Om negen uur meld ik mij weer bij de receptie in een poging hier nog twee nachten langer te mogen blijven. Vooralsnog is slechts een nacht mogelijk, dan moeten we morgen weer verder zien. We tekenen een nachtje bij en besluiten om morgen dan maar de stad te verlaten. Verder doen we het de hele ochtend nog bijzonder rustig aan.
Het is onze voorlopig laatste dag in Lhasa en we moeten nog wat boodschapjes doen. Eerst lopen we naar de bank om te pinnen. Buiten Lhasa is dat namelijk een stuk lastiger en waarschijnlijk zelfs onmogelijk. Gelukkig blijkt er nog steeds geld in het apparaat te zitten, ook al is het al zondag en is hij dus waarschijnlijk al een tijdje niet bijgevuld. Alleen jammer dat de biljetten van 100 yuan, de grootste die hier in omloop zijn, wel op zijn. We zullen het dus moeten doen met biljetten van 50 yuan, wat ook betekent dat we niet meer dan 1000 yuan mogen opnemen, want anders wordt de stapel te groot, waarschijnlijk. Meerdere keren pinnen blijkt weer geen probleem. En zo verlaten we met 80 biljetten van 50 yuan het pand.
Onze volgende stop: het postkantoor. Met een ijver die ook
onszelf versteld heeft doen staan, hebben we een paar dagen geleden
al onze kaarten geschreven. Nu moeten we ze alleen nog posten. Bij
het postkantoor hebben we maar drie pogingen nodig om bij het goede
loket te komen, terwijl daar toch in koeieletters 'INTERNATIONAL
MAIL' op staat. We kopen twintig postzegels. Vervolgens is het zaak
om die op de kaarten te krijgen. De postzegels hebben hier namelijk
geen gomlaag. Gelukkig staan er op het postkantoor potjes lijm
waarmee je toch je postzegel op je kaart kunt krijgen. Doseren is
dan wat lastig.
Onze volgende taak is het vinden van het boekingskantoor van de Chinese luchtvaart. Na rijp beraad hebben we namelijk toch maar besloten om niet per trein terug naar Chengdu te gaan, al is dat wel met pijn in mijn hart. Daar zijn een aantal redenen voor. Wij vinden het ietwat verontrustend dat de Chinese overheid zo maar op eigen houtje treinkaartjes gaat annuleren. De kaartjes gaan in de verkoop tien dagen voor vertrek, en dan zijn we niet in Lhasa. En vrijwel alle handel gaat via de zwarte markt, en daar hebben we niet zo'n zin in. Aangezien Lhasa stampvol zit, zou dat ook wel eens voor de vluchten terug kunnen gelden, dus vinden we het wel een prettig idee om al een ticket te hebben voordat we verder het land intrekken.
Probleem is wel om eerst maar eens dat boekingskantoor te vinden. Dat valt nog niet mee, vooral niet als ik ons straal de verkeerde kant op stuur. Na wat omzwervingen door brede winkelstraten en de hulp van een bijzonder vriendelijke winkelier raken wij toch weer op het rechte pad. Het punt is dat het boekingskantoor ten westen avn ons hotel ligt en niet ten oosten. Of was het nu andersom. Hoe dan ook, als je dat verkeerd hebt, neem je de afslag de verkeerde kant op.
Het is nog een flink eind sjouwen naar het kantoor. We lopen langs een brede doorgaande weg waar ook regelmatig een bakfiets langs komt, soms afgeladen vol met meloenen, soms ook met ander koopwaar. Als we eenmaal bij het kantoor zijn, worden we verwelkomd door een bordje dat meldt dat men wegens grootschalige renovatiewerkzaamheden het boekingskantoor is verhuisd naar het Airway Hotel.
Daar zijn we dan mooi klaar mee. Gelukkig is het Airway Hotel
hier niet heel ver vandaan. Twee keer linksaf en we zijn er. Het
blijkt dat we te ver lopen. De verbouwing hier is dermate
grootscheeps dat ook de zijstraat die wij moesten hebben, niet meer
toegankelijk is. Inmiddels blijken we ons al op de kora van de
Potala te bevinden. En gaan we nog tegen de stroom in ook. Op het
fietspad komt een man met drie schapen voorbij. Wij geven het op en
nemen een taxi terug naar het hotel.
Nog even tijd om uit te rusten voordat onze toer begint. Ik haal wat broodjes en soepjes bij wijze van lunch. Om drie uur melden we ons bij Shigatse Travel. Tegen betaling van 100 yuan per persoon mogen we mee. Bij het Potala moeten we dan nog de eigenlijke 100 yuan per persoon toegang betalen. Wij vinden het prima en worden doorverwezen naar de gids. We moeten tot half vier wachten, dan gaan we die kant op, zo begrijpen wij. We wachten binnen in de lobby. De zon is fel.
Om kwart over drie komt de gids zich weer melden. Het wordt tijd dat we naar het Potala lopen. Dan ontmoet hij ons daar zo rond half vier bij het stoplicht aan de oostkant van het Potala plein. Wij vinden het prima en zetten ons in beweging.
De gids pikt ons op bij het stoplicht. Hij blijkt ook nog twee Engelsen bij zich te hebben, die deze toer blijkbaar inclusief vervoer hebben geboekt. We gaan naar binnen bij de oostelijke ingang van het Potala. Dat is een groepsingang. Het is eerst nog De gids heeft onze paspoorten nodig om ons naar binnen te loodsen. We gaan door een veiligheidspoortje. Daarachter is de eigenlijke kaartverkoop. Opnieuw heeft de gids onze paspoorten nodig. Als wij eenmaal de kaartjes in handen hebben, neemt hij afscheid. We mogen op eigen houtje verder.
We zijn binnen. Het is gelukt. Braaf lopen we achter de Chinese
toergroepen aan. We beginnen bovenin het witte paleis. Dat betekent
eerst nog weer eens een flink aantal trappen op. Wij ploeteren
omhoog. Bovenin het paleis beginnen we met een aantal vertrekken van
de Dalai Lama. Alle afbeeldingen van de laatste Dalai Lama zijn hier
inmiddels verwijderd. We zien de kamer met troon waar de belangrijke
gasten ontvangen werden, een meditatiekamer, en de slaapkamer van de
Dalai Lama. Vanaf daar cirkelen we langzaam naar beneden, achter
alle Chinese toergroepen en ook nog wat buitenlanders aan. Het
gedeelte van de Potala dat wij te zien krijgen, bestaat vooral uit
fraaie kamers, ruimtes en kapelletjes met een stuk touw er voor,
waar wij langs worden geleid. Uiteraard mogen ook hier geen foto's
worden gemaakt.
Er is een ruimte met een aantal enorme mandala's, drie-dimensionale voorstellingen vol met juwelen. We zien een bibliotheek en de tronen van verschillende Dalai Lama's. Een wacht reageert enthousiast als ik op de beschilderde muur op zoek ga naar de afbeelding van Tangtong Gyelpo, een historische figuur ergens uit de veertiende eeuw, onder meer beroemd omdat hij een brug over de Yarlung Tsangpo zou hebben gebouwd. Ergens in een hoekje van de muur zijn inderdaad de man en zijn brug afgebeeld.
Spectaculair, vooral voor de Tibetanen onder ons, is de Kapel van Arya Lokeshvara, een op het oog vrij onbeduidend kapelletje ergens in een hoek. Er wordt echter beweerd dat dit het enige gedeelte van het paleis is dat nog dateert uit de zevende eeuw, toen koning Songtsen Gampo ook op deze plek zijn paleis had gebouwd. Het grote houten beeld dat hier staat, zo verzekert de man die hier de wacht houdt ons, is niet door mensen uit een boom gehakt, maar is spontaan zo gegroeid.
