Donderdag 5 augustus 2004


Vanochtend moeten wij onverbiddelijk vroeg opstaan. Vijf uur. Ik slaap dan ook voor geen meter. Een aantal mensen moet de trein van acht uur in Ulan Bator naar Beijing halen, en daarom moeten we allemaal om half zes ontbijten en om zes uur weg. De logica ontgaat ons ook een beetje. Om half zes blijkt de restaurant-ger nog gesloten. De kok heeft zich verslapen, zo blijkt. Om kwart over zes worden we allemaal binnen gelaten, en is het nog een hele toer om het ontbijt op gang te krijgen. Eerst brood uitdelen. Dat gaat per schaaltje per tafel, dus niet heel erg snel. Dan moet er voor iedereen een persoonlijk schaaltje met wat worst en een hardgekookt eitje worden bereid. Die schaaltjes worden vervolgens een voor een door één persoon rondgebracht. Tegen de tijd dat wij aan de beurt zijn, we zitten aan de laatste tafel, zijn de eitjes op. En dat terwijl ik het hulpje er toch nog duidelijk eentje zag opeten. Met z'n drieën zit men gehurkt drug bezig te zijn met ons schoteltje, alsof ze die laatste eieren nog persoonlijk willen gaan leggen. Maar dat blijkt niet het geval. Wij krijgen schijfjes tomaat.

Op het moment dat wij ons ontbijt hebben, klinkt ook al het vriendelijke verzoek om de biezen te pakken. Dat doen we maar niet. De rest, al wel klaar met eten, verdwijnt, wat ons in de gelegenheid stelt om hier en daar nog wat achtergebleven eieren te rapen.

Buiten staan de busjes klaar. Wij pakken onze bagage en nemen plaats in een busje dat niet naar het station gaat, nadat we afscheid hebben genomen van de mensen die dat wel doen. Vlot rijden we naar het Peace Bridge Hotel, waar we om goed zeven uur aankomen. Dat betekent nog twee uur wachten, want de excursies vertrekken om negen uur. We hadden dus net zo goed nog twee uur in bed kunnen blijven liggen, vinden wij zelf. Maar goed, het is op z'n minst prettig om te weten hoe lang we nu moeten wachten, zullen we maar denken. Een gedeelte van onze bagage brengen we naar de bagagekamer, waar die de komende week kan blijven staan.

De tijd tikt traag voort, terwijl we met een man of twintig in de lobby rondhangen. Maar om 9 uur is er inderdaad actie. Er worden groepjes gevormd van mensen voor de verschillende excursies. Het gros gaat op de Gobi expeditie. Wij ook. De kleinere groepjes voor Terelj en de Groene Route vertrekken. Onze gids stelt zich voor als Nara. We horen dat er 21 mensen mee gaan op de expeditie. Dat vinden we nogal wat.

We moeten nog even wachten, laat Nara weten, want we moeten met vier busjes vertrekken, en er zijn er nog maar twee. Het is allemaal niet haar schuld, laat ze later wanhopig weten. Ondertussen wachten we maar. En wachten we maar. Inmiddels is het souvenirwinkeltje van het hotel ook open. Het doet goede zaken met de verkoop van koekjes, chocola, frisdrank en water. We blijven wachten. Indachtig de opmerking in de Lonely Planet gaan we er eigenlijk van uit dat de andere twee busjes twee uur te laat zullen komen, dus om elf uur. Helaas blijkt dat niet het geval. We blijven wachten. We vragen ons af of het echt gepast is om languit op de grond te liggen in de lobby van een meersterrenhotel. Maar er is ook niemand die zich daar druk over lijkt te maken. We wachten. Nara loopt af en toe zenuw­achtig heen en weer en regelt bij het restaurant koffie van de zaak voor iedereen. Dat vinden wij een uitstekend idee. Helaas blijkt het de CoffeeKing 3-in-1 oploskoffie waar elke Mongool dol op is, bestaand uit 50% suiker, 38% melkpoeder en, oh ja, ook nog 12% koffie.

Maar terwijl wij ons suikerwater wegwerken, komt Nara met heuglijk nieuws. Na de koffie kunnen we vertrekken. Een bescheiden gejuich barst los. We pakken onze spullen op en zoeken een busje. Op de parkeerplaats staan vier oude Russiche legerbusjes die ons de komende week door de Gobi woestijn zullen leiden. Uiteindelijk vinden we een plaatsje in de bus bij Roel, Vera, Gijs en Inkie, twee stellen uit Brabant en Gelderland die elkaar op deze reis zijn tegengekomen. Via mijn Mongoolse taalgidsje vraag ik de naam van de chauffeur. Bugo. Bugo komt over als een verantwoordelijke man van middelbare leeftijd, en is klein van stuk.

Eigenlijk is het zo gek nog niet, zo'n Russische legerbus. Robuust geheel, alles valt te repareren, en dat zal nodig blijken ook, en stevige schokdempers. Bovendien zitten wij ruim. Achterin onze bus staan twee banken tegenover elkaar waar per stuk zonder meer drie mensen op kunnen. Dat geeft veel beenruimte, maar heeft wel als nadeel dat drie plaatsen achteruit rijden. Achter de banken is bagageruimte. Naast de chauffeur kan ook nog iemand zitten. Om 12 uur precies zijn we dan toch op pad. Wij weten niet meer precies waarom we nu om vijf uur zijn opgestaan.

Al snel zijn we buiten Ulan Bator. En als je eenmaal buiten Ulan Bator bent, dan ben je ook al snel in the middle of nowhere. We rijden nu nog over een asfaltweg, maar dat zal niet lang meer duren. Voor dat voorrecht dient wel tol te worden betaald.

Bij een enorme ovoo stoppen we en stappen we uit. De chauffeurs gooien eerbiedig een steentje op de grote hoop. Nara legt uit dat de ovoo van boeddhistisch-shamanistische oorsprong is, en dat alle chauffeurs hier een steentje opgooien en even om de stapel heen lopen, om een veilige reis af te dwingen. Chauffeurs die daar even geen tijd voor hebben, toeteren als ze de ovoo passeren. Op de ovoo hangen blauwe doeken, een boeddhistisch symbool.

Wij rijden weer verder, door een groen gebied met glooiende heuvels en hier en daar een ger. We moeten nog een eindje, door ons late vertrek van vanochtend is er de hoop dat we ergens tussen 9 en 10 uur zullen aankomen. Maar ook dat is maar afwachten. Inmiddels hebben we de asfaltweg verlaten. We rijden over zandsporen, met hier en daar een kuil of andere oneffenheid, maar ook daar kan je nog behoorlijk snelheid op maken. Af en toe zijn er meerdere sporen die dezelfde kant op gaan, een gelegenheid die door de chauffeurs meteen wordt aangegrepen om te proberen elkaar in te halen. Onze chauffeur weet aanvankelijk de koppositie te handhaven en heeft daar duidelijk lol in.

Er zijn hier veel roofvogels te zien. Havikken, zo vermoeden wij, mede op basis van de informatie in ons boekje. Bugo maakt af en toe een stop om ons een aantal exemplaren van dichtbij te laten bewonderen. Mooi gezicht.

Rond een uur of half drie stoppen we bij een klein gebouwtje ergens midden in het niets. Ons wegrestaurant, gevestigd aan iets van een zandwegenrotonde met natuurlijk een ovoo in het midden. We krijgen eerst een kop thee, meegenomen door Nara. Dan moeten we ons een uurtje zelf vermaken. Dat is geen enkel probleem hier, zo doden wij de tijd bijvoorbeeld met het maken van foto's van de kinderen die hier rond lopen. Vervolgens komen de bordjes bami naar buiten. Inmiddels is ook al een grote picknicktafel en wat banken naar buiten gesleept, waar een man of 10, 15 omheen kunnen zitten. De bami smaakt uitstekend. We waren er ook wel aan toe, het is tenslotte al half vier en ons ontbijt kregen we om 6 uur vanochtend. Er is hier ook een toilet, maar ons wordt met klem aangeraden om daar maar geen gebruik van te maken en gewoon onze behoefte te doen in het open veld.

