Zondag 30 juli 2006


Inmiddels hebben we besloten om toch maar weer niet naar Base Camp te gaan. Het is een rit van in totaal 20 uur, plus nog een paar nachten in Shigatse en dat is toch wel heel wat om alleen maar die berg te zien. Bovendien hebben we er niet echt vertrouwen in dat het ook allemaal echt goed komt als we vertellen wat onze wensen zijn. We gaan vandaag dus maar in een ruk terug naar Lhasa. 's Ochtends lukt het om voor vanavond een kamer in het Yak hotel te boeken, gisteravond was dat nog niet gelukt, dus we kunnen met een gerust hart die kant op.

Eerst maar eens een ontbijtje aan de overkant. Dit keer bestellen we twee extra hardgekookte eieren. Voor onderweg. We gaan terug naar het hotel om uit te checken en beloven dat we dit keer echt niet meer terug zullen komen. Met onze bagage gaan we de straat op en lopen we naar het kruispunt waar we een paar dagen geleden uit de taxi zijn gestapt. Een man wijst naar verderop als hij hoort dat we naar Shigatse willen. We denken eerst dat de man daar zijn minibusje heeft staan, maar het blijkt gewoon een hulpvaardige voorbijganger.

Een kruispunt verderop staan een paar minibusjes. Een man wil ons wel voor 30 yuan in een tjokvol minibusje vervoeren. Dat geloven wij graag. Een taxichauffeur doet het ook voor 30. Ik zet in op 20 en we worden het eens op 25. Op de achterbank zitten al twee mensen, maar dat is geen enkel probleem. Een van hen schuift gewoon wat naar voren zodat ik daar half achter kan. En ach, het is ook maar anderhalf uur. De achterbankers vinden het wel leuk, twee van die buitenlanders.

We komen aan op het busstation van Shigatse. Ik betaal de chauffeur en vertel hem dat we nu naar Lhasa willen. Geen probleem, hij brengt ons naar de juiste bus. Een klein exemplaar dit keer, met zo'n 30 zitplaatsen. Onze bagage krijgt een eigen vakje aan de voorkant van de bus. De chauffeur vraagt of wij passen hebben. Later zal blijken dat hij waarschijnlijk kaartjes bedoeld. We gaan in de bus zitten. We hebben geen idee wanneer die vertrekt, maar de bus is nog behoorlijk leeg, dus dat kan nog even duren. Ik loop wat rond en koop broodjes en drinken bij een winkeltje verderop. Dat jongetje dat in de bus kwam om te bedelen kunnen we helaas niet meer terug vinden, en dus ook geen broodje geven.

Er stappen een aantal Chinezen in de bus die Engels spreken. De oudste komt uit de Verenigde Staten, vertelt hij later. Ze lopen allemaal met buskaartjes te zwaaien. Blijkbaar is het toch de bedoeling dat je die van tevoren al koopt. Men beaamt dat dat inderdaad wel eens verstandig zou kunnen zijn. Ik loop naar het loket. Met behulp van wat jonge Chinezen weet ik de man duidelijk te maken dat we met de eerstvolgende bus naar Lhasa willen, vooral ook omdat we daar al in zitten. Ik krijg de kaartjes. Iemand loopt met me mee en knipt de kaartjes af in een automaat voor de uitgang.

Nu blijkt de man mij wel stoelen 20 en 21 te hebben verkocht, twee raamplaatsen aan weerskanten van de bus. Als iemand kom gebaren dat ik op haar plaats zit, wijs ik op de nummers op de kaartjes, vervolgens op de stoelen die daarmee corresponderen, en trek ik een zielig gezicht. De boodschap komt over. We weten nu ook hoe laat de bus vertrekt. Een uur, staat op de kaartjes. Dat is over twintig minuten.

Als het een uur is, is de bus ook vol. We rijden dezelfde route waarlangs we een weekje geleden ook hier gekomen zijn. Alleen zitten we nu aan de andere kant, waardoor we de wereld toch weer heel anders zien. Nou ja, aan dezelfde kant van de bus, maar dus aan de andere kant van de weg. Carina weet zelfs zo af en toe een yak te spotten. De weg is in die week een stuk slechter geworden, maar dat zou ook met de vering van de bus te maken kunnen hebben. De chauffeur gunt ons zo af en toe een hele korte plas- of meloenkooppauze, waarin we ook een foto kunnen maken.

Even na vijven zijn we op het busstation van Lhasa, waar inderdaad nog een kamertje voor ons is. In de dure vleugel, in het gebouw waar ook de receptie gehuisvest is. In deze kamer is alles net even sjieker dan in de kamers waar wij voor die tijd gezeten hebben. Zo is er een waslijntje in de badkamer, al lijkt ons dat je daar in de goedkope kamers eigenlijk meer aan hebt. Onze kamer zit recht tegenover de trap, en aan de straatkant, wat wel wat verkeerslawaai oplevert. We zitten pal naast het Yak Hotel bordje. 's Avonds eten wij in het vertrouwde Dunya restaurant, waar ben blij verrast is ons weer terug te zien.


Maandag 31 juli 2006


We zullen de komende week nog in Lhasa blijven, of althans, de stad als uitvalsbasis gebruiken. Alles wat we nu nog in Tibet zouden willen zien is het handigst te regelen vanuit Lhasa. Maar eerst moeten we maar eens bijkomen van de vermoeienissen van de afgelopen dagen. Vandaag doen we het dan ook rustig aan en gaan we wat plannen voor de komende week. 's Ochtends om negen uur eerst maar eens naar de receptie om een nachtje bij te boeken. Het is ook verstandig om dat om klokslag negen uur te doen, want dan komt de manager en anders heb je kans dat er geen kamer meer is. Daarna ontbijten we op het dakterras.

Als we terug komen van ons ontbijt blijkt men net bezig om onze kamer schoon te maken. Dat geeft ons de gelegenheid om bij reisagent langs te gaan. Wij willen graag naar Nam-Tso, een meer ergens hoog in de bergen. Probleem is echter dat dat meer op 5000 meter ligt, en dat het de gewoonte is om daar dan ook te overnachten. En dat is veel te hoog voor ons. Volgens het boekje is het 5-6 uur rijden, dus dat lijkt ook te ver voor een dagtocht. Wij vragen het reisbureau om mogelijkheden. Volgens hen is het slechts 4-5 uur rijden, afhankelijk van de toestand van de weg. Een dagtocht zou dus wel degelijk kunnen. Maar een ander mogelijkheid is om te overnachten in Dunxuang, op 66 kilometer van het meer, en op nog geen 4000 meter hoogte. We zouden dan morgen naar het meer kunnen rijden, terug naar Dunxuang, en overmorgen van Dunxuang terug naar Lhasa. Dat lijkt ons een goed plan. Hij belt een chauffeur en die heeft nog tijd.

