeten verzilveren. We wisselen 100 dollar. Gelukkig is er volgens ons boekje bij het meer een bank waar je dollars kunt pinnen.
Het is prachtig aan het meer, maar warm. Op twee schiereilandjes staat een tempel. Wij worden uitgenodigd te gaan zitten naast een paar Vietnamezen die voor een treurwilg zitten. Ze spreken geen Engels, maar we hebben ons boekje bij ons. De gebruikelijke vragen worden gesteld. Ze zijn getrouwd, ouder dan wij, maar hebben geen kinderen. Geen goed teken in Vietnam. We krijgen een boekje in handen dat er uitziet als een rapport van de lagere school. Laten wij eens raden. Ze gaan naar de universiteit? Fout. Inmiddels is er een keurig geklede jongeman met aktentasje bij ons komen staan, die keurig Engels probeert te spreken, al is de uitspraak nog wat moeizaam. Hij studeert wel, bedrijfseconomie, en wil graag zijn Engels met ons oefenen. Dat mag. Wij vragen hem opheldering over het rapport. Dat is van het ziekenhuis. Aha, vermoeden wij, ze willen graag kinderen maar dat lukt niet en zijn nu bij het ziekenhuis voor onderzoek? Dat blijkt inderdaad het geval.
De jongen praat verder met ons en wat later komt zijn vriend er ook bij. Ze proberen hier vaak met toeristen te praten, zo leggen ze uit. De eerste jongen haalt een Engelstalige Vietnamese krant tevoorschijn waar hij een aantal woorden onderstreept heeft en vraagt ons om uitleg. En weer maken we twee mensen gelukkig met ons visitekaartje.
Inmiddels is er ook een klein jongetje, straatverkoper, bij ons komen zitten. Hij ziet ons taalboekje. Hebben we dat hier gekocht? Ja. Voor hoeveel? Twee dollar. Oh. Hij verkoopt ze voor één dollar. Sterke opening. Wij zijn meteen zowaar bereid om naar zijn ansichtkaarten te kijken. Er moet nog wel flink wat van de prijs af, maar als hij merkt dat wij echt niet meer omhoog gaan, stemt hij mokkend in.
We voltooien ons rondje om het meer en lopen weer het Oude Kwartier. Nog net tijd voor onze Walking Tour aldaar. Het Oude Kwartier van Hanoi is zo'n 1000 jaar oud. Destijds bestond het uit 36 straten, die verdeeld werden onder net zo veel gilden. Elk gilde gebruikte dan ook zijn eigen straat om z'n eigen waar aan de man te brengen. En nog steeds wordt in veel straten winkel aan winkel hetzelfde verkocht. Zo beginnen we in de schoenenstraat. Verderop is onder anderen nog de grafstenenstraat, waar desgewenst ook de naam van uw hotel op een grafsteen gebeiteld kan worden, en de namaakstraat, waar vals geld in grote coupures aan de man gebracht worden. Dat vals geld wordt gebruikt om te verbranden als offer voor de goden. Dat is een stuk goedkoper dan echt geld en naar verluidt net zo effectief.
We kopen twee ananassen, onbereid, die Christa probeert klaar te maken met een zakmes. Lukt niet erg. De man van het kraampje verderop is gaarne bereid dat met zijn slagersmes een stuk handiger te doen. Dankbaar kopen we van hem een flesje Fanta. Ook eten wij een stuk Drakenfruit, dat van de buitenkant inderdaad de schubben heeft van een draak en groenpaars is en van binnen wit is met zwarte pitjes, smaakt als kiwi en zich laat eten als een kruising tussen sinaasappel en meloen. Ons afval deponeren we in de bak van een mevrouw die de straat aanveegt.
Wegens invallende duisternis beëindigen we onze wandeltocht, lopen iets te ver door en gaan dan terug naar het Queen Cafe waar we ons laatste half uur gratis internet verzilveren. Wegens overdoses de afgelopen dagen hebben wij geen zin in warm eten, maar even verderop zit een bakker die zoete broodjes bakt.
In de zijdestraat proberen we zijde kopen, maar helaas is er niets naar Christa's smaak. Wel raken we verzeilt in een winkeltje waar ze nog meer CDs hebben en waar zo ongeveer elke denkbare CD ROM ook leverbaar is. Wij slaan weer in maar moeten het kort houden want de volgende attractie wacht. De uitbater belooft de laatste CD ROM na afloop gereed te hebben.
We worden binnengelaten in een klein theatertje. Bij binnenkomst krijgt iedereen een waaier. Eerst wachten tot de bezoekers van acht uur de zaal hebben verlaten, dan mogen wij naar binnen. We hebben een plaatsje op de hoek, handig voor foto's. Op het podium een enorme poel water met daarachter rieten schermen en bovenin het dak van de tempel. Links, nog op het droge, zit een groep muzikanten die een en ander van muziek, geluids- en stemeffecten gaat voorzien. Eerst spelen zij een paar stukjes traditionele Vietnamese muziek, waar we op dit moment eerlijk gezegd niet zo op zitten te wachten. Maar dan duikt plotseling de eerste pop op, fraai uitgevoerd met wit gezicht waar zwart haar op geschilderd is en overtuigende gezichtsuitdrukking. En het komende kleine uur kijken wij verbaasd naar mannen die ontspannen baantjes trekken, borstcrawl afgewisseld met rugslag, een visser die in hevig gevecht is gewikkeld met een grote vis, waterspuwende draken, een bootrace tussen drie boten met allemaal ijverig roeiende mannen aan boord, een keizer die met complete hofhouding voorbij dobbert, een jongen op een os en acht engeltjes die vriendelijk twee aan twee om elkaar heen dansen. Na afloop komen de poppenspelers tevoorschijn, een man of elf die tot hun middel in het water blijken te staan.