Hier en daar staan in het Potala ook de tombes van de Dalai Lama's. Het meest spectaculair is de Kapel van de Tombes van de Dalai Lama's, een lange hal waar de overblijfselen van de vijfde Dalai Lama in een enorme chörten liggen. Het ding is 12 meter 60 hoog en bevat 3700 kilo goud, zo lezen we in ons boekje. Aan weerszijden wordt de chörten geflankeerd door iets kleinere exemplaren voor de tiende en twaalfde Dalai Lama. Beiden overleden al als kind. Dat was niet ongebruikelijk voor Dalai Lama's.
Nadat een Dalai Lama is overleden, reïncarneert hij. Zijn
volgelingen hebben dan de taak om die reïncarnatie op te zoeken. Dat
valt niet mee, maar gelukkig geeft de Dalai Lama voor zijn overleden
vaak wel een aanwijzing waar hij ongeveer van plan is te gaan
reïncarneren. Een kind waarvan wordt vermoed dat het de reïncarnatie
is, wordt onderworpen aan allerlei tests. Zo wordt gekeken of hij
bepaalde eigendommen van de vorige Dalai Lama herkend. Een nadeel
van het systeem is dat het volk vaak lange tijd zonder leider zit.
Is een Dalai Lama eenmaal overleden, dan duurt het vaak een paar
jaar voordat hij reïncarneert, en voordat de nieuwe Dalai Lama dan
echt kan gaan regeren, moet ook al gauw een slordige 15 jaar worden
verwacht. In die periode maken regenten de dienst uit. In het
verleden kwam het nogal eens voor dat een Dalai Lama al als kind
overleed, vaak onder verdachte omstandigheden. Tussen de zevende en
de dertiende Dalai Lama is in een periode van 120 jaar het volk
slechts 7 jaar geregeerd door een Dalai Lama.
De term 'Dalai Lama' is afkomstig uit het Mongools, en betekent zoveel als 'Oceaan de wijsheid'. Het is een eretitel die de toenmalige leider van de Mongolen, de Altyn Khan, gaf aan de derde Dalai Lama en, met terugwerkende kracht, ook aan zijn twee voorgangers. In die tijd, eind 16e eeuw, waren er nauwe banden tussen de Mongolen en Tibetanen. De vierde Dalai Lama bleek zelfs de achterkleinzoon van de Altyn Khan.
De vijfde Dalai Lama was er eentje die door de Tibetanen nog steeds als een van de belangrijkste wordt beschouwd, als zoiets al mogelijk is natuurlijk. Hij was het die het Tibetaanse rijk bij elkaar bracht, en de eerste die echt als geestelijk en wereldlijk leider van heel Tibet fungeerde. Zijn opvolger, nummer 6, was niet zo'n succes. Hij werd na zonsondergang regelmatig aangetroffen in de bordelen van Lhasa. En niet om zieltjes te winnen.
Naast de drie tombes staan er in de Kapel van de Tombes nog acht
chörtens. Elk symboliseert een belangrijke gebeurtenis in het level
van de Boeddha. Na deze imposante hal zijn we al bijna weer bij de
uitgang van de Potala. Een spectaculaire zaal die ons door de Lonely
Planet was beloofd, blijkt in restauratie te zijn en niet
toegankelijk voor publiek.
Eenmaal buiten het paleis moeten we, om weer buiten het complex te komen, nog een flink eind dalen. Tegen een boom zitten een groot aantal munten geplakt, en ook een paar bankbiljetten. Als we verder dalen, komen we langs veel gebedsvlaggen, die wapperend in de wind hun gebeden de lucht in slingeren. Op de grond liggen veel mani's, stenen waarop in het Tibetaans mantra's zijn gebeiteld. We hebben uitzicht op een hertenkampje beneden.
Zo tegen een uur of half zes verlaten wij via de westkant het paleiscomplex, dezelfde kant waar we een paar dagen geleden probeerden binnen te komen. Er staat nu een enorme rij mensen, waarschijnlijk om aan kaartjes voor morgen te komen. Een man laat ons de grote poort uit. Buiten blijken nog meer mensen te staan, die dus in de rij staan om in de rij te mogen staan voor kaartjes voor morgen.
Het Potala staat recht tegenover het Airway Hotel. Kunnen we meteen onze vliegtickets regelen. We lopen de lobby van het hotel binnen die voor het grootste gedeelte is verbouwd tot boekingskantoor. Iedereen is verrassend vriendelijk. Eerst moeten we bij de informatiebalie onze plannen bekend maken, als blijkt dat we niet meteen morgen weg hoeven. Op de zevende augustus zijn er nog veel vluchten, laat de man weten. We kiezen een mooie tijd uit. Dan mogen we onze gegevens op een formuliertje invullen. Daarmee mogen we naar een mevrouw die onze gegevens overtypt en onze tickets klaarmaakt. Met een bonnetje mogen we naar de kassa, waar we onze tickets kunnen afrekenen. Alleen contant. Ruim 60 biljetten van 50 yuan verwisselen van eigenaar. Terug naar de mevrouw die onze tickets heeft aangemaakt en we zijn de gelukkige eigenaars van twee tickets van Lhasa naar Chengdu op 7 augustus aanstaande.
Met een fietstaxi gaan we terug naar het hotel. 's Avonds eten we opnieuw bij Dunya. Bij de receptie vragen we wat de handigste manier is om in Shigatse te komen. Er rijdt een bus vanaf het Kirey hotel, even verderop. Vanaf half acht. Dat vinden we wat aan de vroege kant. We mikken op de bus van half negen.
De wekker gaat om zeven uur. Het duurt even voor we ingepakt zijn. Toch nog maar wel even een ontbijt, al moeten we ons daarvoor vier etages omhoog hijsen. We laten wat bagage achter in het hotel en checken dan uit. Dat duurt even. De telefoon in onze vleugel wordt niet opgepakt, zodat niemand onze kamer kan controleren. Uiteindelijk gelooft de receptioniste het wel en geeft ze onze 100 yuan borg terug.
We snellen naar het Kirey hotel. We zijn er voor half negen, maar toch net te laat voor de bus van half negen die net weg rijdt omdat hij vol is. Bij een klein loketje mogen we ons kaartje kopen. Op de prijslijst blijkt de prijs af te hangen van het tijdstip. Hoe later, hoe duurder. We betalen de prijs van de bus van half tien. Dat is wat verontrustend. De bus staat klaar op een binnenplaats, maar er zitten nog maar twee mensen in. We kiezen een mooi plekje uit, voorin, bij het raam. Dat blijkt niet de bedoeling. De chauffeur, die een tijdje later even poolshoogte komt nemen, stuurt ons naar achteren. Dan maar een ander plekje uitzoeken. Ik zie op onze kaartjes dat daar twee verschillende nummers op staan. Dan konden dat wel eens onze stoelen zijn. Dat blijkt inderdaad het geval. Opnieuw verhuizen we.
Langzamerhand druppelt de bus vol. Maar het blijkt dat we
inderdaad pas om half tien vertrekken. We rijden de stad door, naar
het busstation. En ook daar houden we nog even een stop.
Uiteindelijk is het tien uur als we echt vertrekken. De chauffeur
knalt er een bandje in van iets wat akelig veel weg heeft van een
Tibetaanse Frans Bauer.
Het eerste gedeelte van de rit, die geheel langs de Friendship Highway gaat, is bekend. We reden hem al van de luchthaven naar Lhasa. Het is een mooie rit. In de bus zitten hoofdzakelijk Tibetanen. Achter ons zitten twee Chinese toeristen. Helemaal achterin de bus zit iemand zachtjes te bidden. We zijn de enige westerlingen. Vrijwel de hele rit gaat langs de Brahmaputra rivier.