Dan moeten we nu geld zien te halen om deze trip te betalen. We lopen naar de Bank of China even verderop. Dat de rechter pinautomaat het niet doet, dat wisten we inmiddels, maar de linker heeft nu ook kuren. Hij slikt wel je pasje, maar geeft vervolgens niet de mogelijkheid om daadwerkelijk geld op te nemen. Dan maar naar het loket. Hoogstwaarschijnlijk moeten we bij het loket "FOREIGN EXCHANGE" zijn. De vriendelijke mevrouw achter de balie is inderdaad graag bereid om mijn travellers' cheques in te wisselen. Op de weg terug komen we langs een reisbureautje waar we informeren naar de prijs van een dagtocht naar Ganden. We lopen terug naar ons eigen reisbureau om onze trip te betalen, en krijgen een handgeschreven bonnetje.

We gebruiken de lunch bij Dunya. Dan gaan we op zoek naar een supermarkt om wat proviand voor morgen in te slaan. Dat valt niet mee. Die grote winkel even verderop blijkt een warenhuis. Dan maar naar de plaatselijke F.I.T. om te informeren naar de mogelijkheid van een trip naar Samye en Yumbulagang. De man in het nogal shabby kantoortje belt met zijn mobieltje met een mevrouw die er meer van weet. Ik krijg vervolgens de telefoon in mijn handen gedrukt. Naar Samye kunnen we gewoon met de bus, laat ze weten. Dan moeten we wel van tevoren een vergunning aanvragen. Yumbulagang zou wel met een Landrover moeten, maar in combinatie met Samye komen we dan wel op zo'n 280 euro. Wij danken voor de informatie.

Er schijnt ook een bus naar Ganden te gaan. Kaartjes worden verkocht in een hokje om de hoek bij de Jokhang tempel. We zoeken het op. In het hokje zitten vier mannen. Ervoor hangen er een stuk of 3. Vooralsnog lijkt men niet echt van plan om mij te helpen. Eindelijk komt er beweging. Retour Ganden kost 20 yuan, laat de man weten. Vertrek morgenochtend om 6 uur. Hij wil de kaartjes al afscheuren. Wij vinden dat wat vroeg. Ik vraag nog of er een latere bus is, maar die vraag lijkt niet echt over te komen.

Omdat we er nu toch zijn, maken we meteen nog maar een rondje over de Barkhor. We zijn op zoek naar zo'n dakterras waar we iets kunnen drinken. De eerste blijkt gesloten. Bij de tweede kunnen we wel terecht, al zit het behoorlijk vol Chinezen. We nemen allebei een verse watermeloensap. Vooral Carina heeft nogal honger, dus bestellen we ook een portie vegetarische loempia's. Het blijkt een grote loempia, in 9 stukken gesneden. Nogal vet.

Als we terug naar het hotel lopen, probeer ik op de weg tussen de Barkhor en ons hotel nog wat bananen te kopen voor morgen. De eerste mevrouw vraagt 25 yuan voor vier bananen. Ik lag haar hartelijk uit. Op mijn tegenbod van 5 gaat ze niet in. De groenteboer even verderop is bezig iets te verkopen aan een monnik, maar vindt ons interessanter. Hij wil zelfs 30 hebben voor 4 bananen. Net als de vorige mevrouw pakt hij ze meteen enthousiast voor ons in. Ook hier bied ik 5. De man zakt meteen naar 10, maar uit de reactie van de monnik maakt Carina op dat die vindt dat 5 inderdaad genoeg is. Ik bied nog eens 5. De groenteboer blijft op 10. Ik houd hem een biljet van 5 yuan voor. Dan heeft de monnik er genoeg van. Hij grist de zak bananen uit de handen van de groenteboer, pakt de 5 yuan uit mijn handen, geeft de bananen aan mij en het geld aan de groenteboer, onder luid protest van de laatste.

Omdat verandering van spijs doet eten, eten we vanavond maar eens ergens anders. Bij het Nam-Tso restaurant, gelieerd aan het Banak Shol hotel, even verderop. Dan kunnen we meteen kijken of we daar een kamer kunnen reserveren. Het Yak hotel kan namelijk niet garanderen dat ze een kamer voor ons hebben als we terug komen van onze trip. Helaas. De ietwat norse mevrouw bij de receptie van Banak Shol laat weten dat ze ook hier niet aan reserveringen doen. We moeten de ochtend dat we willen komen maar bellen.

We kijken eens wat rond in het hotel, dat nog veel meer de sfeer van een rugzakhotel uitademt dan het Yak. Het restaurant is gevestigd op de vierde etage, met terras. De menukaart is inderdaad uitgebreid. Ik ga toch maar eens voor de yak-burger, die uitstekend is. Carina kiest voor de aardappelkroketjes met aubergine, die wat tegenvalt.

Als we weer terug zijn in het hotel, voelt Carina zich beroerd. Het gaat niet goed. Ze begint over te geven, en gaat zich ook steeds misselijker voelen. Dat gaat de hele nacht door. Zo tegen het einde van de macht wordt mijn maag ook nog eens onrustig en raak ik aan de diarree. Waarschijnlijk hebben we iets verkeerds gegeten. Persoonlijk verdenk ik die vegetarische loempia op het dakterras.


Dinsdag 1 augustus


Om half acht gaat de wekker. Voor vandaag hadden we immers onze toer geboekt. Ook Carina staat moeizaam op. Ik ga eens naar beneden om te kijken of ik iemand van het reisbureau kan vinden. Dat lukt niet. Voor de zekerheid gaan we maar door met de voorbereiding en het inpakken. Af en toe kijk ik weer eens beneden of daar iemand van Shigatse Travel is. Carina lijkt er wel wat beter aan toe en beweert zelf dat ze wel op toer kan. Om tien voor negen zie ik de deur op een kier staan. Ik loop naar binnen en zeg de man die er zit dat we de voorkeur geven om de toer uit te stellen. Ik leg de situatie uit en zeg dat we heus wel bereid zijn iets meer te betalen. De chauffeur is afkomstig van buiten de stad en had anders vandaag een andere trip kunnen doen. Ik begrijp het helemaal. Waarschijnlijk moeten we dus toc 200 a 300 yuan betalen, in plaats van de oorspronkelijke 1800. Ik vind het al lang prima Ik moet later even terug komen om het geld te incasseren.

Ik loop naar de receptie om nog maar eens een nachtje bij te boeken. Men reageert verbaasd, want men dacht dat we zoude uitchecken. Tja, dat dachten wij zelf ook. Maar het is geen probleem. Ik ga terug naar Carina om het goede nieuws van de geannuleerde toer en de hotelverlenging te brengen.