Na afloop nog even langs bij onze CD-dealer die speciaal voor ons is open gebleven en waar we ons graag nog een paar CDs laten aansmeren. Uiteindelijk zijn we pas laat weer terug in ons hotel.
Om half zes laten we ons wekken, want we moeten onze bagage ook nog inpakken. Uiteindelijk blijken we ruimschoots op tijd. Achter de balie zit nog de nachtkracht, die druk aan het studeren is. Wij zien zijn grafiekjes en constateren onmiddellijk: economie. Verbaasd kijkt hij op. Hoe weten wij dat? Omdat wij dat zelf doceren. Aha, is zijn enthousiaste reactie. En weer maken wij iemand gelukkig met een visitekaartje.
De rekening. Welke prijs hadden wij afgesproken? Veertien dollar En hoe lang waren we hier geweest? Vier nachten. Keurig wordt de rekening opgemaakt. Vier maal veertien plus 10% maakt 61,6 dollar. Hoezo belasting? Wij hadden een totaalprijs van 14 afgesproken, zonder dat daarbij sprake was van belasting. De nachtkracht overlegt met het immer in de lobby aanwezige mannetje. De belasting wordt geschrapt, als wij even dat er zelf op de rekening bij willen zetten. Prima. Verder willen wij graag betalen in Dong. Dat kan, Keurig wordt het omgerekend tegen een koers van 14200 per dollar. Pardon? Die koers was toch 14000? Vindt de nachtkracht ook geen probleem, en uiteindelijk betalen we toch het door ons beoogde bedrag in Dong.
Even na half zeven zijn we al bij het Queen Cafe. Een paar straten verderop staat een grote en airconditioned bus voor ons klaar. Onze rugzakken gaan in het laadruim. Een slordige twintig minuten na de officiële vertrektijd van zeven uur zetten wij koers richting Halong City, volgens de Lonely Planet een plaats die je, behalve om de Halong Bay te bevaren, maar beter kunt mijden. We hebben een gids die snel en onstuimig Engels praat, maar nogal moeilijk te volgen is. Al vinden wij het wel een aardige woordspeling, de manier waarop hij de plaats van bestemming verbastert tot Halong Shitty.
Ergens halverwege hebben we een tussenstop in een restaurant annex souvenirwinkel waar onder meer kleding, schilderijen en enorme borduurwerken worden verkocht. Er blijken hier enkele tientallen jongeren te werken, die allemaal druk aan het naaien of borduren zijn. Dit zijn gehandicapten, leggen een verkoper en verkoopster uit. De meesten zijn doof, sommigen hebben een andere handicap. Een groot deel van de opbrengsten van dit centrum komt ten goede van gehandicapten. De meesten zijn een schilderijformaat borduurwerk aan het maken, vaak met een ansichtkaart als voorbeeld. Daar doen ze ruim een maand over. We lopen een paar keer tussen de arbeiders heen en weer, en krijgen veel aandacht. Met behulp van een verkoopster maken we een praatje met een doof meisje van 24. We kopen twee zijden bloesjes. Als we deze met creditcard afrekenen vraagt de verkoper of dat betekent dat ons vermogen groter is dan $20,000. Dat is volgens hem de grens die banken in Viëtnam hanteren.
Vietnamezen houden er een curieuze bouwstijl op na. Ook hier zijn langs de kant van de weg weer aardig wat duur uitziende erg nieuwe huizen in vrolijke kleuren, vaak nog niet eens af, die erg hoog en lang zijn, maar merkwaardig genoeg erg smal. De zijkanten zijn gewoon grijs cement, zonder deuren of ramen. Alsof het eigenlijk de bedoeling was dat hier een hele rij van dergelijke huizen tegen elkaar aan gebouwd zouden worden, maar dat het uiteindelijk toch bij een enkeling is gebleven. Of alsof de bewoners oorspronkelijk in een grachtenpand in een Vietnamese versie van Amsterdam woonden, maar plotseling zo zat van de drukte waren dat ze hun huis hebben opgepakt en ergens midden op het platteland weer hebben neergeploft.
Om een uur vertrekt onze boot, een houten, middelgroot exemplaar, waar we met een man of vijftig in kunnen.Met z'n dertigen zit dat ruim. Binnen zijn aan weerszijden vrij comfortabele banken met leerachtige bekleding. Voor op het schip een fraai kitsch afgebladderd boegbeeld. Wij varen de baai in. Halong Bay is beschermd door Unesco als een van de belangrijke natuurlijke fenomenen in de wereld. De hele baai is bezaaid met rotspartijen die her en der, te pas en te onpas uit het water opduiken. Erg spectaculair. Sommige rotsen zijn bijna verticaal. De meesten zijn begroeid met donkergroene bossen. De onderkant van de rotsen is weggeslepen door het water, zodat ze daar onder een hoek van vrijwel 45 graden het water induiken en de rotsen bijna lijken te drijven. Na een paar uur varen we midden tussen de rotsen door, die vanaf hier op het water lijken geplakt als in een kijkdoos.
In de baai wemelt het van de vissersbootjes waar complete families in wonen. Af en toe entert er een onze boot om vers zeevoedsel dat klaarligt in plastic bakjes nog levend te verkopen. Ze hebben weinig afzet.
Ergens halverwege de tocht leggen we aan bij een van de grotere eilanden. Hier is een van de grootste grotten die dit gebied rijk is, en die mogen wij zien. Voordat het zo ver is moeten we eerst flink wat treden beklimmen. Dan blijkt pas hoe idioot heet het hier op dit moment is. Bij de minste inspanning uit de zon, in de wind, beginnen we al enorm te zweten. In de grot is het koeler, maar we hebben nog wel meer dan het volledige bezoek nodig om bij te komen. De grot zelf is aardig, met een grote zaal met veel stalagmieten, stalactieten en andere rotsformaties. Boven in de grot zijn boogjes gevormd.Dat komt door de golfslag van het water dat hier vroeger nog stond, vertelt de gids.
