Het vliegtuig naar Singapore vertrekt om 1 uur 's middags. Wij vliegen met Singapore Airlines en dat is een feest. Daar heb je namelijk allemaal je eigen entertainment systeem met beeldschermpje op de stoel voor je, waarbij je met een eigen afstandsbediening kunt kiezen uit zo'n 15 videokanalen, met diverse speelfilms, en zelfs een hele rits Nintendo spelletjes, waarbij de afstandsbediening dienst doet als joystick. De twaalf uur vliegen dus om.
Minder sympathiek is het grondpersoneel. Als wij keurig twee uur voor vertrek inchecken, blijkt er geen enkele stoel met gangpad meer beschikbaar, ondanks Christa's medische indicatie. Misschien kunnen we in het vliegtuig nog eens aan een stewardess vragen of er iemand met gangpad wil ruilen, maar baliemevrouw vindt dat dat natuurlijk weinig zin heeft, want iedereen die nu een gangpad heeft, heeft daar zelf om gevraagd en wil dus toch niet ruilen. Eenmaal in het vliegtuig vragen wij de stewardess, die ons verzoek echter vriendelijk doorspeelt aan iemand die onze baliejuf blijkt. Zij herhaalt dat er toch echt geen gangpad meer vrij is, en zij dus niets voor ons kan doen. Wij regelen het dus maar zelf en gelukkig blijkt de man die naast ons aan het gangpad zit geen enkel bezwaar te hebben om met ons te ruilen.
Als wij ergens boven India vliegen, bereiken wij middernacht lokale tijd. Dat betekent dat Marco jarig is, constateert Christa. Bij de steward haalt zij drinken en koekjes. Tegen zeven uur, het is dan inmiddels vijf uur later, bereiken we Singapore. Een uur voor aankomst meldt de piloot dat Nederland met 6-1 heeft gewonnen van Joegoslavië.
Interessant voor de economen onder ons is dat Singapore een van de grootste succesverhalen is wat betreft het rekeningrijden. Alle auto's hebben een kastje voor op hun dashboard, waar, als ze onder de borden van de ERP (Electronic Road Pricing) heenrijden, automatisch een bedrag van wordt afgeschreven. Dat bedrag varieert per half uur, afhankelijk van de drukte. Tussen 9 en half tien, als wij er langs rijden, wordt 50 cent in rekening gebracht. Het verkeer rijdt vlot door.
Wij gaan op zoek naar een hotel. Waar wij zijn uitgestapt, stikt het van de guesthouses, vertelt de Lonely Planet. Die zijn echter nogal Spartaans, constateren wij. Lee's Guesthouse, door LP aangeprezen als een van de besten, bevindt zich op de zesde etage van een flatgebouw. Een Chinees mannetje op leeftijd zit klaar op de receptie, die tevens dienst doet als slaapzaal. Voor een kamer is het nog te vroeg, meldt hij. Wij moeten maar wachten. Dat doen we niet.
Het Shang Onn hotel, iets verderop, is ons nog steeds te karig. Slechts een ventilator, geen airconditioning, en muren die niet tot het plafond reiken, zodat het wat door kan waaien. Wij zoeken onze toevlucht in het South-East Asia hotel, uiterst adequaat, keurig, met badkamer, en dat nog steeds relatief goedkoop, voor 70 Singapore Dollar. En ze staan zelfs op het internet.
Wij rusten uit en tegen het eind van de ochtend gaan we de straat op. Het is weer genadeloos warm. Vlak naast het hotel zijn twee tempels. In de één, de Kuan Yin tempel, is het enorm druk en we blijven een tijdje staan kijken. Chinezen lopen af en aan en halen bij de balie een blik met stukjes met Chinese karakters. Op een groot tapijt in het midden wordt gebid en gepreveld, waarbij iedereen zijn favoriete plekje lijkt te hebben. Vervolgens wordt met het bakje gerammeld, zodat er een stokje uitvalt. Bij de balie wordt in een beduimeld boekje opgezocht wat dat stokje te betekenen heeft. Het is een enorme drukte en kabaal. Een opgehangen A4tje waarschuwt om vooral niet andeen voor je te laten bidden, want als je het zelf doet, gaat het toch echt beter.
Daarnaast is de Sri Krishnan, een Hindu tempel. Boven de ingang is een hoge en kleurige soort van mini-pagode gebouwd, waar veel figuren in gebeeldhouwd zijn. Binnen is het een stuk rustiger dan bij de Chinese buren.
De straten in Singapore zijn schoon, maar ook weer niet zo brandschoon als je zou verwachten. Er lopen zelfs mensen door rode stoplichten, ondanks de forse boetes die daarop staan. Maar dat geldt in Singapore voor vrijwel alles. Voor het op straat gooien van een sigarettenpeuk betaal je naar verluidt zo'n 1300 gulden. Drinken in de metro mag al voor de helft. Het bezit, de import en de verkoop van kauwgum is volledig verboden.
Wij lopen richting Little India, de Indiase wijk. Singapore is, ondanks de vele wolkenkrabbers en hoge flatgebouwen, toch opmerkelijk groen. Bijzonder voetgangersvriendelijk is het niet. Als we Little India binnenlopen maken de Chinese winkels en uithangborden steeds meer plaats voor Indiase. Singapore heeft drie belangrijke bevolkingsgroepen. 77% van de inwoners is Chinees, 14% is van Maleisische afkomst en 7% komt uit India. De laatsten zijn overwegend Tamil, uit het zuiden van het land.
De Sri Veeramakaliamman is de belangrijkste tempel in Little India. Ze heeft een nog rijker versierd dak met alle denkbare goden en taferelen en boven de ingang weer een pagode met alles er op en er aan. Helaas is de tempel gesloten. Bij een hotel-restaurant lunchen we Indiaas.
Het Mustafa-centrum, even verderop, is een enorm warenhuis stampvol met de modernste electronica-snufjes en andere koopwaar, vaak opgesteld in toonbanken onder glas. Het is nog goedkoop ook. Op Sarangoon Plaza puffen we van de hitte, en drinken een pak mangosap. Attracties zijn verder de Sri Srinivasa Permal, een Hindu tempel, en pal daarnaast de Tempel van de Duizend Lampjes, een Chinese tempel met Thaise invloeden. Binnen staat een enorm en kleurig Buudha-beeld, een heuse twee meter hoge voetafdruk van de echte Buddha, plus een stuk van de boom waar hij onder zat toen hij verlicht werd. Achter, in het Heiligste der Heiligen, mogen we een kijkje nemen van een liggende Buddha die, om onduidelijke redenen niet gefotografeerd mag worden. In 24 tafereeltjes met verklarende tekst rondom het Buddha-beeld wordt het levensverhaal van Prins Saudhartha nog maar eens uit de doeken gedaan.
