Donderdag 12 augustus 2004


We vertrekken vanochtend om kwart over zeven, en omdat we in de veronderstelling verkeren dat het ontbijt pas vanaf zeven uur geserveerd wordt, moeten we snel eten. Overigens bleek de ontbijtzaal toch al eerder open. Het lukt nog net. Om kwart over zeven staan de busjes weer klaar en tot onze vreugde kunnen we Bugo opnieuw begroeten. Het Mongools-Engelse taalgidsje dat hij gisteren van ons gekregen heeft, steekt in zijn linker jaszak. Dat doet ons deugd.

Het is niet ver naar het station. In onze wagon stikt het van de toeristen, er is vrijwel geen Mongool of Chinees te zien. Dat is geen wonder, want alleen Tiara zit hier al met een kleine 30 man. Roel en Vera willen graag met ons van plaats ruilen, zodat ze met Gijs en Inkie in één coupé zitten. Dat vinden wij geen enkel probleem. We komen nu bij twee Brabanders die we nog niet kenden.

De trein ziet er keurig uit, met bloemetjesspreien met schattige kantjes. Het ziet er allemaal net even wat verzorgder uit dan de trein in Rusland. Op het toilet hangt een keurig papiertje met de openingstijden. Rond elk station gaat het toilet namelijk een tijdje op slot. Als we net vertrokken zijn, komt de Mongoolse provodnitsa ons allemaal een kopje thee brengen, plus ook nog eens een zakje met suikerkoffie. Niet heel veel later komt ze langs met een geplastificeerd oranje papiertje met daarop de mededeling "EXCUSE ME!" plus het Engelstalige verzoek om allemaal een dollar te betalen voor de voorziening van warm water tussen hier en Beijing. Onder lichte verbazing betalen wij. Het schijnt hier de gewoonte te zijn.

Niet lang daarna rollen we alweer in de volgende verbazing. Een andere mevrouw met een paar styrofoam bakjes eten in haar handen komt de coupe in. “Tickets!” lijkt ze op weinig sympathieke wijze te vragen. Wij zijn ietwat verbaasd. Als ik toch maar mijn ticket geef, wordt er van de achterkant een bonnetje gescheurd en krijg ik een bakje eten. Aha, dat was blijkbaar een consumptiebon. Uiteindelijk krijgen we allemaal een laat ontbijt dan wel vroege lunch bestaand uit wat rijst, wat groente en wat vlees, allemaal wat aan de koude kant en niet heel erg smakelijk. Maar er volgt niet eens een rekening.

Verder verloopt de reis zonder al te veel verrassingen. Na een paar uur rijden hebben we een eerste stop, waarbij er veel verkopers op het perron zijn. Dat patroon herhaalt zich bij de volgende stops in Mongolië. Verder rijden we door grotendeels bekend terrein: de Gobi woestijn waar we de afgelopen week ook al per bus doorheen getrokken zijn. Bij het volgende station maken we een foto van een fraai beeld met het wapen van Mongolië en de Russische hamer en sikkel naast elkaar.

Het is tijd om een hapje te gaan eten, zo vinden wij. We moeten een handvol wagons door om bij de restauratiewagen te komen. Zo zie je nog eens wat. Er is een boel leven in de trein, al zijn dat voor het overgrote deel toeristen. Westerse toeristen. De restauratiewagon is hier buitengewoon fraai uitgevoerd, compleet met panelen met houtsnijwerk. We waren al gewaarschuwd dat vanaf Rusland, via Mongolië, tot uiteindelijk China, het eten steeds beter zou gaan worden. Helaas geldt dat niet voor de bediening. Wij willen graag eten, laat ik voorzichtig weten aan de nogal norse mevrouw die staat te bedienen. Nee hoor, laat zij weten. Daar komt niets van in. We eh eh eh gaan sluiten. Juist. Ik vind dat niet heel overtuigend klinken en blijf dus stug staan wachten. Mevrouw doet verder alsof wij er niet zijn. Er loopt nog een jongere mevrouw rond die iets sympathieker lijkt, en dat is mijn hoop.

We blijven rustig wachten. Inmiddels sluiten er wat meer mensen aan, die ook willen eten. We gaan maar gewoon zitten. Er zitten al twee mensen die ook pogingen doen om iets te bestellen. Uiteindelijk komt het meisje met een paar menukaarten. De twee anderen geven hun bestelling door. Helaas, hun voorkeur is niet meer aanwezig. Wat is er dan nog wel!? Kip. Het meisje wijst een plaatje aan op de menukaart. Prima. Laat maar komen die kip. Wij bestellen ook snel de kip. Al snel gonst door de restauratiewagon het gerucht dat de kip het enige is wat nog beschikbaar is. De bestellingen stromen binnen.

Wij zijn er nog niet helemaal gerust op dat die kip van ons ook daadwerkelijk gaat komen. Op een of andere manier straalt alles hier, en zeker het personeel, uit dat elke kip de laatste kan zijn. Maar het valt mee. Niet veel later zitten wij aan de kip. Een stevig gebraden exemplaar. Maar voor een vette gebraden kip is het best wel een prima maaltijd.

Het is al donker als we de grens naderen. Dat betekent hier een eindeloos wachten, binnen in de trein. Op een of andere manier word ik daar hier behoorlijk sikkeneurig van. Ik heb het een beetje gehad in die trein, vooral als je geen meter opschiet. Gedurende vele uren kunnen we ook al geen gebruik maken van het toilet. Uiteindelijk begint er toch wat beweging te komen. Wij worden weer onderworpen aan de inmiddels bekende procedures. Een stapeltje formulieren dat we mogen invullen. Helaas is er een klein tekort aan Engelstalige versies, dus of we gewoon een Chinees exemplaar willen invullen. Gelukkig krijgen we er nog wel een Engelse bij, anders wordt het helemaal zo lastig. Dit keer moeten we ook een medische verklaring invullen en beloven dat we geen SARS het land binnen smokkelen. Stelletje hypocrieten. Douanepersoneel komt langs om onze formulieren in te nemen. Dan komt een Chinese mevrouw in grote witte jas onze coupé binnen. In haar hand heeft ze iets wat lijkt op een laserpistool. Vlot richt ze op elk van ons voorhoofd en drukt ze af. Op haar display verschijnt onze temperatuur. We worden allemaal gezond verklaard en kunnen met een gerust hart China worden binnen gelaten.

We gaan de grens over. Dan worden we eindelijk los gelaten. We zijn in China! Op het perron staan de verkopers al klaar. Een man verkoopt grote anderhalve liter flessen gekoeld water voor twee dollar. Ik vind dat een beetje aan de royale kant. Als ik vraag hoe duur het is in Chinese yuan en een paar woorden Chinees spreek, halveert voor mij de prijs. Doe maar twee flessen dan. Verschillende vrouwen komen hun Cool Beer aanprijzen. De verkopers lijken hier wat ondernemender dan in Mongolië.

Het loopt tegen middernacht. Op het perron poetsen wij onze tanden. Dan gaan we weer de trein in. We zijn echter nog lang niet het station uit. Het leukste komt nu pas. De trein rijdt wat heen en weer en rolt dan langzaam een loods binnen. De rails in China zijn net een tikje smaller, zo’n 7 millimeter, dan die in Rusland en Mongolië. Het complete onderstel van onze trein moet dus vervangen worden. De trein wordt in tweeën gesplitst. Naast ons zien we passagiers die een tijdje geleden nog voor ons zaten. In de hoek staat een enorme stapel onderstellen. Mannen met gele helmen lopen nonchalant heen en weer. De supervisie lijkt te worden gevoerd door een mevrouw op hoge hakken, ook met een gele helm. Langs de spoorlijn staan grote gele liften die onder de trein geschoven worden. Alle wagons worden losgekoppeld. Heel langzaam, alleen merkbaar omdat het andere gedeelte van de trein wat lijkt te gaan zakken, worden we opgetild, tot we weer op hetzelfde niveau zitten als de trein naast ons. We verdringen ons voor het kleine raampje aan de voorkant van onze wagon. De wagon voor ons verliest zijn wielen. In één beweging worden alle wielen aan onze kant van de trein weggereden. Even later komen daar weer nieuwe wielen voor in de plaats. Langzaam begint de trein weer te zakken.

Dat was leuk. Er wordt nog wat heen en weer gerangeerd, de trein is weer compleet en de klus zit er op. Op smalle wielen rijden we weer verder. Inmiddels is het al diep in de nacht. We rijden nu in China. Snel gaan we slapen.