Dodelijk vermoeid zakken we weer terug in de boot. Een flesje fanta gekocht van een paar kindertjes op een boot brengt ons energieniveau weer lichtelijk op peil. Een handdoek en flessen water brengen ons verder bij kennis. De boottocht gaat verder. Enthousiastelingen krijgen twintig minuten de gelegenheid om te zwemmen. Later horen we dat dat ook weer niet zo'n goed idee was, vanwege de enorme kwallen die hier ronddrijven.
Wij krijgen een kamer op de vierde verdieping, waar het zweet ons opnieuw uitbreekt. Allereerst omdat hier geen lift is, alleen een smalle, steile trap. De vierde verdieping blijkt min of meer te bestaan uit een groot overdekt balkon, met kamers in de vier hoeken. In onze kamer hangen twee flinke ventilatoren, maar het is zo warm dat die alleen maar warme lucht circuleren. Met het kamerbrede raam wijd open hopen we op nog een beetje koelte.
We hadden natuurlijk een kamer met airconditioning kunnen bestellen, maar voor 5 dollar per persoon, terwijl de kamer zelf sowieso waarschijnlijk maar een dollar of acht kost, vonden we dat een beetje erg prijzig. Was misschien toch niet onverstandig geweest. En op deze kamer hangt nota bene wel een airconditioning. Het licht in de badkamer doet het niet en er zijn geen lakens, maar de receptie belooft dat dat allemaal goed komt.
Ons diner vindt plaats in het hotel waar we ons het eerst gemeld hadden, beneden in de lobby op gezellige witte tuinmeubels. Maar het eten is niet onaardig. Weer veel vis, en voor het eerst in ons leven patatten met stokjes eten.
Na het eten lopen we nog even over de boulevard langs het water, waar het eigenlijk veel aangenamer is dan we verwacht hadden. We worden niet eens belaagd door straatverkopers. Aan het water staan rijen tafeltjes, keurig afgebakend met krijtstrepen, aan het begin waarvan steeds een ondernemende Vietnamees consumpties verkoopt. Het is nog steeds warm. Bij de pier kopen we twee enkeltjes voor de boot naar Haiphong morgenmiddag om één uur.
Terug in het hotel blijkt tot onze vreugde niet alleen het licht in de douche het te doen, maar ook de airconditioning. Behaaglijk nestelen we ons in de luchtstroom en drinken een kopje thee. We vragen ons af waarom we het hier zo verschrikkelijk warm hebben en in China veel minder, terwijl het daar toch ongeveer net zo warm was. Waarschijnlijk komt dat omdat in de steden in China elke winkel een enorme airconditioning heeft draaien, die zo hard staat te stampen dat als je langs de winkel loopt, er al een stroom koude lucht naar buiten komt.
Na een uurtje is het uit met de pret, slaat de airco weer uit en warmt de kamer weer op. We zetten raam en deur tegen elkaar open en gaan uiteindelijk slapen met het raam open en de gordijnen dicht. Dat gaat een stuk beter dan we hadden verwacht, want vanaf een uur of elf is het buiten doodstil.
Vanochtend mogen we uitslapen. Al is het voor al die gidsen en hotelmedewerkers wel verwarrend, die buitenlanders die hier op een groepsreis zijn en toch niet met de groep meegaan. Om zeven uur wil men dan ook al onze kamer schoonmaken. Met moeite maken we duidelijk dat wij dat helemaal niet willen, en dat we pas om tien uur hoeven uit te checken.
Met de late groep gebruiken we om half acht het ontbijt. Zij moeten vandaag nog een kilometer of 6 tot 18 (naar keuze) wandelen, wij mogen in de schaduw zitten. In een restaurantje aan het water genieten we van het uitzicht, het versgeperste fruitsap en de ventilator die achter ons staat. Na een uurtje maken we een zweterig wandelingetje naar een naburig internet-cafe, dat echter 1 gulden per 3 minuten blijkt te kosten. Vinden wij wat prijzig. Waarschijnlijk is het zo duur omdat er eerst naar het vasteland gebeld moet worden. Terug dus maar weer naar ons restaurantje, waar we een fruitpannenkoekje als lunch gebruiken.
Om een uur of twaalf halen we onze bagage uit het hotel en puffen we naar de pier. Daar is onze boot naar Haiphong, met een groot ruim waar tussen de 100 en 200 vliegtuigstoelen in rijen van tien voor ons klaarstaan. We maken nog een tussenstop op Cat Hai eiland, maar alle mensen die daar bij de pier staan te wachten, blijken niet mee te hoeven, maar vooral dingen te willen verkopen.
Sowieso is het onze ervaring dat je beter niet in zee kunt gaan met taxichauffeurs die bij haven, station of luchthaven met hun neus vooraan staan. Hoe harder en hardnekkiger ze hun best doen om je te werven, des te zekerder kun je er van zijn dat je afgezet zult worden. En vaak nog op de verkeerde plaats afgezet ook. We lopen dus eerst een eindje. We informeren bij een ons sympathiek voorkomende taxichauffeur, even verderop. Hij haalt de officiële prijslijst tevoorschijn en wijst dat een taxirit naar Ninh Binh 600.000 Dong kost. Aha. at was niet helemaal wat we in gedachten hadden. Eerst lopen we maar eens verder.
Een fietstaxi blijft ons wel heel hardnekkig volgen en doorzeuren. Zelfs onze gebruikelijke methodes blijken niet te helpen. Dan is er nog maar één ultiem redmiddel over: Totale Vernedering. Marco begint de jongen bestraffend toe te spreken, voortdurend in de rede te vallen, zegt dat zijn Engels niet zo goed is en maakt zijn Engelse uitspraak belachelijk. De omstanders vinden het wel komisch. De jongen is even rustig.