We lopen verder naar Arab Town, het Arabische gedeelte van de stad. Op de hoek van een snelweg verschijnt de eerste moskee al, de Abdul Gaffoor. In Arab Town zijn veel kleine straatjes, al dan niet voorzien van palmbomen, waar vooral kleding en textiel verkocht wordt. Belangrijkste attractie is de Sultan Moskee, een grote moskee midden in Arab Town, die nu helaas verbouwd wordt.
Christa koopt een zijden bloesje en de duisternis begint te vallen. In de winkel lezen we in een Engelstalige krant het verslag van Nederland - Joegoslavië. Dan lopen we terug naar het Raffles Centrum. Sir Stamford Raffles was de stichter van Singapore. Voor dat feit wordt hij op het eiland nog uitgebreid geëerd. Zo zijn er twee standbeelden voor de man. En verder is Raffles ongeveer synoniem met ultieme luxe. Zo hebben wij het Raffles Hotel, het beroemdste en meest luxeuze hotel van Singapore dat nog, zo zegt men, de koloniale sfeer uitademt. De duurste suite doet 8000 gulden per nacht, maar arme sloebers kunnen vanaf 800 gulden al terecht. Aan het Raffles hotel grenst het Raffles centrum, een sjiek overdekt winkelcentrum, gelegen aan Stamford Road, die even verderop overgaat in Raffles Avenue, en daarna in Raffles Boulevard. En de business class bij Singapore Airlines heet geen business class, maar Raffles Class.
Tegenover Raffles Center zitten drie internet- annex PC cafes. We nemen de goedkoopste. Tussen mitrailleursalvo's door mailen we naar huis. We eten in een Chinees restaurant, waar de prijzen vergelijkbaar zijn aan die in China, behalve dan dat ze daar gequote worden in yuan, en hier in Singapore Dollar. Het smaakt er niet minder om. We lopen terug naar het hotel. In de Sri Krishnan tempel is een dienst aan de gang. Het heeft wel een hoog Hare Krishna gehalte. Op de avondmarkt kopen we een ijsje.
Vandaag is onze laatste, en ook enige, volledige dag in Singapore. We lopen naar Chinatown, de laatste belangrijke wijk die we nog niet gehad hebben. We lopen zuidwaarts. Singapore kent zeer creatieve eetgelegenheden, de zogenaamde Hawker Centers. Die betaan uit een markthal met tafeltjes en stoeltjes plus een flinke hoeveelheid permanente kraampjes waar eten bereid wordt. De consument hoeft er maar langs te lopen en aan te wijzen wat hij wil, de desbetreffende uitbater bereidt het vervolgens en brengt het bij het juiste tafeltje. In een klein centrum bestellen wij elk twee bollen met onduidelijke inhoud en een pikante aardappel. De eigenaar hakt het in stukjes en serveert het op een plastic bord met ui, groente en een bakje saus.
We komen weer terecht in het Raffles Center. Bij Starbucks aldaar nuttigen we een kopje thee en capuccino plus een flink stuk Tiramisu-taart ter ere van Marco's verjaardag. Dit is het zakendistrict van Singapore, en er zijn veel dure winkels. Voor het gebouw van de Hoge Raad heeft men een enorme tijdelijke tribune gebouwd. Wij gaan er maar van uit dat dat niets te maken heeft met mogelijke terdoodveroordelingen. De Bootkaai is het uitgaanscentrum van Singapore. Een prachtig straatje met kleurige cafees langs het water. Wel jammer dat er met onze komst een enorme hoosbui losbarst. We hebben maar één poncho bij ons en schuilen daar gezamenlijk onder, totdat het water bij onze schoenen inloopt. Bij een van de barretjes aan de overkant vinden we onderdak.
Chinatown is een wat merkwaardige benaming voor een stadsdeel in een stad die 77% Chinees is. Dit Chinatown is dan ook volstrekt anders dan het Chinatown in elke willekeurige Westerse stad. Chinatown in Singapore is de ultieme smeltkroes, waar je binnen een straal van amper 100 meter een flatgebouw van ABN Amro, een Chinese tempel, een Hindu-tempel, Europees aandoende huizen, een moskee en een McDonald's kunt vinden. We lopen door prachtige straatjes met kleurrijke gerenoveerde huizen, op een achtergrond van wolkenkrabbers met hier en daar een toefje tempel. Het is hier geweldig.
De eerste attractie is de Thian Hock Keng tempel, een Chinese tempel waar grote hoeveelheden spiraalvormig wierook hangt te smeulen. Vanuit de tempel heb je een fraai uitzicht op de belendende wolkenkrabbers. De Sri Mariamman tempel zorgt voor het toefje India in Chinatown. Het is de oudste Hindu tempel van Singapore, voor het eerst gebouwd in 1827. En het Arabische volksdeel wordt vertegenwoordigd door de Al-Abrar moskee. In een Hawker Center nuttigen we een stukje kokospannenkoek.
Rond acht uur, het is al weer donker, lopen we terug noordwaarts. Opnieuw krijgen we een hoosbui op ons hoofd. We vluchten een van de vele winkelcentra binnen. Op de bovenste etage blijkt een uitstekend Thai restaurant, waar wij het diner gebruiken. Nu wilden we eigenlijk nog naar Orchard Road, de Beroemde Winkelstraat van Singapore, maar het loopt al tegen negenen, sluitingstijd. Orchard Road ligt in het verlengde van Stamford Road en bestaat, zo lijkt het, vooral uit nog meer sjieke winkelcentra. In de eerste, zo'n zes etages, zijn de meeste winkels al dicht. Wij vermaken ons in een electronicazaak, en lopen terug naar het hotel.
Tijd voor vertrek. Het vliegtuig naar Hanoi vertrekt om 10 uur 35. Het is weer vies weer. We kopen twee parapluutjes en lopen naar de bushalte voor lijn 36. Bussen rijden af en aan, soms twee of drie van dezelfde lijn achter elkaar. Het verlaten van Singapore is net zo eenvoudig als het binnenkomen. We hebben amper nog tijd om de tax-free zone te bekijken en gaan weer keurig op tijd de lucht in.
