Zondag 16 juli 2006


Het is een hectische toestand op de luchthaven van Beijing. Ik heb een ticket voor de vlucht naar Chengdu van 2 uur 's middags, maar ben al om kwart over elf op de luchthaven. De vlucht van 2 uur heeft vertraging, meldt mevrouw achter de incheckbalie, maar als ik naar de ticketbalie ga, kan ik nog wel op een eerdere vlucht geboekt worden. Bij de ticketbalie is het eindeloos wachten. Een man voor mij lijkt een ticket of 15 te bestellen. Subtiel schuif ik in de andere rij. De mevrouw achter de balie kijkt vol onbegrip als ik mijn e-ticket laat zien. Op de eerstvolgende vlucht is geen plaats meer. En op de vlucht van twee uur is alleen nog business class. Dus wat wil ik nu eigenlijk? Ik heb al een ticket voor twee uur, roep ik verontwaardigd. Ze kijkt nog eens naar mijn uitdraai en nog eens in de computer. Ach ja, dat is waar ook. Maar ik kan niet meer omboeken.

Terug naar de incheckbalie. Helaas, een vlucht eerder zit al vol, laat ik weten. Mevrouw belt wat heen en weer. Of ik mij wil vervoegen bij incheckbalie G12. Dat wil ik. Ook daar wordt driftig getelefoneerd en gewalkietalkied. Dan lijk ik een instapkaart voor een vlucht eerder te krijgen. Maar ik moet wel opschieten, want de vlucht is al aan het boarden en vertrekt over 20 minuten. Gaat mijn rugzak dan op dezelfde vlucht mee? vraag ik voorzichtig. Ja hoor, geen probleem. Ik word onder begeleiding door security geloodst en spoed mij daar de juiste gate.

Op de luchthaven van Chengdu worden mij alom taxi's aangeboden. Ik loop mee met een mevrouw die er wel officieel uitziet, naar een dito taxi. Geen meter, constateer ik beslist als ik naar binnen gluur en ik wil alweer weg lopen. Yes, meter, meter, stelt mevrouw mij gerust. Dan is het goed. Ik gooi mijn rugzak in de achterbak en maak met behulp van het boekje mijn bestemming bekend. Dat kost 150 yuan, laat men weten. Laat maar. Ik graai mijn rugzak uit de achterbak en loop snel weg. 100, wordt achter mij nog geboden.

Even verderop blijkt de echte standplaats. Een vriendelijke mevrouw neemt mij mee. Ze probeert een praatje aan te knopen maar met mijn Chinees komen we niet heel ver. Ik krijg wat soort van nootjes aangeboden, al lijkt het haast meer op rauwe bonen. Neem maar, gebaart de chauffeuse. En de rest van het zakje mag ik ook wel meenemen. Aardige mensen hier.

Een half uur en precies 50 yuan later staan wij voor het Tibet Hotel. Sjieke boel. Ik check in en bewonder mijn kamer. Fraai ontworpen in Tibetaanse stijl, zij het wat aan de kleine kant met een eenpersoonsbed. Ik heb deze kamer op het internet geboekt voor een onwaarschijnlijk luttele 30 euro. Inclusief ontbijt. Mijn geld is bijna op, dus ik ga op zoek naar nieuw. Buiten is het onaangenaam warm. Even verderop zit een Bank of China met een pinautomaat. Na vier pogingen geef ik het op. Elke keer als ik het gewenste bedrag wil invoeren, blokkeert het apparaat. Ik informeer bij de balie. Ja hoor, het probleem is bekend. Dat komt, het geld is op. Maar natuurlijk. Kan ik hier dan wel travellers' cheques wisselen? Dat kan morgenochtend weer.

De rest van de middag breng ik door op mijn hotelkamer met airconditioning. Tegen de avond ga ik op zoek naar het restaurant van het hotel. Levendige bedoening. Aan een paar tafels even verder schreeuwen een aantal mannen om het hardst. Aan mijn tafel krijg ik regelmatig bezoek van drie jongetjes die alles wat ik lees en typ reuze interessant vinden. Ik wissel mijn schamele woordjes Chinees met hen. Ik eet vanavond de gongbao jiding, kip in pikante saus met nootjes, een typisch Sichuan-gerecht. Sichuan staat bekent om zijn loeihete keuken. Op de menukaart worden gerechten aangegeven met een tot drie pepertjes. Mijn gongbao jiding is aangenaam pikant en heeft geen enkel pepertje. Ik krijg er een klein schaaltje groente bij en een klein schaaltje fruit na. En dat allemaal voor iets meer dan twee euro.


Maandag 17 juli 2006


En wat voor een ontbijt. In de ontbijthal wordt ik verwelkomd door een buffet van enkele tientallen meters. Alles is er, Chinees, Japans, ja zelfs westerse koekjes en gebakjes, salade, fruit, yoghurt, ontbijtgranen, u zegt het maar. Bij de Bank of China is de pinautomaat nog steeds leeg, maar travellers cheques worden vanochtend wel gewisseld. Buiten is het alweer onaangenaam warm. Ik check uit en ga buiten in een taxi stappen. Dat was tenminste de bedoeling, maar er is geen lege taxi te vinden. Terug het hotel in. De piccolo heeft in no-time een taxi voor mij te pakken. Zwijgzaam type, die chauffeur. We rijden naar de luchthaven.

Tegen twaalf uur sta ik in de aankomsthal. Carina's vliegtuig komt om 12:20 aan. Voor de zekerheid vraag ik aan de jonge wacht of ik hier op de goede plek sta. Hij leeft helemaal op. Hij kan eindelijk zijn Engels oefenen. You go to Amsterdam!? Good! Good! No no, my friend... Ah, yes, friend goes to Amsterdam? No no, my friend comes from Amsterdam to here. Amsterdam. Here. Ah! Is this where she will come? Yes, yes! Hij neemt mij nog maar eens mee naar het bord. See, Amsterdam, 12:20.