Nu we hier toch blijven, ga ik maar eens ontbijten. In mijn eentje natuurlijk. Tegen het meisje bij wie ik onze ontbijtbon inlever, zeg ik dat het een bon is voor twee personen, maar dat ik maar in mijn eentje ben omdat mijn vriendin ziek is en vraag ik of ik straks nog wel een bakje fruit voor haar mag meenemen. Het meisje lacht vriendelijk maar ik heb niet de indruk dat ze me echt begrijpt. Dat bakje fruit smokkel ik dan maar gewoon mee naar buiten.

Verder doen we vandaag uiteraard niet veel. 's Ochtends is Carina nog erg onrustig. Ik typ een beetje. Om tien voor elf ga ik nog eens kijken of de financiële vrouw bij het reisbureau er al is. Die is er uiteindelijk als ik tegen de middag weer kom. Ik krijg 1500 yuan terug.

's Middags blijf ik maar zo veel mogelijk buiten de hotelkamer zodat het licht uit kan, de gordijnen dicht en Carina kan slapen. Haar maag is nu rustiger en ze slaapt flink. Ik dood de tijd door uitgebreid te internetten. Ik ga weer eens naar Carina en ga dan bij Dunya zitten met een kopje thee en mijn handcomputertje. Het is al half zes, dus de eerste eters druppelen binnen. Nederlanders. Aan een tafeltje pal naast het mijne gaat een stel uitgebreid hun problemen bespreken.

Jannette, de Nederlandse bedrijfsleidster van Dunya, komt binnen. Ze vraagt zich af waarom ik hier alweer in mijn eentje zit. Ik leg het uit. Ze is erg met Carina begaan. Maar ze moet vooral wel eten. Al is het maar wat droge rijst en een soepje. Dan mag ik dat wel meenemen naar de kamer.

Ik kijk weer bij Carina en stel het voor. Ze vindt het een goed plan. Ik ga terug en met Jannette zoek ik iets van de menukaart. Wij komen op een Japanse misosoep met brood en rijst. Ik blijk het nog niet eens zelf mee te hoeven nemen ook. Een van de meisjes van het restaurant komt het naar de kamer brengen. Ik betaal de maaltijd plus een borg voor het servies.

Niet lang nadat ik terug ben gegaan naar de kamer wordt er op de deur geklopt. Roomservice. Carina's maaltje wordt binnen gebracht. Ze eet er een beetje van en het smaakt nog ook.

Ondertussen moet ik zelf ook nog eten. Ik ga dus terug naar Dunya. Het Nederlandse stel dat hier twee uur geleden al ruzie zat te maken, zit er nog steeds, op dezelfde plaats. De stemming lijkt er niet beter op te zijn geworden. Ik eet een Nepalese rijsttafel, daar komt het tenminste wel op neer, en wacht vol spanning af. Om vijf over half negen loopt hij kwaad weg. Zij loopt achter hem aan. Ik reken af en ga internetten. Terug op de kamer blijkt dat Carina nog wat van de maaltijd heeft gegeten, maar dat dat slecht is gevallen. Ze heeft weer overgegeven.


Woensdag 2 augustus


Carina blijkt zich vanochtend al weer iets beter te voelen, qua maag. Ze gaat zelfs mee ontbijten, maar doet het nog voorzichtig aan. Na het ontbijt gaan we maar weer eens naar het reisbureau om te proberen onze toer opnieuw te boeken. Dat blijkt aanstaande vrijdag, zoals aanvankelijk onze bedoeling was, niet meer te kunnen, maar aanstaande zaterdag gelukkig wel. Dat kan nog net; onze toer zou dan zaterdag en zondag zijn, terwijl we maandag weer terugvliegen naar Chengdu.

Verder kunnen we ook vandaag weinig activiteit ondernemen. We zitten vooral wat op onze hotelkamer te hangen en te lezen. Carina heeft nog flink wat slaap en rust in te halen na alle vermoeienissen van de laatste paar dagen. Terwijl zij een middagdutje gaat doen, ga ik er maar eens op uit om souvenirs aan te schaffen.

Niet ver van het hotel wordt ik aangesproken door een monnik die vraagt waar ik vandaan kom. Dan moet je altijd oppassen. We zijn hier al een paar keer monniken tegen gekomen die beweren dat ze veel geld nodig hebben voor de wederopbouw van hun klooster, en wij vertrouwen ze voor geen meter. Deze vraagt of hij even met mij mag praten. Ik weiger beleefd. Hij vraagt waarom hij niet met mij mag praten. Daarmee heeft hij het natuurlijk helemaal verbruid.

Als ik verder loop, kom ik er achter dat ik mijn taalgidsje niet bij me heb. Terug naar het hotel. Vanochtend hebben we er eentje zien liggen bij de mevrouw die het internetcafe uitbaat, dus misschien had ik die daar verloren. Ik neem een kijkje. Er is niets gevonden, zo laat ze weten. En het exemplaar dat op haar bureau ligt is haar eigen. Uiteindelijk blijkt die van mij toch nog op de hotelkamer te liggen.

Ik ga opnieuw op pad. Wij willen sowieso een paar gebedsmolens en een boek over de Potala, dat al te koop werd aangeboden toe we de Potala verlieten, maar tegen woekerprijzen. Bij de ingang van de Potala hangen veel verkopers rond, dus daar ga ik het eerst maar eens proberen. Onderweg kom ik een paar monniken tegen met bijpassend parasolletje: oranje en met Buddhistische motiefjes. Bij de ingang van de Potala zitten een paar nonnen. Maar de verkopers daar verkopen eigenlijk alleen maar kettingen. Dat schiet niet op. Op naar de Barkhor.

Ik loop over het Potala plein, een plein vlak voor het Potala paleis neergelegd door de Chinezen. Het heeft dan ook een hoog TianAnMen gehalte. Op het plein staat een groot monument met daarvoor de gebruikelijke beelden van heroische arbeiders en boeren die ten strijde trekken tegen de kapitalistische overheerser. Alleen zijn in dit geval de arbeiders en boeren voorzien van duidelijke Tibetaanse trekjes.

Ik kom door een alleraardigst parkje met water, bruggetjes en bomen. Het is er druk. Aan het begin van een brede winkelstraat zie ik de Xinhua Bookstore. Aha. Die stond ook in het boekje. En daar schijnen ze Engelstalige boeken te verkopen. Vlak na de ingang staat inderdaad een stelling met een beperkt aantal Engelstalige toeristische boeken, waaronder die van de Potala. Alleen ligt dat exemplaar nogal uit elkaar. Ik trek lukraak het kastje onder het display open. Daar ligt nog een stapel exemplaren keurig ingepakt in plastic. Ik neem er een mee naar de kassa. Wat kost deze? 66. Ik krijg een bonnetje waarmee ik ergens anders mag betalen, ga terug naar deze mevrouw en krijg mijn boek in een schattig tasje.