Na de lunchstop rijden we stevig door, niet in het minst omdat de chauffeurs elkaar weer flink aan het opjagen zijn. Op de zandpaden halen we snelheden tot 70 kilometer per uur. De enige onderbreking die wij ons nog permitteren is een plasstop. Verder wordt er onderweg nog wat gesleuteld omdat eerst bij een bescheiden regenbuitje de ruitenwissers van ons busje het niet meer blijken te doen, en later het busje spontaan begint te claxoneren.

Onderweg zien we ook onze eerste kamelen. Enthousiast laten we het busje aan de kant zetten om een foto te maken. Bugo lijkt het nut er niet helemaal van in te zien. Hij weet waarschijnlijk al dat we op deze tocht nog honderden kamelen zullen zien.

Zo zijn we toch nog even na negen uur in Mandalgovi, onze overnachtingsplek voor vannacht. Mandalgovi is de hoofdstad van de provincie Dundgov, al betekent dat nog steeds dat het plaatsje slechts 16.000 inwoners heeft. Tot onze verbazing worden wij in een hotel geplaatst, en niet in een ger-kamp. Het is wat passen en meten, want men had hier niet zoveel mensen verwacht. Kamers komen in veel soorten en maten; tweepersoons, vierpersoons, met of zonder douche, met of zonder toilet. Wij zijn de laatsten aan wie een kamer wordt toebedeeld, en we krijgen zowaar nog de beschikking over een tweepersoons kamer, helemaal in het bovenste hoekje van het hotel. Geen douche of toilet, maar wel een fraai uitzicht. Zonder gordijnen trouwens.

Het diner wordt om half tien gebruikt in de eetzaal beneden. Ik bedenk mij dat het waarschijnlijk voor het eerst is dat er 16 uur zit tussen mijn ontbijt en mijn avondeten. De eetzaal is voorzien van een grote spiegel langs een van de korte kanten, en wat kitsche schilderijen die hangen op vreemde plekken. Midden in de eetzaal staat een lange tafel die al fraai voor ons gedekt is. Op het menu staat vanavond schaap, wat op zich niet heel erg verrassend is.

Na het eten maken we nog heel snel gebruik van de douchefaciliteiten bij Judith en Tony, die twee kamers naast ons zitten. Op de etage is wel een gemeenschappelijk toilet, maar geen gemeenschappelijke douche. Er is zelfs iets van warm water. Als je de warme kraan helemaal open zet, is er af en toe iets van een puf en komt er even een straaltje warm water naar buiten. Wij zijn erg moe en gaan snel slapen.


Vrijdag 6 augustus 2004


Vanochtend moeten we om half zeven op. Dat is onder de huidige omstandigheden duidelijk te vroeg voor ons. Het ontbijt gebruiken we om zeven uur. Het ziet er allemaal weer keurig uit. We krijgen een gebakken eitje bij ons brood. Het is de bedoeling dat we om acht uur gaan rijden, en dit keer blijkt dat ook echt acht uur te zijn. Zo'n beetje. In de tussentijd kijken we rond in de omgeving. Mandalgovi is een vrij onooglijk dorje, met veel laagbouw maar ook nog een sovjetflat. Uiteraard ligt er geen bestrating op de zandpaden. Wij zien niet veel mensen op straat.

Het landschap wordt steeds kaler, en ook vlakker. In de ochtend maken we een stop op de top van een bescheiden licht glooiende heuvel. Tijd om even rond te kijken. Er zitten hier opvallend veel sprinkhanen. Bij bijna elke stap die je zet, springt er wel eentje weg. De grond is droog. Ik spot een hagedis. In de verte ontwaren wij een stofwolk. Er komt een motorrijder aan. We gaan alvast langs de weg staan om hem op de foto te zetten. Dat lukt verbazend goed. De motorrijder blijft een tijd bij onze busjes staan om een praatje te maken. Ik laat hem de foto zien op mijn digitale camera. Dat vind ie wel leuk. Er wordt druk gepraat met de buschauffeur, er wordt druk naar mij gebaard, en ik begrijp iets over een adres. Ik haal onze gids erbij. Onze motorrijder wil inderdaad wel graag een afdrukje van zijn foto. Nara schrijft zijn adres op en ik beloof een exemplaar te sturen.

We rijden verder. Het landschap blijft maar vlakker en kaler worden. En intrigerender. Steeds minder gers. Het gaat steeds meer lijken op de woestijn zoals wij ons die hadden voorgesteld. Het heeft ook wel iets weg van de Sahara rond Timboektoe, al is het hier toch nog net iets groener. Het is warm, de zon schijnt fel. Rond 12 uur komen we bij een verlaten bouwval, midden in het niets. Hier gaan we de lunch gebruiken, omdat hier tenminste nog een beetje schaduw is. Uit het busje van Nara komen styrofoam lunchpakketten te voorschijn. Elk is gevuld met flink wat rijst en twee stukken gehakt, plus vier plakjes komkommer. Niet erg smakelijk, maar wel voedzaam dus.

Bugo heeft er duidelijk zin in. Voor degenen die dicht bij hem zitten is te horen hoe hij regelmatig zachtjes zit te zingen. Elke keer als er snoepjes of koekjes langs komen die hem aangeboden worden, houdt hij spontaan zijn hand op en slaat het aangebodene vlot naar binnen. Elke keer als hij een snoepje krijgt, gaat hij ook weer een kwartiertje zingen, zo is onze indruk. Nog steeds zijn er vele wegen die naar onze bestemming leiden. Af en toe nemen verschillende chauffeurs verschillende parallelwegen. Op een gegeven moment blijken die wegen echter minder parallel. Langzamerhand raken wij, en het groene busje dat achter ons aan rijdt, steeds verder verwijderd van de twee andere busjes. Bugo kijkt af en toe eens wat verontrust naar links, waar heel in de verte de twee andere busjes zo af en toe nog net te zien zijn. Maar wij maken ons geen zorgen, want hij rijdt en zingt nog vrolijk door.

Zo af en toe is er een flinke kuil in de weg. Dat kan lastig zijn, vooral als je op zo'n moment net een fles water aan je mond aan het zetten bent. Ik word dan ook kleddernat, tot groot plezier van de andere berijders van de bus, Bugo voorop. Ook buiten begint het er langzaam wat vochtiger uit te zien. Prachtige wolkenpartijen pakken zich samen boven de bergen die in de verte te zien zijn. Het landschap blijft veranderen. Wat later krijgen wij een enorme hoosbui op ons dak. De kuilen staan al snel vol met water. Onze ruitenwissers zijn hier duidelijk niet op berekend en stoppen er meteen weer mee. Voorzichtig rijdt Bugo door. Als het te erg wordt stapt hij uit en wrijft met een doekje in de stromende regen de voorruit weer schoon. Erg effectief is dat niet. Niet veel later rijden we door een flinke kuil waardoor de voorruit weer onder de modder zit. Opnieuw stapt Bugo uit om het raam schoon te maken. De bui duurt niet lang. En de droge grond neemt al dat regenwater opvallend snel op.

De andere busjes zien we onderweg niet meer terug. Tegen half vijf bereiken we Dalandzadgad, weer zo'n onbeduidend provinciestadje, nu met 11000 inwoners, maar wel de hoofdstad van de provincie. Dit keer overnachten we in een ger-kamp. Bugo stoft elke rugzak weer keurig af voordat hij ze aan ons overhandigt. Ook onderweg loopt hij voortdurend te poetsen. Bij bijna elke stop wordt de vloer van het busje gedweild.

We zitten in een luxe ger-kamp. In de tenten staan bedden met fraai beschilderd hout. Andere bedden zijn voorzien van een trampoline-achtige bodem waardoor je haast tegen het plafond omhoog stuitert als er 's nachts een vlieg op je neus landt. Verder zijn de gers voorzien van waterkoker en TV, al kunnen we die niet echt aan de praat krijgen. De lakens en handdoeken zijn voorzien van schattige beertjes. Vannacht delen we een vierpersoons tent met Judith en Tony. Zelfs als ze een spelletje patience doet is Judith nog voortdurend aan het kletsen. Ik mag in een stuiterbed, dat als voordeel heeft dat je je benen door de spijlen kan steken. De rest heeft een beschilderd bed.