Het is al na enen als Carina naar buiten komt. We nemen een taxi naar het Kongding hotel, waar door Dim Sum reizen voor ons een kamer gereserveerd is. Het is een vrij doorsnee Chinees hotel, met een lobby die heel wat lijkt. Bij de receptie staat al een vriendelijke Engelssprekende jongen met onze tickets en vergunningen voor Tibet. Dat is goed geregeld. We worden hier morgenochtend om kwart voor zes afgehaald, laat hij weten.

We gaan nog even de straat op, maar eigenlijk is het veel te warm. Bij een supermarkt halen we iets te eten en drinken, en niet veel later sukkelen we terg naar het hotel. Carina heeft 's avonds geen puf meer om nog naar een restaurant te gaan, en dus haal ik wat noedelsoepjes en broodjes bij een winkeltje even verderop.

Om een uur of acht wordt er gebeld. "Message for you! Yes?" meldt een mevrouw. Wat krijgen we nu? Een boodschap voor ons? Moet ik naar beneden komen? vraag ik. Yes! Yes! Beneden lijkt de receptionist mij ook niet helemaal te kunnen volgen. Hij kijkt eens in de computer, maar daar lijkt geen sprake van een boodschap. Zijn Engels houdt ook niet over. Ik krijg een nummer op een briefje. Mijn vriend met een boodschap moet hier maar heen. Of zo iets. Het blijkt het faxnummer van het hotel te zijn. Inmiddels heeft Carina bezoek gekregen van een mevrouw die een massage aanbood. Pas later begrijpen we het. Die vrouw had ik ook al aan de telefoon.


Dinsdag 18 juli 2006


Om vijf uur gaat de wekker. Om 5:40 staan we beneden, klaar om uit te checken. Dat duurt even. De man heeft het over iets van clothes in the room. Dat snappen wij niet. Totdat blijkt dat ik een kleinrugzakje met jas en poncho op de kamer heb laten liggen. Wij danken hartelijk. Een andere man is ons inmiddels komen vertellen dat het busje buiten klaar staat. Dat minibusje blijkt al stampvol. Ik kan alleen nog naast de chauffeur zitten. Wij vragen ons af waar al die mensen ineens vandaan komen. Waarschijnlijk uit andere hotels.

Eenmaal op de luchthaven wordt alle bagage weer verzameld. Een Nederlandse man plaatst plotseling een tirade in onze richting. Dat we veel te laat waren, dat dat geen stijl is, dat ze wel twintig minuten op ons hebben moeten wachten, en dat het asociaal is om iedereen zo lang in de zenuwen te laten zitten. Ik pareer fel en zeg dat ik niet weet waar hij het over heeft, dat ons is verteld dat we om kwart voor zes beneden moesten zijn en dat we keurig op tijd beneden waren. Ja maar, wij hebben twintig minuten gewacht, probeert de man nog. Dat kan wel wezen, maar dat ligt niet aan ons, want wij waren op tijd. Het is een gezellige boel. De man gaat bij ons verder door het leven als De Stresskip.

Onze begeleider, die weinig Engels spreekt, loodst ons naar de incheckbalie. Hij verzamelt de paspoorten van bijna de hele groep, alleen wij mogen onze paspoorten zelf houden en even wachten. Dan checken wij zelf in. Wij lopen achter de groep aan naar security. Het is die van de C-gates, terwijl wij naar een B-gate moeten. We moeten omlopen om bij onze gate te komen. Tot onze verbazing treffen wij Stresskip en consorten niet aan bij onze gate. Wij gaan ons haast zorgen maken, maar we zitten wel degelijk goed. Ik denk dat ik het omroepsysteem hoor zeggen dat er een vlucht naar Lhasa vertrekt vanaf een C-gate, maar volgens de monitor zitten wij toch echt goed.

Rond kwart voor acht gaan we de lucht in. De vlucht blijkt inderdaad Stresskipvrij. Merkwaardig. Blijkbaar gaat de rest van de groep ergens anders heen. Des te beter.

Na twee uur landen we. We zijn nu echt in Tibet. In de ontvangsthal houdt al iemand een papiertje met onze namen omhoog. Hij stelt zich voor en is onze gids naar Lhasa. We krijgen allebei een lange witte sjaal om onze nek, Tibetaans symbool ter verwelkoming en voor een goede reis. Hij neemt ons mee naar de parkeerplaats waar al een minibusje met chauffeur staat te wachten. Dit keer zijn wij de enige passagiers.

De luchthaven van Lhasa ligt een slordige 60 kilometer buiten de stad. Tot een jaar geleden was dat nog zo'n 90 kilometer, maar inmiddels is er een brug over de Gele Rivier, en een tunnel door de berg daarachter gebouwd, en dat scheelt een flink stuk omrijden. Het grootste gedeelte van onze rit gaat over de Friendship Highway, een relatief goede tweebaansweg die loopt van Lhasa tot aan Kathmandu, 865 kilometer verderop. Onderweg komen we een bijna eindeloos konvooi vrachtwagens tegen. Militairen, laat de gids weten. Die rijden van de ene stad naar de ander. Dat doen ze regelmatig. Waarom en waarmee, dat weet hij ook niet.

Na een dik uur rijden zitten we op een rotonde in Lhasa. We vangen een eerste glimp op van het Potala Paleis, links in de verte. Niet veel later rijden we de binnenplaats op van het Yak hotel, ons verblijf voor de komende drie nachten. Onze kamer is op de eerste verdieping van een zijvleugel, fraai gedecoreerd in Tibetaanse stijl. Bij het inchecken krijgen we onze ontbijtbonnen voor de komende drie dagen, plus een tegoedbon voor een gezamenlijk diner vanavond in het Dunya restaurant, dat ook verbonden is aan het Yak hotel. Onze gids trekt zich terug. Als we hem nog nodig hebben, kunnen we ons vervoegen op de eerste verdieping boven het restaurant, bij Shigatse Travel. Tot haar schrik signaleer Carina op de binnenplaats de Stresskip. Blijkbaar zaten ze dus toch op een andere vlucht naar Lhasa.