De vermeende chauffeur van het minibusje regelt een chauffeur voor de taxi die voor het busje staat, en stapt zelf voorin. Hij vraagt waar we heen willen. Naar TF Handspan, een gasthuis dat we uit de Lonely Planet hebben opgeduikeld. Aha. Daar willen ze ons met alle plezier heenbrengen, maar hij heeft zelf ook een hotel, veel beter, in het centrum, kamers met airconditioning, zelfde prijs. Wij weigeren beleefd. Aha, begrijpt hij, wij zijn natuurlijk nieuw in dit land, weten nog niet wat waar is en wat niet, en wie we wel en niet kunnen vetrouwen. Hij haalt een flink pak visitekaartjes tevoorschijn en geeft ons er een van hotel Tra My, met plattegrondje. Wij zoeken het na in onze gids. Het hotel is van alle gemakken voorzien, bezweert hij. We kunnen op zijn minst een kijkje nemen, en als het niet bevalt zijn ze altijd bereid ons alsnog naar Handspan te brengen.
Eigenlijk zijn we wel een voorstander van hotels die niet in de gids staan. We gaan dus akkoord. De bijrijder vervolgt vrolijk kwebbelend de rit en wijst ons langs welke bezienswaardigheden we rijden. Het Tra My hotel ziet er zo op het eerste gezicht best wel sjiek uit. De bijrijder draagt ons over aan een hotelman. Hij leidt ons naar een kamer op de derde etage. Die is eenvoudig, maar groot en vooral brandschoon en voorzien van een eigen douche en toilet, airconditioning en ventilator. Wat moet dat kosten? 16 dollar per nacht, antwoordt de hotelman. Dat is wat aan de bovenkant van de low-budget markt maar, gezien het gebodene, niet onaardig. Is er niets goedkopers? Ja, een etage hoger, die is 15 dollar, wuift hij weg. Kunnen we die ook zien? Ach die ziet er precies zo uit als deze. Toch willen we hem graag zien. We worden meegenomen naar boven. Daar is inderdaad een volstrekt identieke kamer. En als we langer blijven, hoe duur is het dan? Bij minimaal 3 nachten betalen we 14 dollar per nacht. We gaan akkoord.
Als we ons paspoort beneden brengen, neemt onze hotelman eens rustig met ons door wat we de komende dagen allemaal zouden kunnen gaan doen. Hij is gaarne bereid voor ons wat trips te boeken en geeft een A4tje met alle mogelijkheden en hun prijs. Als we staan te kijken bij een groot bord waar de reizen ook uitgebreid op beschreven staan en vooral interesse tonen voor Sapa en Ha Long Bay, gaat daar alvast een paar dollar van de prijs af. Zal hij Sapa meteen maar boeken, dan? Doe maar niet.
We gaan de straat op en zijn ontzet. Het is een ontstellende drukte en chaos. Vonden wij China al druk, hiermee vergeleken is het daar uitgestorven. Luid toeterend krioelen duizenden scootertjes door elkaar. Af en toe schiet er nog een motor of een fiets tussendoor. Auto's zie je nauwelijks. Oversteken kan alleen met gevaar voor eigen leven. De beste strategie lijkt nog om rustig en duidelijk over te steken en maar te hopen dat iedereen om je heen rijdt. Net als in China, maar drie rijen auto's is toch een stuk voorspelbaarder dan 10 vanuit alle hoeken tevoorschijn schietende scootertjes. Op het trottoir lopen valt ook niet mee. Die zijn namelijk volgeparkeerd met scooters, en waar je eventueel had kunnen lopen ligt koopwaar uitgestald. De hoeveelheid leven op straat is enorm. Mensen zitten, lopen, drinken en eten niet alleen op straat, ze lijken gewoon op straat te wonen. Huizen zien er dan ook vrij haveloos uit.
Op een straathoek slaan wij onze slag in een winkel waar flink CDs worden verkocht. Met name de collectie is nogal verbazend, breed en actueel. De meeste CDs kosten 1 dollar, sommigen 2, en allemaal eerlijke Vietnamese kopieën.
Er zijn meer toeristen in het Oude Kwartier van Hanoi. We komen er aardig wat tegen zelf. Ook zijn er aardig wat mannetjes die ons wel mapjes met ansichtkaarten, plattegronden en zelfs Lonely Planets willen verkopen. Het wemelt hier van de kantoortjes waar je kunt internetten, eten, slapen, en reizen boeken, in alle mogelijke combinaties, maar vooral het eerste en laatste. Er is een moordende concurrentie tussen tour-operators. Prijzen die aangeboden worden zijn dan ook dagprijzen, ze kunnen elk moment weer veranderen. Ze zijn ieder geval een stuk lager dan in ons hotel. Veel boekingskantoortjes werken ook samen, maar wie met wie en hoe precies is niet altijd duidelijk.
In de strijd om de toerist is alles geoorloofd. Enkele tour-operators schermen met lovende citaten uit de Lonely Planet, zonder er bij te vertellen dat die eigenlijk over de concurrent gingen. Verder schijnt er hier en daar behoorlijk op kwaliteit bespaard te worden. En zie dan maar eens het kaf van het koren te scheiden. Het Queen Cafe biedt uitkomst. Zij hebben een bulletin board waar reizigers berichten kunnen achterlaten. Daar staan aardig wat waarschuwingen tussen om niet of juist wel met een bepaalde organisatie in zee te gaan. Het wemelt van de waarschuwingen tegen Sinh cafe, en dat is precies de organisatie waar ons hotel ook zijn toeren betrekt. Sinh cafe is een uitstekend adres in Saigon, met een goede naam en daar liften naar verluidt in Hanoi al vier nep-Sinh cafees op mee, de een nog beroerder dan de ander. Nu heeft het Queen cafe er natuurlijk ook wel baat bij deze berichten hier te laten hangen, maar dit café is het enige dat uitgebreid op internet zit en dat we thuis ook al hadden bekeken en er betrouwbaar uitzag. We vragen binnen of ze ook iets van een gastenboek hebben waar anderen hun ervaringen in hebben gezet. Men wijst ons op een stapel evaluatieformulieren die aan de muur hangt. Dat ziet er positief uit. Wij boeken hier onze trip naar Sapa, voor de idioot lage prijs van 32 dollar per persoon, voor vier dagen, inclusief gids, vervoer en overnachtingen.