We hebben even de tijd om uit te rusten. Om half acht vanavond gaan we eten, zo vernemen we van Nara. We nemen een kopje thee. Na het eten hebben we de gelegenheid om bij de supermarkt tegenover het hotel inkopen te doen. Die is nog tot 11 uur open en de komende twee dagen zullen we geen winkels meer zien.

We gaan te voet en raken verzeild in een klein restaurantje dat zichzelf afficheert als snackbar en waarvan het plafond volledig vol hangt met vooral jaren '70 disco attributen. Verder is het inmiddels een stuk moderner, want de muziek komt tegenwoordig van MP3, getuige de flinke PC die in de hoek achter de bar staat. We krijgen opnieuw een huzarensalade vooraf, gevolgd door een schotel bestaand uit kale pasta, aardappelen, rijst, wat groente en vlees. Schapenvlees.

We lopen naar de supermarkt. Dat is niets te veel gezegd. Enorm assortiment. Van de te verwachten levensmiddelen tot televisies, stofzuigers en tapijten met de beeltenis van Chengis Khan. En het kost allemaal helemaal niks. Daar wordt je heel erg hebberig van. Met een flinke voorraad voor de komende dagen verlaten wij het pand. Inmiddels is het buiten tijd voor de zonsondergang. Die ziet er fraai uit. We lopen een eindje richting woestijn, al houdt een nogal aggressief blaffende hond ons aanvankelijk nog even tegen. We gaan om 10 uur slapen. Onze buren, tevens busgenoten gaan nog even door, niet in het minst omdat er in de supermarkt tot hun verrukking Bavaria verkocht werd. Gelukkig heb ik mijn oordoppen in.


Zaterdag 7 augustus 2004


Om acht uur kunnen wij vanochtend ons ontbijt voor de tent gebruiken. Ik ben al voor zevenen wakker en ga mij douchen in het toiletgebouwtje, dat er overigens zeer goed uit ziet, met smetteloze blauwe tegeltjes en toiletten als balzalen. Er zijn maar twee douches, dus ik moet even op mijn beurt wachten. Ons ontbijt bestaat vanochtend, zoals inmiddels gebruikelijk, uit nogal droog wit brood en wat beleg.

Vandaag gaan we een stuk minder rijden en een stuk meer zien, zo is ons beloofd. We halen vandaag amper de 100 kilometer, na de bijna 300 per dag van de afgelopen dagen. We vertrekken om 9 uur. In de woestijn kun je heel ver kijken, zo merken we als na 20 kilometer het stadje nog steeds uitstekend te zien is. Ook hier leiden veel wegen dezelfde kant op. Of bijna dezelfde. Bugo rijdt als laatste van de vier busjes, maar weet toch als eerste de eindbestemming te bereiken. Wat al eerder onze indruk was, blijkt te kloppen: onze Bugo weet als beste de weg. De andere busjes zijn verkeerd gereden, zo begrijpen wij later, en bereiken pas de eindbestemming na een tussenstop met stevige scheldpartij.

We zijn aangekomen bij Yolyn-Am, een deel van een groot Nationaal Park, waar tot twee jaar geleden nog 11 maanden per jaar een gletsjer was. Door de hoge temperaturen van de afgelopen jaren is die gletsjer echter verdwenen, en rest er alleen nog een ijskoud beekje. Voor de ingang van het park staan een paar souvenir-gers en een klein museum. We neuzen wat rond terwijl we op de andere busjes wachten. Het is vandaag een warme, onbewolkte dag.

Als we het park in rijden, stuurt Bugo plotseling zijn busje de berm in. Vlak voor de auto zien wij een hamster recht overeind staan. In het park wemelt het van de kleine knaagdieren, zo merken wij later. Onze eigen huishamster, zo leren wij, is oorspronkelijk uit Mongolie afkomstig en vervolgens naar Amerika geëxporteerd en daar getemd tot huisdier.

Nadat we een stuk het park zijn ingereden, worden de busjes aan de kant gezet. We mogen een eindje gaan wandelen. Of, mochten we daar de voorkeur aan geven, tegen betaling via een paard of een kameel verder vervoerd worden. Wij gaan te voet. Bij Nara informeer ik wat nu precies de bedoeling is. We gaan een slordige vijf kilometer wandelen, zo laat ze weten. Na 2,5 kilometer kunnen we niet verder, dus dan dienen we rechtsomkeert te maken.

Op het eerste gedeelte van onze wandeling wemelt het van de hamsterholen. De beesten laten een enorm getjilp horen. Af en toe galoppeert er een paard met berijder langs. Het is hier mooi. We zitten midden in de bergen en lopen een kloof in. Het is hier groen en vol toeristen. Een eindje verderop staat een ovoo die is voorzien van de schedel van een beest. De kloof wordt steeds smaller. Af en toe moeten we over de stenen in de rivier om aan de andere kant verder te kunnen. Na een flink eind doorlopen word ik van achteren geroepen. Een groepslid komt melden dat Nara laat weten dat we weer terug moeten komen. Aha. Dan had ik de bedoeling toch anders begrepen. We snellen verder naar voren om Marieke te halen, die inmiddels al verder naar voren is gelopen.

Als we weer terug zijn bij de busjes, komen de lunchpakketten weer tevoorschijn. Vandaag staan er weer gefrituurde flapjes op het menu. We krijgen zelfs nog een chocoladecakeje toe. Gezeten op de bergwand mijmeren wij nog wat na en genieten we van de zon. Ergens verderop is nog een toiletgebouwtje, maar dat is niet erg bevorderlijk voor de volksgezondheid.

We stappen weer in het busje. Dit keer mag ik voorin zitten. Onderweg passeren we weer een paar flinke kuilen. "Hoppa!" roep ik een paar keer enthousiast als we weer door eentje heengaan. Bugo kraait haast van plezier, vooral als ik na weer een stevige kuil bijna met mijn knieen tegen het dak zit. "Hoppa!", herhaalt hij.

Beneden, even verderop, is een onvoorstelbaar vlakke vlakte. Je kunt hier eindeloos ver de woestijn in kijken, die kaal en droog is. Heel in de verte zijn bergen. Over de vlakte liggen de schaduwen van de schaarse wolken. We bewonderen het landschap of, liever gezegd, het gebrek daaraan.

Om half vier bereiken we ons ger-kamp, helemaal middenin de vlakte, ergens willekeurig in de woestijn gedropt. Fraaie setting. Het kamp is iets minder luxe dan dat van gisteren. In een gebouw in het midden is het restaurant, en zijn beneden de toiletten. In een klein hokje verderop zijn de douches. Koud water, begrijp ik van de eerste douchers. Onze tent heeft de beschikking over slechts een houten krukje, plus vier houten bedden. Vannacht delen we onze tent met Marco en Andries, die samen reizen. Marco gaat na Beijing weer terug naar huis, Andries reist dan nog een paar maanden door.

Het is erg warm. Voor op het terrein is een afdakje met wat schaduw. Er staan ook wat houten bankjes, half in de zon. We puffen uit. Marco en Andries komen er wat later ook bij, en verplaatsen een van de houten banken die voor het hoofdgebouw in de felle zon staan, naar onder ons afdakje. Wij praten wat. Het is nog onduidelijk hoe laat er vanavond gegeten wordt. Soms laat de informatievoorziening van de kant van de gids ietwat te wensen over.

Later vernemen we uit de wandelgangen dat er om zeven uur gegeten gaat worden. Weten we dat ook weer. En kunnen we nog mooi even een eindje door de woestijn wandelen. Er is inmiddels meer bewolking. Vlak achter het terrein staat een gebouwtje waar een jongetje bovenop staat. Ik maak een foto van hem, met tegenlicht. Rap klimt hij naar beneden om de digitale foto op mijn beeldschermpje te bekijken. Enthousiast over het effect klimt hij snel weer omhoog en gaat in de meest vreemde standen staan, waar ik dan een foto van mag maken. Snel klautert hij weer naar beneden om het resultaat te bekijken.