De bergen worden wat groener. Op een berg zien we iets wat steil omhoog gaat. We denken even dat het de weg is, maar dat valt mee. Het lijkt iets van een pijpleiding. Af en toe rijden we door een dorpje met Tibetaans aandoende huizen. Op elk huis staat braaf een Chinese vlag te wapperen. In de loop van de rit wordt de vallei waar we doorheen rijden steeds nauwer, en komen de bergen steeds dichterbij. Om twaalf uur houden we een korte plasstop. Er is hier een toiletgebouw, maar daar maakt niemand gebruik van. Het landschap is hier een stuk kaler. Midden in het niets staat een klein kraampje waar drinken verkocht wordt.
Bij kilometerpaal 4780, gerekend vanaf Beijing, steken we de rivier over. De rest van de rit hebben we hem aan de rechterkant. Het landschap is alweer aan het veranderen. De bergen lijken nu voor een groot gedeelte uit zand te bestaan, compleet met zandduinen. Iets soortgelijks zagen we ook vanuit het vliegtuig. Waarschijnlijk waren dat zelfs dezelfde bergen.
Langzamerhand verliezen we de rivier uit het zicht. Tegen twee
uur doemt Shigatse op, onze bestemming voor vandaag. Op het eerste
gezicht ziet de stad er niet heel aantrekkelijk uit, met een hoog
Chinees gehalte. Vanaf het busstation nemen we een taxi naar het
Tenzin hotel. Daar is gelukkig nog plaats. Het hotel bevalt ons wel.
Het ziet er wel knus uit, vriendelijk personeel, en middenin de
Tibetaanse wijk. Voor de deur is een markt met vaste kraampjes.
Misschien is deze stad toch zo gek nog niet.
We gaan eten in het restaurant van het hotel. Dat zit op de eerste etage en heeft een mooi uitzicht over de markt. Het is inmiddels drie uur en we zijn de enige klanten. De menukaart is uitgebreid en we kiezen voor twee Indiase curries. Het is erg lekker. Carina houdt nauwlettend in de gaten wat er allemaal op de markt gebeurd. Een klein meisje is aan het bedelen bij elke toerist die langs komt en doet dat op een nogal irritante en vasthoudende manier. De man wordt de hele markt achtervolgt. Haar moeder staat aan de kant om zo af en toe bij te springen.
We gaan zelf ook nog even naar buiten om wat water te kopen. Het winkeltje net naast het hotel vraagt een prijs die te hoog is. Vervolgens zakt de prijs wel, maar we zijn al weg naar een paar winkeltjes verderop, waar het water overigens net zo duur blijkt als het laatste bod van het eerste winkeltje. Maar goed, hadden ze in eerste instantie maar niet teveel moeten vragen. Puh. Op straat staan bij een ander stalletje ook de karkassen van wat Carina in eerste instantie vermoedt als honden, maar wat we uiteindelijk determineren als schapen. Veel vlees lijkt er niet aan te zitten.
In het hotel blijkt ook het kantoor van de F.I.T. gevestigd. Dat
staat voor Foreign Individual Travel. Je kunt er terecht als je een
reisje wil boeken nog verder het land in, waar geen bussen meer
rijden en/of waar je een speciale vergunning voor nodig hebt om er
te komen. De mevrouw van de F.I.T. is er vanmiddag en kan wel iets
voor ons regelen. Waarschijnlijk willen we een dagtochtje naar
Tingri, vertellen we, om dan op de terugweg afgezet te worden in
Sakye. Dat komt mooi uit, want er zijn hier ook al twee mensen die
naar Everest Base Camp willen. Uhm ja, maar daar willen wij dus
eigenlijk niet heen. Een dagtochtje naar Tingri wordt wat lastig,
want dat is 7-8 uur rijden. Maar in twee dagen kunnen we het wel
doen. We zullen er over nadenken.
Tegen het einde van de middag gaan we nog eens de straat op, nu vanuit het hotel rechtsaf. Het is hier erg leuk, misschien nog wel leuker dan in Lhasa. De hele straat lijkt een grote marktplaats met overal kraampjes en kleine winkeltjes die helemaal open zijn. Grote bakfietsen doen dienst als ambulante winkels. De bevolking is bijzonder vriendelijk en roept ons overal een vrolijk Hallo toe, vaak nog eens gevolgd door een Tashi Delek. Als ik ergens een foto maak, wordt er vaak nieuwsgierig op het schermpje meegekeken wat ik op de foto zet. Een klein jongetje met een voetbalpetje komt ons ook voorzichtig groeten. Ik zwaai met mijn petje, hij ook. Als we te dichtbij komen, neemt hij snel de benen, ook tot groot plezier van de volwassenen in de buurt.
Bij een wat grotere winkel verderop doen we inkopen. Als we terug lopen richting hotel komen we terecht op een echte markt. Bij een kraampje kopen we een zak zonnebloempitten. De hoeveelheid die mevrouw ons wil verkopen blijkt wel heel erg ruim. Uiteindelijk weet ik haar duidelijk te maken dat de helft al meer dan genoeg is. Bij een oud vrouwtje kopen we twee bananen. We gaan terug naar het hotel.
We gebruiken vanochtend ons ontbijt in het restaurant van het
hotel. Dan gaan we op pad naar de belangrijkste attractie van de
stad; het Tashilhunpo klooster. Vanuit het hotel slaan we linksaf,
zodat we door de oude stad naar het klooster slingeren. Hoewel, oude
stad, er wordt hier druk gebouwd. Tractors met grote stenen op de
oplegger rijden af en aan. De ruines van de oude burcht liggen op
een heuvel net voor het hotel, maar daar wordt ook al een hele
constructie overheen gebouwd. Wat dat precies moet gaan worden is
ons niet helemaal duidelijk.
We lopen langs de buitenmuur van het klooster. Wat wij iets minder op prijs stellen is dat die muur op vrij massale wijze wordt gebruikt als openbaar toilet. En ook die muur er tegenover trouwens. Met onze neus dicht lopen we verder. De mensen hier zijn wel weer erg vriendelijk, overigens.
We komen bij de hoofdingang van het klooster. Aan de overkant zijn wat winkels met het gebruikelijke pelgrimskoopwaar, zoals gebedsmolens, gebedsvlaggen, en meer van dat soort dingen. We kopen een fles water bij een kraampje om de hoek. Dan kopen we onze kaartjes. Het klooster ligt tegen een heuvel. Oorspronkelijk was het de zetel van de Panchen Lama, na de Dalai Lama de belangrijkste geestelijke van het land. De negende Panchen Lama overleed in 1937. Nummer tien werd aangewezen door de Chinezen, in een poging wat meer invloed uit te oefenen op de Tibetaanse politiek. Vanzelfsprekend accepteerden de Tibetanen dat niet, maar heel veel keus hadden ze niet. Na de verschrikkingen van het Chinese bewind aan het einde van de jaren '50 keerde de Panchen Lama zich echter tegen hen. Uiteindelijk werd ook hij door de Chinezen als vijand beschouwd. De man overleed hier in Shigatse in 1989.
In 1995 wees de Dalai Lama de incarnatie van de Panchen Lama aan. Uiteraard werd die door de Chinese machthebbers niet geaccepteerd. Het jongetje, toen 6 jaar, werd opgepakt en in een Chinese gevangenis gegooid, en kreeg daarmee de twijfelachtige eer om de jongste politiek gevangene ter wereld te zijn. Inmiddels hebben de Chinezen al een Panchen Lama laten aanwijzen die hen beter bevalt. Deze blijkt toevalligerwijs de zoon van een Communistisch partijlid.