Bij aankoop van zo'n trip krijg je per persoon ook nog eens een half uur internet. Maar op dit moment is dat wat problematisch, want het systeem ligt plat. Het Queen Cafe bestaat uit een smalle, langwerpige ruimte. Bij binnenkomst staan de PCs opgesteld, met daarachter op grote witte borden omschrijvingen van de trips. Daarachter is een balie. Daar weer achter staan een handvol gedekte tafeltjes waar je kunt eten, en waar je uizicht hebt op vier oude vrouwtjes die in de keuken daar weer achter druk in de weer zijn.. In de kelder en boven is slaapgelegenheid. We gebruiken hier de maaltijd. Die is uitstekend en kost een paar gulden. Met vier verse fruitsappen is de totale schade ruim zeven gulden.
Bij een van de vele andere internet-cafees werkt de zaak wel, zij het nogal traag. De prijzen voor internet zijn hier inmiddels gedaald tot 300 Dong per minuut, wat neerkomt op drie gulden per uur. We lezen onze mail en stellen het schrijven uit tot morgen.
We vinden de weg terug naar ons hotel. De nieuwe hotelman begint al weer over het boeken van een toer. Wij stellen hem teleur en vertellen dat we die elders al geboekt hebben. Maar dat had toch ook hier gekund?, antwoordt hij sip. Dat komt, liegen wij vlot, wij kwamen vrienden uit Nederland tegen en die hadden al hun trip bij Queen Cafe geboekt, dus besloten wij maar met hen mee te gaan.
We slapen gevarieerd en matig. De airco en/of ventilator al te hard aanzetten is ook geen goed idee, en het is nog steeds warm.
Vandaag staan we vroeg op, want we hebben voorgenomen ons aan te passen aan het Vietnamese ritme, en te proberen de grootste hitte op het midden van de dag te mijden. Voor vanochtend staat het mausoleum van Ho Chi Minh op het programma. Wij zetten ons kompas op west en lopen het oude kwartier uit. Langzamerhand worden de straten en trottoirs breder, en ziet het verkeer er wat gestructureerder uit. Nog steeds amper auto's, wel steeds meer fietsen.
We bevinden ons in de ambassadebuurt. Vlakbij het mausoleum is het presidentieel paleis, dat nu alleen nog voor officiële gelegenheden wordt gebruikt. Het paleis is in fraai donkergeel uitgevoerd.
Een rode loper onder een blauw-fluwelen afdakje leidt via een bocht en de oprijlaan tot aan de ingang van het mausoleum. Met grote regelmaat komt er een enorme sliert Vietnamezen keurig twee aan twee langslopen. Als buitenlanders worden wij in zo'n groep geplaatst. We hebben geluk en lopen helemaal vooraan. Een soldaat in hagelwit uniform wijst ons de weg. Bij het mausoleum slaan we linksaf, worden we overgedragen aan een andere soldaat en gaan we de trap op. In het gebouw linksaf en nog een trap op. Niet veel later staan we in het heiligdom. In het midden staat op een verhoging een grote doodskist waar achter glas het lichaam van Ho Chi Minh te bewonderen is. Rode spots schijnen op zijn hoofd en handen. Vier soldaten bewaken de hoeken van de kist en komen met hun hoofd net boven de onderkant. Wij lopen boven langs een galerij aan het hoofd van een flinke stoet Vietnamezen. Ho ligt er fraai bij, herkenbaar aan zijn karakteristieke puntbaardje. We lopen langs de rechterkant van het lichaam, linksaf langs het voeteneind, weer linksaf langs de linkerkant en dan weer naar buiten.
Eenmaal buiten lopen we braaf met de meute mee. We lopen het terrein van het presidentieel paleis op. Door een park komen we bij een smaakvol uitgevoerd klein houten huisje. Het verblijf van Ho. De originele attributen die nog op het bureau lagen zijn eerbiedig met glas afgedekt. De meute loopt langs de werkkamer beneden, de trap op en langs de slaapkamer boven. Wij lopen braaf mee. Via het park komen we uiteindelijk weer terecht bij het garderobehokje. Op een belendend terrasje drinken we een fles water. Het is genadeloos heet.
Ho heeft beperkte bezoekuren. Om 11 uur is het al weer afgelopen voor vandaag. En dat ook maar een paar dagen per week. Bovendien schijnt hij zo'n drie maanden per jaar te verblijven in Rusland, waar hij opgeknapt wordt.
Het is inmiddels na half twaalf. Alle officiële gelegenheden in Vietnam zijn dus tot twee uur gesloten. Dat geldt ook voor het Ho Chi Minh museum, achter het mausoleum, een licht futuristische betonnen kolos gebouwd volgens de beste communistisch-architectonische grondslagen. Pal naast het museum is de Pilaar-pagode, een kleine pagode gebouwd op een flinke boomstam middenin een vijvertje. Het origineel is bijna 1000 jaar oud, maar werd door de Fransen weggebombardeerd. Er is nu weer een replica neergezet.
We puffen voort door de middaghitte, nemen nog een foto van het mausoleum en togen noordwaarts naar het meer. Aan de rechterkant van de weg is een rij piepkleine restaurantjes waar we een ijsje kopen. Langs een smalle strook land, inmiddels niet veel meer dan een weg, lopen we aan weerszijden langs het water. Links is het groot en relatief sjiek Garnalencakerestaurant, waar wij in vriendelijk gebroken Engels worden welkom geheten. We gaan maar binnen zitten en krijgen twee ventilatoren naar ons toegesjouwd. Van het menu kiezen we noedels met kip en noedels met gemengd vlees. Het eten is matig en vet, en Christa's gemengd vlees blijkt vooral lever.
Buiten worden we belaagd door twee jongetjes die ons zeer hardnekkig pakjes kauwgom willen verkopen. Wij zijn slechts arme weesjes, proberen ze ons duidelijk te maken, no papa no mama, en ze hebben zelfs een pasje om het aan te tonen. Als we oversteken stopt een motorrijder en spreekt de jongetjes bestraffend toe. Even later hollen ze echter alweer achter ons aan. No papa no mama. Een fraaie tempel op een klein schiereiland blijkt gesloten. Het is nog geen half drie. Wel is er een mevrouw die ons T-shirts wil verkopen.