Het aantal sprinkhanen en krekels in de woestijn neemt verbazende vormen aan. Bij elke stap die we nu zetten, springt een handvol beesten in alle richtingen. Er zijn ook merkwaardige exemplaren bij die als ze opspringen een rood lichaam blijken te hebben en er haast uitzien als een vlinder. Ik doe mijn uiterste best om er eentje in volle vlucht op de foto te krijgen, maar dat wil niet lukken. Even verderop staan een paar ger-tenten, midden in het niets. Die willen wel op de foto.

We lopen terug, en komen nog twee jongetjes tegen die graag op de foto willen. Het is tijd om te gaan eten. Er staan al een aantal mensen voor het hoofdgebouw. Nara vraagt of iedereen al weet dat we om zeven uur gaan eten. Tja. Ons heeft ze het niet verteld. Kim loopt de tenten langs. Het menu bestaat vanavond uit een salade gevolgd door een schotel met aardappelen, rijst, pasta, wat groente en, jawel, een hamburger. Dit doet vermoeden dat we vanavond niet eens schaap te eten krijgen. Door al dat vlees is het aantal vegetariers in de groep trouwens opvallend aan het toenemen. Ook nu is er een cakeje na.

Om acht uur dienen we onze maaltijd naar binnen gewerkt te hebben, want dan staat de volgende groep klaar om te eten. Waarschijnlijk de flinke groep Koreanen die zojuist is aangekomen. Op de bankjes buiten zakken we nog wat uit. Twee Mongolen in traditionele kleding vragen onze aandacht. Het zijn keelzangers, een traditionele kunstvorm in Mongolie die bestaat uit het voortbrengen van diepe keelklanken waardoor het mogelijk is om twee tonen gelijktijdig voort te brengen. Volgens het boekje. Vanavond om half tien is er een speciale voorstelling, zo laat men weten. De toegang bedraagt vijf dollar. Dat van die vijf dollar lijkt ook het enige Engels dat onze keelzangers kunnen uitbrengen.

We bewonderen de zonsondergang en laten onder het genot van een kopje thee en een boekje de avond voortkabbelen. Als het helemaal donker is, maak ik in mijn eentje een korte wandeling door de woestijn. Dat is een bijzondere ervaring, zo helemaal in het donker en het niets, al hoor ik aanvankelijk de Koreanen nog kwetteren. Heel in de verte komt er een auto aan. We gaan op tijd slapen en laten de keelzangers schieten. Er staan veel sterren vannacht.


Zondag 8 augustus 2004


Wij verslapen ons een klein beetje. Gelukkig is de tijd die hier voor het ontbijt wordt genomen met een uur nogal ruim. Er is zelfs nog tijd om te douchen. Het goede nieuws is dat er vanochtend warm water is. Het slechte nieuws is dat dat zo'n loeiheet straaltje is, dat je er nog niets mee kan en onverrichter zake toch maar weer je heil moet zoeken in een koude douche.

We gebruiken het ontbijt in dezelfde eetzaal waar we gisteravond dineerden. Bij het ontbijt worden vettige worstjes en een dito gebakken ei geserveerd. Alles is hier keurig geregeld. We vertrekken om 8 uur en hebben een lange dag voor de boeg, waarop veel te zien valt.

Bugo is de rit van gisteren nog niet vergeten. Bij elke flinke kuil die er aan komt laat hij weer een waaschuwend "Hoppa!" horen. Wij doen er ons voordeel mee en beantwoorden elke waarschuwing met een luid collectief "Hoppa!". Na een eindje rijden merken wij een toename in het aantal kamelen. We gaan er nog even uit om een kudde op de foto te zetten, die vervolgens door mij vakkundig worden weggejaagd.

Niet veel later blijkt waar al die kamelen goed voor zijn. We bereiken heuse zandduinen, bij Moltzog Els. Van die zandduinen die je je voorstelt als je aan een woestijn denkt. Het zijn er niet heel veel, maar toch de moeite waard. We verbazen ons opnieuw over de eigenaardig­heden van de Gobi. Van het ene op het andere moment duiken er vanuit de vlakte plotseling een paar zandduinen op. De woestijn is verbazend afwisselend.

Je ziet hier veel kamelen. Verschillende uitbaters zijn gaarne bereid tegen gepaste vergoeding ons door hun dier te laten vervoeren. Helaas hebben ze aan ons bitter weinig klandizie. De beesten doen het wel heel leuk op de foto. Wij zitten op een heuvel en genieten van het weer en het uitzicht. Het is vandaag erg warm. Ondertussen, zo horen wij later, hebben onze medepassagiers samen met Bugo een andere heuvel beklommen. Bugo heeft dolle pret. Hij glijdt vanaf de top van de heuvel naar beneden, holt weer omhoog en graaft zich in. De man heeft er duidelijk lol in.

We stappen weer in het busje. Het is niet heel ver naar onze volgende attractie, een paar bloedrode rotsen, weer zomaar vanuit het niets, midden in de woestijn. Er is niet echt een Engelse benaming voor, laat Nara weten als ik er naar vraag, maar onder Mongolen is het bekend als de Red Canyon, de Rode Kloof. Dit is dus niet het beroemde Bayangol?, vraag ik nog. Inderdaad, dat is niet het geval. Maakt niet uit, het is hier nog steeds heel erg mooi. Het heeft hier wel wat van de Grand Canyon, maar dan kleiner, maar wel met als voordeel dat je er zelf doorheen kunt lopen. Onder de indruk klauteren wij over de rotspartijen.

Later, aan de hand van de informatie in de Lonely Planet, kom ik tot de ontdekking dat dit wel degelijk Bayangol moet zijn geweest. Merkwaardig. In dit gebied, beter bekend als de Flaming Cliffs, werden de eerste dinosaurusresten van Mongolië gevonden, in 1992, door Roy Chapman Andrews. Later zouden er nog heel veel volgen. Even verderop staat zo’n typisch Mongoolse motor fraai te poseren met het eindeloze uitzicht als achtergrond.

Na weer een eindje rijden komen we bij een soort van eiland, midden in de woestijn. Er zijn hier wat rotsen en wat heuvels, maar vooral ook bomen. Zomaar uit het niets, midden in de woestijn. Het is ook de enige boomsoort die in de Gobi te vinden is, zo heeft Nara bij de Flaming Cliffs al beweert. Een groot voordeel van het rotswandje dat hier staat, is dat het enige schaduw oplevert. Een ideale plek dus voor onze lunch, al is het nog wat aan de vroege kant. Maar verder zal er vandaag geen schaduw meer te vinden zijn. Opnieuw komen de styrofoam bakjes tevoorschijn. Een wat ouder vrouwtje probeert ons te interesseren in de aanschaf van zakjes met kleine dierenbotjes. Die worden hier gebruikt om de toekomst mee te voorspellen, zo begrijpen wij, maar ook om gewoon spelletjes mee te doen, bij wijze van dobbelstenen.

Even verderop zien we nog een openluchtstal. Die zie je wel meer in Mongolie. Twee lange stokken in de grond waar langs de bovenkant een touw gespannen is. Aan dat touw zijn weer een paar paarden gebonden.

In de middag wordt het steeds heter. Marieke's thermometer wijst op een gegeven moment veertig graden aan, tot ontzetting ook van Bugo. En dat terwijl het hier in de winter wel veertig graden kan vriezen. Merkwaardig klimaat. Tot nu toe hebben we het eigenlijk nog behoorlijk getroffen; tot nu toe was het nog ongewoon fris voor de tijd van het jaar. Maar nu slaat de hitte toe. Het eerste slachtoffer is onze motor. Bugo zet het busje aan de kant, voorzover je hier van een kant kunt spreken, als de motor kookt. Een uurtje later kookt de motor alweer. Opnieuw gaat het busje aan de kant. Dat geeft ons ook mooi de gelegenheid om even af te koelen. Inmiddels plakt alles aan ons lijf. Het is hier ontstellend vlak en er staat een stevig windje, dus doen wij bijna al onze kleren uit om een en ander droog te laten wapperen. Bugo vindt het weer bijzonder vermakelijk allemaat.