Onze taxichauffeur is er ook weer, en heeft inmiddels begrepen dat wij naar het busstation willen. Hij heeft een meter, dus dankbaar stappen wij in. Er wordt nog druk gepraat met de berijder van de fietstaxi. Bevalt ons niks. Maar dan rijden we weg. We weten de chauffeur duidelijk te maken dat we met de bus naar Ninh Binh willen en het blijkt inderdaad dat dat het andere busstation is dan men ons probeerde wijs te maken. Het ritje kost dan ook minder dan de helft van wat de fietstaxi ons probeerde te ontfutselen.
Bij het busstation zitten drie dames in een glazen kantoortje. Ook begint een man in uniform zich in het Engels er tegenaan te bemoeien. Onmiddellijk wantrouwen wij hem stevig, maar dat blijkt al snel ten onrechte. De taxichauffeur heeft inmiddels een royale fooi gekregen en bemiddelt bij het kopen van een buskaartje. Vandaag zijn er geen bussen meer naar Ninh Binh. Wel naar Hanoi, en vanaf daar zouden we kunnen overstappen. Maar ook daar hebben we weinig trek in. Morgenochtend om half zes, zes uur en half zeven zijn er weer bussen. We blijven hier nog een nachtje.
Met dezelfde taxi laten we ons naar de hotelstraat te rijden. De toegang tot het door ons uitgezochte hotel wordt versperd door een groot hek. Opgeheven, zo meldt een fietstaxirijder. Ten onrechte blijkt later. Hij wil ons wel naar een goed en goedkoop hotel aan de overkant brengen. We hebben weinig zin om meer voor een hotel te betalen omdat hij provisie moet krijgen, en schudden hem af. Op goed geluk lopen we een goedkoop uitziend hotel binnen en vragen of er nog een tweepersoons kamer is. Wij willen iets goedkoops? informeert mevrouw achter de balie. Inderdaad. Aha, dan wijst ze maar meteen op de prijzen voor Vietnamezen in plaats van de veel hogere prijzen in dollars. En in Vietnamees geld betalen we maar een kleine 11 dollar.
De gallerij op de eerste verdieping, waar we langs lopen op weg naar onze kamer, blijkt uit te kijken op een hardcourt tennisbaan. De kamer is eenvoudig, de vloerbedekking wat verschoten, maar het is wel schoon. En er is airco. Wij accepteren de kamer.
Het is nog licht, dus we hebben nog net even tijd om de stad te bekijken. Er komen hier duidelijk veel minder toeristen. Even voorbij ons hotel is op straat een hanengevecht gaande, maar het gaat er mild aan toe. Verderop is zowaar een internetcafé, maar het contact maken duurt ons te lang en we lopen verder. Er stroomt een rivier door Haiphong, waarlangs prachtige uitzichten zijn. Daar is ook weer te zien hoeveel armoede hier is. Al lijken al die krakkemikkige tentjes hier te horen bij de stenen huizen die er achter staan.
Het aantal hello-roepertjes stijgt weer sterk. Hoe armer de wijk, zo lijkt, hoe verbaasder, enthousiaster en gastvrijer de mensen zijn. Een bewoner spreekt ons aan. Wat vinden wij van Vietnam? Prachtig, antwoorden wij. Erg arm, vindt hij een betere omschrijving. Hij was tien jaar geleden naar Hongkong gegaan, maar is in 1997 met vrouw en twee kindjes weer teruggestuurd. Hoe en waarom wordt ons niet helemaal duidelijk. En nu, zonder werk, terug in Vietnam, is het erg arm. Het huilen staat hem nader dan het lachen.
Even verderop is met behulp van boten en planken een provisorische brug geknutseld. Voor 500 dong mag je naar de overkant. Nieuwsgierig naar wat daar is, wagen we de overtocht. We komen in een wijk waar de ontvangst al helemaal is alsof we zojuist de Tour de France hebben gewonnen. Wij groeten en zwaaien vriendelijk. Elke ruwweg 50 meter is er een waterput op het trottoir waar ijverig emmers water omhoog getakeld worden. Vijf jongetjes gieten zichzelf en elkaar enthousiast kleddernat.
We komen bij een flinke snelweg die over de rivier gaat. Maar daaronder is nog een boel leven. Het lijkt hier wel een camping in Zuid-Frankrijk. Een flink stuk asfalt wordt amper gebruikt voor verkeer, maar vooral door jongeren die staan te badmintonnen. Bij een karretje op de hoek kopen we een ananas, die we op een terrasje aan het water opeten met instant kippensoeppoeder. Recht onder de brug zitten oude mannetjes te keuvelen.
We lopen over de brug en kopen twee ons jackfruit, een vrucht die hier in de bomen groeit, en er uitziet als een flinke donkergroene meloen, maar dan met bobbeltjes aan de buitenkant. De vrucht is lichtgeel en behoorlijk vlezig. Aan de andere kant van de brug zitten we weer in onze straat, het uitgaanscentrum van Haiphong. Even voorbij ons hotel is zelfs een verdraaid westers ingericht, sjiek café-restaurant, dat doet denken aan een Ierse pub. Binnen zitten een paar westerlingen met hun personeel te eten. Op het karaoke videoscherm draait Tom en Jerry, zonder geluid. Wij gaan in een hoekje zitten en bestellen bij de keurig geklede, flirtende ober twee schotels met rijst en vlees. Uitstekend. Omdat het hier zo knus en koel zit en we zelfs op verzoek een kaarsje krijgen, bestellen we ook nog twee ijsjes. Ook erg lekker.