We lopen om het meer heen en weer zuidwaarts richting het oude kwartier. In deze straten komen wat minder toeristen en we trekken wat meer bekijks. Als we het oude kwartier binnenkomen, duiken de straatverkopers ook weer op. Een meisje zeult met een grote baal T-shirts die we wel aardig vinden. Ze zet in op 4 dollar, wat rijkelijk veel is, want bij het meer begonnen ze op 2, maar die waren minder leuk. Een verkoper van kaarten en boekjes staat er ook bij en langzaam vormt zich een groepje om ons. We zetten in op 1 en worden het eens op 2. We willen er twee. Dan moet ze wel eerst even een extra exemplaar halen.Vijf minuutjes. Inmiddels is de andere verkoper aan de beurt. Van hem kopen we de Lonely Planet Vietnamees Taalgids. Inmiddels is het meisje ook weer terug. Ze doet nog een laatste poging meer geld uit ons te krijgen. Inmiddels biedt een concurrente shirts aan voor 25000 Dong.
Puffend keren we terug in ons hotel en ontdoen ons van onze doorweekte kleding. Tijd voor ons middagdutje, zij het wat aan de late kant. We slapen tot even na vijf uur en gaan dan weer de straat op, naar onze CD-dealer waar we nog een bestelling hadden geplaatst voor een aantal exemplaren die gisteren uitverkocht waren. Aan de overkant zit een shop met dezelfde prijzen, waar we nog een paar CDs aanschaffen.
We lopen naar het Queen Cafe, waar het weer wemelt van de rugzaktoeristen. Het eten is nog beter dan gisteren. En internet doet het ook weer, en een stuk sneller dan in het café gisteren. We mailen naar huis, en vinden door de donkere straten de weg terug naar ons hotel. Daar pakken we de bagage in voor onze trip van komend weekend. De grote rugzakken laten we achter in dit hotel. Toch nog later dan gepland gaan we naar bed. We slapen beroerd. Het is warm en we zijn nog niet erg moe.
Om vijf uur op. We grissen onze spullen bij elkaar en checken uit het hotel. Het immer in de lobby aanwezig zijnde, grijnzende mannetje haalt iemand die een paar woorden gebroken Engels spreekt, en die weet te vertellen dat Nederland vannacht op strafschoppen heeft verloren van Italië, dat de stand 0-0 was na de reguliere speeltijd en dat Nederland 3 penalties miste. Met lichte dwang weten we hem te overtuigen het visaformulier uit ons paspoort terug te geven.
Om exact 5 uur 45, volgens afspraak, rijdt het busje voor. Totaal gaan er 15 toeristen mee, plus de chauffeur en de gids, Thuon. Wij zijn de voorlaatsten. De laatste 3 passagiers worden opgepikt in een buitenwijk van Hanoi. De groep bestaat vooral uit Engelstaligen, uit Engeland, Ierland en Australië. Zo langzamerhand geraken wij in een lichte cultuurschok, door het volstrekte ontbreken van Nederlanders in dit land. Normaal gesproken zie je op de meest onmogelijke plaatsen wel landgenoten, maar hier hebben we buiten de luchthaven geen enkele meer gespot, ondanks het grote aantal toeristen.
Na een slordige twee uur de eerste stop. De weg is redelijk goed. Sapa wordt dan ook in hoog tempo klaargestoomd voor het massatoerisme. Vroeger, vertelt de gids, duurde deze tocht nog twee dagen. Maar tegenwoordig is overal min of meer bestrating. We ontbijten in een klein restaurant waar men al helemaal op onze komst is voorbereid. Onder een afdakje staan kleine kuipstoeltjes en tafeltjes klaar met brood, bananen en cakejes. We krijgen er een prijslijst bij, en kunnen ook nog drinken en soep bestellen. Toerbusjes rijden hier af en aan. Na het eten lopen we nog een keer heen en weer door het dorpje, dat niet veel meer is dan een samenklontering van huisjes zoals die her en der door het landschap verspreid zijn.
Als het warm is en de weg is vlak, mag de airconditioning aan. Dat is nu het geval. Deze toer is verkocht als zijnde in een airconditioned bus, maar in de praktijk valt dat toch tegen. Om een of andere merkwaardige reden doet de airco het niet in een heuvelachtige omgeving.
Halverwege de ochtend beleven we onze tweede stop, bij een soortgelijk etablissement als de eerste. De lunch gebruiken we in een wat groter restaurant, waar zich een aantal toerbussen tegelijkertijd hebben gemeld. In het restaurant hangen overal ventilatoren, maar die doen het vandaag niet. Probleempje met de elektriciteit. Wij houden het veilig en kiezen voor een noedelsoepje met groente. Na het eten kijken we rond in het dorp, dat een slag groter is dan de vorige dorpen. Er is zelfs een markt, waar we vrij veel bekijks trekken. Na een stop van een uur rijden we verder.
Regelmatig staan tussen de schamele huisjes van hout en riet opvallend nieuwe, moderne huizen, hoog en gekleurd, voor Vietnamese begrippen regelrechte villas. Allemaal hebben ze boven een balkon met een fraaie stenen balustrade bestaand uit pilaren in Oud-Griekse stijl. Vaak zijn het hotels. Het landschap is hier gevarieerder dan in China. Er is veel dichte begroeiing met vooral enorm veel bananenbomen.
We rijden door Lao Cai, een grotere plaats. Er gaan kreetjes van verrukking door de bus als de gids vertelt dat daar, aan de andere kant van de rivier, China ligt. Vroeger konden we hier stoppen, maar dat kan nu niet meer wegens een politiek probleempje. Chinezen kunnen hier probleemloos naar Vietnam en terug. Wij kunnen wel zo China in, maar terugkomen wordt lastig.
Langzamerhand raken we in de bergen. De uitzichten worden steeds adembenemender. Tussen donkergroene bossen liggen rijstterrassen als reusachtige trappen tegen de bergwanden geplakt, waarvan de treden eerst vooral bestaan uit bruin water, en later begroeid zijn met lichtgroene rijstaren. Hier en daar stroomt er een beekje tussendoor, of puilen er rotspartijen uit. In de verte zijn de vage contouren van nog hogere bergen zichtbaar. Wij zien onze eerste minderheden. Veel van hun huizen zijn gebouwd op palen, waarbij de familie de dag lijkt door te brengen in de koelte van de begane grond, terwijl de slaapvertrekken boven zijn, in het eigenlijke huis. Hier en daar zijn mensen op het land aan het werk, vooral met buffels.