In de bus is nog weinig water over en wij beginnen ons zo langzamerhand zorgen te maken. Er zou een fles per persoon per dag moeten zijn, maar daar komen we lang niet aan. Bij navraag laat Nara weten dat we maar even bij de andere busjes moeten informeren, maar die zitten grotendeels met hetzelfde probleem. Voor alle zekerheid hadden wij bij de laatste winkel gelukkig allebei al een reservefles aangeschaft. Die gaat er nu aan.

We bereiken het volgende ger-kamp. Deze ligt in de bergen. Het is even wachten op informatie over de indeling van de tenten, onze gids staat nog een verfrissend blikje 7-Up te drinken, maar dan worden wij de juiste kant op geleid. Dit keer blijken we weer de beschikking te hebben over een hele ger met ons tweeën. Merkwaardig genoeg beschikt men hier over driepersoons gers. De tenten zijn half tegen een heuvel aangeplakt.

Bij de ingang staat een groot rond gebouw. Dat is de bar annex restaurant, met een grote ronde tafel in het midden. Uitgeput ploffen wij neer. De koelkast is al snel leeg. Fris in blik is er niet meer, nog wel een literpak vruchtensap. Het water dat hier in flessen wordt verkocht heeft een bijzonder onaangenaam bijsmaakje.

Na deze verfrissing maken Marieke en ik nog een korte wandeling in de omgeving. Het is nog steeds loeiheet. We klauteren een berg op net achter het gerkamp. Te linker zijde zien we de ruines van een tempel, Ongiin Khiid. Te rechter zijde zien we de doorgaande weg slingeren door een prachtig gebied met rotsen, roofvogels en grillige bomen. We kiezen voor de rechter zijde. De bomen hebben hun wortels voor een groot deel boven de grond, en zijn verbazend groot en groen. De stammen zijn grillig gevormd en lijken een rechtstreekse uitbreiding van de wortels. Marieke gaat al snel weer terug, wegens vermoedheid en grote hitte. Ik loop zelf nog een klein eindje door. Het begin van de vallei blijkt echter verreweg het mooiste stuk, dus maak ik ook al snel rechtsomkeert.

Terug in het kamp neem ik een douche. We gaan vanavond om 8 uur eten, zo is inmiddels doorgekomen. De lucht begint er wat dreigend uit te zien. In de verte klinkt gedonder. Gelukkig is de douche warm. In onze tent krijgen we bezoek van een reisgenoot. Van hun chauffeur hebben ze een grote anderhalve literfles airag meegekregen. Wij mogen ook een slok. Airag is een drankje dat door de Mongolen in onwaarschijnlijk grote hoeveelheden wordt gedronken. Het is gefermenteerde paardenmelk, en bevat zo'n 3% alcohol, al is er ook een versie waarbij men dat percentage door verder destilleren heeft weten op te krikken tot 12%. De meeste buitenlanders vinden airag buitengewoon onsmakelijk, maar wij vinden dat er nog wel door heen te komen is. Het is vooral een psychologische drempel waar je overheen moet. Het heeft wel iets van geitenkaas, zo vinden wij.

Op het menu staat vanavond schaap. Op zich is dat niet heel erg verrassend. Ze hebben de beste stukken voor mij bewaard, want in mijn portie zit buitengewoon veel vet. Ik hou ongeveer de helft aan echt vlees over. De stukken vet laat ik toch maar liggen. De Mongolen beschouwen dat juist als het beste gedeelte van het schaap. Hoe meer vet, hoe beter. Er moet immers een flinke reserve gekweekt worden voor de strenge winter die er onherroepelijk weer aan gaat komen. We krijgen een uitgedroogd cakeje na. Er is ook een avond­programma, zo vernemen wij op de valreep nog van Nara. Na het eten gaan we de ruïnes van het klooster bekijken, dat wij op onze korte wandeling vanmiddag nog te linkerzijde van ons zagen liggen. Aanvankelijk was het eigenlijk ook de bedoeling om ze vanmiddag al met de groep te bekijken, maar toen was het te warm.

En zo trekken wij om negen uur des avonds, de zon is al bijna onder, in de richting van de ruïnes. Er zitten hier buitengewoon veel kikkers, zo merken we onderweg. Verder schieten wij foto's van de zonsondergang. Onderweg naar de ruïnes worden wij al begroet door een paar kinderen. De ruïnes zelf zijn niet bijzonder boeiend, maar het blijkt dat hier net, sinds 22 juli jongstleden weer een nieuw klooster is geopend en dat is wel leuk. Er worden nu een handjevol hele jonge monniken opgeleid die wonen in de twee gers die wij zojuist passeerden. Sinds een paar weken hebben ze dus een gebouwje tot hun beschikking. Alle monniken in opleiding worden speciaal voor ons opgetrommeld om een ceremonie op te voeren, vier aan elke kant van de zaal, met grote gong en ander instrumentarium. Muziek en tekst zijn ze niet nodig, ze kunnen het al uit hun hoofd. Tegen geringe meerprijs mogen we hier wat foto's maken. Dat doen we massaal. De jongen met de gong aan de rechterkant krijgt aanvankelijk alle aandacht, totdat het jongetje tegenover hem begint te protesteren dat hij ook op de foto wil. Uiteindelijk zet ik iedereen maar op de foto.

We bekijken nog de ruïne van een toren en verlaten dan als twee van de laatsten het terrein weer. Nara heeft zojuist een slang gezien, zo laat ze weten. In het donker lopen we weer terug naar het gerkamp. Niet lang nadat we terug zijn staat Bugo enthousiast voor de deur. Airag! Airag! Ook hij heeft een plastic waterfles tjokvol met airag meegenomen. Wij nemen maar weer een paar flinke slokken en gaan op verzoek van een enthousiaste Bugo mee naar onze busgenoten, die ook een flinke slok mogen, al zijn ze daar niet onverdeeld gelukkig mee. Daarna gaan we slapen.


Maandag 9 augustus 2004


Als we wakker worden, regent het flink. Het is ook stevig afgekoeld. Het ziet er mistroostig uit buiten. Na een douche gaan we aan het ontbijt, dat deze ochtend voorzien is van worstjes en tonijn uit blik. Regen, regen, zegt Bugo in het Mongools als we in het busje stappen. Hij is zelf al helemaal doorweekt.

Voorzichtig gaan we op pad. Het is inderdaad behoorlijk afgekoeld, zo blijkt in een dorpje bij een tankstop. Inmiddels is het nog maar een graadje of 13. Wel is het nu opgehouden met regenen. Wij verbazen over de vooroorlogse pomp die hier staat, en over het parkeerbordje dat midden op de vlakte plotseling opduikt. Niet dat er echt gebruik wordt gemaakt van die parkeerplaats, overigens.

Als we verder rijden wordt het landschap langzamerhand frisser en fleuriger. Er is ook weer water in de bus, door Nara persoonlijk aangeschaft in het dorpje met het pompstation. Het is een mooi landschap waar wij onze lunch gaan gebruiken. Een paarse bloemenzee duikt plotseling op met daarachter groene weiden en bergen in de verte. De styrofoam bakjes komen weer tevoorschijn, dit keer gevuld met dumplings. Erg lekker. Op hetzelfde weiland waar wij staan te lunchen, zijn ook een paar kinderen aan het spelen. Ze rijden paard, zonder enige moeite, zoals elke Mongool. Het jongetje is vier, het paard een, wordt gemeld als er een jonge ruiter voorbijdraaft. Wij maken massaal foto's van de kinderen.