We lopen terug naar ons hotel. Op de baan wordt inmiddels getennist. Op onze kamer blijkt TL-verlichting en airco het niet meer te doen. De klusjesmannen gestuurd door de receptie vervangen de TL-buis, maar dat helpt niet. Dan maar verhuizen naar de kamer ernaast. Ook daar blijkt een en ander het niet te doen. Meneer krijgt een heldere inval en zet in een klein kastje naast de deur de hoofdschakelaar om. Idee. Hij loopt terug naar onze oorspronkelijke kamer en doet hetzelfde. Licht. Met een brede glimlach verhuizen we onze bagage weer terug. De nachtkracht kan ons voorzien van lakens en meldt dat het vandaag 35 graden was en dat het waar wij heengaan nog warmer is.
Om kwart voor vijf op. Je went eraan. Inpakken, naar beneden, betalen. Van al die taxi's die gisteren nog voor al die dure hotels in deze straat stonden, is nu niets meer te bekennen. Zelfs voor hen is het nog te vroeg. De nachtkracht belt een taxi voor ons. Om kwart voor zes staan we weer op het busstation.
Deze bus ziet er iets degelijker uit dan de lokale bussen die we elders wel hebben zien rijden. Er is niet eens levende have aan boord.
Een Vietnamese bus is nooit vol. Regelmatig worden er nog nieuwe mensen opgepikt die op een of andere manier ook weer een plaatsje vinden. In dergelijke bussen geldt het Recht van de Sterkste Elleboog. Een man heeft bedacht dat hij languit wil liggen over de meelzakken vlak voor de achterste rij stoelen. Hij wurmt zich er tussen en gebaart Christa dat ze haar voet ergens anders neer moet zetten. Ze weigert. Dan maar er bovenop. Hij gaat slapen. Een uurtje later is er iemand anders ingestapt, die dat ook wel iets lijkt, achterin liggen. Hij wurmt zich naar achteren en wurmt zich tussen beide banken, half achter en half bovenop de man die er al lag. Na een paar minuten houdt die het voor gezien, en gaat ergens anders zitten, zodat de nieuwkomer de ruimte heeft.
Ook deze bus gaat door Hanoi, maar daar hoeft er niemand uit. Dit is niet de kortste weg naar Ninh Binh, maar waarschijnlijk wel de snelste. Na ruim vier uur rijden komen we aan, even na tien uur. Ninh Binh is niets meer dan een uit de kluiten gewassen dorp, een paar straten waar de bebouwing net iets dichter is dan elders langs de snelweg. We zijn dan ook niet van plan hier lang te blijven, en lopen onmiddellijk naar het station om de eerstvolgende trein te pakken. Een mannetje bij het station is daar niet van overtuigd. Waarom nemen we geen airconditioned toeristenbus? Dat is veel beter. Dat is het inderdaad als het je bedoeling is om zo snel mogelijk naar de volgende plaats te komen, maar niet als je, zoals wij, het leuk vindt in een lokaal treintje voort te kachelen waar je vrij heen en weer kunt lopen en ook nog echte Vietnamezen tegenkomt.
We blijken nog net op tijd om de boemel naar Vinh van een kwartier geleden te halen. De sneltreinen van vandaag zitten al vol. We kopen een kaartje. Het loketpersoneel blijkt hier bijzonder behulpzaam, een heel verschil met China. We worden persoonlijk naar het perron gebracht, moeten daar nog even wachten en worden dan persoonlijk op de trein gezet. Iedereen vindt ons erg boeiend.
Door de andere inzittenden van de coupé worden we met meer dan normale interesse gadegeslagen. Boeiend, die buitenlanders. In een coupé verderop heeft een groep jongens ons ook al in de smiezen. Ze wenken enthousiast. Wij wenken terug. Uiteindelijk komen ze onze kant op. We zitten in aparte hoekjes met vier zitplaatsen en houden allebei een groepje jongens bezig. De gebruikelijke vragen worden gesteld. Wij laten onze boekjes en ansichtkaarten zien. Iemand komt op de proppen met een houten fluit, ziet er uit als een blokfluit maar dient bespeelt te worden als dwarsfluit. Met de lippen strak, als bij een dwarsfluit. Er wordt een stukje op gespeeld. Dan mag Marco het proberen. Met pijn en moeite weet hij er uiteindelijk een Wilhelmus uit te persen. Applaus. Marco praat met de jongen wiens Engels het minst slecht is. Hij is op weg naar Vinh om daar toelatingsexamen te doen voor de universiteit.
Vietnamese treinen hebben voor het raam een enorm hekwerk. Kindertjes schijnen het namelijk leuk te vinden om stenen naar de rijdende trein te gooien. Dat ondervinden we aan den lijve als op een gegeven moment een klont aarde tegen het hek de trein binnenspat. Wij zitten in de voorlaatste reguliere wagon. Helemaal achteraan is nog een goederenwagon, waar wat mensen op en over hun grote bagage heen hangen. Voor de goederenwagon is een open gedeelte waar je buiten kunt staan, al vinden de vele conducteurs dat niet zo prettig. Vanwege de stenen.
Als Marco naar de goederenwagon loopt, zit er een groepje vrouwen te kaarten. Ze vinden Marco erg boeiend. Hij mag er bij komen zitten en foto's maken. Een conducteur ligt in een hangmat vlak voor de achterdeur van de trein, die open is. In de trein komt regelmatig catering langs. We kopen af en toe een flesje Fanta. Ook zijn er regelmatig vrouwtjes die hun eigen koopwaar hebben meegebracht. Wij kopen maar weer eens een ananas, die wordt geserveerd met kippensoeppoeder, opgediend op het blad van een bananenboom. De andere inzittenden beginnen ons steeds komischer te vinden.
In Vietnam gooi je geen lege waterflessen weg, zo hebben wij inmiddels geleerd. We maken een andere vrouw blij met onze fles.