Het Yak hotel heeft ook een internetcafe. Daar zetten we iets op onze weblog. Als we terug willen naar onze kamer blijken we niet de sleutel te hebben meegenomen, maar het stukje plastic dat dient om de elektriciteit in werking te stellen. Bovendien weten we niet meer precies wat nu ook weer ons kamernummer was. Wij voelen ons wat slapjes. Dat heeft niet alleen te maken met het vroege opstaan, maar ook met de eerste verschijnselen van hoogteziekte. Lhasa ligt op 3600 meter hoogte, waardoor er aanzienlijk minder zuurstof in de lucht zit dan op zeeniveau. Het lichaam heeft tijd nodig om zich daaraan aan te passen, met als gevolg ongemakken als hoofdpijn, slapeloosheid, en het vergeten van je kamernummer. Via de receptie en een mevrouw in onze vleugel komen we weer binnen.

Carina heeft ook nog eens last van een jet-lag en is dus ernstig toe aan wat rust. Ik ga de straat op om wat inkopen te doen. Al snel loop ik verrukt rond. Het is hier geweldig. We zitten aan de breedste straat in het centrum, maar toch is het vrij rustig. Langs de weg staan hoge witte gebouwen, met zo'n drie etages met hoge vensters, in typisch Tibetaanse stijl. Beneden zijn vooral kleine winkeltjes. De uiterste rijbanen van de weg zijn fietspaden, die vooral worden gebruikt door groene fietstaxi's. Op straat lopen veel Tibetanen rond.

Bij een bergwandelwinkeltje even verderop koop ik een kompas. Aan de andere kant van het hotel zit een klein kantoortje van de Bank of China. Tot mijn verrukking kan ik daar zomaar pinnen. En er komt nog geld uit de automaat ook. Volgens ons eigen reisbureau zou dat helemaal niet mogelijk zijn in Tibet.

We gaan een kopje thee drinken in het restaurant op het dakterras van ons hotel. Dat betekent wel vier etages met de trap omhoog, geen geringe opgave als je nog niet aan de hoogte gewend bent. Boven hebben we een prachtig uitzicht op de straat beneden en op het Potala. We bestellen allebei een kopje thee. Dan gaat het mis. Carina krijgt last van braakneigingen en snelt naar beneden. Ik blijf achter en drink uiteindelijk maar beide kopjes thee op, waar ik er overigens maar een van hoef te betalen. Dan ga ik naar beneden om poolshoogte te nemen.

Het ziet er niet best uit. Carina blijft de hele avond maar doorbraken. Ik besluit dat het wel verstandig is als ik goed ga eten en ga uiteindelijk in m'n eentje naar het Dunya restaurant. Een persoon, helaas, laat ik weten als ik onze tegoedbon aan de blonde mevrouw achter de bar overhandig. Zij antwoordt in het Nederlands. Is mijn reisgenoot ziek? Ach, dan veranderen we datum op de bon toch gewoon in die van morgen. Heel aardig. Ik blijf toch nog even eten. Bami met kip en pindasaus.


Woendag 19 juli 2006


We maken een flinke nacht, al is met name Carina nogal eens wakker. Maar als het ochtend is, is haar maag tot rust gekomen. We ontbijten in het Dunya restaurant. Ook dat is uitstekend. Ook vandaag is het een dag om het rustig aan te doen. Maar om elf uur gaan we de straat op. De agenda voor vandaag is vooral om maar eens op ons gemakje rond te kijken. Op straat worden we toegezongen door een straatmuzikant met een traditioneel viersnarig snaarinstrument.

Na wat omzwervingen lopen we naar het grote plein voor de Jokhang. Daar zijn veel pelgrims. De Jokhang is de belangrijkste tempel van Lhasa, en rond de Jokhang loopt de belangrijkste pelgrimsroute, de Barkhor. We kijken onze ogen uit. De zijkanten van het plein zijn volgebouwd met kraampjes waar allerlei waar voor de pelgrim worden verkocht, zoals gebedsmolens, hoeden, kleding en zo meer. We vergapen ons aan alle monniken en pelgrims die hier en over de Barkhor rondlopen. de pelgrims zijn vaak oude vrouwtjes met verweerde gezichten in traditionele kleding. Een kleine gebedsmolen in hun hand wordt voortdurend in beweging gehouden. Vaak hebben ze een kralenketting in hun handen. Er lopen ook aardig wat oude mannetjes rond, al zijn dat er wat minder. Maar ook veel jonge Tibetanen, soms in traditionele kleding. De moderne jongere van Lhasa roept nonchalant rond in T-shirt en colbert. Monniken lopen rond in uiteenlopende tinten rood, al zien we er ook een paar die helemaal in het grijs gekleed zijn.

Er wordt heel erg veel gebedeld in de straten van Lhasa. Dat zijn haast allemaal pelgrims. Ze komen te voet naar Lhasa en bedelen dan geld voor de terugreis bij elkaar. Dat is heel normaal en rijkere Tibetanen schijnen de bedelaars ook altijd wel een paar miao (yuandubbeltjes) te geven. Dat doen wij dus ook maar.

We lopen met de pelgrims en monniken mee over de Barkhor, uiteraard met de klok mee, zoals je geacht wordt langs alle Buddhistische tempels en pelgrimsroutes te lopen. Ook langs de Barkhor staat het vol met kraampjes. Een galerie belooft ons een dakterras met uitzicht over de Barkhor. Daar voelen wij wel voor. Boven, onder een afdakje, kijken we naar de enorme stroom pelgrims.