Volgens het boekje zijn veel kapellen om twaalf uur gesloten, dus
die gaan we eerst maar eens bekijken. We lopen langs drie flinke
witte chörtens, waar wat pelgrims zitten te picknicken. We beginnen
links met de kapel van Jampa, volgens de Lonely Planet ook al meteen
een van de meest indrukwekkende. De kapel huist het naar verluidt
hoogste vergulde beeld ter wereld, met een hoogte van 26 meter. Het
is een beeld van de toekomstige Boeddha Maitreya, of in het
Tibetaans Jampa. Het beeld ziet er inderdaad indrukwekkend uit. Elke
vinger is meer dan een meter lang. Volgens het boekje hebben 900 man
hier vier jaar aan gewerkt.
Het valt ons op dat hier in het klooster naast de gebruikelijke bankbiljetten ook een enorme hoeveelheid pennen en potloden door de pelgrims worden achtergelaten. Misschien heeft dat te maken met het feit dat de Panchen Lama traditioneel de lama van wijsheid en studie is. Wij weten niet of dat echt de reden is, maar we vinden het wel aardig verzonnen. Een paar kapellen verderop zien we de chörten van de tiende Panchen Lama. Indrukwekkend, en vergelijkbaar met de chörtens van de Dalai Lamas in de Potala in Lhasa. De chörten van de vierde Panchen Lama is ook te zien. Het is de enige die de Culturele Revolutie overleefd heeft. Er is hier wel een tombe van de vijfde tot en met de negende Panchen Lama, hier neergezet door nummer tien ter vervanging van de chörtens die door de Chinezen vernietigd zijn.
Uiteindelijk komen we bij de Kelsang tempel, een complex van drie
verdiepingen rond een pleintje. Aan de lange kant bevindt zich de
assembly hall. Om half een zou daar een ceremonie met alle monniken
moeten plaatsvinden. De monniken beginnen inderdaad al naar het
plein te druppelen. Ze zetten allemaal een gele hoed op met kwasten
aan het uiteinde, karakteristiek voor de Gelugpa orde. Al lijken er
wel verschillende soorten hoeden in omloop te zijn. Een gele cape
completeert het tenue. Er komen steeds meer monniken. Mooi gezicht.
Ze doen voor de deur hun schoenen, een soort van stoffen laarzen,
uit. Toeristen drommen samen voor de twee smalle deuren van de hal.
Later wordt het wat rustiger, zeker als een van beide deuren wordt
gesloten.
Voortdurend lopen monniken in en uit, om dingen naar binnen of weer naar buiten te brengen. We gluren de hal in. De monniken murmelen mantra's, en wiegen daarbij zachtjes heen en weer. Pelgrims en toeristen lopen af en toe door de ruimte. Wij blijven buiten. Niet alle monniken doen mee aan de ceremonie. Er zit nog een heel groepje buiten. Af en toe komt er een mobiele telefoon tevoorschijn. Niet ver van de deur naar de hal staan acht grote zilverkleurige kannen.
Na verloop van tijd beginnen wij toch wel honger te krijgen. En we hebben geen eten bij ons. We zullen het klooster dus weer moeten verlaten, nog voor de monniken weer naar buiten komen. Dat schijnt na twee uur te gebeuren. Maar goed, het is ook mooi geweest. We lopen weer naar buiten op zoek naar een restaurant.
Net buiten het klooster is wel een terrasje, maar de keuze daar
is wel erg beperkt. We lopen richting hotel, door een brede
winkelstraat en komen uiteindelijk uit bij het Songsten restaurant,
voorzien van grote tafels. We worden geplaatst aan een tafel waar
zeker 12 mensen kunnen zitten, en niet veel later voegt dan ook een
complete, zeven man tellende Franse toergroep zich bij ons. Ze komen
vanuit Kathmandu en reizen door naar Lhasa, vertelt de reisleidster.
Ze reist al vijf jaar op Tibet. We krijgen wat tips over wat wel en
wat niet leuk is. Het Everest Base Camp "vinden veel mensen erg
leuk" laat ze diplomatiek weten. Ze vindt er zelf weinig aan, ook al
omdat de Mount Everest voor de Tibetanen eigenlijk geen enkele
betekenis heeft.
We eten vanmiddag tjap tjoy en momo's. De reisleidster heeft een Vegetarische Sizzler. Eern sizzler is een gerecht, meestal vlees, dat op een hete plaat sissend wordt geserveerd, dat in elk toeristisch restaurant van Tibet geserveerd wordt, en waarvan men beweert dat het een westers gerecht is. De Franse reisleidsters krijgt van haar groep flink de wind van voren als ze het waagt haar sizzler en patatten met flink wat ketchup te consumeren. Wat zijn dat nu weer voor Amerikaanse praktijken zeg. Een schande, dat is het.
We lopen verder door de brede winkelstraat naar het hotel. In China heeft men nog wel eens vaker de neiging om namen van winkels op een nogal koddige manier in het Engels te vertalen, maar wat we nu zien slaat alles. We komen langs een Kapper Die Beter Een Electronicazaak Had Kunnen Zijn. Het is er inderdaad niet erg druk.
Dicki van F.I.T. is er ook al weer als we terug komen in het
hotel. Kijk, deze twee mensen willen ook naar Base Camp, roept ze
enthousiast tegen twee anderen als wij er aan komen lopen. En boven
is nog iemand. Dan kunnen we mooi met z'n vijven gaan! Dat kan best
wel, in een Landrover. Als we met z'n vijven gaan, moeten we wel
even zelf de vergunningen regelen, anders kan zij dat voor ons doen.
Als Dicki is uitgeraasd en verdwenen, vertellen we de twee, die
Spanjaarden blijken, dat we eigenlijk helemaal niet naar Base Camp
willen, maar naar Tingri. Op dit moment hebben we bedacht dat we een
driedaagse tocht willen, op dag 1 naar Lhatse, op dag 2 door naar
Tingri, en op dag 3 terug richting Shigatse en afgezet worden in
Sakye. Zo kunnen we mooi rustig aan doen en ook nog eens zo hier en
daar in de omgeving rondkijken bij wat bezienswaardigheden. De
Spanjaarden zullen er over nadenken. Wij ook.
Wij trekken ons terug op onze kamer. Carina begint wat hoofdpijn te krijgen. Ik ga daarom alleen op stap naar het internetcafe, waar ik er achter kom dat de laatste drie berichtjes die we naar onze weblog gemaild hadden, niet aangekomen zijn. Het is hier overigens een fikse wandeling naar het internetcafe. In Lhasa hadden we het een stuk makkelijker, daar zat er eentje in het hotel.
Als ik weer terug kom, blijkt Carina er inmiddels nog slechter aan toe. Ze heeft ook overgegeven. We komen tot de conclusie dat het van de hoogte moet komen. Shigatse ligt immers nog eens 300 meter hoger dan Lhasa, en Carina heeft nu weer precies dezelfde symptomen als toen. Dat betekent ook dat het niet verstandig is om te overnachten op een plaats die nog eens een paar honderd meter hoger licht. Dat zou immers weer een halve dag hoofdpijn en overgeven opleveren. En dat betekent dat we onze geplande rit naar Tingri zullen moeten afblazen; dat ligt immers op 4500 meter hoogte.
Ik ga maar weer in mijn eentje eten. Ik ben nog net op tijd om de Spanjaarden te zien weglopen. Ik loop snel achter ze aan en breng het slechte nieuws. Het bedienend personeel in het restaurant is wat in de war als ik in mijn eentje opdaag en vraagt of ik echt maar een portie wil. Na het eten loop ik weer richting internetcafe. Daar heb ik namelijk een flinke supermarkt gezien en we moeten nog wat inkopen te doen.
Aan personeel is er geen gebrek bij de super. Als ik een flesje ijsthee uit het schap haal, schiet er meteen een meisje op af om te zorgen dat de flesjes weer keurig op elkaar aansluiten. Bananen gaan hier alleen in grootverpakking. Ik koop ook nog een voorraad crackers voor Carina. Tegen half tien ben ik terug in het hotel. Carina heeft weer overgegeven. Rond een uur of tien, als Carina al slaapt, valt de stroom uit, om een minuut of tien later onder luid gejuich uit het hele hotel weer aan te springen.