De trein doet er acht uur over, een uur langer dan gepland. En dat over een afstand van 200 kilometer. Christa ontmoet een meisje dat goed Engels spreekt. Ze studeert Engels in Saigon, en is net in Hanoi op visite geweest bij haar opa en oma. In de buurt van Vinh zoekt ze, samen met haar moeder, andere familie op. Bijna had ze in Nederland gestudeerd, maar haar ouders waren daar helaas tegen. Later wil ze graag een vervolgstudie in het buitenland volgen, net als haar broer. Die heeft net een MBA gehaald op Insead in Parijs, en zal daar binnenkort waarschijnlijk promotieonderzoek beginnen. Eén studie is in Vietnam niet meer voldoende om een echt leuke baan te krijgen. Een jongen die wat slechter Engels spreekt en net zijn Master's in wiskunde heeft afgerond beaamt dit. Wat we van Vietnam vinden? Het is een mooi land met vriendelijke mensen. Nee, zegt ze. Het is voor alles een arm land. En armer dan noodzakelijk. Dat komt door fouten in het economisch beleid. Het is aan haar generatie om dat te veranderen. En ook al is het voor vrouwen nog steeds lastiger dan voor mannen om carrière te maken, zij is vastbesloten haar steentje bij te dragen aan de opbouw van haar land.
Het was inderdaad handiger geweest als we vanuit Hanoi waren gereisd, beaamt ze. Elk station krijgt een beperkt contingent kaartjes toegewezen, en dat is meestal te weinig. Als er dan nog meer mensen mee willen, moet eerst Hanoi gebeld worden om te vragen of er nog plaats is. Dat geldt vooral voor de sneltrein, de Herenigingsexpres, die rijdt van Hanoi naar Saigon en terug, en die de communisten zo snel mogelijk na hun overwinning in 1975 in werking hebben gesteld, als symbool van de herwonnen eenheid van hun land.
Inmiddels heeft een ander meisje ook genoeg moed verzameld om met ons te gaan praten. Haar Engels is vrij moeilijk te volgen, maar ze brengt het wel met buitengewoon veel enthousiasme. Ook zij vindt ons en onze ansichtkaarten very beautiful, laat ze weten. En ook zij is op weg naar Vinh om toelatingsexamen te doen voor de plaatselijke universiteit. Dat examen vindt de komende paar dagen plaats. Van haar wordt het ons nog niet geheel duidelijk hoe dat nu allemaal precies in z'n werk gaat. Maar het schijnt dat universiteiten kwalitatief verschillen, dat ze allemaal hun eigen toelatingsexamen hebben, maar dat slagen voor het toelatingsexamen van een, ook toelating geeft tot andere, kwalitatief mindere universiteiten.
We proberen meteen een kaartje te kopen naar de volgende bestemming. Morgen willen we een nachttrein naar Hue. Er blijken geen kaartjes, maar de behulpzame lokettiste meldt dat we een goede kans maken als we ons morgenmiddag om vijf uur weer melden.
Vanaf het station loopt een lange weg rechtstreeks naar het centrum. We lopen een eindje, in de hoop later een taxi tegen te komen. Dat blijkt niet het geval. Na een paar honderd meter komen we het eerste hotel tegen. Daar hebben ze geen kamers, wordt ons verteld. Dat zou kunnen betekenen dat ze geen vergunning hebben om buitenlanders toe te laten. Hoe dan ook, wij moeten verder. Voor de goede orde geeft de manager van het hotel ons nog zijn visitekaartje.
Een hotel even verderop, dat ook niet in het boekje staat, verleent wel onderdak. Er is geen mens die Engels spreekt, dus communiceren we volledig via ons boekje. Prijzen worden hier ook keurig in dollars aangegeven, en die liggen natuurlijk hoger dan prijzen voor Vietnamezen. Dankbaar nemen wij intrek in onze kamer. Allemaal erg elementair, maar compleet. Ook hier een muskietennet. Lijkt ons niet echt noodzakelijk, maar ze zullen zo'n ding toch niet voor niks ophangen.
Buiten is het inmiddels donker. We gaan op zoek naar een restaurant en hebben wel zin in één van het duurdere type, zo eentje waar je met je knieën onder de tafel kan. Verderop, op de hoek met een andere brede weg, staat een duur hotel dat het net niet heeft. Op de eerste verdieping is een restaurant, waarvan slechts een deel van het menu in het Engels is vertaald. Blijkbaar zijn niet alle gerechten voor onze ogen bestemd. En de gerechten die dat wel zijn, zijn ons ook niet allemaal helemaal duidelijk. Zo kunnen wij ons weinig voorstellen bij de testikels van een kip. Uiteindelijk worden we het eens over kikkerbilletjes en gebakken rijst met groente. We krijgen vier billen en een bakje rijst met peterselie. Onze buurman heeft een schotel met groente. Willen wij ook. Het blijkt koude spinazie met veel steel. Het eten is hier niet geweldig. Af en toe lijkt het er in dit land op dat hoe duurder een restaurant, des te slechter het eten.
Relatief laat opstaan. Vandaag zullen we eens kijken wat Vinh allemaal te bieden heeft. In eerste instantie lijkt dat niet veel meer dan een paar loodrecht op elkaar staande autowegen. Ook de trottoirs zijn breed. Aan de overkant van de weg staat een rij foeilelijke flatgebouwen, gebouwd naar goed Sovjet voorbeeld maar inmiddels volledig vervallen.
Ergens op de hoek blijkt zelfs een redelijk grote ge-airconditionede supermarkt, zowaar de eerste van deze omvang die we tegenkomen in dit land. Binnen doen een paar yuppen hun inkopen. Overdreven groot is het niet. We kopen wat drinken, koekjes, yoghurt en ijs. Zelfs de kassières hier lijken niet echt gewend aan buitenlanders.