Vrijdag 13 augustus 2004


We worden wakker in China. Marieke is aanzienlijk eerder wakker dan ik. Als ik opsta, zijn we Datong al voorbij. Ach, daar ben ik toch al eens eerder geweest. Sinds de zon gisteravond onder ging heeft het landschap een ingrijpende verandering doorgemaakt. We rijden nu door een groen bergachtig gebied, met soms wat rode rotsen of een blauw meertje. En er zijn hier vooral ontzaglijk veel mensen, zeker na de ultieme leegte van Mongolië. Waar je ook kijkt, haast overal zie je wel een dorpje of een weg waar mensen zijn of rijden. We stoppen. Het eerste station in China bij daglicht. Er staan wat verkopers. We lopen wat heen en weer. Ik maak een foto van twee vriendelijke mannetjes met strooien hoed.

Zo gaat de reis verder. We doen nog wat stations aan. Soms staan er verkopers, soms niet. Er ontstaat opwinding als het eerste stukje Muur gespot wordt. Iedereen vliegt naar de ramen aan de rechterkant van de trein. Langzamerhand zien we steeds meer Muur. De trein maakt zelfs een speciale toeristenstop ergens op een stationnetje pal onder de Muur, om ons allemaal de gelegenheid te geven om het ding uitgebreid op de foto te zetten.

Ruwweg een uur voordat we in Beijing zouden moeten aankomen, neemt de bebouwing steeds meer toe. De buitenwijken van de stad. We zien steeds meer flats en steeds meer mensen, wat nog steeds een beetje een schok is nadat je uit een land komt met twee-en-een-half miljoen inwoners op een oppervlakte van een slordige vijftig keer Nederland. Langzaam begint de opwinding toe te nemen. We pakken onze spullen bij elkaar, zodat we straks na aankomst meteen de trein uit kunnen stormen. We beginnen afscheid te nemen van iedereen om ons heen. Zij gaan allemaal naar het hotel dat ze via Tiara hebben gereserveerd. Wij zijn eigenwijs en gaan op eigen houtje verder. Onze Nieuw-Zeelanders komen ook speciaal vanuit hun plekje zes wagons verderop om van ons allemaal afscheid te nemen.

De trein rijdt het station binnen. Het duurt even voor we naar buiten kunnen. Maar dan is het zo ver. We stormen naar buiten en storten ons in een ontzaglijke menigte. Wij hebben het gevoel dat er hier op het station ongeveer evenveel mensen rondlopen als in heel Mongolië. In de trein hebben we in onze Lonely Planet al een paar hotels uitgezocht waar we wel heen willen. Maar dat is ook wat riskant, want we zijn niet al te vroeg en het is hoogzomer. Goeie kans dat die hotels vol zitten. En we hebben nogal veel bagage. Gelukkig is er op het station een hotelreserveringsbalie waar twee lieftallige Chinese meisjes in wit bloesje met korte mouwen ons graag verder helpen.

De communicatie verloopt niet echt heel soepel. Echt Engels spreken ze nauwelijks, en met die paar woorden Chinees van mij komen we ook niet heel veel verder. Maar vermakelijk is het wel. Er liggen op de balie een paar foldertjes van hotels met ongetwijfeld wervende teksten, maar lang niet allemaal in het Engels. We bladeren er eens een paar door, geven aan wat we ongeveer in gedachten hebben en wachten op suggesties. De eerste paar hotels die we uitzoeken behoren niet tot de mogelijkheden. Mei you, krijgen we te horen, is er niet. Soms pas nadat er een telefoontje is gepleegd. Maar wat is er dan wel? We krijgen een paar andere folders. Hulpvaardig zijn de dames zeker. Inmiddels heeft er zich een derde bij gevoegd, en we krijgen alle aandacht.

Uiteindelijk hebben we een hotel uitgezocht dat nog beschikbaar is ook. De prijs ligt iets boven de 25 euro per nacht, en de lokatie is uitstekend. Na weer wat handen en voeten wordt ons duidelijk dat we hier aan de balie een borg moeten betalen die in het hotel weer van onze rekening wordt afgetrokken. We krijgen een betalingsbewijs mee, en het hotel is inmiddels op de hoogte gesteld van onze komst. Wij danken vriendelijk.

Het volgende probleem. Nu moeten we nog in het hotel zien te komen. We informeren eerst bij de dames of dat met een taxi kan, maar dat lijkt niet echt handig, vooral omdat het hotel ergens in een achterafstraatje lijkt te zitten. Dan maar een taxi. Op het stationsplein worden ons zo hier en daar nog hotels aangeboden, waaronder ook het hotel dat ons door de Lonely Planet was aanbevolen. Dat is jammer, constateren wij, daar was dus toch ook nog plaats geweest. Achteraf bedenk ik mij dat het niet erg waarschijnlijk is dat het hotel dat door de LP zo warm wordt aanbevolen nu nog plaats heeft en ook nog eens op het station daarmee moet gaan leuren. Als we met deze vrouw waren mee gegaan zouden we dus hoogstwaarschijnlijk ergens anders heen zijn gebracht.

Buiten het station staan legio taxichauffeurs die gaarne bereid zijn om ons tegen woekerprijzen op onze plaats van bestemming te brengen. Dat doen we dus maar niet. We lopen eerst eens een eindje, zodat we op straat een wat betrouwbaarder taxi kunnen aanhouden. De dames op het station hebben verteld dat een taxi zo’n 10 yuan zou moeten kosten. De volgende taxi die we aanhouden levert ook weinig op, want de chauffeur heeft geen flauw idee waar het hotel is. Dat geldt ook voor de volgende taxichauffeur. Dan worden we aangeschoten door een andere chauffeur die het wel denkt te weten. Hij wil ons er wel heen brengen voor 30. Dat geloof ik graag. Als de prijs daalt naar 20 vinden we het wel prima en stappen we in. We worden nog naar de juiste plek gebracht ook.

Het hotel blijkt in een zijstraatje te zitten van Wangfujing, de grote sjieke winkelstraat van Beijing. Van buiten is het nauwelijks als hotel te herkennen. We staan voor een groot lelijk wit flatgebouw waar beneden druk gebouwd wordt. Door een licht onbetrouwbaar aandoend mannetje worden we naar binnen geleid. Bij de balie zorgt hij ervoor dat wij onze borg terug krijgen. Dat wekt al weer wat vertrouwen. Dan brengt hij ons naar onze kamer. Dat ziet er prima uit, niet heel erg luxe maar wel zeer ruim, redelijk schoon, al zien wij wat vlekken op de vloerbedekking, en met een royale badkamer. Het mannetje brengt ons naar de balie. Een gezond wantrouwen kan ik nog steeds niet onderdrukken. De rekening moet in zijn geheel voldaan worden, zo wordt ons gemeld. Wij hadden eerst maar eens voor drie nachten geboekt. Dat is een probleempje, want wij hebben nog niet zoveel Chinees geld. Aha. Dan moeten we eerst maar geld gaan halen en over een uurtje komen betalen.

Wij installeren ons op onze kamer. Na een korte rust gaan we de straat op, op zoek naar geld. Goed opletten zodat we straks dit hotel ook nog weer terug kunnen vinden. Het begint langzaam tot ons door te dringen dat we op een absolute toplokatie zitten, een paar stappen van Wangfujing. Met behulp van ons onvolprezen boekje weten we een pinautomaat op te snorren. Dan doet zich het volgende probleem voor. De pinautomaat spreekt alleen Chinees. En je moet kiezen tussen verschillende menu-opties. Marieke doet een poging, maar krijgt geen geld. Ik doe ook eens een poging, en kies daarbij voor een andere optie. De machine gaat nu wel verder. Ik herken het karakter voor Chinese Yuan en toets op goed geluk het bedrag in dat wij willen opnemen, gevolgd door de groene toets. Het werkt ook nog. We krijgen geld. Trots vertel ik de toeristen die achter ons staan te wachten hoe dit apparaat te bedienen.