Vanochtend hebben we nog steeds stroom. Maar nu is de
waterleiding er mee opgehouden. Als ik de kraan open zet dan
pruttelt die nog wat, levert een klein straaltje water, maar houdt
het dan voor gezien. Beneden op de binnenplaats wordt er druk
gesleuteld. Een mevrouw van het hotel die amper Engels spreekt komt
zich uitgebreid verontschuldigen. De waterleiding heeft het
gisteravond met de stroomstoring begeven, zo begrijp ik. Maar het is
nu weer licht, dus nu kan de storing snel verholpen worden.
Zoals we eigenlijk al verwacht hadden is Carina er weer helemaal bovenop. Toch doen we het vanochtend nog maar heel rustig aan. We ontbijten laat en uitgebreid in het restaurant van het hotel. Dan lopen we weer naar het klooster, dit keer om de kora, dat is het pelgrimspad rond het klooster, te lopen. Buiten op de markt staat al weer een kar met schapen klaar om tot voedsel te worden verwerkt. Onder de tafel bij de slager zit een klein zwart poesje aan een halsband die af en toe wat slachtafval te eten krijgt. We lopen weer dezelfde route als gisteren, langs een paar pooltafels die buiten staan, en langs veel kleine winkeltjes.
Bij een winkeltje voor het klooster kopen we een schattige bloemetjesparasol. Dat is toch wel erg prettig als de zon zo fel is. Een oud vrouwtje schatert van het lachen als wij verschillende exemplaren proberen en al helemaal als wij er nog met eentje weglopen ook. Een paar winkels verderop koop ik een flesje drinken bij een winkelier die Chinees blijkt te zijn. Carina, die nog buiten staat, krijgt een enorme verhandeling over zich heen van een pelgrim. In het Tibetaans. Als ik weer terug kom, gaat ze nog even door. Er valt weinig aan vast te knopen, maar vooralsnog houden we het er op dat de vrouw niet op prijs stelt dat we onze inkopen bij een Chinees doen. Hoewel ze uiteindelijk toch weer heel vriendelijk is.
Voor de ingang van het klooster staan een paar levensgrote
beelden. Een daarvan lijkt merkwaardig genoeg een beeld van de ene
Chinees die de andere op de foto zet. Typerend is het wel. Bij de
ingang lopen we niet naar binnen, maar slaan we linksaf om de
buitenmuur te volgen. Zo'n kora is typerend voor een Tibetaans
klooster. Omdat dit klooster een behoorlijk complex is, ligt er ook
een behoorlijke kora omheen, dwars door de bergen.
Langs vrijwel de hele kora staan grote gebedsmolens. Dat is een prachtig gezicht, zo'n lage reeks goudkleurige molens die tegen de berg omhoog slingert. Regelmatig lopen pelgrims ons voorbij die de molens in beweging houden. Een eindje verderop staan twee tenten. In elk zit een pelgrim. Vanaf de kora heb je ook mooie uitzichten over het klooster, zeker als je wat hoger zit. Op de bergen wapperen enorme hoeveelheden gebedsvlaggen, soms ook tussen de bergtoppen. Maar er is nog veel meer te zien. Op de rotsen zijn hier een daar grote kleurige Buddha-beelden geschilderd. Her en der staan chortens te roken waarin offers kunnen worden gebracht. Soms zijn er Tibetaanse teksten in de rotsen gekerfd. Her en der staan tientallen mani's. Bovenop de houten stellingen met gebedsmolens staan vaak yakhoorns.
We klimmen steeds hoger en krijgen prachtige uitzichten op de stad en de bergen er achter. We komen langs een flinke heuvel die bestaat uit stenen en een enorme hoeveelheid yakhoorns. Even verderop ligt een handvol schapen onder de gebedsmolens te dutten. Achter ons struikelen twee pelgrims over de beesten.
We zijn aan het einde van de kora. Nu hoeven we alleen nog de weg
terug naar beneden te vinden. Dat valt niet mee. Een smal pad loopt
rechtdoor, zo op het oog nog voorbij het fort, dus dat lijkt ons
uiteindelijk niet de handigste route. We lopen terug. Beneden loopt
een pad, het is alleen niet duidelijk hoe we daar moeten komen. We
beginnen wat te klauteren, maar dat is niet echt een succes. Beneden
staat een jongetje naar ons te gebaren. We gebaren terug, vragend
naar de weg naar beneden. Hij maakt weidse armgebaren die suggereren
dat we eerst weer terug omhoog moeten. Dat doen we dan maar.
We lopen een stuk terug richting de kora en zien daar het pad naar beneden, een pad waar we eerder ook al bij hadden staan twijfelen. Beneden is een meisje aan het zwaaien en wijzen waar we langs moeten. Uiteindelijk komen we veilig beneden. Het jongetje en het meisje staan ons allebei op te wachten. Ze willen wel een pen. Normaal gesproken doen we daar liever niet aan, maar in dit geval maken we graag een uitzondering. Het meisje wil ook graag op de foto. Als er achter ons andere Tibetanen aankomen, is ze snel verdwenen. We lopen terug naar het hotel.
Om een uur of vier vragen we aan de gebrekkig Engels sprekende
jongen van de receptie of Dicki van de F.I.T. er ook is. Die is er
niet, maar geen probleem, na een telefoontje is ze er zo. Dicki
blijkt al op de hoogte van ons afblazen van de trip naar Tingri. En
voor Gyantse, waar we morgen heen willen, blijk je sinds dit jaar al
helemaal geen vergunning meer nodig te hebben. Eigenlijk hebben we
haar dus helemaal niet nodig. Een trip van hier naar Yamdrok Tso is
niet mogelijk, laat ze resoluut weten. De weg is opgebroken.
Zo tegen de avond gaan we weer naar ons internetcafe. Op de weg terug gaan we bij de supermarkt langs om wat proviand voor de komende dagen in te slaan. Op de weg terug worden we benaderd door een bedelaar die vraagt of wij iets te eten hebben. We staan een pakje crackers af en bedenken ons dat we in onze hotelkamer nog een stapel bananen hebben liggen die we toch niet op gaan krijgen.
Met een paar bananen in de hand gaan we naar een restaurant. Net nu komen we natuurlijk geen bedelaar tegen. In het Songtsen restaurant is het een stuk rustiger dan gistermiddag. We zijn hier speciaal gekomen voor de Sissende Groenteburger, die inderdaad erg lekker is. In het restaurant hangen portretten van de Panchen Lama, en vlaggen met Buddha-beelden.
Tijd om Shigatse te verlaten. Maar we hebben geen haast want de
volgende bestemming, Gyantse, is maar anderhalf uur verderop. Alle
tijd dus voor een uitgebreid ontbijt en een rondje over de markt
voor het hotel. Die markt blijkt vrij toeristisch. We mogen overal
look look. De mevrouw bij het eerste kraampje houdt zelfs mijn hand
vast, wat haar op een verdraaide arm komt te staan.