Op de trappen van de winkel nuttigen we ons ontbijt, af en toe zwaaiend naar voorbijgangers. Het restant van ons aardbeienijs geven we aan een verbouwereerd jongetje dat even verderop staat te bedelen. We lopen verder naar de citadel, het oorspronkelijke stadscentrum van Vinh, en verwachten dat daar meer leven is.
Niet dus. Vinh heeft weinig geluk gehad. Eerst hadden de Fransen hier al stevig huisgehouden, vervolgens was er eind jaren '50 een grote brand, en tenslotte hebben Amerikaanse bombardementen de verwoesting compleet gemaakt. Toen stonden er in de stad nog twee gebouwen overeind. Ook wordt dit gebied geteisterd door orkanen. Het is dan ook een hele merkwaardige ervaring om hier rond te lopen. Als we een van de stadspoorten binnenlopen, die vroeger toegang gaven tot de stad, staan we plotseling midden op het platteland. Er wordt hier rijst verbouwd en langs een rustiek weggetje staat hier en daar een kraampje. Alles wat hier ooit aan stad was is volledig verdwenen.
Gefascineerd lopen we rond. Links duikt een sportstadion op, met grote tribunes. Het stadion lijkt vervallen, maar de reclameborden zijn nog nieuw. Merkwaardig. Er tegenover staat een groot monument dat ongetwijfeld zal herinneren aan een van de vele rampen die zich in deze stad voltrokken hebben. De bevolking reageert alsof een reeds lang verdwenen en inmiddels dood gewaande geliefde oom en tante plotseling weer opduiken.
De twee jongetjes die al de hele tijd achter ons aanlopen, gaan ook mee de kerk in. Als we op het punt staan het terrein te verlaten, spreekt een jongen ons in gebroken Engels aan. Ook hij doet een dezer dagen toelatingsexamen voor de universiteit van Vinh. Maar hij woont hier dan ook. Sterker nog, de jongeman blijkt naast de kerk te wonen. Zijn vader is pastoor. Hij vraagt of wij hem willen ontmoeten. Dat willen wij wel.
We worden naar een kantoortje gebracht waar een jongeman zit. Hij spreekt redelijk Engels, nog beter Frans, en een beetje Duits. Hij is seminarist, legt hij uit, en is dus in opleiding om pastoor te worden. We krijgen een glaasje warm water en een banaan. Dit is inderdaad een gloednieuwe kerk, vertelt de seminarist. De kosten, twee miljard dong, zijn vooral opgebracht door geloofsgenoten in West-Europa en de overheid. De gemeente hier telt zo'n 5000 zielen, verdeeld over 9 naburige dorpen, elk niet meer dan vijf kilometer van de kerk verwijderd. De pastoor slaapt nu nog. Willen we wachten? Dat vinden we prima.
Aan de kerk is ook een middelbare school verbonden, waar 400 kinderen gratis onderwijs genieten, katholiek of niet. De klaslokalen zijn onder de kerk. De seminarist geeft daar ook les. Hij heeft soms wel moeite met de vragen die de kinderen over de bijbel stellen. Hij vraagt naar de kerkstromingen in Nederland en wij vertellen wat voor een zootje dat is. Ook in Vietnam zijn er veel protestanten, vertelt hij. Die groeien zelfs nog harder dan de katholieken. Dat komt, denkt hij, omdat het protestantisme wat makkelijker te begrijpen is. Je hoeft je niet eerst in al die rituelen en symbolen van de katholieke kerk te verdiepen. Hij schat het aantal katholieken in Vietnam op 20 miljoen.
De pastoor is inmiddels ook wakker, steekt zijn hoofd om de deur, maar is snel weer weg. Ondertussen praten we
verder met de seminarist. Hij wil graag naar Europa om zijn studie af te ronden. Veel van zijn vrienden zijn in Frankrijk. Daar wil hij ook zes jaar doorbrengen. En naar Rome natuurlijk. Drie maanden geleden heeft hij bij de lokale overheid al een verzoek ingediend om naar Frankrijk te mogen, maar dat verzoek is tot op heden nog niet ingewilligd. Waarschijnlijk is men bang dat als hij over zes jaar weer terugkomt, hij de Vietnamese bevolking allerlei verderfelijke dingen gaat bijbrengen die hij in het kapitalistische westen heeft geleerd. Als het helemaal niet mocht lukken, verhuist hij gewoon naar Saigon. De autoriteiten daar hebben er geen enkele moeite mee om mensen toestemming te geven naar het westen te gaan.
Zo langzamerhand denken we dat het maar eens tijd is om op te stappen. Enthousiast neemt de seminarist ons visitekaartje in ontvangst. De pastorie blijkt van alle gemakken voorzien. Onder een laken in de hoek blijkt een stevige PC schuil te gaan. En de katholieke kerk van Vinh heeft ook e-mail. Het ontvangen van ons kaartje leidt tot een hernieuwd enthousiasme om verder met ons te praten. En als we wat later weer aanstalten maken om weg te gaan staat hij er op dat we nog een consumptie nuttigen. We praten verder. Niet veel later duikt de pastoor ook weer op. Hij ziet er precies zo uit als je je een Vietnamese pastoor voor zou stellen, komt er bij zitten en wordt door de seminarist snel bijgepraat. De pastoor moest na zijn middagdutje op zijn brommer naar een naburig dorp om bijstand te verlenen. Hij spreekt alleen Vietnamees, en maakt via de seminarist een praatje. Of wij ook hulporganisaties in Nederland kennen die hulp geven aan mensen zoals hier in zijn gemeente. Hij kent eigenlijk alleen maar dergelijke organisaties in Frankrijk en Duitsland. Wij kunnen zo snel niets verzinnen. De pastoor verontschuldigt zich verder. Hij moet zich weer aan zijn gemeente wijden.