Aan het einde van de Barkhor komen we weer uit bij de Jokhang tempel. Voor de ingang van de tempel zijn een aantal Tibetanen aan het prosteneren. Rechtop staan, handen tegen elkaar boven het hoofd, handen laten zakken tot het voorhoofd, de keel, de borst, op de knieen, en geheel languit gaan liggen terwijl de handen op stuk karton over de grond tot ver voor het hoofd worden gestrekt. Weer op gaan staan en opnieuw beginnen. En eindeloos zo door. Ongelooflijk genoeg prosteneren sommige pelgrims op deze manier helemaal van hun eigen woonplaats naar Tibet, een reis die jaren kan duren.

Wij zijn niet zo dol op de Chinese toeristen die ongegeneerd met hun digitale camera's tussen de prostenerende Tibetanen staan te springen. Er komen hier massa's Chinese toeristen, ongeveer tien keer zoveel als Westerse toeristen, zeker nu de treinlijn van Beijing naar Lhasa geopend is. Chinese toeristen verplaatsen zich doorgaans in grote toergroepen en voorzien van identieke petjes of T-shirts, onder de leiding van een reisleider met paraplu of vlag. Verder vallen ze vaak op door een volledig gebrek aan respect voor de Tibetanen.

Na het verlaten van het Barkhor plein kuieren we nog wat verder door een brede winkelstraat met veel electronicazaken. We komen vlak bij het Potala paleis uit en maken foto's. Een moeder en kind begroeten ons. Wij doen vriendelijk en zetten het jongetje op de foto. Leuk. Als we de foto hebben laten zien, wil moeder meteen ook, met haar zoontje. We krijgen zijn Chinese en Tibetaanse leerboekjes te zien. Even verderop vraagt een monnik in grijze outfit om een financiele bijdrage voor zijn klooster. We geven een halve yuan zoals te doen gebruikelijk. Hij wil ons iets geven en laat een schriftje zien waarin andere mensen hun niet misselijke bijdragen van een paar honderd yuan in hebben genoteerd. Dat moesten we maar niet doen. Iedereen kan hier op de markt wel zo'n grijs stofje kopen zeg.

We lopen terug naar ons hotel en puffen uit. 's Avonds kunnen we dan toch onze tegoedbon verzilveren in het Dunya restaurant. Carina kiest voor de bami, ik ga voor de Yak Enchilada. Het is een internationale keuken hier.

Na het eten lopen we een rondje. Even voorbij het hotel is rechtsaf een straatje dat er wel boeiend uitziet. We komen in een soort van woonwijk, maar dan wel weer met de traditionele Tibetaanse architectuur: witte huizen met grote ramen en licht schuin lopende muren. We worden verbaasd bekeken en vriendelijk begroet. Tashi Delek, roepen wij iedereen vriendelijk terug. Van een groepje kinderen krijgt Carina een plakding in haar haar gegooid. Sorry sorry, roepen de kinderen verschrikt. Verderop kopen we bij een miniscuul winkeltje twee kleine repen chocola.

Op de terugweg horen wij stemmen uit een gebouwtje komen. Nieuwsgierig gluren we op de binnenplaats. Kom verder, kom verder, gebaren twee mannen die daar zitten spontaan. Eenmaal op de binnenplaats kijken wij in een klaslokaaltje waar klassikaal Chinese woordjes gedreund worden. In een lokaal er naast zitten kinderen. Daar wordt Engels geleerd, beweren de mannen. We lopen weer terug naar het hotel.


Donderdag 20 juli 2006


Vooral Carina slaapt de afgelopen nacht slecht. Het is dus al weer negen uur voordat we aan het ontbijt zitten. In het Dunya restaurant hebben we inmiddels ons eigen vaste plekje. Dat is wel zo vertrouwd. Vanochtend willen we naar het Potala Paleis, de oorspronkelijke residentie van de Dalai Lama. Het gebouw ligt fraai op een heuvel even ten westen van het hotel. De buitenkant is adembenemend, alsof het onderdeel uitmaakt van de berg. Het is de belangrijkste toeristische attractie van Lhasa. En dat zullen we weten.

Ook voor de Potala zitten bedelaars en wordt er geprosteneerd. Ik neem enthousiast foto's en we proberen de middeningang van het paleis binnen te gaan, maar die blijkt exclusief gereserveerd voor een enorme Chinese toergroep. Onze ingang is aan de westkant van het paleis. We lopen verder. De weg klimt iets omhoog voordat we bij de kaartverkoop zijn. Het hokje is dicht. Alle kaartjes voor de Potala voor vandaag zijn uitverkocht, zo lezen wij. Daar zijn we dan mooi klaar mee. Maar het schijnt mogelijk te zijn om de kaartjes al een dag vantevoren te kopen, zo weten wij. Maar ja, dan moet de kaartverkoop natuurlijk wel open zijn. We kijken en dralen dus nog eens rond. Dan blijkt een wat oudere man met fraaie cowboyhoed die tegenover de kaartverkoop zit, Engels te spreken. Door wat andere mannen die zich hier ophouden worden we naar hem doorverwezen. De kaartjes voor vandaag zijn uitverkocht, zo laat hij weten. En die voor morgen ook. Maar als we morgenmiddag om vijf uur terug komen, dan zijn er misschien nog kaartjes voor overmorgen. Als we geluk hebben.

We drinken een flesje in een klein restaurant. De koeling staat buiten op de stoep. We gaan aan het belendende tafeltje zitten. Een politieagente komt binnen en voert overleg. Carina wordt van haar plaats verjaagd. Waarom is aanvankelijk onduidelijk, totdat de koeling tegen het tafeltje geschoven wordt.

Het is onverwegend lekker in Lhasa, zo boven in de twintig graden, maar als de zon schijnt, dan kan ie behoorlijk fel zijn. En dat is nu het geval. We lopen terug richting centrum en maken foto's van de grootste van de drie chörtens die de weg naar de Potala opluisteren. Een chörten is wat men in de rest van de Boeddhistische wereld een stupa noemt: een klokvormig bouwwerk, oorspronkelijk bedoeld om de gecremeerde resten van de Buddha in te bewaren, maar nu een symbool van de religie.