Door naar de Barkhor. Nog voordat ik op het plein ben kom ik bij een rij kraampjes die dicht op elkaar staan. De souvenirmarkt. Nonchalant kijk ik naar de uitgestalde koopwaar. Ik zie een paar aardige kleine gebedsmolen en draai er eens een paar keer aan. Cheap cheap! roept de uitbater van het kraampje. Slechts 40 per stuk, typt hij in op zijn rekenmachine. Nah. Persoonlijk dacht ik meer aan twee voor 10. Na nog wat heen en weer gesteggel worden we het eens over twee voor 20.

Dat ging mooi. We gaan dus vrolijk verder. Ik pak twee nog kleinere gebedsmolens. Ook die kosten 40 per stuk, vindt de man. Twee voor 10, lijkt mij. Ik richt mijn aandacht op een flink groot exemplaar. 100, vraagt de man. 20 lijkt me beter. Maar ach, hij i de beroerdste niet, ik mag ze alledrie hebben voor 80. Vooruit, zelf dacht ik aan 40. De man typt nu 60 in op zijn rekenmachine, zijn laatste bod. Hij vraagt mijn laatste bod. Opnieuw typ ik 40 in. Hij wuift met zijn hand. Dat gaat niet door.

Ook goed, dan loop ik verder. De man roept mij terug. 50, typt hij in en vraagt mijn laatste bod. Weer typ ik 40 in. Dat gaat niet door. Weer loop ik weg. Ik ben al een stuk verder dan de eerste keer als de man mij opnieuw terug roept. De vrouw in het kraampje naast hem heeft ook een aantal mooie gebedsmolens en treiterig blijf ik daar nog een tijdje staan kijken. Uiteindelijk ga ik terug naar de man. 45, vraagt hij nu. Vooruit, 45. Bij een kraampje verderop koop ik een setje gebedsvlaggen, van 25 via 5 voor 10.

Terug in het hotel laat ik Carina vol trots mijn aankopen zien. 's Avonds gaan we samen naar Dunya. Carina weet zowaar een heel bord vetegatble chowmein weg te werken. Verheugd gaan we naar het internetcafe om het goede nieuws te melden. Later die avond, weer terug op de hotelkamer, draait mijn maag zich om. Diarree. En het houdt maar niet op. Om de haverklap zit ik weer op het toilet. 's Nachts gaat dat zo door.


Donderdag 3 augustus 2006


Als het weer ochtend is, heb ik inmiddels 16 keer op het toilet gezeten. Mijn maag lijkt redelijk rustig, maar dat is eigenlijk ook elke keer zo als ik net van het toilet kom. We besluiten toch maar tot een rustig ontbijtje, waarbij ik alleen maar fruit tot mij neem. Verder zullen we het ook vandaag weer rustig aan moeten doen.

Omdat weer een dag op die hotelkamer zitten wel erg saai wordt, maken we toch nog maar eens een rondje door de stad. We lopen vanaf het hotel in zuidelijke richting en komen in een buurtje met erg veel kraampjes, maar niet gericht op pelgrims. Behalve dan misschien die verkopers met grote brokken yakboter, die verkocht worden alsof het kazen zijn. We raken verzeild in de moslimwijk en sukkelen dan weer terug naar het hotel.

Bij Dunya serveren ze ook de zelfgemaakte-volgens-oorspronkelijk-recept-bereide kippenbouillon om het zwakke lichaam er weer bovenop te helpen. Dat lijkt me wel wat. Carina neemt de tomatensoep. De kippenbouillon bevalt uitstekend. Ik voel mij alweer een stuk beter. Toch blijven we de rest van de middag ook nog wat op onze kamer hangen. Behalve dan om de dames van het hotel de gelegenheid geven om onze kamer schoon te maken. En ons van nieuw toiletpapier te voorzien, vooral. Ik slaap nog een tijdje.

Zo tegen de avond lijkt Carina het weer te begeven. Ze klaagt over lusteloosheid en braakneigingen. We gaan dan ook niet meer naar het restaurant. In de loop van de avond haal ik bij de bakker aan de overkant een paar verse muffins, waarvan ik er eentje op eet. Carina eet niets, maar drinkt alleen wat wortelsap.


Vrijdag 4 augustus 2006


Carina's braakneigingen hebben niet doorgezet. Vanochtend lijken wij ons allebei redelijk gezond te voelen, zo stellen wij verbaasd vast. Toch nog maar even rustig aan. Buiten is het slecht weer. Het moest toch ergens mis gaan. We genieten allebei een redelijk compleet ontbijt. In de loop van de ochtend lijkt het droog. Op internet proberen we het adres op te zoeken van de blindenschool waar we vanmiddag op bezoek willen. Dat lukt niet.

Vanochtend willen we toch ook nog maar iets zien, na al die dagen niksen. We nemen een taxi naar het Drepung klooster. Vooral Carina staat doodsangsten uit vanwege het rijgedrag van de man. Als we voor de ingang van het klooster staan, is het ook al weer stevig gaan regenen.

Drepung was ooit het grootste klooster ter wereld, met zo'n 10.000 monniken. Inmiddels zijn daar nog zo'n 800 van over, hoewel het klooster verder redelijk ongehavend uit de Culturele Revolutie schijnt te zijn gekomen. Het klooster bestaat uit een viertal aparte colleges, die redelijk onafhankelijk van elkaar opereren, en ook allemaal hun eigen gebouwen hebben. Het klooster werd in 1416 gesticht, en huisvestte minder dan een jaar later al 2000 monniken. In 1530 nam de tweede Dalai Lama hier zijn intrek, in het speciaal daarvoor gebouwde Ganden paleis. Drepung bleef de zetel van de Dalai Lama totdat nummer vijf het Potala bouwde.

Onder ons parasolletje, dat nu dienst doet als paraplu, kuieren we over het kloostercomplex. Het is een compleet dorp. Gelukkig is er netjes, ook in het Engels, een wandelroute aangegeven. Matig geïnteresseerd lopen we rond, die kloosters beginnen zo langzamerhand wel wat op elkaar te lijken. De ligging van Drepung is wel mooi, in de heuvels, acht kilometer van Lhasa. Maar door de regen valt daar ook niet echt van te genieten. Het mooiste van dit klooster schijnt de assembly hall, een grote hal die door zo'n 180 pilaren overeind wordt gehouden. We lopen er naar toe. Binnen liggen lange rijen rode kussens. Er zitten wat monniken. Dat worden er steeds meer. We hebben weer geluk. Er gaat net een ceremonie beginnen.