We checken in in ons hotel, ook zo'n smal, hoog en nieuw bouwwerk. Sinds een aantal jaren hebben toeristen Sapa ontdekt, en dat wordt lokaal van harte aangemoedigd. Het hele dorp wemelt van de hotels, het een nog nieuwer dan het ander. Onze kamer zit op de begane grond, helemaal voor in het hotel, tegenover de receptie. Voor het hek staat al een groep meisjes in H'mong klederdracht klaar. Ze zwaaien enthousiast naar ons. We lopen naar buiten en maken een praatje. Een van hen maakt zich bekend als Pan, is 13 jaar en spreekt verbluffend goed Engels. Waar heeft ze dat geleerd? Van toeristen. Gaat ze naar school? Nee, ze helpt haar moeder in de rijstvelden. Pan heeft, net als veel andere meisjes, een gouden tand. Ze vraagt waar we vandaan komen, hoe we heten, of we getrouwd zijn, of we broers en zussen hebben. Nederlanders zijn allemaal erg groot en dik, zegt ze bewonderend.
Met een groot deel van de groep gaan we dineren. Het Queen Cafe blijkt zelfs twee busjes te hebben rijden, met in totaal zo'n 25 toeristen. We worden geleid naar een restaurant dat door toeristen veelvuldig wordt gefrequenteerd. De kipschotel die we bestellen bestaat voor ongeveer de helft uit kippenvet. Gelukkig hebben we er ook nog groente bij, plus 5 originele Vietnamese loempias. Al met al is de kwaliteit nogal matig.
We praten met Pia, een jonge Deense onderwijzeres voeding, die naast ons zit en in haar eentje reist. Ze beperkt zich dan ook tot het reizen in ge-airconditionede minibussen. Dat is in Vietnam geen enkel probleem. Zo kan je in Hanoi een zogenaamd open end ticket boeken, waarmee je vanaf Hanoi langs alle toeristische trekpleisters tot aan Saigon kunt reizen, ruim 2000 kilometer, onderweg de reis zo vaak onderbrekend als je zelf wil, en dat allemaal voor niet meer dan 27 dollar. Ons lijkt het wel leuk om onderweg ook nog eens een Vietnamees te zien. Pia slaapt in Hanoi ook in het Queen Cafe. Dat kost vier dollar per nacht in een tweepersoonskamer, maar dan heb je wel kans dat er nog iemand op de kamer bijgeplaatst wordt. Voor acht dollar heb je de kamer gegarandeerd voor je alleen. De afgelopen nacht zat ze op de kamer met een Israëliër die al volkomen platzak was en haar trucs vertelde hoe je andere mensen geld afhandig kunt maken. Ze had dus maar weinig geslapen.
We lopen terug naar het hotel. Er is geen straatverlichting maar de TL-buizen en neonreclames van hotels en restaurants geven genoeg licht. Het is aangenaam koel. Vanwege de hoogte is Sapa een stuk minder warm, vooral uit de zon. In de hotelkamer is dan ook geen airconditioning en ventilator. We slapen uitstekend en lang.
Met de bus rijden we naar een door de Fransen gebouwd, maar inmiddels verlaten klooster. Daar wordt ook belasting geheven om het gebied in te mogen. We lopen over een brede weg van stenen en zand dat zich omhoog door de bergen heen slingert. De uitzichten zijn verpletterend. Eindeloze terrassen vol rijst liggen beneden ons en we hebben weidse vergezichten over bergtoppen en dorpjes. Hier en daar staan kleine kinderen langs de weg ons verbaasd te observeren. Wij staren verbaasd terug. Thuon heeft voor allemaal een snoepje en gewillig poseren ze voor hordes fototoestellen, al lijken ze te verbouwereerd om precies te beseffen wat er gebeurd. Als een kleintje het op een huilen begint te zetten gaat er een golf van medelijden door de groep en stoppen alle toeristen gegeneerd hun fototoestel weer weg. Iedereen vindt het eigenlijk niet kunnen, maar iedereen blijft knippen. Wij ook. Totdat het noodlot ons schuldgevoel een handje helpt en er een batterijtje op het display van de camera begint te knipperen. Batterij leeg. En de reservebatterijen liggen in Hanoi. De Red Dzao zullen het verder zonder onze foto's moeten doen.
Steeds meer Red Dzao vrouwen voegen zich bij de groep. Ze hebben van alles te koop, maar vinden al die buitenlanders eigenlijk ook wel interessant. Langs de weg zijn her en der huisjes gebouwd, meestal wat hoger en verscholen in de bossen. We komen op een pleintje. Daar is een EHBO-post voor buitenlanders en een ziekenhuisje voor de lokale bevolking. Dat is allemaal gefinancierd door Unicef, vertelt Thuon. Net als het schooltje even verderop. We mogen allemaal in de kleine stoeltjes gaan zitten van een klein, betonnen klaslokaaltje waar verder geen deuren of ramen in zitten, alleen gaten in de muren. Het schoolbord staat nog volgeschreven met Vietnamese woordjes in keurig schoonschrift. Vietnamezen moeten voor lager onderwijs betalen, vertelt Thuon, voor minderheden is het gratis. Dat wordt allemaal gesponsord door Unicef. Desalniettemin gaat maar 20% van de kinderen van minderheden naar school. Ze wonen zo verspreid dat de dichtstbijzijnde school altijd nog een hele afstand is. Vroeger was het nogal lastig om onderwijzers voor dit soort schooltjes te vinden, maar nu is dat geen probleem meer. Het is voor Vietnamezen namelijk nogal duur om aan de universiteit te sturen. Maar dat is nu gratis als je na je afstuderen twee of drie jaar werkt als onderwijzer in de omgeving waar je zelf ook vandaan komt.
Tussen ons wringen zich steeds meer Red Dzao die verbaasd toekijken en hopen iets te kunnen verkopen. Er komen hier vaker toeristen, maar waarschijnlijk zal het toch beperkt blijven tot een paar busladingen op de zaterdagochtend. Alle trips vanuit Hanoi naar Sapa en Bac Ha vertrekken namelijk op vrijdagochtend, en hebben ook allemaal precies hetzelfde programma.
We lopen verder door de rijstplantages, en steken af en toe een beekje over op een brug bestaande uit twee flinke bamboestammen. Daar waar een brug is ingezakt wordt met behulp van rotsblokken in het water een nieuwe doorgang gevormd. Van overdwars gespleten bamboe stokken is een ingenieus irrigatiesysteem gebouwd. Aan Christa heeft zich inmiddels een wat oudere Red Dzao vrouw vastgeklampt, die haar hand heeft vastgepakt en die absoluut niet meer loslaat.