Dan ontstaat er bij het winkeltje waar we vlakbij stsan een opstootje. Carina ziet het eerst. Een Tibetaanse vrouw gaat op de vuist met een paar politieagentes en het gaat er hevig aan toe. Omstanders drommen er omheen, maar houden zich verder afzijdig. Als de rust terugkeert heeft een van de agentes een bloedende vuist. Er wordt versterking geroepen. Wij vinden het allemaal niet erg prettig, zeker niet omdat de Chinese politie in Tibet een bijzonder slechte reputatie heeft waar het het gebruik van geweld tegen de lokale bevolking betreft. Wij hebben dan ook het gevoel dat het op z'n minst geen kwaad kan als we nog een tijdje blijven staan toekijken. Een kwartiertje later komt er een politieauto aangereden, met nog een paar agenten. De gewraakte mevrouw, die zich inmiddels ophoudt bij de ingang van het Potala, wordt ingerekend en biedt verder geen verzet. Ze verdwijnt op de achterbank van de politieauto.

Om van de schrik te bekomen, kopen we nog een flesje drinken. De theegrot die door de Lonely Planet van harte wordt aanbevolen, vinden wij niet echt fris ruiken en dus gaan we naar een soort van buurtcafe ergens verderop. Er zitten hier veel pelgrims. De eigenaars lijken niet erg enthousiast over onze komst, dat is wel eens anders. Bij sommige pelgrims kan er nog wel de inmiddels beroemde onwapenende glimlach van af.

We hebben het inmiddels ook wel weer even gezien en nemen een fietstaxi terug naar het hotel. De berijder slaagt er in ons meer dan de helft van het gangbare bedrag afhandig te maken, maar ach, dan heeft die man ook weer een goede dag. In het hotel houden wij een korte rust. Dan beginnen we aan de wandeltocht die de Lonely Planet voor ons heeft uitgestippeld.

Maar nog voor we bij het startpunt van de route zijn, raken we verzeild op een markt even ten oosten van het hotel. Nieuwsgierig slaan we af. Aan het begin is het vooral groente en fruit, even verderop wordt vooral kleding verkocht. Het blijft leuk. We komen uit bij een tempel. Het blijkt de Ramoche, nauw verbonden aan de Jokhang tempel. De 20 yuan toegang is volgens de Lonely Planet niet echt de moeite waard, maar gelukkig zijn we eigenwijs.

De opbouw van de tempel volgt een min of meer standaard patroon. Langs de buitenkant is de kora, het pelgrimspad, vrijwel volledig voorzien van grote gebedswielen, waar door alle pelgrims en monniken die er langs lopen een slinger aan wordt gegeven. In Tibet wemelt het van de gebedswielen: grote goudkleurige fraai versierde cilinders met aan de onderkant een aantal handvaten waaran het ding kan worden rondgedraaid. Aan de binnenkant van zo'n gebedswiel is een rol papier aangebracht waarop gebeden zijn afgedrukt. Zo'n rol kan wel ander anderhalve kilometer lang zijn. Op het moment dat een pelgrim het wiel laat draaien, worden daarmee ook de gebeden in beweging gebracht en zo als het ware uitgesproken. Een flinke slinger aan een gebedswiel geven leidt dus al tot een enorme hoeveelheid uitgesproken gebeden. Efficient. Pelgrims hebben ook allemaal een klein gebedswiel in hun handen die ze voortdurend in beweging houden. De kleine versie is een kleine cilinder op een houten handvat, met twee kralen aan een koordje dat vastzit aan de cilinder, zodat die in beweging blijft als hij eenmaal is aangezwengeld.

Ook binnenin de tempel is hier nog een rondgang, langs de buitenkant van het gebouw. Verder staan er beelden van veel verschillende Buddha's, met elk hun eigen verhaal en achtergrond. De meeste Buddha-beelden zijn rijk bestrooid met biljetten van 1 miao, die op alle mogelijke plekken op en rond de beelden zijn aangebracht.

Het klooster heeft ook een bovenetage. Voorzichtig lopen we omhoog, want we weten niet zeker of dat wel de bedoeling is. Maar alle monniken die we tegenkomen zijn bijzonder vriendelijk en gebaren ons om toch vooral verder te komen. IJverig strooien we met ons Tashi Delek, wat bijna elke keer een brede glimlach oplevert. Boven zit een stevige monnik rustig te zitten. Wij mogen er bij komen. Een andere monnik, die ons ook al eerder begroet heeft, komt er bij zitten. Van de eerste krijgen we een stuk soort van brood aangeboden. Met veel moeite en het taalgidsje voeren wij iets van een conversatie. Wij komen uit Nederland, zo wordt duidelijk. al zijn we er niet helemaal zeker van of men ook weet waar dat is. Met veel interesse worden de plaatjes in onze reisgids bekeken. Van elk klooster willen de monniken weten welke het is, als ze dat al zelf niet weten.

De forse monnik gaat op z'n gemakje onderuit hangen. Hij haalt zijn mobieltje tevoorschijn. Inderdaad, ook elke Tibetaanse monnik heeft tegenwoordig een mobiele telefoon, zo lijkt het. We krijgen nog een broodje en de monnik leert ons wat Tibetaanse woordjes.

Vanaf het dak van de tempel hebben we een fraai uitzicht, onder andere op de Potala. Op het dak staat een pagode met een goudkleurig dak. Maar we kunnen nog hoger, zo blijkt. We komen uit in het naaiatelier van het klooster. Een man is druk bezig achter een naaimachine en twee meisjes zijn aan het strijken. Nog wat ander volk loopt in en uit. Van de man krijgen we meteen een snoepje aangeboden. We maken opnieuw een praatje. Een van de meisjes spreekt wat Engels. We mogen foto's maken en beloven een afdrukje op te sturen.