Niet veel later zitten lange rijen monniken in de grote hal. Er wordt weer druk gezongen, gebeden, en gemurmeld. Voor ons zijn die drie vrij lastig uit elkaar te houden. Plotseling schieten een paar jonge monniken overeind en sprinten in no time de zaal uit. Niet veel later komen ze weer terug, opnieuw in hoog tempo, maar nu met grote ketels met een dampende vloeistof. Waarschijnlijk yakboterthee. Een monnik en een man in een zwart pak delen allebei geld uit aan alle monniken. Af en toe schuiven er wat toeristen voorbij. De meesten blijven voor in de zaal staan om foto's te maken en toe te kijken. Wij ook.

Na een dik uur zijn we uitgekeken en besluiten we terug te gaan naar het hotel. Anders loopt ons geplande middagprogramma de mist in. Dit was leuk, maar de rest van het klooster geloven we verder wel. Probleem is alleen om nu weer terug te komen. Dat valt niet mee. Bij de ingang staan geen taxi's. Ook minibusjes zijn hier niet te vinden, behalve dan de minibusjes van de toeristen die hier rond lopen, maar die willen ons vast niet meenemen. Vertwijfeld lopen we nog eens wat rond, en dalen dan een eindje de berg af. Verderop staan blauwe huifkarren die ons voor een yuan per persoon mee willen nemen naar beneden. Naar Lhasa? Nee, niet naar Lhasa. Vervoer naar Lhasa is er niet vanaf hier. Wij begrijpen dat we beneden dan wel weer verder kunnen, maar vertrouwen dat niet helemaal.

We lopen verder naar beneden, maar daar zijn steeds minder mensen en minder verkeer. Dan hebben we nog meer kans boven bij de ingang van het klooster. We lopen dus weer terug. Als we worden ingehaald door een taxi, hol ik daar enthousiast achteraan, om te voorkomen dat iemand anders hem inpikt. Het lukt. We hebben een taxi. Als we weg rijden, zien we dat er nog drie taxi's aankomen.

We zijn op tijd terug in het hotel om nog even naar onze kamer te kunnen gaan. Vanmiddag willen we op bezoek bij de blindenschool in Lhasa, die elke maandag- en vrijdagmiddag om twee uur open huis heeft. Bij de receptie hebben we een aankondiging van Sawadee, een Nederlandse reisorganisatie, zien hangen, die haar reizigers ook de optie geeft om die school te bezoeken. Wie dat wil, zo lazen wij, moet maar bij de receptie vragen hoe daar te komen. Dat komt mooi uit, denken wij nog, bij de receptie weten ze dus waar we heen moeten.

Niet dus. De mevrouw bij de receptie reageert wat paniekerig, al doet ze dat wel vaker. Ze heeft geen flauw benul waar die blindenschool is, en vijf minuten geleden vroegen er ook al mensen naar. Maar goed, hij schijnt in de buurt van de Barkhor te zijn, dus misschien kunnen we nog het beste informeren bij hotel Mandala, want die zit midden op de Barkhor. Wij vinden dat een goed plan.

Door de regen lopen we naar hotel Mandala. Daar weet men weer te vertellen dat de blindenschool net achter het Peace Hotel zit. Wij gaan op zoek naar het Peace Hotel, wat ook nog niet meevalt. Net naast het Peace Hotel zit een steegje, maar voor alle zekerheid vragen we ook hier nog maar even bij de receptie. Inderdaad, steegje doorlopen en dan aan de linkerkant, laat men daar weten.

Wij slaan maar eens een zijsteegje in, maar vertrouwen het nog steeds niet helemaal. Dan komen we bij een grote deur die op slot zit. Er hangt een briefje met de waarschuwing voorzichtig te zijn voor de hond. Voorzichtig kloppen wij eens. Geen reactie. Nog wat harder kloppen. Nog steeds niets. Een mevrouw komt voorbij en schreeuwt het een en ander naar binnen. Dan wordt er open gedaan, door een blind jongetje. We gaan naar binnen en vragen ons af waar we nu heen moeten. Het jongetje is alweer verdwenen. Een klein blind meisje vliegt ons spontaan om de hals en stelt zich voor in het Engels. Vanuit een gebouwtje komt een buitenlander tevoorschijn. Het blijken twee Nederlanders te zijn, ook hier op bezoek, die net drie maanden hebben gewerkt als vrijwilliger in een blindenschool in Nepal. De gids komt zo weer terug. We wachten nog even op andere bezoekers.

We wachten in wat de eetzaal blijkt. Er komt nog een familie van vier man, ook Nederlanders. Dan kunnen we beginnen. Een jonge Tibetaanse blinde vrouw stelt zich voor als Kyla, onze gids. Ze vraagt of we het verhaal achter deze blindenschool kennen. Carina wel, want die heeft het boek van de oprichtster gelezen. Vandaar ook dat we hier zijn. Maar voor de anderen doet ze het verhaal.

Sabriye Tenberken is blinde Duitse vrouw die in de jaren '90 Centraal-Aziatische Studies studeerde aan de universiteit van Bonn. Naast Mongools en Chinees bestond die studie ook uit het bestuderen van modern en klassiek Tibetaans. Dat was een probleem, want er bestond nog geen brailleversie van het Tibetaanse schrift. Sabriye besloot daarom om maar zelf zo'n Tibetaans brailleschrift te ontwikkelen. Dat deed ze in twee weken. Ze ging ook op bezoek in Tibet. Tibet heeft relatief veel blinden. Dat komt door een combinatie van veel UV-straling, slechte hygiëne, en de gewoonte om yakmest te verbranden, waardoor gassen vrijkomen die oogontstekingen veroorzaken. Maar veel Tibetanen geloven dat blindheid een straf is voor iets dat je in een vorig leven verkeerd hebt gedaan. Blinde kinderen worden dan ook zo veel mogelijk weggestopt, en opgesloten in donkere kamers. Soms worden ze overdag vastgebonden aan hun bed, om te voorkomen dat er iets mis gaat als hun ouders de kost verdienen. Als ze al buitenshuis komen, dan worden ze vaak met de nek aangekeken, of zelfs met stenen bekogeld. Kyla heeft dat zelf ook meegemaakt. Mensen veronderstellen dat blinden ook wel dom zullen zijn.