Terug naar het hotel. Bij de dames beneden voldoen we onze rekening. Wij krijgen een keurige kwitantie. Langzamerhand begint het vertrouwen in dit etablissement ook iets te groeien. Het gevoel dat wij misschien wel volkomen belazerd worden begint te slijten. We gaan weer naar boven. Hoogste tijd voor een wasje. Het volgende probleem doet zich voor. Er is geen warm water. Wij beginnen maar gewoon met ons wasje. Gewapend met mijn boekje met wat Chinese zinnen informeer ik beneden hoe of dat zit, met dat warme water hier. Een hulpvaardige man beneden weet mij duidelijk te maken dat er ‘s middags inderdaad geen warm water is, maar ‘s avonds en ‘s ochtends wel. Tevreden ga ik terug naar boven. Wij hebben de indruk dat wij de enige buitenlanders in het hotel zijn.

Als het tegen etenstijd loopt, gaan we weer naar buiten. We nemen een kijkje in de WangFuJing Snack Street, net aan de overkant van Wangfujing. Een hele belevenis. Wij zien een rij snackstalletjes met uitbaters die heel erg hun best doen om ons te overtuigen hun etenswaar aan te schaffen. Dat gaat soms haast gepaard met fysiek geweld. Gelukkig geldt dat niet alleen voor ons buitenlanders. Ook de Chinezen, die duidelijk in de meerderheid zijn, worden heen een weer gesleurd. Verbaasd slenteren wij verder. Het straatje gaat de hoek om en daar zijn een aantal wat grotere restaurants, waar je ook kunt zitten. Buiten op het terras. Nog een keer de hoek om en je komt in een straatje met stampvolle souvenirwinkels, met al even aggressieve verkooppraktijken. Op de hoek is een podium opgebouwd waar een voorstelling wordt gegeven.

Met het oog op onze rust besluiten we om toch maar ergens anders te eten. We lopen terug naar ons hotel. Daar vlak naast is een eenvoudig restaurant waar wij ons avondeten gebruiken. Het is druk. Het personeel werkt hard. Soms rennen ze letterlijk door de zaak heen. Zo af en toe komt de kok van achter uit de keuken tevoorschijn om een sprintje te trekken tot aan bijna de ingang van de zaak, en weer terug. Geamuseerd kijk ik toe. De man lacht mijn kant op als hij ziet dat ik kijk. We gebruiken vanavond varkensvlees, groente, en iets was gefrituurd brood blijkt te zijn. Dat laatste hadden we ons iets anders voorgesteld, maar goed. De porties zijn opnieuw enorm.

Als we uitgegeten zijn is het al donker, maar we vinden het toch leuk om nog even naar het Plein van de Hemelse Vrede te lopen. Dat is niet ver van het hotel, een slordige kilometer. Eenmaal op het plein ben ik lichtelijk gedesoriënteerd, want het plein ziet er heel anders uit dan ik mij meen te herinneren van zeven jaar geleden. Uiteindelijk blijkt alleen het monument in het midden van plein veranderd, omdat daar zeven jaar geleden nog witte houten schotten met opschriften omheen stonden. Verder wordt er vandaag de dag op het plein enorm veel gevliegerd, zo merken wij. Enorm hoge en enorm grote vliegers ook, met tientallen etages. Er worden ons ook voortdurend vliegers te koop aangeboden, naast boeken over Beijing, rode boekjes van Mao en guitige Mao-horloges met zwaaiende armpjes.

Terug richting hotel. Op Wangfujing hoor ik plotseling een luid hoppa-geroep opklinken. Het zijn onze busgenoten uit Mongolië. We wisselen onze ervaringen uit. Ze zijn zelf vandaag al meegesleurd naar een kunst-tentoonstelling door een student, zo horen wij. Die studenten schijnen hier overal rond te lopen. Als we de kans krijgen, moeten we daar ook maar heen gaan. Is zeker de moeite waard. We slenteren nog een keertje over Wangfujing, waar alle winkels nog steeds open zijn. Dan gaan we terug naar het hotel.


Zaterdag 13 augustus 2004


Vanochtend staan we niet laat op. We vermaken ons eerst met het kijken naar de televisie op de kamer. De Olympische Spelen zijn net begonnen, en dat willen de Chinezen weten ook. Alles en iedereen lijkt nu al klaar voor de spelen van over vier jaar, die in Beijing zullen worden gehouden. Vanochtend kijken we eerst naar de openingsceremonie. Zelfs de Nederlandse delegatie wordt nog uitgezonden.

We wandelen naar de Foreign Language Bookstore, even verderop op Wangfujing. Die boekwinkel is in de afgelopen jaren weinig veranderd. Ik schaf het Lonely Planet taalgidsje Mandarijn aan, omdat ik hier nog wel een tijdje blijf. Ergens net om de hoek gebruiken we in een eenvoudig restaurantje ons ontbijt met gestoomde broodjes en soep. Dat blijkt niet zo’n succes. Onze volgende opdracht is om een internetcafé te vinden. Volgens de Lonely Planet zit er eentje bovenin de enorme boekwinkel net naast Oriental Plaza, niet ver van ons hotel. We kijken en vragen rond, maar zonder succes. Het internetcafé blijkt hier volledig verdwenen. Buiten kijken we nog eens vertwijfeld in het boekje waar er hier in de buurt dan wel internet zou moeten zijn. Dat valt niet mee.

We worden aangesproken door een vriendelijk meisje dat vraagt waar wij vandaan komen. Uit Nederland. Aha, mooi land. Het meisje vraagt waarom ik zo vreemd en geluidloos tegen Marieke praat. Omdat zij doof is. Aha. Het meisje kijkt even wat vreemd, maar laat zich niet uit het veld slaan. Ze studeert Engels, vertelt ze, en zit op de kunstacademie. Kan zij ons misschien helpen? Nou, eigenlijk zijn we op zoek naar een internetcafé, vertel ik haar. Dat is geen enkel probleem, laat zij weten. Zij weet er wel eentje, hier vlak in de buurt, en is graag bereid om ons daar heen te brengen. Wij lopen mee. Volgend jaar wil ze graag in het buitenland gaan studeren, vertelt het meisje. En om die studie te financieren, moet ze iets bijverdienen. Zijn we misschien geïnteresseerd om in een kunstgalerie van haar werk en dat van haar mede-studenten te komen kijken? Het werk is ook te koop. Aha, een van die kunststudenten waar wij al voor gewaarschuwd waren. Gewillig laten wij ons meevoeren.

We lopen de Wangfujing Snack Street in, slaan een steegje in en komen in een gebouw waar we naar een kamertje worden geleid. Het ziet er hier inderdaad uit als een studentenkamer. De kamer is klein en vol. We mogen op de bank gaan zitten. De muren zijn bezaaid met typisch Chinese prentjes. Het meisje haalt een doos tevoorschijn met een groot aantal traditionele tekeningen, prenten en rollen. We mogen ze allemaal bekijken. Uitgebreid wordt uit de doeken gedaan wat de symbolische betekenis is van het een en ander. Wij kijken geïnteresseerd toe.  Als we de hele collectie hebben doorgewerkt, vraagt ze wat wij mooi vinden. We pikken er een paar dingen uit. Daar is ze heel blij mee, laat ze weten, want één van die dingen heeft ze zelf gemaakt. Ze haalt snel een andere jongen op. Hij heeft ook iets geschilderd, en maakt vriendelijk kennis met ons. Hij spreekt niet zo goed Engels, laat het meisje weten, maar zij zal de onderhandelingen namens hem voeren. Een van de dingen die we bekeken hebben, is van hun docent. We krijgen een boek te zien met het complete werk van de man.

Er wordt lang en uitgebreid gesteggeld over de prijs van het een en ander. Omdat we het zo mooi vinden en zij zo blij is met onze waardering, krijgen we twee zijden schilderijtjes voor de prijs van één, zo begrijpen wij. Later blijkt dat weer niet het geval. Uiteindelijk worden we het toch eens over de aankoop van drie werken. Het meisje bedankt ons uitgebreid. Ze zal ons nooit vergeten. Als we weer naar buiten gaan, loopt ze met ons mee om ons naar dat internetcafé te brengen dat ze ons beloofd had. Dat valt alweer mee. We lopen weer wat verder de Wangfujing en slaan dan af. Op de hoek is een winkel waar een enorme rij voor staat. Die rij zal hier ook de komende dagen nog vrijwel permanent blijven staan. Uiteindelijk komen we bij een grote zaal met rijen vol computers, en flink veel Chinezen daarachter, die vooral spelletjes zitten te doen. Bij de balie mogen we betalen, een ietwat lachwekkend bedrag. Dan maken we ruim een uur gebruik van het net. We willen onze eigen weblog nog even bekijken, bijvoorbeeld om die te updaten, maar helaas, dat zit er niet in. Het blijkt dat de Chinese authoriteiten ook al de mogelijkheid tot webloggen hebben afgesloten.