We komen bij een huis waar we binnen een kijkje mogen nemen. Het is een groot huis waar in de woonkamer een dertig toeristen plus vijftien vrouwen Dzao-aanhang probleemloos een plekje kunnen vinden. Verder is er armoede. De vloer is niets meer dan de kale ondergrond. De rest van het huis bestaat uit hout en riet. Het is donker maar koel. De al op leeftijd zijnde heer des huizes slaat de invasie grinnikend gade. Midden in de kamer is een vuurtje. Daarboven wordt permanent vlees gerookt. Dat blijft zo minstens een week houdbaar. Daarna moet men weer naar de markt in het centrum van Sapa. In een ruimte achter staat een bed van hout en riet. De rest van de familie slaapt boven.
In zo'n huis, vertelt Thuon, woont een echtpaar met al hun kinderen, de aanhang van die kinderen en hun kinderen. Af en toe trekt er eens iemand uit en begint zijn eigen huishouden, maar in elk huis wonen altijd minstens drie generaties. Een bruiloft duurde vroeger nog vier dagen maar tegenwoordig houdt men, onder invloed van de Vietnamezen en Unicef, moderne bruiloften en die duren maar twee dagen. De kosten zijn ook geen probleem meer, want tegenwoordig kun je alle drank en voedsel gewoon lenen van je vrienden.
En die drank is erg belangrijk voor de Dzao. Ze destilleren hun eigen rijstwijn, wat eigenlijk eerder sterke drank is, want hij bevat meer dan 50% alcohol. Rijst wordt gekookt tot een papje dat gaat gisten. Dat blijft op een vuurtje pruttelen, de damp wordt opgevangen en dat wordt uiteindelijk de rijstwijn. Als er op een bruiloft te weinig voedsel is, vertelt Thoun, no problem, maar als er te weinig drank is, big problem. De Dzao drinken die borrels in een teug leeg en als gast wordt je geacht dat ook te doen. Zo niet, dan word je stevig gewantrouwd. Wij mogen allemaal een slokje rijstwijn proberen. Degenen die dat ook doen, zijn niet onverdeeld enthousiast.
Bij overlijden krijgt de persoon in kwestie een evenredig deel van de in de familie aanwezige voedselvoorraad mee. Afgerond naar boven, want de overlevenden krijgen per slot van rekening in de rest van hun leven nog genoeg te eten. De overledene wordt begraven in de rijstvelden, een stok wordt in de grond geplaatst ter markering, en het voedsel wordt aan die stok vastgebonden. Wat er dan verder met dat voedsel gebeurt doet niet meer ter zake. Ook al wordt het gestolen, voor de overledene is gezorgd.
Na een paar jaar wordt de dode weer opgegaven, net als bij de Vietnamezen. Van het lijk is dan niet meer dan de botten over. Die worden in een kleiner kistje opnieuw begraven. Op een Vietnameze begraafplaats is het dan ook eenvoudig te zien wat de recente graven zijn. Die zijn een stuk groter.
Inmiddels proberen de nog aanwezige Dzao-vrouwen steeds hardnekkiger hun koopwaar te slijten. Ook Christa's hartsvriendin probeert wanhopig haar doekjes en kraaltjes te verkopen. Dat lukt niet erg. Uiteindelijk krijgt Christa iets kado. Als daar vervolgens niet spontaan voor betaald wordt, wordt het kado weer ingetrokken. Uiteindelijk geeft mevrouw het maar op.
Het begint een beetje te regenen en we halen onze parapluus tevoorschijn, maar de bui valt mee. In een snel stromend beekje staat een kleine generator. Thuon haalt de kap eraf en laat zien hoe een metalen molentje snel ronddraait. Dat levert genoeg stroom voor een huishouden. Veel meer dan een paar gloeilampen is er aan elektrische apparatuur in een huis dan ook niet aanwezig.
We lopen over het brede pad door de bergen weer terug naar ons busje, nog steeds onder begeleiding van steeds andere Red Dzao. Vanaf de bergen worden we door kleine kindertjes vrolijk toegeroepen. Hello! Een klein jongetje en zijn zus lopen met ons mee. Hij geeft Christa een handje en, na een tijdje aarzelen, Marco ook. Kraaiend van plezier wordt hij de lucht in gegooid. Hij heeft een klein mondharpje te koop, dat 20000 dong moet kosten, meldt hij in het Engels. Wij blijven hardnekkig volhouden dat dat maar 10000 is. Pas vlak voordat we in het busje stappen, op aangeven van zijn zusje, wordt het 15000. Maar daar blijft het bij.
Terug in ons hotel in Sapa genieten we van een korte middagrust. Dan gaan we het dorp in, waar vandaag markt is. Bij de Kodak-shop op de hoek hebben ze tot onze grote opluchting nieuwe batterijtjes voor ons fototoestel. Onderweg worden we belaagd door meisjes en vrouwen die allemaal vinden dat we toch absoluut niet zonder hun fraaie en zelf-geborduurde H'mong-klederdracht en armbandjes kunnen. De vrouwen zijn allemaal bijzonder vriendelijk en goedlachs, maar ook wel erg hardnekkig.
Wij eten een noedelsoepje, de nationale specialiteit, in een restaurantje dat wat hoger ligt dan de straat. Ook daar weten de verkoopsters ons te vinden. Youbuyfrommie! Youbuyfrommie! is een verkoopkreet die het hier goed schijnt te doen. Het begint zachtjes te regenen. Als het droog is, lopen we verder. De meisjes van de eerste avond hebben ons ook al weer gespot. Af en toe horen we tenminste onze naam geroepen worden.
Het begint nu serieus te regenen, en later zelfs te hozen. Wij schuilen onder een afdakje bij een cafeetje waar we een fles water kopen, en krijgen meteen gezelschap van een stuk of tien H'mong vrouwen en een Red Dzao vrouw. Enthousiast laten zij hun koopwaar op ons botvieren. Wij krijgen petjes opgezet, armbanden omgeklemd en kettingen omgehangen, maar blijven beleefd weigeren. You buy nothing! roept een meisje verontwaardigd. Een oudere vrouw vindt het toch wel boeiend, die buitenlanders, vooral als we ook nog aandacht besteden aan een kindje in de groep. We mogen vertellen hoe oud we zijn, waar we vandaan komen en dat we getrouwd zijn.
Christa koopt een geinige ring. Die mondharpjes vinden we ook wel leuk, maar dan wel in die uitvoering met die belletjes die we vanochtend gezien hebben. De dames laten ons verschillende harpjes zien en lijken niet te begrijpen waarom we nu precies die ene uitvoering willen, en niet degene die zij hebben. Youbuyfrommie! Pan is er ook weer en is verontwaardigd dat we niets van haar willen kopen. You my friend! You promise youbuyfrommie! Inmiddels komt iemand met een speciaal voor ons gefabriceerde uitvoering mondharp op de proppen. Vriendelijk onderhandelen we over de prijs en worden het eens over de aanschaf van twee exemplaren.