Toen Sabriye hoorde hoe erbarmelijk de blinden in Tibet er aan toe zijn, besloot ze daar iets aan te doen. Samen met Paul Kronenberg, een Nederlander die ze in Tibet tegenkwam, begon ze deze blindenschool in Lhasa, waar de kinderen onder meer onderwezen worden in haar eigen Tibetaans braille. In het begin ging het moeizaam. Ouders wisten niet waar ze aan begonnen, en waren niet bereid om zo maar hun kinderen af te staan aan een stel westerlingen. In het begin waren er dan ook maar zes kinderen. Inmiddels zitten hier ruim 80 kinderen, op kostschoolbasis, en is er een wachtlijst. Een enorm probleem blijft de financiering van het een en ander. Het project wordt niet gesteund door de Chinese overheid en drijft dan ook volledig op giften en de royalties van Sabriye's boek. Hun organisatie heet Braille Without Borders; Braille Zonder Grenzen.

Kyila zelf is hier afgestudeerd, zo vertelt ze. Inmiddels is ze medewerker. Haar broer is ook blind, net als haar vader. Waarschijnlijk iets erfelijks. Ze komt net terug uit Engeland, waar ze een jaar heeft gestudeerd. Inmiddels zijn Paul en Sabriye bezig met het opzetten van een internationaal instituut om blinden op te leiden om in andere ontwikkelingslanden ook dergelijke projecten op te zetten. Dat instituut komt in Kerala, India. Sabriye en Paul zijn op dit moment ook aanwezig, maar ze geven een interview aan de Chinese staatstelevisie. We zien Paul nog een keer snel heen en weer lopen.

We beginnen aan onze rondleiding. We zitten nu in de eetzaal. Daarnaast is het kantoor, waar een paar computers en brailleprinters staan. Inmiddels gaan een paar kinderen naar het reguliere onderwijs. Dat ging in eerste instantie nogal moeizaam, de reguliere scholen zaten er niet zo op te wachten, totdat bleek dat de blinde kinderen die werden toegelaten, de beste van de klas waren. Alle boeken die die kinderen op school krijgen, moeten echter wel in het braille vertaald worden, en daar wordt hier voor gezorgd.

We gaan naar de jongensslaapzaal. Daar staan stapelbedden, drie hoog. Op dit moment zijn er maar weinig kinderen op school. Het is immers zomervakantie, dus de meeste kinderen zijn naar huis. De paar kinderen die hier nog wel zijn, kunnen om wat voor reden dan ook niet naar huis, bijvoorbeeld omdat ze wees zijn. Als we binnen komen, zitten er twee jongens. Beiden komen uit Amdo. Een van hen is al 20, en daarmee de oudste bewoner, al zit hij hier nog maar kort. Hij kan mooi zingen, weet Kyila, en wordt later vast artiest. Hij zingt voor ons in zijn eigen dialect.

We gaan naar de meisjesslaapkamer. Daar zit een meisje hardop te lezen in een dik brailleboek. Boven zijn de klaslokaaltjes. Die zijn er in drie categorieen; voor de allerkleinsten, de middengroep en de oudste kinderen. Ze leren hier de normale schoolvakken, zoals Tibetaans, Chinees, en Engels, maar ook dagelijkse vaardigheden. In een klas staan een paar braille-typemachines. Uiteraard zijn er lang niet genoeg voor iedereen.

We gaan terug naar de eetzaal om het gastenboek te tekenen. Kyila vertelt dat ze binnenkort al weer naar Canada gaat. Met vijf klasgenoten heeft ze een tijdje geleden namelijk een berg in de Himalaya beklommen, samen met een blinde Amerikaanse bergbeklimmer die onlangs al eerste blinde de top van de Mount Everest bereikte. Natuurlijk was de berg die zij beklommen lang niet zo hoog, slechts zo'n 7500 meter. Hoe dan ook, over die beklimming en over de school is een film gemaakt, en die gaat in première op een filmfestival in Canada, dus vandaar.

Tenslotte gaan we naar een klein winkeltje. De school verkoopt hier t-shirts, petjes en kalenders. De opbrengst komt uiteraard volledig ten goede van het project. Carina koopt een rood t-shirt. Het logo en de naam van de organisatie staan er op, ook in braille.

We lopen weer terug naar het hotel. Op de Barkhor kopen we nog een paar setjes gebedsvlaggen, nu wel voor vijf per stuk. Terug op onze kamer puffen we uit. We gaan vandaag niet te laat eten, zo hebben we besloten. Als we om half zes bij Dunya zijn, is het nog erg rustig. Dat blijft niet lang zo. Niet veel later komt er een compleet weeshuis binnen. Letterlijk.

Het was ons al een paar dagen opgevallen, het kleurige briefje op het prikbord van het hotel van een middelbare school in de VS die hier op bezoek is om mee te helpen in een weeshuis. Men was hier een jaar geleden al op schoolreis en raakte toen verzeild in dat weeshuis, en besloot het te steunen. Het weeshuis is op eigen houtje gestart door een Tibetaanse vrouw. Wie het weeshuis wilde bezoeken kon contact opnemen met de docenten in hun hotel. De afgelopen dagen hebben wij dat een paar keer geprobeerd, maar dat is niet gelukt. Maar er kwam net een groepje westerse kinderen binnen met een groepje Tibetaanse kinderen, dus we hebben ernstig het vermoeden dat die van het weeshuis zijn.

Er komt nog een groep Westerse en Tibetaanse kinderen binnen, nu met ook wat leiding. En later komt er een man binnen, door de kinderen aangesproken met Steve, een naam die ook op het briefje stond. Dat kan niet missen. We maken een praatje met Steve, Inmiddels zitten er ruim tachtig kinderen in het weeshuis, zo vertelt hij. Ze proberen ze allemaal een keer mee uit eten te nemen. Het weeshuis heeft inmiddels een nieuwe locatie gevonden, alleen zijn alle vergunningen nog niet rond. Op de nieuwe locatie zou plaats moeten zijn voor zo'n 250 kinderen. Het telefoonnummer dat ze op de briefjes hadden gezet was van de telefooncentrale van het hotel waar ze verblijven, dus ze vreesden al dat dat mis zou gaan. Wij hebben helaas geen tijd meer om het weeshuis nog te bezoeken.

De kinderen zetten zo ongeveer het hele restaurant op stelten, maar na een uurtje keert de rust weer terug. Dan rekenen wij ook maar af.