We pakken onze bagage, checken uit en zoeken naar een taxi die ons naar het busstation kan brengen. Als ik de chauffeur 10 yuan geef, krijg ik nog 5 yuan terug ook. Het blijkt geen probleem om vervoer naar Gyantse te vinden. Een mevrouw wil graag helpen onze bagage te dragen naar haar bus naar Gyantse. Ik weet niet of ik dat wel een goed idee vindt. Haar minibusje blijkt al stampvol te zitten, dus we kijken liever uit naar een andere optie. Een man wil ons voor 5 yuan per persoon meer in een luxe auto brengen. Dat klinkt beter. We stappen in. Op dit moment zijn er drie passagiers, dus het wachten is op de vierde. Dat duurt even. Rond de ingang van het busstation, waar wij nu geparkeerd staan, lopen een aantal mannetjes rond die proberen potentiële passagiers naar de juiste bus of taxi te brengen. Een eind verderop zien we een vrouw zitten met een paar kindertjes. Ze zien er nogal berooid uit. Een kind wordt een winkel in gestuurd om te bedelen. Carina brengt haar drie van onze bananen, die dankbaar worden aanvaard. Als er later nog twee kinderen opduiken, gaan er nog twee bananen die kant op. Zijn we daar ook weer van af.
Uiteindelijk wordt de vierde vrijwilliger voor Gyantse gevonden.
Wat volgt is een aangename en comfortabele reis. De muziekkeuze van
de chauffeur is ook aanzienlijk aangenamer dan die in de bus een
paar dagen geleden. We zoeven voort over de Friendship Highway,
totdat we een afslag nemen. Hier is de weg beroerd. We rijden over
een brug, slaan rechtsaf, en gaan verder over een al even beroerde
en stoffige weg pal langs een rivier. De chauffeur rijdt
voorzichtig. Er liggen veel stenen op de weg. Af en toe moeten we
een langzamer voertuig inhalen. Niet veel later arriveren we in
Gyantse.
De taxistop is amper 100 meter van het JianZhang hotel. Daar worden we door een bijzonder vriendelijke en behulpzame receptioniste enthousiast ontvangen. "24 hour per day hot water!" is haast het eerste wat ze zegt. Er zijn nog kamers vrij. Ook dit hotel is gebouwd rond een binnenplaats. Onze kamer is in het blok bij de ingang. De receptioniste hoeft niet eens ons paspoort te zien. Als we eenmaal in onze kamer zijn, controleren we eerst maar eens of die 24 hour per day hot water het inderdaad doet. Dat lijkt het geval. Daarna eten we een noedelsoepje.
Tegen het einde van de middag gaan we er nog even op uit. Zo op het eerste gezicht ziet Gyantse er een stuk minder aantrekkelijk uit dan Shigatse. Het hotel ligt langs een brede weg, waar overigens niet heel veel verkeer is. En het weinige verkeer is ook nog eens grotendeels tractors, paard en wagen, en fiets. We lopen in de richting van wat de Lonely Planet aanduidt als de Tibetaanse stad. Hoog op een heuvel ligt de burcht. Gyantse was aan het begin van de twintigste eeuw het toneel van een slag met het Britse leger. De Chinezen hebben daar dankbaar gebruik van gemaakt door hier een Anti-Brits Imperialistisch Museum neer te zetten. We komen langs een overdekte markt waar vlees en groente wordt verhandeld.
Terug op de hoofdweg slaan we op de Rotonde Van Gyantse linksaf.
Als we daarna weer linksaf slaan, komen we in de oude Tibetaanse
wijk. Hiermee vergeleken was Shigatse nog het toonbeeld van
vooruitgang. Straten zijn van zand, ongelijk, en omdat het onlangs
geregend heeft staat er flink wat modder in de straten. Je lijkt er
hier niet echt bij te horen als je niet een koe aan je voordeur hebt
vastgebonden. We lopen langs de buitenkant van de wijk, langs een
open veld. In de verte zien we een kat lopen. Een oud Tibetaans
vrouwtje komt enthousiast op ons af. "Sjimmie! Sjimmie!", roept ze.
Ach wat leuk, denken wij, de kat heet Jimmy. Wij zetten Jimmy op de
foto. Met behulp van ons taalgidsje communiceren wij verder. In de
verte staan koeien. Een koe is een ba-choog, vinden wij. Mevrouw
begrijpt het. We proberen nog eens wat dieren. En een kat, wat is
een kat? We zoeken het op. Shi-mi. Shi-mi!? Ah, shimi. Die kat heet
dus geen Jimmy, die kat is een shimi. Weer wat geleerd.
Verderop worden we door twee vrouwen begroet. Er staat ook een klein jongetje, dat heel erg sip staat te zijn. Zijn moeder is overleden, zo begrijpen we van de vrouwen. Weer verderop zijn kinderen aan het spelen. We mogen een foto van ze maken. Een gemotoriseerde bakfiets rijdt langs en blijft steken in de modder. We duwen hem er weer uit. Een kar vol meubels die even later komt treft hetzelfde lot.
Terug naar het hotel. We eten vanavond in het restaurant van het hotel. Grote lage tafels met brede banken, zodanig dat je er amper nog tussendoor kan lopen. Er zitten nog wat toeristen. We vangen op dat het onmogelijk is om aan soft sleeper kaartjes voor de trein te komen. Toch maar goed dat we vliegtickets hebben geboekt. We eten groentepasteitjes en appelmomo's. Die laatsten zijn heel bijzonder en hebben wel iets van appelgebak. We eten fruit en yoghurt na. Yakyoghurt, uiteraard. Inmiddels is de baas ook binnen gekomen, met iemand waarvan wij vermoeden dat het een hoogwaardigheidsbekleder is. Het personeel doet tenminste uitermate zenuwachtig. Drie vrouwen zitten er uitermate ongelukkig bij.
Na het eten gaan drie andere buitenlanders op zoek naar een internetcafe. Wij lopen achter ze aan. Het cafe blijkt niet ver. Daarna lopen we nog een keer de hoofdstraat op en neer. Aan het begin staat een bordje dat het hier verboden is voor paard en wagen. Niemand houdt zich daaraan.

We ontbijten vanochtend in het hotel. Dat is geen onverdeeld
succes. De eitjes zijn prima, maar de zelfgebakken broodjes zijn
platte witte dingen die verdraaid lastig weg te krijgen zijn.
Vandaag bezoeken we de toeristische attractie van Gyantse: het
Pelkor Chode klooster en de daarbij horende Gyantse Kumbum. Het is
even zoeken naar de ingang, maar we blijken te staan bij het fort in
plaats van het klooster. Het klooster is een kilometer verderop. Een
brede weg, aan weerszijden voorzien van winkeltjes, leidt er naar
toe.
We beginnen met het klooster. Dat bestaat uit de dingen waar een klooster zoal uit bestaat, en die ons inmiddels bekend zijn. Aardig is wel dat het klooster oorspronkelijk onderdak bood aan drie kloosterorders: de Gelukpa, de Sakyapa en de wat obscuurdere Büton. Dat is nogal ongebruikelijk. In een van de kapellen geeft een jongetje in het Engels spontaan uitleg over het een en ander. Hij is ook erg geïnteresseerd in het kompas dat aan mijn broek hangt. Omdat het toch wel eens leuk is om de binnenkant van zo'n klooster op de foto te zetten, koop ik voor 20 yuan een bonnetje om foto's te mogen maken in de hoofdhal. Als ik met mijn camera ook een zijhal in loop, krijg ik meteen een boze monnik op mijn dak. Deze kapel is niet inbegrepen bij mijn fotovergunning. Op het dak van het klooster zijn er mooie uitzichten op de kumbum.
Voor we de Kumbum ingaan, puffen we uit op het stoepje. We eten wat. Een vriendelijke oude Tibetaanse pelgrimmevrouw begint een heel verhaal tegen ons te houden. Wij begrijpen het niet helemaal. Is het misschien niet eerbiedig dat we hier op de stoep zitten te eten? Nee, dat is het ook niet. Wil ze misschien ook iets eten? Ze slaat ons crackers vriendelijk af. Aha, ze wil natuurlijk gewoon geld. Dat blijkt inderdaad het geval. Niet veel later komen er twee zwerfhonden naar ons toe gewandeld die verlekkerd blijven kijken. Zij zijn duidelijk op onze crackers uit.