Als we weer naar beneden willen blijkt er net een pick-up met spullen te zijn aangekomen. Een flinke groep jongens en vrouwen sjouwen langwerpige pakken ingepakt in wit papier naar boven. Beneden in de grote hal blijkt inmiddels een ceremonie aan de gang. Monniken zitten in lange rijen met lage stem te murmelen. Een van hen loopt tussen de anderen door en deelt bankbiljetten uit. Waarschijnlijk om de smsjes te kunnen betalen. Na nog een laatste rondje verlaten we het klooster.

Eigenlijk waren we dus van plan die wandelroute te volgen, dus het is de hoogste tijd om toch eens die kant op te gaan. Bij het Gyume is iets gaande. Een flinke groep pelgrims zit op de grond voor de tempel. Bij het dertig meter verderop gelegen Meru Sarpa klooster is er aanzienlijk minder te beleven. Het klooster lijkt gesloten. Het ligt op een binnenplaats omringt door huizen. Bij die huizen komen we een opa tegen met zijn kleinzoon. We maken een foto van het jongetje. We laten de foto zien. Opa is in de wolken. Er komt een jongen bij die een beetje Engels spreekt. We bieden aan de foto op te sturen. Daar heeft opa wel oren naar. Hij wil nu ook wel met zijn kleinzoon op de foto. De jongen geeft zijn adres en wordt ook vastgelegd.

We gaan weer verder. Door kleine straatjes lopen we weer richting Barkhor. Elk buurtje schijnt hier zo z'n eigen specialiteit te hebben, qua verkoop. Zo komen we in een straatje waar metalen kisten worden verkocht. Dan zitten we weer op de Barkhor. Op het hoekje waar we terecht komen zit ook een restaurant met dakterras waar je een nog mooier uitzicht hebt over de pelgrims die je al van verre ziet aan komen lopen. We nuttigen een verse watermeloensap en een verse appelsap.

Qua route zijn we inmiddels volledig de weg kwijt, maar uiteindelijk weten we toch uit te komen in de Moslimwijk, de volgende attractie op die route. Er staat hier zelfs een flinke moskee, midden tussen al het Buddhistische geweld. In de wijk lopen veel mannen rond met van die kleine witte tulbanden. De meeste moslims, in Lhasa zijn er zo'n 2000, zijn afkomstig uit Xinjiang, een provincie in het uiterste noord-westen van China. Traditioneel zijn de moslims in Tibet vooral slager, omdat dat een beroep is dat Buddhisten liever niet uitoefenen.

De laatste stop op de route is Dropenling, een winkel waar op maatschappelijk verantwoorde wijze geproduceerde Tibetaanse artikelen en souvenirs worden verkocht. Ziet er stuk sjieker en gelikter uit dan de gemiddelde souvenirwinkel. Wij kopen niets.

Onder het genot van een flesje water lopen we terug naar het hotel. Een beetje om, want de kortste route die ik op ons plattegrondje had uitgezocht blijkt over de Barkhor te gaan, maar precies tegen de meute in, en dat is niet erg gepast.

Voordat we gaan eten informeer ik bij onze reisagent, Shigatse travel, gevestigd boven (en naast) het Dunya restaurant, of zij misschien een bezoek aan het Potala kunnen regelen, want we hebben niet de indruk dat we op eigen houtje uberhaupt een kans maken om dat voor elkaar te krijgen. In eerste instantie lijkt ook dit niet te lukken. Ze kunnen niets doen voor individuele reizigers laat de man in het drukke kantoortje weten, want om aan kaartjes voor buitenlanders te kunnen komen moeten ze ook de originele vergunningen van personen in kwestie hebben. Aha, maar dat is geen probleem, bedenk ik mij, want formeel zijn wij ook op een groepsreis van jullie hier binnen gekomen en jullie hebben nog steeds onze vergunningen. Dat verandert de zaak. Het betekent dat ze op z'n minst een poging kunnen wagen. Maar het is lang niet gezegd dat het ook gaat lukken, want het Potala is een gekkenhuis en zelfs voor hun is het vaak onmogelijk om aan kaartjes te komen. Van andere reizigers hebben ze ook al het programma om moeten gooien omdat er op de geplande dag geen kaartjes voor de Potala voorhanden waren. Maar hij zal het proberen, voor de 22e of de 23e juli.

's Avonds eten we opnieuw bij het Dunya restaurant, omdat dat zo goed bevallen is. Inmiddels hebben we al ons vaste tafeltje. Een van de attracties hier is om alle Nederlandse toergroepen te zien komen en gaan, je af te vragen wat er zich allemaal in zo'n groep afspeelt en je te verkneukelen dat wij tenminste op eigen houtje hier rondhangen en zelf mogen bepalen wat we wanneer en hoe lang gaan doen. Maar ja, zij kunnen natuurlijk wel weer het Potala in. Vanavond eten we een noedelsoepje gevolgd door vegetarische momo's, kleine flapjes gevuld met iets en geserveerd met een pikant sausje. Erg lekker.

Omdat het gisteravond zo goed bevallen is, maken we ook nu weer een wandelingetje na het eten. Via weer een ander straatje lopen we richting Barkhor. Dit straatje heeft een hoekje met yakboterverkoopsters, die enorme hompen van het goedje voor zich hebben liggen. Populair onder pelgrims en monniken die het in gesmolten vorm gebruiken om de yakboterkaarsen in de kloosters bij te vullen.

Als we op de Barkhor komen nemen we in plaats van de buitenbocht, zoals te doen gebruikelijk, nu eens de binnenbocht. Bij elk straatje dat je in Lhasa inslaat kom je voor verrassingen te staan, dus ook hier. We raken verzeild in weer een andere tempel. We komen in een halletje met een paar enorme gebedsmolens. Het is de Mani Lhakhang, lezen we later in de Lonely Planet. Een ander steegje verschaft toegang tot een pleintje met huizen en een klooster, het Meru Nyingba. Nieuwsgierig neuzen we rond, voorzichtig lopen we de trap op, maar ook hier gebaren monniken om toch vooral binnen te komen en te gaan zitten.