Zaterdag 5 augustus 2006


Het begint er nu toch echt op te lijken. We gaan naar Nam Tso. Opstaan, inpakken, ontbijten, uitchecken. Niet lang na negen uur staan we op de parkeerplaats van het hotel, op zoek naar onze Landrover. We worden begroet door de man van het reisbureau. Goh, dit keer gaan we niet eens onze reis annuleren!?, verbaast hij zich. Hij brengt ons naar onze chauffeur. Die zal zich later voorstellen als Ngawi, of iets wat daarop lijkt. Deze man is een goede chauffeur en heeft veel ervaring in het meenemen van toeristen zonder gids, laat onze man weten. En als hij ons bevalt, mogen we hem aan het einde van de rit een fooi geven. Een paar dagen geleden, toen we boekten, probeerde de man ons nog over te halen om voor 400 yuan een Engels sprekende gids mee te nemen. Dat leek ons niet zo nodig.

We gooien onze bagage achterin en gaan in de auto zitten. Carina in haar eentje op de achterbank, ik voorin naast de chauffeur. Ik leg onze reisgids en ons taalgidsje alvast klaar. Het weer lijkt goed. We kunnen vertrekken.

Na een uurtje rijden zien we een viaduct naast de weg. De chauffeur wijst er enthousiast naar. Ik geloof dat ik het begrijp. Ik blader in het taalgidsje. Rili?, vraag ik hem. Rili!, beaamt hij. We rijden langs de spoorlijn. Niet veel later ziet Carina dat de trein er aankomt. Picture? Picture? vraagt de chauffeur. Dit lijkt ons inderdaad een goed moment om een foto te maken. We stappen uit de auto terwijl een eindje verderop de trein voorbij dendert. Hij rijdt dus echt. Ik maak meteen ook maar een paar foto's van het landschap hier. Als de trein net voorbij is zien we overal op het spoor mensen rondlopen die lijken te controleren of het spoor het een beetje gehouden heeft. Dat vinden wij ietwat merkwaardig.

"Picture" is ook het enige Engels dat onze chauffeur spreekt, maar effectief is het wel. Telkens als wij naar iets buiten aan het kijken zijn dat wij interessant lijken te vinden roept hij "Picture" en zet de auto aan de kant. En dat gebeurt nogal eens. Het is hier namelijk erg mooi.

Rond half elf: onze eerste yak! Hij staat pal langs de kant van de weg. "Picture!", roepen wij in koor. Gedwee zet de chauffeur de auto weer aan de kant, al weet hij waarschijnlijk ook wel dat we vandaag nog honderden yaks gaan zien. Het landschap is inmiddels prachtig. We rijden langs een snel stromende rivier. Af en toe staan er een paar pilaren in het water om de treinlijn te ondersteunen. Hier en daar grazen wat yaks. Bij een spectaculair punt maken we nog maar eens wat foto's.

Tegen half twaalf bereiken we het hoogste punt van deze weg; 4360 meter hoogte, zo lezen we op de terugweg. We hebben uitzicht op de Nyenchen Tangla, zo heeft de chauffeur onderweg al aangewezen, een besneeuwde bergtop van 7111 meter die deel uitmaakt van een bergketen met dezelfde naam. We stoppen. Er wapperen hier enorm veel gebedsvlaggen. Ook is hier een berg met een flinke stapel steentjes en stenen gebouwd, met een vlag er bovenop, net als in Mongolië altijd gedaan wordt. Iedereen die hier langskomt, stopt, en draagt een steentje bij.

We rijden verder. Niet veel later doen we nog maar eens een fotostop voor wat fotogenieke yakken en vergezichten. Dan bereiken we Damxung, onze slaapplaats voor vandaag. Ook een goeie plek om te lunchen, vindt de chauffeur. Wij vinden dat een prima idee. Hij brengt ons naar het eenvoudige restaurant van een hotel. Het heeft een Engelstalige kaart. Wij hebben het donkerbruin vermoeden dat de prijzen die daarop staan wel iets hoger liggen dan die op de Chinese kaart. Maar het eten is prima.

Als we bijna uitgegeten zijn, komt iemand van het restaurant die goed Engels spreekt naar ons toe. Hij is een vriend van onze chauffeur en vraagt zich af of we even het hotel willen bekijken om te beoordelen of we daar vannacht willen overnachten. Dat vinden wij prima. Als we uitgegeten zijn lopen we mee, samen met de chauffeur. Het hotel lijkt uitgestorven. De chauffeur roept eens. Hij roept nog eens. En nog eens. Eindelijk komt er iemand van de trap af gesukkeld. We zeggen dat we de kamer wel eens willen zien. Er wordt weer flink geroepen. En nog eens. Uiteindelijk is men in staat ons een kamer te laten zien. Die ziet er op zich wel redelijk uit, met een tweepersoonsbed en een grote badkamer. Alleen het feit dat er acht muggen om de lamp cirkelen baart ons wat zorgen. De kamer moet 288 kosten, laat mevrouw weten. Dat vinden we nogal aan de hoge kant. Ik vraag of dat geen 180 moet zijn. Nee, maar voor 180 hebben ze nog wel een andere kamer, eentje zonder badkamer, zo blijkt. Moesten we ook maar niet doen. Ik verwacht dat mevrouw nog wel zakt met die 288, maar dat blijkt niet het geval. Merkwaardig. Je krijgt haast de indruk dat het hier een soort van spookhotel is in de hoop dat er af en toe eens een keer een toerist is die er intrapt. Tegen de mevrouw en de chauffeur zeg ik in het Chinees dat het te duur is, maar dat heeft verder geen effect.

Ik laat de chauffeur weten dat we in het Jin Zhu hotel willen overnachten, aangezien dat volgens Lonely Planet het beste hotel in de stad is. En bovendien kost een kamer daar maar 180. Na wat navraag brengt hij ons er heen. De prijzen blijken hier ook al te zijn gestegen, tot 240. En dat schone wat het boekje belooft is inmiddels ook verleden tijd. Op de etage staan manshoge blauwe gasflessen. Maar ze zijn wel vriendelijk bij de receptie. En aanwezig. We betalen voor een nacht en krijgen alvast de sleutel mee.

We kunnen weer verder. Niet ver van Damxung rijden we het terrein van het natuurpark Nam Tso op. De chauffeur maakt duidelijk dat we bij de ingang een kaartje moeten kopen. Doen we. We krijgen er ook nog een schattig rood tasje bij om onze troep in te bewaren. Meteen na de ingang zien we al de eerste nomaden, in donkere tenten en met een kudde yaks. Picture. Een meisje komt naar ons toe gelopen. Helaas hebben we geen bananen bij de hand.