De oudste voelt voorzichtig aan Marco's arm en constateert vol bewondering dat het echt is. Wij nemen een pepermuntje en bieden de twee vrouwen die nog over zijn er ook eentje aan. Vinden ze wel boeiend. Kan niet, gebaart de oudste, te weinig tanden. Geen probleem, gebaren wij, je kunt er gewoon op zuigen. De ander duwt met haar tong voorzichtig haar pepermuntje tussen haar lippen heen en weer.
Het gaat nog harder regenen, het zeiltje boven ons houdt het nauwelijks nog, en we vluchten naar binnen. Als Marco zijn Psion tevoorschijn haalt, kijkt de heer des huizes bewonderend toe en komt met zijn eigen woordenboekcomputertje Engels op de proppen. Er worden vier verse batterijen tegenaan gegooid. De computer kan nog praten ook. Meneer vraagt of de Psion net zoiets is. Wij antwoorden ontkennend en demonstreren ons apparaat. Deze kan niet vertalen maken wij duidelijk. De man spreekt een klein beetje gebrekkig Engels. Met behulp van zijn computertje probeert hij het beter te leren, vertelt hij, maar dat valt nog niet mee, want als hij een woord opzoekt, dan begrijpt hij meestal de uitleg, die ook in het Engels is, niet zo goed. Heeft hij geen gewone woordenboeken Engels-Vietnamees dan? Ook die worden enthousiast tevoorschijn gehaald. Wij leggen een paar woordspelletjes op zijn computer uit, en gaan verder. Het is weer droog.
Aan de westkant lopen we de stad uit. Ook hier is een brede weg van stof en steen die door de bergen heen slingert. We hebben prachtige uitzichten op de rijstterrassen onder een ondergaande zon. Naarmate we verder van Sapa raken, lijkt men verbaasder over onze komst. De Hello's zijn weer niet van de lucht. Hier en daar geven we een klein kindje een hand. Dat doet het altijd leuk bij de ouders.
Na een uurtje lopen hebben we er genoeg van. De eerste de beste motorrijder is wel bereid ons voor 10000 Dong weer terug naar Sapa te rijden. Vrolijk zwaaiend naar de verbouwereerde voetgangers crossen we terug naar het dorp. Daar nemen we een kijkje bij de officiële markt, een stenen gebouw met twee etages volgepakt met Vietnamese vrouwen, dus zonder klederdracht, die vooral veel kleding verkopen. Sommigen lijken hier zelfs te wonen. Op de eerste etage raken we verzeild in de kantine, waar op een grote televisie zo'n onwaarschijnlijke Amerikaanse superheldenfilm draait. Hordes Vietnamezen en minderheden kijken ademloos toe.
Vroeger, zo vertelde Thuon vanochtend, was Sapa bekend om zijn zogenaamde liefdesmarkt. Mensen kwamen toen vanuit de wijde omtrek naar de zaterdagmarkt. Omdat de weg toen nog moeilijk begaanbaar was, was dat een zware reis, die alleen door jongeren ondernomen werd. De reis was ook te lang om in een dag heen en weer te gaan. Men bleef dus op de markt slapen. En omdat er vooral jongeren kwamen, werd de vrije zaterdagavond vooral gebruikt voor het zoeken naar een partner. De liefdesmarkt dus. Maar die markt is er nu feitelijk niet meer. Pas veel later bedenken wij ons hoe dat waarschijnlijk komt. Omdat de infrastructuur rond Sapa zo'n stuk verbeterd is, is het niet meer nodig om er te overnachten als je naar de markt gaat. Maar dat betekent ook dat op zaterdagavond niet meer alle jongeren uit de omgeving in hun zondagse pak in Sapa zijn, en die liefdesmarkt er ook niet meer is. Ultieme ironie: al die toeristen vonden die liefdesmarkt zo leuk, dat ze er in steeds grotere aantallen heengingen, waardoor de overheid besloot de wegen te verbeteren zodat er nog meer toeristen zouden komen, maar waardoor tegelijkertijd de liefdesmarkt, waar al die toeristen in eerste instantie op afkwamen, haar belangrijkste bestaansreden kwijtraakte.
We mijmeren over het effect van al die toeristen op de minderheden. Waarschijnlijk zal dat een grote invloed op ze hebben, en hun levenswijze versneld doen veranderen. Maar het lijkt toch wat al te cynisch om daaruit de conclusie te trekken dat het toerisme hun cultuur en onbedorven levenswijze om zeep helpt. Door het toerisme krijgt men juist de kans om op een fatsoenlijke manier te overleven, zonder voortdurend bijna van de honger om te komen. En door al die toeristen hebben ze er alleen maar baat bij die cultuur in stand te houden.
Het restaurantje van gisteravond vonden we geen onverdeeld succes. We gaan dus op zoek naar iets anders. Aan het eind van een zijstraatje zijn twee restaurantjes. De een zit vol met buitenlanders, de ander is praktisch leeg. We nemen de laatste. Zoals gebruikelijk staat er een televisie te schetteren. De eigenaar begeleidt ons naar een laag tafeltje en we krijgen een Engelstalig menu. Zijn eigen Engels beperkt zich vooral tot Very Good, Very Cheap. Niet het hele menu blijkt voorradig. Wij kiezen de gefrituurde zoete aardappels, gemengde groente en een vleesschotel.Food in Sapa is pizza. Here very good, very cheap, verzekert de eigenaar ons nog maar eens.
Het eten is inderdaad erg goed en erg goedkoop. Plotseling valt het licht en de televisie uit. Het personeel uit een kreet van gelaten teleurstelling. Onmiddellijk worden er kaarsen tevoorschijn gehaald en op onze tafel gezet. In heel Sapa blijkt even geen elektriciteit. Een paar minuten later springt het licht weer aan, en wil men de kaarsjes weer weghalen. Laat maar staan, gebaart de Fransman die inmiddels aan de tafel naast ons zit, wel zo romantisch. Verbaasd dempt de eigenaar de lampen nog een beetje. Rare buitenlanders.
Wij rekenen af en beamen dat een en ander inderdaad very good, very cheap was. Buiten staan de vriendelijke verkoopsters ons al weer op te wachten. We lopen terug naar ons hotel.