Op de grond ligt een lang stuk touw, aan één kant vast in de grond, waar het paard straks weer aan vastgemaakt kan worden. Spontaan beginnen wij te touwtrekken met de kinderen. Vinden ze wel lollig. Wat later begin ik het touw rond te draaien. Iemand anders pakt de andere kant en een paar Nederlanders gaan touwtje springen. Daar staan de Mongoolse kinderen wat vreemd van te kijken. Maar het duurt niet lang of het blijkbaar grootste lefgozertje probeert het ook. Dat gaat niet helemaal goed. Maar na nog een paar keer voordoen en oefenen begint het redelijk te lukken. Een keer of vijf weet het jongetje al te springen, onder luid gejuich van de omstanders. Een kleiner jongetje begint het ook door te krijgen, al gaat die consequent op zijn hurken zitten na elke sprong.

De vader van de kinderen komt een kijkje nemen. Ook hij slaagt er in een paar keer succesvol in het ronddraaiende touw te springen. Bugo kan natuurlijk niet achterblijven, nadat ik hem geroepen heb. Wij vermaken ons nog lang met z'n allen. Ondertussen is een kudde geiten de onderkant van onze busjes aan het opeten. De kinderen beginnen steeds beter door te krijgen wat de bedoeling is, en proberen nu ook het ronddraaien van het touw over te nemen. Uiteindelijk krijgen ze het zelf voor elkaar. Onze taak zit er hier op. We kunnen gaan. Het zal niet lang meer duren voordat touwtjespringen kan worden bijgeschreven op de lijst van Mongoolse nationale sporten, naast het traditionele worstelen, boogschieten en paardrijden.

We rijden verder. Het is hier weer groen en heuvelachtig. Bugo stuurt plotseling de weilanden in als hij een groep yaks heeft ontwaard. Onder zijn leiding lopen we in hun richting. Mooie beesten, groot, imposant, met veel haar. Er zijn hier ook paarden. De mensen in de andere busjes waren er getuige van hoe de paarden werden gemolken, zo horen wij later.

Ineens hebben wij weer asfalt. Het lijkt hier de bewoonde wereld wel. In de loop van de middag bereiken we onze eindbestemming: Karakorum, tegenwoordig beter bekend als Kharkhorin. Ooit door Gengis Khan uitverkoren om als hoofdstad van zijn rijk te fungeren, al heeft hij zelf niet meer mogen mee maken dat het ook daadwerkelijk zo ver kwam. Helaas is er van die legendarische stad vrijwel niets meer over. Wel is hier nog een klooster, Erdene Zhuu, en ook best wel historisch. Het is was het eerste Boeddhistische klooster van Mongolië, waarvan de bouw al in 1586 begon, op de resten van het oude Karakorum. Al heeft het daarna nog wel een slordige 300 jaar geduurd voordat het ding echt helemaal af was. Inmiddels is het al weer grotendeels verwoest door Mantsjoeren en Sovjets. Om het klooster heen staat een muur met 108 stupas. Binnen het terrein groeit veel gras. Ons gerkamp is letterlijk tegenover het klooster, op een paar meter afstand. Een nieuw kamp, dat nog niet in onze Lonely Planet staat. Wij hebben even de tijd om onze tent te betrekken en onze spullen te dumpen, en gaan dan met z'n allen naar het klooster.

Het is niet erg druk in het klooster. Er zijn niet veel andere toeristen en ook, en dat is vooral jammer, geen pelgrims. Een vriendelijke mevrouw leidt ons rond en vertelt bij ieder beeld precies wie het is en waar deze godheid bescherming tegen bood. Op den duur gaat dat wat vervelen. Sowieso is er eigenlijk niet heel veel te zien in het klooster. Het meeste is verdwenen en wat er nog wel is, is niet heel spectaculair. Het mooiste is eigenlijk nog de muur met de stupa's, die fraai tegen de bergen afsteekt. Er wordt hier nog wel wat geofferd. Tot mijn verrukking zie ik tussen de offergaven een biljet van 1 tögrög. Dat is een-veertiende eurocent.

Langs de achterkant verlaten we het klooster weer. Daar is een kleine souvenirmarkt, waar ook niet veel omzet gehaald wordt. Een eindje verderop is een stenen beeld van een schildpad. Historisch, want vroeger stonden er vier schildpadden langs de buitenpoort van Karakorum, waarvan er nog twee over zijn. Er een daarvan is deze. Een van de laatste overblijfselen van het oude Karakorum dus.

Voordat we gaan eten hebben we nog even de tijd. We lopen een eindje in noordelijke richting, naar het dorpje dat tegenwoordig Kharkhorin is. Daarvoor moeten we eerst een stuk door een weiland, en vervolgens een stuk naar het oosten waar een brug is over de rivier die onze weg blokkeert. Op de vier hoeken van de brug staat een draak die ons zal beschermen tegen al het kwade terwijl wij de brug passeren.

Het dorpje is desolaat en deprimerend. Een breed zandpad vormt de hoofdweg. Verder staan alle huizen achter hoge houten hekken. De huizen, opgetrokken uit hout, staan er behoorlijk vervallen bij. Er is vrijwel niemand op straat. Het heeft iets van een spookstadje. Het lijkt er aanvankelijk haast op dat hier bijna niemand woont, maar hier en daar zien we toch duidelijk tekenen van bewoning. Door de weilanden lopen we weer terug. De lucht boven de bomen in de verte begint al rood te kleuren van de zonsondergang.

Als we weer terug zijn in onze ger steekt een bekende zijn hoofd om de deur. Het is de gids die ons destijds in Ulan Bator van de trein heeft gehaald. Hij is hier als gids van de Groene Route, wat een andere mogelijke uitbreiding van een week van onze reis was. Op die rit blijken maar drie mensen meegegaan te zijn.

Aan het begin van ons gerkamp staat een enorme ger opgesteld, zeker een paar keer zo groot als alle andere gers. Het blijkt onze restaurantger. Na binnenkomst komen we in een grote open ruimte, met recht voor ons een ietwat kitsch beeld van Gengis Khan gezeten op zijn troon. Langs de wanden staan tafels waar we de maaltijd kunnen gebruiken. Het is hier wel wat kil. Tot onze verbazing eten we vanavond schnitzel. Niet eens van schapenvlees. En het smaakt ook nog. In de categorie flora en fauna haal ik voor het slapen gaan nog een flinke kikker uit het herentoilet.


Dinsdag 10 augustus 2004


Om een uur of half zeven ben ik wakker om naar het toilet te gaan. Als ik naar het gebouwtje loop, blijkt er een prachtige zonsopkomst gaande, pal boven de stupa's van het klooster. Verrukt ga ik terug naar de ger om mijn camera te pakken. Nog in mijn pyama en slippers loop ik een flink eind door het bedauwde grasveld richting klooster, waar de zonsopkomst alsmaar mooier wordt. Ik kom niet meer aan slapen toe.

Ook het ontbijt wordt gebruikt in de grote Gengis ger-tent. We krijgen vanochtend boterhammetjes en maar liefst twee gebakken eitjes. Het kan niet op. Dan rijden we weer verder. Bugo heeft er weer zin in vandaag. Net voor we de stad uit zijn, moet hij nog even tanken. Dat heeft hij onderweg al eens vaker gedaan, maar toen deed hij dat uit een van een hele batterij jerrycans die achter in het busje ligt. Nu gebeurt het gewoon bij een pompstation. Als we weer weg rijden, hoort Bugo blijkbaar iets. "Ohohoh" laat hij zorgelijk weten, springt uit de bus en loopt naar de voorkant. Al snel is hij terug. "Pssst. Hoppa.", meldt hij bedrukt. Inderdaad, een lekke band. Samen met een chauffeur van een ander busje wordt de band vervangen. Dat gaat zeer vlot. Niet veel later kunnen we weer verder.

We rijden opnieuw over een asfaltweg, maar zo af en toe is die van een dusdanig belabberde kwaliteit dat wij ons afvragen of het misschien niet verstandiger was geweest om het gewoon bij een zandpad te laten. Bugo lijkt er net zo over te denken. Hij houdt een korte plaspauze en neemt daarna weer een andere route dan de rest. We rijden over een zandpad dat min of meer parallel loopt aan de asfaltweg.