We gaan nu flink klimmen. Dat is te merken aan de ademhaling en de oren. Onze chauffeur sukkelt voorzichtig omhoog. De weg hier is trouwens prima. Na een goed half uur rijden passeren we de Largen-La pas, op niet minder dan 5190 meter, volgens het bordje bij de pas. Of anders toch zeker 5150 meter, volgens de Lonely Planet. Ook hier wapperen weer grote hoeveelheden gebedsvlaggen, al vormen veel van die vlaggen al een enorme berg. Er staan ook wat verkopers op de pas. Een van hen ziet de pen in mijn borstzak en gebaart dat hij die wil hebben. Geef mij die pen. Ja, mooi is dat, reageer ik verontwaardigd. Zo zijn we niet getrouwd. Ik vind die koopwaar wel mooi, dus geef mij die maar. Tot mijn verbazing gaat de man meteen akkoord. Ik ruil mijn pen voor een stapeltje gebedspapiertjes, die gebruikt worden om van de berg af te laten dwarrelen.

We dalen weer een stukje. In de verte zien we het meer al liggen. We komen langs een flinke kudde schapen, die uiteraard weer op de foto moeten. Loog in het Tibetaans, zo leren we van de chauffeur.

We komen aan bij het meer, bij Tashi Dor. Er is hier een tentenkamp met nomadententen, waar je ook kunt overnachten. Sommige tenten zijn ingericht als restaurant of als zuurstofwinkel. Dit is ook de stop vanwaar wij de omgeving mogen verkennen. We zitten nu pal aan het Nam Tso meer. Ik vraag de chauffeur wanneer we terug moeten zijn. Maakt niet uit, laat hij weten.

We staan aan de voet van een berg vanwaar je een mooi uitzicht lijkt te hebben over het meer. We klauteren omhoog. Rustig aan. We zitten immers op dik 4700 meter hoogte. Bovenop de heuvel is een plateautje waar we rust houden. We zitten op een schiereiland en hebben dus aan weerskanten op het meer. Prachtig gezicht, diepblauw en geflankeerd door een hele rits besneeuwde bergen. Nam Tso is het hoogste meer ter wereld. Een groot gedeelte van het jaar is het dichtgevroren. Het meer is 70 kilometer lang en tot 30 kilometer breed, en bevat zout water.

Het heuveltje waar we op staan is het eerste van een stuk of drie, vier. Op de laatste heuvel staat wat ik nu nog denk dat het Tashi Dor klooster; een kleurig gebouwtje met twee koepels. We klauteren flink door tot aan het ding. Het is behoorlijk fris. Uiteraard wemelt het overal van de gebedsvlaggen. Een rots beneden lijkt haast ingepakt in de gebedsvlaggen.

We bereiken uiteindelijk het gebouwtje. Het blijkt geen klooster, maar wat wel de bedoeling is, wordt ons niet helemaal duidelijk. Volgens Carina heeft het nog het meest van een bushokje. Duidelijk is wel dat er ooit glas in heeft gezeten, dat inmiddels gesneuveld is. We lopen nog een klein eindje verder op de heuvel, tot we niet verder kunnen. We hebben nu in drie richtingen uitzicht over het meer. Ook hier zijn kleine stapeltjes stenen neergezet.

Beneden is een zandpad langs de kust. Eigenlijk willen we niet langs dezelfde weg weer terug, dus klauteren we voorzichtig langs de heuvelwand naar beneden. Aanvankelijk lijkt dat niet te gaan lukken omdat we steeds op een steil stuk stuiten maar uiteindelijk, na wat omzwervingen, komen we toch beneden. Links om de heuvels lopen we terug richting tentenkamp. Af en toe komen we wat mensen te paard, wat toeristen, of wat pelgrims tegen. Een Franse toeriste waarschuwt ons dat we eigenlijk de verkeerde kant oplopen, tegen de kora in. Dat klopt als je hebt over de kora om de heuvel, bedenken wij later, maar een beetje pelgrim maakt natuurlijk een kora om het hele meer en als je dat met de klok mee doet, dan heb je het meer voortdurend aan je rechterhand en dat hebben wij nu ook. Toevallig.

Er zijn hier veel rotsen. We komen zelfs langs grotten waar we een aardig eindje in kunnen. The Goodwill and Evil Cave, lezen we op een rots voor de ingang. We zijn bijna weer terug als we nog een kijkje nemen bij het echte Tashi Dor klooster, een klein kloostertje, half verscholen in de rotsen.

We vragen ons af of de chauffeur al een zoekactie naar ons op touw heeft gezet. We zijn immers al zo'n drieeneenhalf uur op pad en dat is aanzienlijk langer dan te doen gebruikelijk. Onze reisagent had het tenminste over anderhalf tot twee uur bij het meer. Maar de chauffeur is nog niet in paniek. Het is half zeven geweest als we weer terug rijden naar Damxung, met uiteraard de nodige fotostops onderweg.

Ik zet ook wat nomadententen op de foto, vanuit de auto. Dat is oppassen geblazen, hoor ik later pas van Carina, want de nomaden zijn daar niet altijd van gediend. Een meisje gooit met een steen naar de auto. Op de weg naar Damxung, als we het park al uit zijn, komen we een flink aantal forensen tegen die in behoorlijke aantallen meerijden op gemotoriseerde bakfietsen. Om een uur of acht zijn we terug in het hotel. Met de chauffeur spreken we af dat hij ons de volgende ochtend om tien uur komt oppikken.

Het is inmiddels de hoogste tijd om te gaan eten. We doen dat in het restaurant van het hotel. Dat is een typisch Chinees restaurant: ongezellig, grote tafels met draaischijf en wit tafellaken en te veel licht. Qua eten belooft dat veel goeds, want over het algemeen geldt in China: hoe beter het restaurant er uit ziet, hoe slechter het eten. We stuiten echter op een klein probleempje. Er is alleen een Chinese kaart. Men spreekt nauwelijks Engels. En ik heb mijn boekje met Chinese gerechten niet bij me. Alleen mijn Tibetaanse taalgids. Tijd om inventief te worden. Gelukkig blijkt de serveerster toch een Tibetaanse. Ik wijs twee zinnen in het taalgidsje aan: "Ik eet geen vlees" en "Niet te scherp graag". Ze begrijpt de hint en kiest, na wat dubben, twee gerechten voor ons van de kaart. Als ik nog eens wijs op de geen-vlees zin, wordt een gerecht vervangen. Voor de zekerheid vraag ik nog maar hoe duur het is. En bestel ik er rijst bij.

Het blijkt een goed idee. We krijgen een gerecht met paddestoelen en groente, en een spinazie in saus. Het smaakt uitstekend. Na het eten doen we een boodschapje in de supermarkt naast het hotel, waar nogal wat ophef ontstaat. Wat er precies aan de hand is wordt ons niet duidelijk, maar er komt wel acht man politie bij. We wisten niet eens dat ze er zoveel hadden in Damxung. Het was een vermoeiende dag, dus we liggen op tijd in bed.