Na ons avontuur bij het internetcafé stappen we in een taxi. Op naar de Temple of Heaven. Het is daar behoorlijk druk. Het is tenslotte ook weekend. Wij wurmen ons door de enorme mensenmassa’s heen. Toch met name Chinezen, trouwens. De Temple of Heaven is een paar honderd jaar geleden door de toenmalige keizer neergezet, als plek om de goden te kunnen danken voor de rijke oogst. Een paar jaar geleden was ik hier ook al, maar toen was het nog een stuk minder druk. Het beroemdste gedeelte van de tempel is ongetwijfeld de grote blauwe ronde tempel in het midden, die is uitgegroeid tot symbool van Beijing.

Maar eerst lopen wij het park in. In het lange overdekte gang zitten oude Chinese mannen en vrouwen te kaarten. Even verderop zijn grote groepen mensen enthousiast aan het zingen. Het klinkt als iets dat het midden houdt tussen zeemansliederen en communistische strijdliederen. Geamuseerd kijken we een tijdje toe. Er is zelfs een accordeon bij.

We bekijken de bezienswaardigheden. Zo is er naast de Beroemde Tempel ook nog een tempel die staat op een terrein dat is omcirkeld door een grote ronde muur. De echomuur. Als je precies aan de oostkant zachtjes fluistert, zo gaat het verhaal, dan kan je precies aan de westkant horen wat er gefluisterd wordt. En andersom. Of iets dergelijks. Het zou ook Noord en Zuid geweest kunnen zijn. Hoe dan ook, het beoogde effect gaat enigszins verloren omdat er langs de hele echomuur gillende Chinezen staan.

Met een taxi gaan we ook weer terug naar ons hotel. Onderweg komen we langs de bouwwerkzaamheden van een van de vele nieuwe metrolijnen die hier allemaal neergelegd gaan worden ten behoeve van de Olympische Spelen van over 4 jaar. Terug bij Wangfujing pikken we maar weer een terrasje mee, waar we opnieuw een plastic halfliterflesje vruchtensap bestellen. Men kent ons hier inmiddels, bij de man achter de balie waar je zelf je consumptie haalt, breekt al een brede glimlach door als wij er aan komen. Hij zou al graag de bestelling klaar hebben op het moment dat wij daadwerkelijk de balie bereiken, maar helaas, wij bestellen elke keer weer iets anders. Iedere keer als wij op het terras zitten en ons flesje nog niet eens helemaal leeg hebben, worden wij alweer zachtjes op onze schouder getikt door iemand die die lege flesjes verzameld. Voor elk flesje dat wij afstaan, worden wij uitgebreid bedankt. Wat er precies met die flesjes gedaan wordt,  is ons niet helemaal duidelijk. Maar gewild zijn ze wel. Regelmatig zie je ook mensen door de afvalbakken heen snuffelen, om te kijken of daar nog lege flessen in liggen. In de loop van ons verblijf groeit een vriendelijk oud vrouwtje met een permanente minzame glimlach om haar mond, uit tot onze favoriete flessenverzamelaar.

We hebben voor vandaag nog een attractie te gaan. Wij gebruiken vanavond het diner bij Quanjude, het beroemdste Peking-eend restaurant van Peking, en daarmee van de ganse wereld. Al sinds 1846, of daaromtrent. Quanjude heeft meerdere filialen in de stad. Een daarvan is pal tegenover ons hotel. Voor de deur staat een manshoge badeend om de waar aan te prijzen. De hele dag lopen er Chinezen door het straatje die met de ingang van Quanjude en de badeend op de foto komen. Het restaurant is gevestigd in een flink gebouw van een etage of vier. We vragen ons af op welke etage het restaurant nu precies gevestigd is. Dat blijkt een ietwat naïeve vraag. Het restaurant beslaat het hele gebouw.

Na binnenkomst worden we opgevangen door een vriendelijke mevrouw achter een lessenaar. Zij vraagt of wij ons willen vervoegen op de vierde etage. Met de lift gaan we naar boven. Op de vierde etage staat een nieuwe mevrouw achter een lessenaar. Zij heeft uitzicht op enkele tientallen stoelen, die staan opgesteld alsof het hier een kleine bioscoopzaal betreft. Het is de rij om in het restaurant te mogen. In Quanjude zijn 800 zitplaatsen, zo lezen wij later in het promotiemateriaal, maar op dit moment zijn ze allemaal even bezet. Wij krijgen van de mevrouw een nummertje en alvast een menukaart.

Na nog een kwartiertje wachten is er voor ons een tafel vrij. Uiteraard bestellen wij Peking Eend. Het is nog niet helemaal duidelijk hoe zo’n groot gedeelte van het beest wij dienen te bestellen. Op het menu staan hele en halve eenden. De serveerster laat weten dat een halve eend genoeg moet zijn. Wij bestellen een halve eend. Ook adviseert zij om er wel iets van groente bij te nemen. Wij nemen er iets van groente bij.

Vanaf ons tafeltje hebben we een mooi uitzicht over de keuken, die zich bevindt achter een glazen wand. Een aantal koks zijn druk aan het werk. Fraai geprepareerde eenden bungelen boven een knapperend haardvuur. Regelmatig komt er een op een karretje naar binnen rijden, onder begeleiding van een kok die het beest persoonlijk aan tafel komt aansnijden. Zo ook bij ons. Inmiddels hebben wij een schaaltje met onduidelijke saus gekregen, wat struiken groente, en een mandje met dunne pannenkoekjes. De kok snijdt geroutineerd de lekkerste plakjes eend voor ons uit het beest. De serveerster heeft al snel door dat wij niet bepaald ervaren zijn wat betreft het op traditionele wijze nuttigen van een Peking eend. Ze doet het voor. Paar stukjes eend in pruimensaus dopen, op het pannenkoekje leggen, beetje groente er bij, opvouwen, klaar. Met de hand opeten. We krijgen er ook een bakje soep bij, naar verluidt van dezelfde eend. Voor Chinese begrippen is onze eend buitengewoon exquise, al hadden wij zelf de voorkeur gegeven aan iets meer vlees en iets minder vel. De soep naar binnen krijgen gaat al helemaal moeizaam.

Nog een keer naar ons terrasje dan. Het is inmiddels na tienen. Als we met een consumptie weer bij onze tafel zitten, krijgen we gezelschap van Tony, een jonge Chinees. Hij vraagt of hij zijn Engels mag oefenen. Dat mag. Tony probeert zich te kwalificeren voor de grote landelijke finale Engels voor middelbare scholieren, zo laat hij weten. Dat is een hele toer. Eerst de lokale voorrondes, dan de provinciale, en ga zo maar door.  Je moet dan optreden voor een meerkoppige jury, die je in het Engels vragen stelt. Die vragen moet je in zo goed mogelijk Engels beantwoorden. Maar de politieke correctheid van je antwoorden is ook niet bepaald onbelangrijk, zo begrijpen we van Tony, al gebruikt hij daar iets andere bewoordingen voor. We blijven nog een hele tijd keuvelen met Tony, al komen we inhoudelijk niet erg ver. Zijn droom is om later verslaggever te worden bij CNN, zo vertelt hij. Zo Engels spreken als ze daar doen, dat zou hij ook wel willen. Maar verder is hij momenteel vooral enthousiast over computerspelletjes. Tegen middernacht nemen we afscheid. We hopen hem ooit nog eens op CNN te zien.


Zondag 15 augustus 2004


Vanochtend staan we maar eens op tijd op. Het ontbijt van gisteren is ietwat slecht bevallen, dus hebben we gisteren maar alvast twee noedelsoepjes aangeschaft die we vanochtend op onze hotelkamer oppeuzelen. Beneden bij de balie van het hotel boeken we een nachtje bij. Dan gaan we de straat op. Vandaag gaan we naar de Verboden Stad. Daar is het ontstellend druk. Misschien omdat het zondag is. Ook de rijen bij de kassa zijn lang. Het is jammer dat het vandaag geen internationale vrouwendag is, zo zien we, want anders zou Marieke 50% korting hebben gekregen. En zo zijn er wel meer kortingen voor bijzondere groepen op bijzondere dagen.