We vallen middenin een ceremonie met drie monniken in een klein tempeltje op de eerste etage. Een van hen slaat met ijzeren regelmaat met een houten stok op een enorme trom die schuin boven hem hangt. Alledrie murmelen ze met diepe stem voortdurend allerlei dingen vanuit de boekjes die voor hen liggen. Het is een lange ceremonie en dat lijken de monniken zelf ook te vinden. Een van hen zit eens ongegeneerd en luidruchtig te gapen terwijl de anderen gewoon doormurmelen. De trommelaar neemt eens een toeristisch foldertje van een ander klooster door en laat dat foldertje vervolgens aan mij zien, ondertussen gewoon doortrommelend en murmelend. We krijgen de indruk dat de monniken het verzetje van eens wat toeristen op bezoek eigenlijk wel op prijs stellen.

Het is onverwacht levendig op de Barkhor. Nog levendiger dan soms overdag. Volgens ons boekje is er 's avonds niks te doen in Lhasa, maar dat valt nogal mee. Het vertier speelt zich op straat af. Her en der staan kleine meisjes in fraaie kleding te dansen op muziek uit een ghettoblaster. En dat is niet bepaald altijd traditionele Tibetaanse muziek. Er staat een schoenendoos waarin het publiek haar giften in kwijt kan. Het komt een beetje vreemd op ons over.

Het is al donker als we op het Barkhor plein komen. Het plein is vol. Ook hier staan meisjes te dansen. Even verderop, in de straat richting ons hotel, staat een groepje straatmuzikanten te spelen met westerse gitaar en Tibetaanse gitaar. Veel Tibetanen verdringt zich om hen heen. Het groepje lijkt spontaan gevormd. De jongen met de Tibetaanse gitaar wil steeds eigenlijk weg gaan, maar wordt dan door zijn medemuzikanten en omstanders overgehaald om nog eens een liedje te spelen en zingen.

We zien ineens allerlei mensen gekleurde velletjes papier lopen lezen. Die velletjes blijken te worden uitgedeeld door een aantal agenten aan het begin van de straat. Er staat ook een rij borden met tekst die door een flink aantal Tibetanen aandachtig worden gelezen. Wij vragen ons af wat er aan de hand is. Op de borden en velletjes staat niets in een taal die wij begrijpen.


Vrijdag 21 juli 2006


Eindelijk zijn we eens vroeg op. Een goede gelegenheid om op tijd bij de Jokhang tempel te zijn. Maar eerst moeten we, uiteraard na een ontbijt op onze vaste plek in het Dnya restaurant, nog een poging doen om in het Yak hotel te blijven. Vanuit Nederland hadden we namelijk drie nachten geboekt, en die zijn nu om. Pas om negen uur is er uitsluitsel of wij daadwerkelijk kunnen blijven. Dan komt het hoofd boekingen weer binnen. Het schijnt nogal druk te zijn in het hotel.

Om kwart voor negen staan we al bij de Jokhang. Het is druk. Er staan ook veel meer prosteneerders dan gistermiddag al het geval was. We moeten eerst de poort in, langs alle prosteneerders, om een kaartje te kunnen kopen. Dat komt in de vorm van een CD-ROM. Na een binnenplaats kunnen we de tempel in. Links, strak tegen de muur, staat een lange rij pelgrims strak op elkaar gepakt. Door een geuniformeerde Tibetaan worden we langs de rij gewuifd. Dat vinden wij wat merkwaardig. We werpen verontschuldingende blikken naar de Tibetanen.

Midden in de ruimte is de plek waar alle monniken bijeen komen. Er staan een paar enorme beelden, onder anderen van Chenresig, met duizend armen. Vlak voor ons staat een Chinese toergroep irritant aanwezig te zijn, inclusief reisleidster met stevige stemverheffing. Inmiddels wordt ook duidelijk waarom alle Tibetanen letterlijk in de hoek worden geduwd, terwijl Chinezen en andere buitenlanders gewoon door kunnen lopen. De Tibetanen staan in de rij voor alle kapelletjes langs de zijkant van de tempel. Voor ons is er geen beginnen aan om al die kapelletjes te zien, of we zouden ook al in de rij moeten gaan staan, maar dat lijkt niet erg gepast. Een eindeloze rij pelgrims slingert zich als een lint langs de zijkant van de tempel en door alle kapelletjes, vaak zachtjes gebeden murmelend. Overal branden yakboterkaarsen.

Vooral bij de kapel van Jowo Sakyamuni is het een hectische toestand. Naar verluid is dit het belangrijkste beeld van Tibet en het is een nog groter gedrang dan elders in de tempel. Pelgrims verdringen zich om de kapel binnen te kunnen en om voor de kapel te kunnen bidden. Chinese toergroepen banjeren en tetteren er dwars door heen. Westerse toeristen lopen met verbijsterde blikken voorbij. Geüniformeerde Tibetanen proberen alles in goede banen te leiden. Het is een overweldigende ervaring.

We lopen naar boven. Daar is het gelukkig wat rustiger, zodat we zelf ook wat kapellen kunnen bekijken. Maar ook hier zijn nog veel pelgrims. Ze lopen een kapel binnen, bidden even, laten een miao achter, gieten wat yakboter bij de yakboterkaarsen en gaan verder naar de volgende kapel. Sommige pelgrims hebben complete jerrycans of zelfs tanks op hun rug met yakboter. De vloer is spekglad, waarschijnlijk door gestold yakboter.

Verderop staat een grote groep vrouwen en een man in een halve cirkel. Ze zingen en stampen ritmisch met hun voeten. Toen we beneden waren hoorden we boven ook al een groep vrouwen zingen. We gaan weer naar beneden en maken nog een paar rondjes.