In een dorp houden we een lunchstop. De plaatselijke garage heeft Hollywood-allures, getuige de reclameletters die bovenop de heuvel zijn geplaatst. Vlak voor ons is een restaurant dat zich enthousiast afficheert als zijnde een fast-food restaurant, maar wij slaan linksaf. Daar is een restaurant met terras. Dat terras is echter al ingenomen door de mensen in de andere busjes die hier eerder aangekomen zijn. Wij gaan naar binnen. In no-time hebben we ons eten. Op het menu staat vandaag rundvlees, best wel smakelijk. Na het eten klauter ik, in navolging van Marieke, de Hollywoodberg op vanwaar je een fraai uitzicht hebt. Twee meisjes bij de garageletters willen graag op de foto.

We rijden verder. Wij weten uit het programma dat de eindbestemming voor vandaag het Hustai Nationaal Park moet zijn, maar hoe en wat is allemaal nog een beetje onduidelijk. Af en toe wijst Bugo al eens enthousiast in de richting van waar we blijkbaar heen moeten. We gaan van de weg af en duiken de groene bergen in. Na nog een kwartiertje duikt er een flink gerkamp op. De eindbestemming. Het kamp ziet er professioneel uit en is voorzien van een informatie-ger en zelfs een conferentie-ger.

De tenten worden verdeeld. Aanvankelijk worden Marieke en ik met z'n tweeën geplaatst in een tent met een twee- plus een eenpersoonsbed, maar het lijkt ons dat andere mensen daar meer aan hebben. We ruilen dus met de Nieuw-Zeelanders waardoor wij in een tent komen met Simone en Albertus, afkomstig uit Onnen, onder de rook van Haren. Verder is het volstrekt onduidelijk wat er allemaal gaat gebeuren. Het is hier een Nationaal Park, dus zal er vast wel iets te doen zijn. Het schijnt ook dat je hier kunt paard rijden, maar hoe dat precies in zijn werk gaat is ook al onduidelijk.

Eerst maar eens water kopen. Niet ver van onze ger is een restaurant. Er hangt ook een plattegrond van het park. Nuttig. In de eigenlijke restaurantzaal zitten een paar mensen. Aan een tafeltje is iemand een Mongool Engelse les aan het geven. Aan een ander tafeltje is iemand anders een andere Mongool Duitse les aan het geven. Als we bij de koeling staan, komt er een mevrouw uit de keuken gehobbeld. Er wordt uitgebreid geschutterd over wat wij willen en over hoeveel dat kost. Aanvankelijk willen wij twee flesjes, maar daarvoor heeft mevrouw te weinig wisselgeld. Ook goed, nemen we gewoon drie flesjes, maar nu krijgen we te weinig wisselgeld. Geen probleem, dan blijkt het water gewoon iets duurder zodat we wel genoeg wisselgeld blijken te hebben gekregen.

Eerst maar een kopje thee in de ger. Ineens ziet Albertus een flink uit de kluiten gewassen Eng Beest. Op de foto! roept Marieke enthousiast. Een beest van hetzelfde soort hebben we eerder al buiten gezien, maar we hadden ze niet in de ger verwacht. Het blijkt een zadelrugsprinkhaan, zo leren wij later. Het beest is zwart, heeft een harde rug, lange voelsprieten en is blijkbaar verwant aan de sprinkhaan. Dat is nogal merkwaardig, want het springt voor geen meter. Wij schieten een paar kiekjes, waarbij we het beestje langs de meetlat leggen die op de laatste pagina van de Lonely Planet staat. Toch een goeie 10 centimeter, inclusief voelsprieten dan.

Daarna willen wij een wandeling maken. Dat kan nog keurig voor het eten, zo vinden wij. De plattegrond in het restaurant doet vermoeden dat we in zuid-oostelijke richting moeten lopen om iets te zien te krijgen. Inmiddels heeft Simone uitgezocht hoe en waar er paard gereden kan worden. Helaas zijn er maar vier paarden op voorraad, die om 5 uur al door anderen gereserveerd zijn. Om 6 uur heeft ze een afspraak.

Wij trekken in zuid-oostelijke richting. De weg is breed en nogal saai. Om ons heen zien we glooiende groene bergen, maar veel variatie zit daar ook niet in. Na een kwartiertje lopen maken we rechtsomkeert. Dan gaan we straks nog maar een rondje paard rijden, als dat tenminste nog mogelijk is.

Het Hustai Nationaal Park, zo hebben we inmiddels geleerd uit ons boekje en van het informatiecentrum, is een park waar het Przewalski-paard weer in zijn natuurlijke habitat in het wild wordt terug gebracht. Het park is gesticht door een paar Nederlanders, die de paarden vanuit de Ooijpolder hierheen hebben gebracht.

Om zes uur melden we ons bij de paardenverhuur. Het was leuk, horen we van de mensen die al geweest zijn. Momenteel zijn er geen paarden. Een Belgische komt zich melden en vertelt dat ze ook al een paard gereserveerd had. Slecht nieuws voor ons, want dat hadden wij nog niet. Wij wachten maar rustig af. Vanuit de verte komt de man met de paarden aan galopperen.

Het is lang onduidelijk hoeveel paarden er zijn, en voor wie. Marieke vindt het wel prima zo en besluit om niet te gaan paardrijden. Maar ik ben inmiddels al zo ver gekomen dat ik nu eigenlijk toch wel wil. Als ik dan toch ga, wil Marieke eigenlijk ook wel. Uiteindelijk blijkt er nog maar één paard over, dat Marieke ruimhartig mij ter beschikking stelt.

Het is mijn eerste paard, dus dat is even wennen. Maar als ik eenmaal wat ontspannener zit, gaat het een stuk beter. Onder begeleiding van een parkwacht trekken wij de heuvels in. Albertus en ik worden op sleeptouw genomen door de parkwacht, Simone mag wegens grote ervaring alleen rijden. Verder rijdt er een meisje mee dat student blijkt te zijn op de Landbouwuniversiteit Wageningen, en vier maanden in dit park doorbrengt om het dieet van de wolf te onderzoeken. Dat gaat via het haarfijn napluizen van de uitwerpselen van het beestje.

Terwijl wij door de heuvels sukkelen, zien we ineens een enorme marmot lopen. Ik denk eerst nog dat het een wat klein uitgevallen kat is, maar dit is hem dus, de beroemde Mongoolse Marmot, waarvan ze er hier meer hebben dan mensen. Inmiddels zijn we er ook in geslaagd om enige communicatie met de parkwacht tot stand te brengen. Mijn paard heet GerBer, zo begrijp ik. Later hoor ik daar toch ook nog een 't' achter, en begrijp ik dat het beest echt Herbert heet. De Nederlandse invloeden zijn hier groot. Het paard van Albertus heet Sierd. Na een tochtje van een drie kwartier zijn we weer terug in het park. Het was leuk. Bij de parkmanager, die uitstekend Engels spreekt, rekenen we ons tochtje af.

Als we met z'n allen in het restaurant aankomen, zijn we ietwat ontstemd dat het zo donker is. Kan er hier geen lampje aan, of hoe zit dat? Pas de volgende dag komen we er achter dat dat inderdaad niet mogelijk was, aangezien er waarschijnlijk de elektriciteit even was uitgevallen. In de loop van het diner worden we nog voorzien van een kaarsje. Wij eten vanavond zomaar een kippepootje, dat nog lekker is ook en duidelijk niet afkomstig van een schaap.

Na het eten is er nog een agendapuntje, zo blijkt nu. We gaan vanavond nog met de bussen paardjes kijken. Tegen zonsondergang komen die paarden massaal naar het dal om daar te drinken. Voordat we vertrekken, maken we eerst nog een groepsfoto van onze bus en haar berijders. Het is een kwartiertje rijden naar de drinkplek van de paarden, over een zandpad met flinke kuilen. "Big hoppa!!!" waarschuwt Bugo als er een bijzonder ernstige kuil aankomt. Dan zijn we op de plaats van bestemming. Net even beneden ons, een eindje verderop, staan twee groepjes paarden te grazen. Mooi gezicht. Dat zijn ze dus, de wilde Przewalski. Bruine rug, witte buik. Het is hier stil, iedereen houdt zijn mond uit angst de paarden te verjagen. Bugo loopt een eindje het veld in en gebaart ons heftig om hem te volgen. Met z'n zessen sluipen we achter hem aan. Bugo weet het beste plekje te vinden om de paarden te bekijken. Gespannen kijken wij toe. Een mevrouw van het park komt langs om het een en ander uit te leggen en onze vragen te beantwoorden. We lopen terug en stappen in ons busje. Niet lang nadat we vertrokken zijn, spotten we nog een groepje paarden. Dan rijden we terug naar het kamp.