De Verboden Stad was het onderkomen van de keizer van China, van de middeleeuwen tot de omverwerping van het keizerrijk, begin twintigste eeuw. Gedurende 500 jaar was het complex dan ook streng verboden gebied voor iedereen die er niets te zoeken had. De hele stad is opgetrokken uit hout dat rood geschilderd is, en voorzien van gele daken. Vlak na de ingang zijn er vijf bruggen, waar alleen de keizer over de middelste brug de stad in mocht. Die middelste brug leidt ook over de Keizerlijke Weg, een weg die langs en door alle belangrijke gebouwen over de middenas van het comples leidt en, inderdaad, alleen voor de keizer toegankelijk was. Natuurlijk wist ik dat ook allemaal al. Ik was hier immers zeven jaar geleden ook al, en schreef toen dezelfde tekst in mijn dagboekje.

Zeven jaar geleden was het hier echter wel beduidend rustiger dan nu. Het is een enorm gedrang voor de keizerlijke zalen waar, in een gebied dat niet toegankelijk is voor het publiek, de keizerlijke tronen tentoongesteld staan. Bij elke troon menen wij weer beelden uit de film The Last Emperor te herkennen. Wij worstelen ons door de belangrijkste attracties van de Stad, en door de mensenmassa’s. Aan het einde van de Stad is een tuin, met wat winkeltjes en iets van een restaurantje. In een flinke eetzaal zitten Chinezen elleboog aan elleboog een noedelsoepje te eten. Bij de balie aan de linkerzijde worden de noedelsoepjes verkocht. De dozen worden ter plekke open getrokken en voorzien van heet water.

In de loop van de middag wordt het langzamerhand wat rustiger. De grootste toergroepen zijn vertrokken. Dat lucht op. We bekijken de zijvleugels van de Stad, die eigenlijk veel leuker zijn dan de hoofdader, misschien ook juist wel omdat het er rustiger is. We verdiepen ons in de middenstand van de Verboden Stad. Marieke koopt een rode traditionele nauwsluitende Chinese jurk, die door de verkoopsters enthousiast wordt aangeprezen. Even verderop lopen we tot mijn stomme verbazing tegen een Starbucks koffieshop aan. Die detoneert hier toch wel enigszins, gevestigd in een van de traditionele Chinese gebouwen van de Verboden Stad. Wij laten ons daar echter niet door uit het veld slaan en kopen gewoon een cappuccino, die we buiten op de stoep opdrinken. We worden aangesproken door een Chinees. We komen vast uit Nederland, constateert hij. Dat kan hij namelijk zien aan mijn schoenen. We maken een praatje. Dan blijkt dat hij kunst studeert en hier even verderop zijn werk verkoopt in een galerie. Juist. Die kenden we al. We bedanken vriendelijk en onze Chinees verdwijnt weer.

We komen bij een stuk dat afgesloten is en waarvoor nog een extra kaartje moet worden aangeschaft. Dat is zeker de moeite waard. Op een grote lange muur is een mozaïek met zeven draken. Een gedeelte van de gebouwen hier is net gerestaureerd. Vooral dat stuk ziet er erg mooi uit. De Verboden Stad wordt permanent gerestaureerd, zo lezen wij in ons boekje. De complete restauratie duurt 10 jaar. En als die eenmaal afgerond is, dan is het al weer tijd om opnieuw te beginnen. Na een bezoek van een slordige 6 uur verlaten we de Stad. Dat moet ook wel, want de luidsprekers melden steeds nadrukkelijker dat we nu toch echt gaan sluiten. Bij het verlaten van de stad worden we gevolgd door een aantal verkopers en reisagenten die hun kaartje in onze handen duwen. Tegen een van de verkopers probeer ik in het Chinees te vertellen dat wij dat wat hij verkoopt niet willen, maar mijn uitspraak blijkt zo beroerd dat hij denkt dat ik zeg dat we geen geld hebben. Ach, het effect is hetzelfde.

We maken een rondje over het Tian An Men plein. Daar wordt weer enorm veel gevliegerd. Even voorbij het plein slenteren we een warenhuis binnen. Daar hangen leuke t-shirts met Chinese karakters. Aan de mevrouw achter de T-shirts vraag ik wat er nu eigenlijk op staat. Met mijn Chinees en haar Engels gaat dat wat moeizaam. Al snel komen er wat meisjes van omliggende afdelingen aangedribbeld. Met handen en voeten en pen en papier proberen we te communiceren. Behulpzaam zijn ze wel. Uiteindelijk begrijp ik zo ongeveer wat er op staat, en koop ik twee T-shirts.

Er moet hier ook ergens een internetcafé zijn. We weten hem nog te vinden ook, ergens op de bovenste etage van een overdekt winkelcentrum. Ziet er nogal gelikt uit, en de prijzen zijn daar ook naar. Later zien we dat er een etage lager een groot internetcentrum is dat mee gericht lijkt op de lokale bevolking. We lopen door, langs een brede winkelstraat van het Tian An Men plein af. Wij zijn verrukt. Deze straat ziet er veel meer uit zoals een drukke winkelstraat in China er uit hoort te zien. Enorm veel drukte, verkeer, lawaai, leven en winkels met alledaagse gebruiksvoorwerpen. Wat dat betreft heel wat beter dan onze WangFuJing. We lopen in de richting van een vegetarisch restaurant dat ons door het boekje van harte wordt aangeraden. Een van de oudste en meest gevestigde vegetarische restaurants van Beijing, zo hebben wij gelezen. Het is nog een flink eind lopen.

Bij binnenkomst lijkt het wat tegen te vallen. Het ziet er een beetje sjabby uit, en de serveersters zijn niet overdreven vriendelijk. Wij worden aan een grote ronde tafel gezet waar al een Duitser aan het eten is en krijgen een menukaart, die er uitziet als een klein schriftje. Verwarring. Er staan hier gewoon vleesgerechten op de menukaart. En wij dachten nog wel dat het hier vegetarisch was. Bij nadere bestudering komt de aap uit de mouw. Alle vleesgerechten die hier op de kaart staan, zijn nagemaakt van zuiver plantaardige ingrediënten. Ik maak een praatje met de Duitser. Hij is hier al eens vaker geweest, vertelt hij, jaaaaaren geleden. Wij krijgen een aantal tips ten aanzien van de kaart. Zelfs de vegetarische eend laten we voor alle zekerheid maar links liggen. Het eten is aardig maar niet heel bijzonder.

Na het verlaten van het restaurant zoeken wij een taxi. We gaan nog even langs bij het station. Morgen willen we namelijk per trein naar Chengde, een slordige vier uur verderop. Een taxi stopt, wij stappen in, de meter loopt, er is nog niets aan de hand. Maar tijdens de rit begeeft de taximeter het. De chauffeur kijkt mij eens aan, wijst naar de meter en maakt een wanhopig gebaar. Ik maak hetzelfde gebaar terug. Er ontstaat wat twijfel of de meter echt net kapot is gegaan, of dat wij gewoon belazerd worden. Eenmaal aangekomen bij het station betaal ik niet het bedrag dat op de meter staat, maar het bedrag dat het ritje naar onze inschatting zou hebben moeten kosten. De chauffeur is ons eeuwig dankbaar. Hij deugt dus toch.

Op het station gaan we op zoek naar het internationale loket. Dat valt nog lang niet mee. De informatie in ons boekje lijkt niet meer te kloppen. Wij gaan een paar keer de roltrappen op en neer, worden van het kastje naar de muur gestuurd en weer terug, maar belanden uiteindelijk toch bij de internationale balie. Als speciale attractie voor de buitenlanders hebben ze daarvoor nog speciaal een traditionele communistische klant-onvriendelijke ambtenaar neergezet. Maar wij weten de gewenste kaartjes te bemachtigen. Met een andere taxi gaan we weer terug naar het hotel. Nog net tijd om ons terrasje mee te pikken.


Maandag 16 augustus 2004


De trein vertrekt vroeg, Om zeven uur zestien om precies te zijn. We staan dus vroeg op, kleden ons aan, slingeren onze rugzakken om die we gisteravond al weer ingepakt hebben, en snellen naar beneden om uit te checken en onze borg te incasseren. Kink in de kabel. Bij de balie beneden is niemand aanwezig, zo lijkt het in eerste instantie. Maar dat is een misverstand. Bij nadere inspectie blijkt er achter de balie, aan het zicht onttrokken, met zijn hoofd op tafel, iemand te slapen. En zie die maar eens wakker te krijgen. Roepen helpt niet. Wij kunnen er ook niet echt bij. Een computer biedt uitkomst. Via het snoertje weet ik een muis naar binnen te hengelen. Met behulp van datzelfde snoertje slaag ik er in de muis voor de neus van de slapende receptionist te bungelen. Het werkt. Hij wordt wakker. Nog ietwat suf scharrelt hij onze stukken bij elkaar. We willen ook graag hier wat bagage achterlaten, zo maken we duidelijk. We gaan namelijk maar één nachtje naar Chengde, dus is het wat onzin om al onze bagage mee te slepen. Slaperig sukkelt hij met ons naar de bagagekamer. We krijgen netjes een ontvangstbewijs. Het is nog even zoeken naar een biljet van 100 Yuan, onze borg, maar dan kunnen we de straat op.