We praten nog wat met de seminarist, maar dan is het echt tijd om te gaan. Het is inmiddels half vijf. Buiten bij de kerk staan vijf meiskes, leerlingen van de seminarist. We proberen een praatje te maken, maar ze zijn uitermate verlegen. Wij halen onze ansichtkaarten van Nederland weer tevoorschijn.
Via een andere brede weg lopen we terug naar het station. Iedereen die ons tegenkomt is nog steeds erg vriendelijk, al lijkt het wel merkwaardig, al die Vietnamezen die achterstevoren op
hun fiets zitten. Langs de kant van de weg drinken we een glaasje bamboesap. Dat kan op veel plaatsen hier. Her en der staan karretjes met een pers waar stukken bamboe een paar keer doorheen gedraaid worden. Onder wordt het sap opgevangen, vrij dik, groen, zoet en lekker. De overblijfselen worden simpelweg op straat gegooid. Bij het station kopen we om klokslag vijf uur probleemloos twee enkeltjes nachttrein Hue, bij dezelfde vriendelijke mevrouw die ons gisteren ook al hielp. Om half elf mogen we vertrekken.
Merkwaardig genoeg lijkt Vinh een van de weinige plaatsen in Vietnam waar je serieus valhelmen kunt kopen. In de rest van het land vinden ze dat maar overbodige luxe, maar hier, in sommige kraampjes op de markt tegenover het station, verkopen ze ze zomaar, compleet met vizier. En we hebben er hier zelfs mensen mee rond zien rijden. Een man in een kraam aan de straat spreekt ons aan in het Duits. Hij heeft een paar jaar in Oost-Berlijn gewerkt, tot niet lang nadat daar de muur viel.
We lopen over de echte markt, daar waar levende waar verkocht wordt. Er verzamelt zich een menigte om ons heen als wij een ananas kopen. Aan de zijkant van de markt, waar aan de ene kant kraampjes, en aan de andere kant huizen zijn, worden we weer aangesproken in het Engels. Ze heet Thuy, en heeft twee jaar Engels gestudeerd. Thuy nodigt ons uit om in haar huis een kopje thee te komen drinken. Meteen links naast de ingang hangt een klein schoolbord, waarop Thuy Engelse les geeft aan mensen in de buurt. Onder de salontafel liggen haar studieboeken, die behoorlijk geavanceerd zijn.
Het is een zoete inval. Buurkindertjes lopen af en aan. Ook de broer en zus van Thuy zijn aanwezig. Wat later zien we nog een vriendin, de vader, een kennis van vader, en moeder. Moeder werkt in het hotel dat gisteren geen kamer voor ons had. Thuy oefent haar Engels met ons, en wij leren nog wat Vietnamese woordjes. Uiteraard worden onze ansichtkaarten weer bewonderd. Een van de buurkindertjes laat een boekje zien waaruit men op de lagere school leert schrijven. Dat begint keurig met het aannemen van de juist schrijfhouding, rechtop zitten, niet krassen en de juiste afstand tussen hoofd en papier. Vietnam heeft relatief weinig analfabeten, zeker voor een land dat zo arm is. Naar schatting 82% van de bevolking kan lezen en schrijven. Volgens de regering is dat zelfs 95%.
Broerlief heeft een gitaar in de woonkamer staan. Marco speelt een deuntje en op speciaal verzoek zingen we twee Sinterklaasliedjes. Inmiddels is de vriendin en studiegenoot van Thuy ook gearriveerd. Zij vertelt dat ze les krijgen van iemand uit Canada. Vandaar hun keurige uitspraak. We maken gebruik van het toilet. Daar is geen stromend water, maar een grote emmer met water plus plus plastic kommen om daarmee het toilet door te spoelen werkt net zo goed. Het huis bestaat uit een langwerpige woonkamer zonder muur aan de voorkant, een klein keukentje met slechts twee gaspitten en ook al geen stromend water, het toilet daarachter, en een trap naar boven.
Het loopt tegen achten, dus wellicht tijd om zo langzamerhand misschien afscheid te nemen. Maar Thuy nodigt ons van harte uit om met haar familie het diner te gebruiken. Dat doen we graag. Er wordt een grote mat uitgerold over de vloer waar alles op uitgestald wordt. Als blijkt dat Christa daar wat ongemakkelijk zit, wordt besloten om bij wijze van uitzondering het diner te nuttigen zittende aan de salontafel.
Na het eten is het negen uur en moeten we echt afscheid gaan nemen. Voor Thuy hebben we nog een Delftsblauw tegeltje met een Hollands molentje. We worden nog maar eens weer uitgebreid bedankt en doen hetzelfde. We wisselen adressen uit en beloven de foto's te sturen.
Terug naar het hotel om onze rugzakken te halen. Bij het station is het behoorlijk druk. Er zitten ook nog mensen op de trein naar Hanoi te wachten. Telkens als Marco weer een rondje over het stationsplein loopt, heeft hij de volledige aandacht van iedereen die zich daar bevindt. Het is wat lastig om uit te vinden wanneer nu precies onze trein waarvandaan vertrekt, dus we laten maar regelmatig aan een officiële meneer of mevrouw ons kaartje zien. Nog niet de trein naar Hue.
Als de trein naar Hanoi is vertrokken, mogen we het perron op. De trein heeft uiteindelijk drie kwartier vertraging. Best wel op tijd dus. We zoeken de ons toegewezen wagon en ligplaatsen. In Vietnam is de hard sleeper echt hard. In elk compartiment zijn zes bedjes, drie aan weerskanten, die vooral bestaan uit een houten plank. Voor het comfort ligt er ook nog een bamboe matje overheen. We krijgen nog een kussentje, maar daar moeten we het verder mee doen. Anders dan in China zit er wel een deur voor het compartiment. Onze rugzakken kunnen daarboven liggen. De coupé wordt verder bevolkt door een gezin met drie kleine jongetjes. We liggen eigenlijk veel beter dan we dachten en slapen best wel redelijk.