Woensdag 11 augustus 2004


Het is een onrustige nacht. Er staat een stevige wind en zo nu en dan heb ik het gevoel dat ik zo'n beetje mijn bed uit waai. We hebben vandaag niet veel haast meer. Het enige wat we nog hoeven is terug rijden naar Ulan Bator, en dat is niet ver. Het ontbijt gebruiken we om negen uur. Er is een uitgebreid ontbijtbuffet. De Nederlandse invloed is hier duidelijk te merken, met Goudse kaas en chocoladepasta. Aan een tafeltje verderop zit een groepje mensen dat duidelijk herkenbaar is als biologen.

Voordat we vertrekken, treffen we voorbereidingen voor een afscheidscadeau voor Bugo. Naast een financiële bijdrage verzamelen we mijn taalgidsje Mongools, Marieke's kompas-annex-thermometer-sleutelhanger, en een T-shirt van Roel. Daarnaast hebben onze busgenoten een ansichtkaart van Nederland waar al onze namen op komen plus een tekening van een bus die bijna een kuil in rijdt en van waaruit "Hoppa!" wordt geroepen.

Om tien uur vertrekken we. Zoals we inmiddels gewend zijn, rijdt Bugo aanvankelijk weer achteraan, maar weet hij door een handige route te kiezen en zonder overdreven veel haast toch weer als eerste aan te komen. Het is nog maar een goede twee uur rijden naar het Peace Bridge Hotel in Ulan Bator. Dit keer komen we via een heel andere kant de stad binnen, zodat we merken dat de stad ook een vieze, smerige en vervallen kant heeft. Bugo zet ons om twaalf uur keurig voor de deur van het hotel af. Wij nemen met weemoed afscheid en overhandigen onze cadeaus. Op het eerste gezicht reageert hij daar niet echt op, behalve een bescheiden "Thank you", maar dat zal de cultuur zijn.

In de lobby van het hotel is het weer een gezellige chaos. Iedereen moet weer een kamer, onze overige bagage moet uit de bagageruimte gehaald worden, en we krijgen onze treintickets voor morgen. Uiteindelijk verloopt een en ander soepeltjes. Het is een heel aardig hotel, best wel luxe, zeker na alle gers van de afgelopen week. Als we boven komen, is men nog druk bezig om onze kamer in orde te maken.

We blijven niet al te lang in het hotel rond hangen, want we hebben nog een flink stuk van Ulan Bator te zien. Dat gaat te voet, waarvoor we eerst over een groot viaduct moeten lopen, de Peace Bridge. Vandaar de naam van het hotel. Na een korte wandeling, via een stuk van de stad dat we nog niet hebben gezien, zijn we weer in het centrum. We belanden in een aardige wandelpromenade.

In een zijstraat zien we een Chinees restaurant, dat er op het eerste gezicht niet direct heel aantrekkelijk uitziet. Bij Chinese restaurants is dat vaak een goed teken, we gaan dus naar binnen. Een vriendelijke Mongoolse mevrouw laat ons binnen en geeft ons de kaart. Van harte welkom. Zo van binnen ziet het er best nog wel aardig uit, trouwens. We bestellen weer een flinke hoeveelheid eten die opnieuw erg lekker blijkt en meer dan wij op kunnen. Voordat we afrekenen ga ik nog even naar het toilet. Ik kom door een achterzaaltje waar twee mannen zitten. Een van hen blijkt de eigenaar. Welkom en dank voor uw bezoek, laat hij vriendelijk weten. Hij vraagt waar wij vandaan komen. Ah, uit Nederland. Hij is zelf wel eens in Amsterdam geweest, maar alleen om over te stappen. Hij is zeer vereerd met ons bezoek. Was het eten lekker? Het eten was erg lekker, antwoord ik in het Chinees. Nu is hij helemaal verguld. Dank, dank. Ben ik wel eens in China geweest? Ik doe mijn verhaal. Nogmaals, hij is zeer vereerd met ons bezoek. Dank. En welkom. Ik ga terug naar het restaurant en we vragen de rekening. Tot onze ontsteltenis bedraagt die iets meer dan vier euro. Wij betalen en worden door de serveerster nogmaals bedankt. En welkom geheten.

Het is de hoogste tijd om weer eens het internet op te gaan. Dat is immers alweer een week geleden, dus onze weblog is aan een grondige update toe. We nemen een kijkje in het Zanabazar museum voor moderne kunst. Mensen uit onze groep hadden daar een mooie plattegrond van Mongolie aangeschaft, maar helaas, in de winkeltjes bij de ingang van het museum kunnen we die niet vinden. Eerst dan maar weer een flesje vruchtensap op hetzelfde terras waar we dat een week geleden ook genuttigd hebben. Daarna gaan we weer naar de State Department Store. Marieke wil ook wel zo'n schaakspel als ik een week geleden heb aangeschaft, en inmiddels zijn die weer op voorraad. Ook kopen wij hier een plattegrond van het land. Beneden zetten we een aantal Amerikaanse dollar om in Chinese yuan. Het is even heel hard rekenen om er achter te komen of we een fatsoenlijke koers krijgen, want van Chinese Yuan moeten we via Mongoolse Tögrög omrekenen naar dollars, die vervolgens weer omgezet dienen te worden naar euro's. Dat lijkt redelijk. Nadat we hebben gewisseld komt een bezorgde Mongoolse meneer ons op het hard drukken dat we hier toch vooral niet moeten wisselen. Veel te slechte koers.

Tijd om uit te puffen. Op een klein terrasje met een vriendelijke ober net naast de State Department Store drinken we een flesje wortelsap. Dat staat tenminste op het flesje, maar de inhoud smaakt best wel. Wij hebben hier een fraai uitzicht op iedereen die het warenhuis in en uit gaat. Zo af en toe rijdt een taxi voor. Ook zien we zo nu en dan wat straatkinderen. Dat schijnt een enorm probleem te zijn in Ulan Bator. Na het instorten van het communisme zijn veel weeskinderen op straat terecht gekomen. In de strenge winters leven ze vooral in de ondergrondse riolen van de stad.

Wij slenteren verder op zoek naar een volgend terras. Dat vinden we bij wat later best wel een sjiek restaurant blijkt te zijn. Wij gebruiken twee kopjes Lipton thee met citroen. Daarna slaan we wat proviand in voor de lange treinreis die morgenochtend aanvangt. Op weg terug naar het hotel kunnen we de verleiding niet weerstaan als we net voor de Peace Bridge een restaurant zien dat adverteert met cappuccino. Wij hebben daar nog net genoeg geld voor, zo besluiten we. In het restaurant liggen ook wat kranten, waaronder een Engelstalige Mongoolse krant van een paar weken geleden. Geamuseerd nemen we deze door. Op de sportpagina staat een uitermate hilarisch verslag van een cricketwedstrijd in de stad, die aanvankelijk wat vertraging opliep omdat er maar één team was komen opdagen, en nog een uur te laat ook. Aan de grote reclameborden aan de overkant van de weg zien wij dat Ulan Bator zelfs beschikt over een IKEA.

We zijn uiteindelijk wat laat terug in het hotel, waar we in de hotelwinkel ons laatste Mongoolse geld omzetten in ansichtkaarten. We komen onze busgenoten tegen die ons uitnodigen om in de bar nog iets te gaan drinken maar helaas, we moeten nog inpakken en daar zijn we even mee bezig. Het is al na half twaalf als we gaan slapen. Het hotel heeft zulke zachte bedden dat je je voelt als de jus in een kuiltje stamppot.