Inmiddels zijn we behoorlijk aan de late kant. Ietwat zenuwachtig snellen we naar de doorgaande weg in de hoop daar snel een taxi aan te kunnen houden. Dat lukt. Gelukkig is er op dit uur nauwelijks verkeer, zodat we in exact 3 minuten op het station zijn. We kunnen meteen doorlopen naar de trein. Vandaag hebben we hard seat kaartjes, tweede klas dus. De trein zit behoorlijk vol. Er moet wat heen en weer geschoven worden om ons de plaatsjes te geven die wij volgens onze kaartjes gereserveerd hebben. Opnieuw ben ik verbaasd hoeveel er in zeven jaar is veranderd. De trein is opvallend schoon vergeleken met toen. Ook trekken wij veel minder bekijks dan toen. Tot mijn niet geringe verbazing houdt men zich tegenwoordig zelfs aan het rookverbod dat geldt in deze trein.

We zitten bij een gezinnetje dat ook naar Chengde gaat. Aanvankelijk hebben we niet veel contact. Maar naarmate de reis vordert wordt het kleine meisje dat naast mij zit steeds steviger aangespoord om toch vooral hello tegen mij te zeggen, zo merk ik. Maar ze is nogal verlegen. Tegen het einde van de reis lukt het dan toch, nadat ik zelf maar het initiatief heb genomen. Met behulp van mijn taalgidsje ontstaat er iets van een gesprek.

We hebben een intercity. Onderweg stopt de trein maar één keer. Om kwart over elf rijden we het station van Chengde binnen. Onderweg hebben we al wat mogelijke hotels uit het boekje gepikt. We stappen uit. Met een grote drom mensen wurmen wij ons door de hekken bij de uitgang. Eenmaal buiten stormt er een vrouw op ons af. Ze wil ons wel helpen. Of we al een hotel hebben. Of we misschien een taxi nodig hebben. We zeggen dat we eerst een kaartje willen kopen voor de trein terug van morgen. Geen enkel probleem, daar helpt ze ons graag mee. We worden meegesleurd naar de loketten en brutaalweg duwt mevrouw de rij wachtenden opzij. Wat voor kaartje? Welke trein? We schaffen twee soft seat kaartjes aan voor de trein die morgen tegen het eind van de middag terug gaat naar Beijing. Via mevrouw rekenen we af. Ik houd goed in de gaten of we ook inderdaad het bedrag betalen dat op de kaartjes staat en er niet per ongeluk ergens iets aan de strijkstok blijft hangen. Maar het klopt allemaal.

Mevrouw heeft inmiddels genoeg krediet opgebouwd om ons met haar taxi mee te mogen nemen naar een hotel. Ze laat een foldertje zien van een hotel waar ze blijkbaar zaken mee doet. Ziet er allemaal prima uit, ook qua lokatie. Het hotel is vlakbij het park van de Keizerlijke Zomervilla, een van de belangrijkste attracties van Chengde. De prijs is vergelijkbaar met de prijzen voor de hotels die wel in de Lonely Planet staan vermeld. De prijs die ze voor de taxirit er naar toe weet te bedingen is net iets aan de hoge kant, maar dat zullen we maar beschouwen als provisie voor de vlotte aanschaf van onze treinkaartjes.

Eenmaal bij het hotel zijn we nog niet zomaar van onze doortastende taxichauffeuse verlost. Ze sleurt ons mee naar de receptie en zorgt ervoor dat we een kamer krijgen. We bekijken de kamer en zien dat die goed is. Tegen betaling van een borg krijgen we de sleutel van de man die verantwoordelijk is voor onze etage. Onze financiële positie begint daardoor wel wat penibel te worden. We moeten nodig wisselen. 

Wij zijn nog steeds niet zomaar van mevrouw af. Integendeel. Gezellig komt ze bij ons op onze hotelkamer zitten. Wij moeten hier immers nog rondgeleid worden. Zij zorgt daar graag voor. Wij vertellen dat dat niet nodig is, we kunnen immers wel wandelen. Maar het is allemaal veel te ver om te wandelen! Maar wij kunnen heel goed wandelen. Inmiddels heeft mevrouw een toeristenkaart tevoorschijn gehaald waarop ze met grootse gebaren aangeeft waar ze ons allemaal heen zal brengen en hoe ver dat wel niet lopen is. Maar daar hoeven wij helemaal niet heen, zo werpen wij tegen. Maar als je daar niet heengaat, dan ben je niet in Chengde geweest, zo is haar verweer. De conversatie verloopt niet altijd even soepel, omdat mevrouw ook maar heel erg matig Engels spreekt. Maar met handen, voeten, pen en papier komen we een heel eind. Na lang steggelen worden we het toch eens. Vooruit, voor 100 Yuan willen we ons wel een halve dag laten meeslepen, in plaats van de 400 Yuan voor een hele dag waar in eerste instantie sprake van was. Mevrouw overtuigt ons ervan dat het verstandig is om dat dan maar vanmiddag te doen. Klein probleempje, want we hebben geen geld meer. Geen enkel probleem, dan laat ze ons eerst nog even met rust en komt ze om 1 uur terug, zodat we eerst nog even geld kunnen wisselen.

Als ze weg is, moeten we eerst even bijkomen van onze wervelende binnenkomst in Chengde. We hebben nog wat etenswaren die dienst doen als lunch. Dan moeten we op jacht naar geld. Bij de receptie is iemand die nog net iets beter Engels spreekt dan onze inmiddels tot gids bevorderde chauffeuse. We vragen of het misschien mogelijk is om hier in het hotel geld te wisselen. Dat blijkt niet het geval. Dan maar naar de bank die in ons boekje staat, even verderop. Helaas. De bank heeft middagpauze en is pas om 3 uur weer open. Dan maar weer terug naar het hotel. Bij de receptie is men opnieuw erg behulpzaam, maar uiteindelijk levert dat niets op. Misschien moeten we het maar eens proberen bij de bank waar we net vandaan komen, zo lijkt de conclusie. De Engelssprekende receptioniste schrijft het zelfs nog even voor ons op een briefje. Please go to this and this bank to exchange money, schrijft ze keurig op. Inmiddels blijkt iemand anders nog een andere bank te weten, net om de hoek. Maar onze jacht op die bank levert ook niets op. Opnieuw gaan we terug naar het hotel. Inmiddels heb ik in een onverdachte broekzak nog een biljet van 100 Yuan gevonden, wat onze financiële problemen ietwat verlicht.

Op onze kamer wachten wij geduldig op onze gids, die inderdaad tegen één uur komt binnenstormen. Wij hebben helaas geen geld, zo laten wij weten. Dat is geen probleem, vind onze gids. Waarom, dat is nog lang niet duidelijk. Het lijkt ons wel een goed plan als we onze rondleiding maar verplaatsen naar morgenochtend, dan kunnen we vanmiddag eerst geld ophalen. Maar dat is nergens voor nodig, menen we van onze gids te begrijpen. Wij kunnen nog wel ergens aan geld komen, zo lijkt zij te denken. Waarschijnlijk wil ze ons weer naar de bank sturen. We proberen duidelijk te maken dat die gesloten is. Ze lijkt andere plannen te hebben. De communicatie verloopt wat moeizaam. Met behulp van de receptie beneden menen wij uiteindelijk te begrijpen dat ze ons eerst nog ergens anders heen zal brengen waar wij geld kunnen wisselen. No problem, zo blijft de bezwerende formule. Uiteindelijk besluiten we maar gewoon mee te gaan. Het moet inmiddels voldoende duidelijk zijn dat wij geen geld hebben.