We gaan de kumbum in. Als we een monnik bij de ingang 10 yuan
betalen, mogen we in alle 77 kapellen foto's maken. Dat is een
koopje. De kumbum is een enorm bouwwerk in de vorm van een chörten
of stupa, met 5 etages die elk bestaan uit een aantal kapelletjes
met Buddha- beelden. Kumbum betekent zoveel als '100.000
afbeeldingen', maar dat is toch ietwat overdreven. Het ding werd in
1427 gebouwd door een prins uit Gyantse. Het symboliseert het
Tantrisch Pad. Naarmate je hoger komt, kom je ook hoger op dat pad.
Bovenaan is het ding vierkant en staren vier paar ogen in elke
windrichting.
Het allerbovenste luikje waar de allerbovenste trap van de kumbum naar toe leidt, zit op slot. We kunnen dus niet het dak op. Het nirvana blijft voor ons onbereikbaar. Zittend op de trap puffen we uit. Een Chinees die we duidelijk maken dat het bovenste luik op slot zit, wil niet luisteren. We dalen af. Het is nog een finkse wandeling terug naar het hotel, zeker nu het weer warm is. Over het algemeen is het hier aanmerkelijk koeler dan waar we tot nu toe geweest zijn. 's Avonds lopen we zelfs met onze jas aan rond.
In het hotel zakken wij uitgeput op ons bed. Zo in de loop van de
middag beginnen wij toch honger te krijgen. Het restaurant van het
hotel is tot nu toe niet heel erg bevallen, en dus proberen we eens
iets anders. Aan de overkant zit het Prinses Wencheng restaurant,
dat gelieerd schijnt te zijn aan het Songtsen restaurant in
Shigatse. Ook niet zo verwonderlijk, want prinses Wencheng was de
vrouw van koning Songtsen Gampo, zo lees is later. Wij vinden het
wel een knus restaurant. Ook hier grote banken en grote tafels, maar
iets meer ruimte. Het personeel is erg verlegen, spreekt amper
Engels, maar doet wel erg haar best. En de curries zijn prima.
Eenmaal terug in het hotel lijkt het mij wel verstandig om eens een wasje te doen. Volgens de laatste plannen gaan we namelijk toch weer wel naar Everest Base Camp. In ons boekje zag ik namelijk dat Shegar op maar net iets meer dan 4000 meter ligt, dus we zouden twee nachten in Shegar kunnen overnachten en op de tussenliggende dag naar base camp kunnen gaan, wat zo'n drie uur verderop ligt. Als ik eenmaal aan het wassen geslagen ben, volgt Carina enthousiast, zodat we uiteindelijk meer was dan knijpers hebben. En meer was dan lijn. Zeker omdat de waslijn wat lastig te spannen is tussen twee buitenramen waarvan er een steeds dichtwaait. De resterende onderbroeken en sokken hangen we dan maar aan de kapstok die we vervolgens voor het open raam zetten.
's Avonds doen we onze inmiddels gebruikelijke gang naar het internetcafe en eten we opnieuw bij Princess Wencheng. Er zitten meer Nederlanders. De zoetzure groente vinden we toch iets minder geslaagd.
Ook het ontbijt vanochtend genieten we bij Princess Wencheng. Die
heeft tenminste wel fatsoenlijke geroosterde broodjes. En
behoorlijke porties roerei. We hebben het plan om vandaag naar
Tsechen te gaan, een dorpje vijf kilometer van Gyantse, en dan in de
loop van de middag terug te gaan naar Shigatse. We pakken dus al
onze spullen en onze was in, checken uit, en laten onze rugzakken
achter bij de nog steeds uitermate vriendelijke en hulpvaardige
receptioniste. Een taxi is ons bereid naar Tsechen te rijden, over
dezelfde hobbelige weg langs de rivier waarlangs we ook gekomen
waren.
In ons boekje hebben we aangewezen dat we naar het klooster en fort van Tsechen willen, en de man doet zijn uiterste best om ons voor de deur af te zetten. Hier en daar vraagt hij nog eens, maar we zullen het laatste stuk toch echt zelf moeten klimmen. We bedanken de man vriendelijk. Eerst kijken we eens rond in het dorpje. Het ziet er ongeveer net zo uit als de buitenwijken van Gyantse. Witte huizen, alleen zandpaden, en veel vee op straat. Sommige huizen zijn hier ook nog eens afgewerkt met een laag mest, van ongeveer een meter hoog. Al snel worden we belaagd door mensen die ons allemaal enthousiast begroeten, en willen bekijken wat wij allemaal bij ons hebben. Er komen niet heel veel toeristen in Tsechen.
Van alle kanten wordt ons de weg gewezen naar het klooster, dat halverwege een heuvel ligt. Vanaf de heuvel hebben we een mooi uitzicht op het dorpje, op de graslanden er achter, en op de bergen daar weer achter. Er staan opvallend veel paarden in de wei. Regelmatig komen er kindertjes langszij die ons een vriendelijk Hello wensen. Ze lopen een eindje met ons mee en wijzen ons de weg.
We komen bij het klooster aan. Binnen hebben zich een aantal
pelgrims verzameld. Ze drinken yakboterthee en maken een praatje. We
kijken rond in de ruimte. Er komt een jongen tevoorschijn die ons
ook de andere delen van het klooster laat zien, het dak en nog wat
kapelletjes. Hij lijkt geen monnik, maar heeft wel een oranje
T-shirt aan. Ondertussen stroomt de bijeenkomstruimte beneden steeds
voller. Iedereen zoekt een plaatsje op de rijen banken. Ik heb het
idee dat er iets gaat gebeuren. Dat blijkt inderdaad het geval. Als
we na een klein rondje weer terug komen, is er een ceremonie in
volle gang. Vier rijen over het algemeen oudere gelovigen van zes
elk zingen mantra's. Een paar mannen in het midden, die het dichtst
bij het altaar zitten, hebben een paar instrumenten, een
klankschaal, een hoorn, waar af en toe op gespeeld wordt.
We kijken ademloos toe. Elke gelovige heeft een gebedsmolen in de ene hand, en een kralenketting in de andere. Iedereen zit mee te murmelen. Regelmatig komt een man langs met een thermosfles yakboterthee, maar de gelovigen hebben zelf ook thermosflessen meegenomen, die staan op de tafeltjes tussen de banken. Een vrouw die helemaal links in het hoekje zit, wenkt ons om vooral verder te komen. Ze maakt een hoekje op de bank vrij voor Carina. Bij de mannen daartegenover wordt voor mij een hoekje vrijgemaakt. De vrouw in de hoek gebaart dat wij ook wel yakboterthee mogen. Maar we hebben geen mok, gebaren wij. De vrouw maakt de dop van de thermosfles grondig schoon en wil daar onze thee in gieten. De jongen met het oranje t-shirt schiet al te hulp en geeft ons twee Chinese kommetjes, die eerst met behulp van wat thee worden schoongemaakt. In de tussentijd murmelt iedereen gewoon door.
We krijgen allebei een kopje yakbotherthee. Vol spanning nemen we
een slokje. Het is lang niet zo erg als we verwacht hadden. Dat
zoute, dat valt wel mee. Regelmatig komt de yakbotertheebijvuller
langs. Al snel hanteren we dezelfde strategie als de vrouwen aan het
tafeltje. Op het moment dat de bijvuller komt, verstrooid opkijken,
even een slokje nemen, zodat hij weer bij kan vullen. De vrouwen
vullen ook zelf bij. Zij hebben een kommetje met een dekseltje.
Sommigen hebben gewoon een homp boter in hun kommetje liggen en
gieten daar af en toe heet water bij.
Ondertussen wordt mijn Lonely Planet, die ik bij de ingang had neergelegd, door het voltallige personeel geïntrigeerd doorgebladerd. Als ik ze wijs op het stukje over het Tsechen klooster, de naam staat er in Tibetaans schrift bij, zijn ze helemaal verrukt. Het boekje gaat van hand tot hand. Het murmelen gaat gewoon door.
Tijdens de ceremonie komt er ook af en toe iemand langs die snoepjes uitdeelt. Bij de vrouwen verdwijnen die gewoon in hun wijde kleding. Wij krijgen ook een handje. We horen er al helemaal bij. Even verderop zitten een wat jongere vrouw met een klein kindje van een paar jaar voor zich, waar we gefascineerd naar zitten te kijken. Het jongetje zit nu al een half uur stil en kijkt rustig wat om zich heen. Het zou zo de reïncarnatie van een of andere lama kunnen zijn.
Als weer iemand vol bewondering de plaatjes van de Gyantse Kumbum in de Lonely Planet bekijkt, haal ik mijn camera tevoorschijn en laat ik de foto's zien die ik daar heb gemaakt. De jongen met het oranje T-shirt is meteen enthousiast. Ik moet ook foto's hier in het klooster maken! Mooi, dat was precies de bedoeling. Ik sla enthousiast aan het schieten. Ik haal het taalgidsje tevoorschijn en wijs aan dat ik de foto's op zal sturen. Dat vindt men een goed plan. Het taalgidsje wordt vervolgens ook enthousiast bestudeerd.
Inmiddels is het gemurmel afgelopen. We hebben de indruk dat het
even pauze is. Dat geeft ons mooi de kans om weer weg te gaan. We
zitten hier immers ook al weer zo'n anderhalf uur. Maar zo
gemakkelijk komen we niet weg. Iedereen wil nog onze boekjes en
foto's zien. Een paar mannen, waaronder de enige monnik die we hier
zien, gaan met ons mee naar buiten. Ze willen graag nog even op de
foto, breed glimlachend. Het is een aantal gelovigen ook niet
ontgaan dat voor in de Lonely Planet een voorwoord staat van de
Dalai Lama. Voorzichtig vraagt een van de mannen of we misschien een
foto hebben van de Dalai Lama. Daar kunnen we hem niet aan helpen.
Vier mannen zwaaien ons uit als we het klooster weer verlaten. Ze
wijzen ons vanuit de verte het pad terug naar het dorp.
Terug in het dorp worden we meteen al weer belaagd door een groep kinderen. Eigenlijk waren we van plan om hier ons lunchpakketje op te peuzelen, maar op deze manier wordt dat niks. We lopen dus maar het dorp uit, richting Friendship Highway, en vinden een paar rustige stenen, we onder ons parasolletje eens kijken wat we gisteren zoal ingekocht hebben. Van het ontbijt van vanochtend hebben we nog een gekookt eitje meegenomen.
Er komt een oud vrouwtje aangelopen met een enorme baal gras op haar rug, al zal het waarschijnlijk toch graan of iets dergelijks zijn. Ze komt bij ons een heel verhaal ophouden. In het Tibetaans uiteraard. Ze wil iets van ons, maar wat, dat is nog niet helemaal duidelijk. We proberen het eens met wat crackers. Die hoeft ze niet. De lekkere mini-rijstwafels-met- honing-en-smaakje vallen beter in de smaak. Ze krijgt er twee en eet die allebei half op, en steekt de andere helft in haar zak. Ze heeft een kind, zo begrijpen we uit haar gebaren. Ze krijgt nog twee rijstwafeltjes mee.
Langs de Friendship Highway zitten vier mannen. We lopen die kant
op en worden hartelijk begroet. Een van hen zet even zijn fiets aan
de kant zodat we allebei kunnen zitten op een van de lage brede
stenen die hier dienst doen als vangrail. Aan de weg lijkt iets van
een school te staan, er komt tenminste een schoolmeisje uit die
richting gelopen. Over de snelweg komt een paard en wagen. Dat is
hier heel normaal. Automobilisten zijn daar op voorbereid. Als er
eentje gaat inhalen, dan gaat dat gepaard met een forse claxonstoot,
zodat de ingehaalde weet dat hij ingehaald wordt. Soms staan er ook
zo maar een paar mensen midden op de weg, die ook niet echt aan de
kant gaan als er iemand aan komt.
We lopen weer terug naar het dorpje. Een van de mannen loopt met ons mee. Hij trekt met zijn been, zo maakt hij ons duidelijk, en gebruikt een schep als ondersteuning. Hij klautert op zijn fiets en komt half steppend achter ons aan. Als hij bij zijn huis is gekomen, neemt hij vriendelijk afscheid.
We slenteren door het dorpje heen, nemen veel foto's, en komen bij het grasveld met de vele paarden. Er leidt een pad door het veld. Nieuwsgierig slaan we het in. Verderop zit een flinke groep Tibetanen onder grote parasols te picknicken. Er stroomt een rivier dwars door het grasland, al kunnen het ook de restanten van de regen van gisteren zijn. Misschien hebben die paarden iets te maken met het paardenfestival dat hier half juli heeft plaatsgevonden.
Voorzover wij weten gaat er maar een brug over de rivier waar wij
overheen moeten. We lopen dus weer terug en slaan rechtsaf, richting
brug. Bij de brug wordt een wasje gedraaid. We lopen terug richting
Gyantse langs dezelfde weg waar we vanochtend ook met de taxi
overheen gereden zijn. Dat is niet altijd even prettig, want er is
hier veel verkeer en dat brengt noal wat stofwolken met zich mee. Op
een gegeven moment kunnen we linksaf slaan, de landerijen in. Een
man die daar staat met zijn paard, wagen en vrouw verzekert ons dat
ook dit pad naar Gyantse leidt.
Op een klein bruggetje puffen we uit en halen we nog eens onze zak rijstwafels tevoorschijn. De zon is fel, maar in de verte hangt donkere bewolking en horen we af en toe zelfs gedonder. Het is nog een fikse wandeling terug naar het dorp.
We komen terecht in de buitenwijken van Gyantse, maar andere buitenwijken dan we tot nu toe gezien hebben. Ook hier veel koeien. Een familie op een paardenkar groet ons vriendelijk. We komen in een erg pittoresk straatje, waar overal keurig een koe voor de deur staat. We komen aardig wat pelgrims tegen. Het valt Carina op dat die allemaal de andere kant op gaan. Dat zou wel eens kunnen betekenen dat we op een kora zijn beland, en tegen de stroom ingaan. Waarschijnlijk de kora van het Pelkor Chode klooster. We hebben vrije uitzichten op de Kumbum.
Uiteindelijk komen we uit bij de ingang van het klooster. Vanaf hier weten we de weg weer, maar weten we ook dat het nog een fikse wandeling is. Het loopt al tegen zessen en inmiddels hebben we besloten dat we hier nog maar een nachtje blijven. Er zijn opvallend veel Chinese politieauto's op straat. Landrovers, een term die hier overigens wel bijzonder op zijn plaats is. We denken ook allerlei bouwsels langs de straat te zien die we gisteren nog niet zagen. We beginnen ons haast af te vragen of het paardenfestival misschien nog aanstaande is. Is dat het geval, dan is het maar te hopen dat we voor vannacht nog een hotelkamer te vinden is.
Het blijkt allemaal nogal mee te vallen. Door de receptioniste worden we weer hartelijk ontvangen, het paardenfestival is al lang achter de rug, en we kunnen gewoon weer in de kamer waar we vanochtend uitgecheckt waren. Het diner gebruiken we uiteraard weer bij Princess Wencheng aan de overkant. Het personeel daar raakt licht in paniek als we vragen wat een 'mixed vegetable curry set' precies inhoudt. Maar als de derde medewerker er bijgehaald is, komen we er toch uit. Zo'n beetje. Hij smaakt prima.