We lopen naar de taxi. Dat wat later manlief zal blijken te zijn, is vandaag ook mee. Hij rijdt en spreekt geen Engels. We rijden door de stad. Uiteindelijk komen we aan bij een hotel dat er net iets sjieker uitziet dan het onze. Hier kunnen we wisselen, zo luidt de mededeling van onze gids. Dat blijkt inderdaad het geval. We wisselen een bedrag waarvan we vermoeden dat het ruimschoots voldoende moet zijn om ons weer terug in Beijing te krijgen.

Wij hebben vaagjes van onze gids begrepen dat het nu de bedoeling is dat we ergens gaan lunchen. Ik vertel dat dat niet nodig is, omdat we al gegeten hebben. Ze begrijpt de boodschap. We gaan eerst naar een fraaie Boeddhistische tempel, ergens midden in de stad. Het kost wat moeite om daar met de auto te komen. We betalen ons kaartje bij de ingang. Onze gids moet buiten blijven. Er zijn er hier niet overdreven veel toeristen. Sterker nog, buiten ons is er niemand. Door een vriendelijke mevrouw worden we rondgeleid door het kleine tempeltje dat er opvallend goed uitziet. Alles is nog zeer recentelijk gerestaureerd, zo lijkt het. Geinteresseerd kijken wij rond en stappen weer in de auto.

Nu weten we niet helemaal wat verder de bedoeling is. Naar de mening van onze gids is het nog steeds allemaal geen probleem. Maar uit ons boekje weten we dat er hier in de buurt buitengewoon fraaie en grote tempels en andere bezienswaardigheden zijn. We krijgen dus wel een beetje het gevoel dat we onze tijd gaan zitten verdoen met deze weliswaar aardige, maar toch relatieve niemendalletjes. We laten de gids weten dat we vandaag toch zeker nog wel die ene beroemde tempel willen gaan zien. Alles wat binnen de stad is kunnen we morgen wel te voet doen. De gids vindt het nog steeds geen probleem.

Maar eerst moeten we een flink stuk de stad uit, zo hebben onze reisleiders besloten. Wij hebben ons er inmiddels bij neer gelegd en laten ons verrassen. Het is een flinke rit. We zijn inmiddels ver verwijderd van wat de Lonely Planet hier als bezienswaardigheden beschouwd, zo denken we. Maar dan komen we bij een groot toeristisch complex. De Double Tower Mountain Scenic Spot, zo lezen wij later op een enthousiast Engelstalig bord bij de ingang. Wij kopen ons toegangskaartje. De gids doet alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat zij voor niets naar binnen gaat. Zij is immers onze gids. De kaartverkoop trapt er in.

We beginnen met een Educatief Museum naar de beste Chinese traditie. Met grote panelen worden de heldendaden van een zekere Chinese keizer uit de doeken gedaan, en de bijzondere rol die deze lokatie daarbij gespeeld heeft. Achter een glaswand is de complete intocht van de keizer middels kleine poppetjes opnieuw voor ons uitgebeeld. En met levensgrote poppen wordt een aantal cruciale scenes uit zijn leven op de planken gezet. Wij vinden het wel amusant allemaal. Ondertussen let onze gids zorgvuldig op dat wij niets missen.

Maar weer naar buiten. Wij mogen nu het eigenlijke park in. Tegen een geringe meerprijs mogen we met een kabelbaantje naar boven. Laten we dat maar doen. De gids mag natuurlijk weer voor niets mee. Boven zijn nog een aantal bijzondere attracties. Chinezen zijn dol op natuurlijk gevormde rotsen die ergens op schijnen te lijken. En in het gebied rond Chengde zijn er daar veel van, met name in en rond dit park. Zo hebben we bij onze eerste stop van de kabelbaan uitzicht op twee steile rotsen die vlak naast elkaar staan, de ene wat hoger dan de andere. Volgens de Chinezen lijken die sprekend op een verliefd echtpaartje, compleet met gezichtskenmerken. Wij hebben wat moeite om dat er in te zien. Bovenop het hoofd van elk van beide tortelduifjes staat een klein tempeltje. Het is volstrekt onduidelijk hoe die daar terecht gekomen zijn. Maar geinig is het wel. Bij de rots waar wij uitgestapt zijn is ook een tempeltje. Tegen geringe meerprijs kan men daar een stokje wierook branden. Wij worden stevig aangespoord om dat ook maar te doen. Verder dienen wij, omdat dat geluk brengt, nog een keer met de klok mee om de rots heen te lopen.

We lopen verder. Daar kunnen we op een keurig afgemeten groen matje gaan staan om tegen geringe meerprijs onze foto te laten maken, met de gezichtsrotsen achter ons. Wij zien daar de humor wel van in. Het wordt een typische Chinese toeristenfoto, waarbij de toerist in vol ornaat en met zijn armen stijf langs zijn lichaam en krampachtige glimlach staat te poseren met de toeristische attractie op de achtergrond. De mevrouw die de foto’s maakt lacht enthousiast. Eindelijk buitenlandse toeristen die begrijpen hoe het hoort.

Nog iets hoger is de volgende attractie. Een grote liggende Buddha, steunend op één arm en voorzien van geel gewaad ligt in een open grot. Ook hier staat weer een altaartje voor waarop wierook gebrand wordt.  We lopen verder. Er is een overdekte gang waar we doorheen kunnen lopen.  Vlak daarvoor staat een man met een telescoop waar we tegen geringe meerprijs in mogen kijken om de tempeltjes op de top van de gezichtsrotsen van dichtbij te kunnen bekijken.

Nadat we in de telescoop getuurd hebben, lopen we verder terwijl onze gids een praatje maakt met de uitbater van de telescoop. We zitten midden in de bergen en genieten van het uitzicht. Even verderop zien we wat waarschijnlijk de buitenwijken van Chengde zijn; brede kleurige flatgebouwen waarvan een aantal nog maar net klaar zijn. Waarschijnlijk geldt dit als toplokatie, midden in de bergen aan de voet van het attractiepark met uitzicht op al die curieuze rotsen. Net achter de nieuwbouw staat een elektriciteitscentrale witte rook uit te braken. In een rots niet ver van ons vandaan zijn grote rode karakters uit de steen gehouwen.

Onze gids voegt zich weer bij ons. Het is tijd om terug te gaan naar de stad. Manlief zit in de taxi nog steeds trouw op ons te wachten. We rijden terug en hebben inmiddels al weer iets meer vertrouwen in onze gids. Ik maak de gids duidelijk dat we nu toch echt naar de Puning Si tempel willen, een van de belangrijkste attracties van Chengde. Dat blijkt geen probleem. Al onderweg verkoopt onze gids ons de toegangskaartjes voor Puning Si. Heel even denken wij dat we toch opgelicht worden, maar het blijkt dat de toegangsprijzen inmiddels opgeschroefd zijn. We spreken af wanneer gids en chauffeur ons weer af komen halen.

Puning Si is een flink tempelcomplex, dat in uitstekende staat verkeert. Belangrijkste attractie is de enorme rode tempel met goudkleurige daken in het midden, waarin een 22 meter hoog gouden Buddha-beeld huist, voorzien van niet minder dan 42 armen. Imposant. Tegen geringe meerprijs kunnen we naar de eerste etage van de tempel, waar we het beeld van dichtbij kunnen bekijken. We krijgen een mijnwerkerslamp mee om een en ander wat bij te lichten, en mogen op een eng trapje naar boven stommelen. De tempel is nogal donker en het beeld is voorzien van een enorme laag stof.  Maar verder zijn wij onder de indruk.

Vlak voor de tempel staat een Buddhistische variant van een fanfare te spelen; een handjevol monniken in donkerbruine kleding musiceert op traditionele instrumenten. Net achter de tempel leidt een pad omhoog dat is gemarkeerd door een flink aantal houten palen die voorzien zijn van een onvoorstelbare hoeveelheid  hangsloten, waar ongetwijfeld een religieuze betekenis achter zit. Net buiten het eigenlijke tempelcomplex is een toeristenmarkt met verkopers in traditionele Chinese kleding.

We verlaten Puning Si. De taxi duikt al snel weer op. Ons volgende verzoeknummer is de Putuozongcheng tempel, de grootste tempel in Chengde, en een kopie van het Potala paleis in Lhasa, Tibet. Ook al weer enorm, indrukwekkend en in zeer goede staat. We lopen er wat vlotjes doorheen, want het begint al tegen sluitingstijd te lopen. We klauteren omhoog in het grootste gebouw van het complex. Tegen een enorme rode muur staat een flinke collectie relikwieën, daarvoor een rij walmend wierook. Een jonge monnik in een fraai paars gewaad leunt nonchalant tegen de buitenmuur. Er hangt een serene rust. We genieten van het uitzicht en zien wat we denken dat een uitloper van de Muur is. Achteraf blijkt het slechts de muur die om het hele keizerlijke complex in deze stad gebouwd is. We maken een praatje met een man die een beetje Engels spreekt.

We verlaten het complex, iets aan de late kant. Op de parkeerplaats duikt onze taxi alweer op. We worden nu weer naar ons hotel gebracht. We zijn tevreden, al is onze trip wel wat anders verlopen dan onze gids oorspronkelijk in gedachten had. Als dank spreken we af dat de chauffeur ons morgen ook weer naar het station mag brengen, uiteraard tegen een iets te hoog bedrag.

Je kan van die Chengde-ers zeggen wat je wilt, maar ze weten wel het geld uit je zak te kloppen. We zijn al bijna weer blut. En de bank is alweer dicht. Maar we hebben er goede hoop op dat we nog net genoeg geld hebben om te kunnen eten, mits we een restaurant uitzoeken dat niet al te duur is. Die grote tegenover het park valt dus al af. Even verderop staat een exemplaar dat er beter uitziet. Door de vriendelijke serveersters worden we binnen geleid en naar de eerste etage gebracht. Het eten blijkt hier haast absurd goedkoop. En de porties absurd groot. Voor een paar euro kunnen wij ons helemaal vol eten en nog een berg eten overhouden ook. Aan de reactie van de bediening te beoordelen komen hier niet heel veel buitenlanders.

Aan een tafeltje met een groep mannen even verderop lijkt een vechtpartij te ontstaan als het tijd wordt om af te rekenen. Gelukkig had mijn taalgidsje ons daarvan al op de hoogte gesteld. Het is in China zeer ongepast om niet voor iedereen te betalen. Als er een groep mannen uit eten gaat, probeert iedereen dan ook om te betalen. Iedereen staat er op. Dat kan zulke vormen aannemen dat iemand even voor het einde van het diner zogenaamd naar het toilet gaat om stiekem alvast de rekening te betalen. Als de rekening toch bij de tafel belandt, zijn de poppen helemaal aan het dansen en kan het tot een soort van vechtpartij leiden. Zo ook hier. Zelf delen wij gewoon de rekening.

Bij een klein buurtwinkeltje even verderop slaan we wat proviand in. We zijn vroeg weer terug in het hotel.


Dinsdag 17 augustus 2004


Vanochtend mogen we zelf op pad. Eerst maar eens naar de bank, die wij eindelijk open treffen. Dankbaar wisselen we ons geld. Vandaag gaan we naar het park. Ook wel bekend als de Imperial Summer Villa, een complex van 590 hectare, ooit aangelegd door keizer Kangxi, omringd door een muur van tien kilometer lengte, die we gisteren dus ook vanaf een tempel al zagen, en bezaaid met meertjes, pagodes, rotspartijen, paleizen, paviljoenen en meer van dat soort dingen. Het is warm en dus echt weer om in een park rond te drentelen. De toegangsprijs is opnieuw fors. Je betaalt hier nog meer om binnen te komen dan bijvoorbeeld in de Verboden Stad.

Het is aangenaam toeven in het park. Wij vermaken ons met het observeren van Chinezen op  hun vrije dag, en zien vandaag geen andere buitenlanders. Er is het meeste te zien aan het begin van het park, met een groot meer met waterfietsende Chinezen, flinke hoeveelheden lotussen en fraaie doorkijkjes. Even verderop is het een stuk saaier, met grote grasvlaktes. Op het terrein blijkt ook een hotel te zijn, of liever gezegd, een vakantiekamp voor rijke Chinezen. Als speciale attractie zijn voor hen originele gers neergezet die ons nogal doen gruwen, gerfundamentalisten die we inmiddels zijn. Zo zijn de dingen voorzien van manshoge deuren met ramen, en van airconditioning. Dat kan toch niet.

We lopen terug naar ons hotel dat vlakbij de ingang van het park is. Om half twee worden we hier door onze taxi afgehaald. We halen onze bagage weer bij de receptie vandaan. Onze chauffeur is opnieuw keurig op tijd. Manlief is dit keer alleen. Vlot worden we naar het station gereden. We betalen het afgesproken bedrag, danken de man hartelijk en hij ons, en nemen afscheid. Op het station hebben we nog tijd te doden. We kopen iets te eten voor onderweg. Dan vervoegen we ons in de luxe wachtkamer die speciaal is gereserveerd voor reizigers met een soft seat kaartje. Ruim voor vertrek wordt omgeroepen dat we alvast in de trein plaats kunnen nemen. We komen op de bovenste etage van een dubbeldeks trein. Er zijn hier inderdaad wat ruimere en zachtere plaatsen dan in de hard seat, maar onze medereizigers maken niet eens een heel veel rijkere indruk op ons.

De reis terug naar Beijing is weinig enerverend. Eenmaal op het station daar aangekomen pakken we de metro terug naar het hotel waar we eerder al verbleven, en waar het grootste gedeelte van onze bagage nog staat. We hebben niets gereserveerd, maar hebben er alle vertrouwen in dat er in het hotel nog plaats zal zijn. Dat blijkt niet het geval. In de door ons gewenste prijsklasse, die van 288 Yuan, is geen plaats meer, vertelt de receptie. Duurdere kamers zijn er nog wel. Aanvankelijk vermoeden we een poging om ons meer geld uit de zak te kloppen, maar als we gewoon weer weg lopen verandert er niets aan de situatie. We besluiten onze bagage hier nog maar even te laten en die pas weer op te halen als we een nieuw hotel hebben gevonden.

De eerste poging is een hotel enkele meters verderop, in de richting van Wangfujing. Soortgelijke kamers als in het vorige hotel doen hier 298 Yuan volgens het grote prijzenbord, maar de receptie verlaagt dat spontaan naar 240. Bovendien is er nog plaats ook. We bekijken de kamer. Dit hotel lijkt wel verdacht veel op het vorige. Dat is ook niet zo verbazend, aangezien dit hotel de andere helft van precies hetzelfde flatgebouw blijkt te beslaan. De kamer is nog een slagje groter ook. We zitten op de achtste verdieping. Er is een klein balkon van waar we een uitzicht hebben op Wangfujing. Met wat gedoseerd geweld is de balkondeur nog open te krijgen ook. Vanaf het balkon bij de etage-opzichtster zijn in de verte de daken van de Verboden Stad te zien. Dankbaar halen we onze bagage op en checken we in.

Wij besluiten vanavond maar eens geen Chinees te eten. Uiteindelijk belanden we bij McDonald’s, vlak naast Oriental Plaza. Bij de Starbucks in Oriental Plaza genieten we van een cappuccino. Dit is best wel een vreemd land, zo mijmeren wij. De prijs van de cappuccino die we hier genieten is vergelijkbaar met die van ons avondeten van gisteren. Bij de grote supermarkt in de kelder van Oriental Plaza kopen we boterhammetjes voor het ontbijt van morgenochtend. Uiteraard besluiten we de dag met een halve liter fris op ons terrasje.


Woensdag 18 augustus 2004


Vandaag is het een dag om helemaal niets te doen. De afgelopen dagen waren best wel hectisch, eigenlijk. Vandaag gaan we dan ook zoet brengen met het lethargisch ronddrentelen op WangFuJing. We kijken eerst eens in de Foreign Language Bookstore. Altijd leuk. Bij een terrasje aan die kant van de straat blijkt een flesje frisdrank slechts 4 Yuan te kosten. Blijken we door ons stamterras toch mooi weer voor een Yuan te zijn afgezet. We gebruiken het internet. Op de laagste etage van SunDongAn Plaza, een ander groot winkelcomplex aan de andere kant van WangFuJing, is ook een Starbucks. Wij drinken er een kopje cappuccino.

Op dezelfde etage is een alleraardigst Chinees straatje, met allerlei nagebouwde traditionele oude winkeltjes waar vooral toeristische dingen te koop zijn. We lopen nog een flink eind door op WangFuJing. Verderop blijkt zelfs een kerk te zijn. We gebruiken ons avondeten bij een onChinees sjiek aandoend Taiwanees restaurant. Dan lopen we terug in de richting van ons hotel, waar we de dag afsluiten met de onvermijdelijke consumptie op ons terras. Ondanks de woekerprijzen.