Ook in het Jokhang is er een kora langs de buitenkant van de tempel, rijk voorzien van gebedsmolens. We maken een rondje. Ook buiten kunnen we omhoog. Op de eerste etage zijn wat verblijven voor monniken, hebben wij de indruk. Er wordt druk gebouwd. Een hele groep arbeiders zingt enthousiast terwijl ze ritmisch het dak aanstampen. Door een opening kunnen we precies de kora inkijken. Nog een etage hoger hebben we mooie uitzichten over het Barkhor plein, de Potala, en de pelgrims die beneden aan het prosteneren zijn. En op veel Chinese toeristen die allemaal op de foto willen met de pagode of de Potala op de achtergrond.

We gaan weer naar buiten en zien dat we het nog niet eens zo gek gedaan hebben met onze timing. De rij die nu voor de ingang staat is nog vele malen langer dan die toen wij kwamen. We lopen terug naar het hotel en doen een nieuwe poging om een kamer te bemachtigen. Helaas moeten we uit onze kamer verdwijnen. In eerste instantie wordt ons wel een duurdere kamer aangeboden, maar dat blijkt te berusten op een misverstand. Er is alleen nog een goedkope kamer beneden, karig, zonder badkamer van 100, die wij mogen hebben voor 80. In eerste instantie lijkt ons dat niet zo'n goed idee. Maar het blijkt dat alle hotels in Lhasa stampvol zitten, en dat het een hele toer zal worden om iets anders te vinden, waar men ons overigens graag bij wil hebben. Wij kiezen toch maar voor kamer 10. Een andere buitenlander die een kamer zoekt, en aanvankelijk ook kamer 10 had geweigerd, laat weten dat hij dan toch maar kamer 10 neemt. Hij is net te laat. Het hotel is nu vol. Bij Dunya eten we een momosoepje. Vervolgens trekken we ons terug op onze kamer.

's Middags pakken we meteen nog maar een bezienswaardigheid mee; het Sera klooster. Dat bevindt zich 5 kilometer ten noorden van de stad. Een taxi is de handigste optie. Het is weer warm vandaag. Dat wil zeggen, de zon is behoorlijk fel. Via een oprijlaan met souvenirverkopers komen we bij de ingang van het klooster. Het klooster bestaat uit een heel complex van tempels, kapellen en woonruimten voor monniken. Het staat er hier en daar wat gehavend bij. Ook dit klooster heeft de Chinezen in het algemeen en de Culturele Revolutie in het bijzonder niet overleefd. We kijken en klauteren rond. Veel dingen zijn niet heel spectaculair, zeker niet na wat we vanochtend gezien hebben.

Het loopt tegen drie uur en dat betekent dat het nu echt leuk gaat worden. We lopen naar de binnenplaats waar straks gedebatteerd gaat worden, een aangename ruimte omgeven door een muurtje, voorzien van kiezelstenen en wat boompjes. Plotseling blijkt dat we niet bepaald de enige toeristen zijn hier. Het Debatteren Van De Monniken Van Sera geldt dan ook als topattractie. De binnenplaats begint vol te druppelen met monniken. Sommigen gaan er alvast voor zitten. Langzamerhand branden de debatten los.

De monniken schijnen te debatteren over geloofszaken, en over de interpretatie van bepaalde geschriften. Dat debatteren gaat er stevig aan toe. Om hun argumenten kracht bij te zetten slaan de monniken vaak nadrukkelijk en met veel vertoon op hun eigen handen. Vaak debatteert een monnik die staat met een zittende monnik. De zittende monnik schijnt de gangbare interpretatie te verdedigen, terwijl de staande monnik deze aanvalt. Af en toe lijkt het er haast op dat twee monniken met elkaar op de vuist gaan. Op de binnenplaats zijn inmiddels vele tientallen monniken met elkaar in debat. Fascinerend gezicht. We blijven ruim een uur toekijken.

Veel toeristen slaan het schouwspel gade, waardoor een en ander aanvankelijk een beetje iets van een poppenkast heeft. Maar als de monniken eenmaal op dreef zijn, is daar geen sprake meer van. Gelukkig tonen de meeste toeristen ook voldoende respect om netjes aan de kant te blijven staan. De meeste. Ineens realiseren wij ons dat Nederlandse toergroepen eigenlijk wel net zo irritant kunnen zijn als Chinese.

We gaan met een minibusje terug naar Lhasa. Wel zo leuk. Het busje wacht tot hij vol is en rijdt een wat naar achteren en naar voren om meer mensen te trekken. Het is maar vijf kilometer naar Lhasa, maar toch slaagt het minibusje er in om onderweg een keer motorpech te krijgen en te moeten tanken. In Lhasa is het even opletten waar we er uit moeten, maar uiteindelijk blijkt het eindpunt niet ver van ons hotel.

Volgens afspraak informeer ik om half zeven nog een bij onze reisagent naar de kaartjes voor Potala. Er is nu iemand anders dan ik gisteren gesproken heb. Inderdaad, het is lastig om in Potala te komen, beaamt deze, en voor morgen heeft hij geen kaartjes. Als we eenmaal in het restaurant zitten, bedenk ik mij dat het wel een wat vreemde conversatie was en vraag ik mij af of de man mij eigenlijk wel goed begrepen heeft. Net voor sluitingstijd ga ik dus nog maar eens langs. Nu is de man die ik gisteren sprak ook weer aanwezig. Hij herkent mij. Hij weet nog niet of hij voor morgen kaartjes heeft, maar later vanavond laat hij dat weten. Hij vraagt ons kamernummer. Tien. Tien? Hoezo tien? Wat voor tien? 6010? Nee, gewoon, 10. Kan niet. Er is helemaal geen kamer 10. Nu moet het niet gekker worden. Ik been terug naar het restaurant om de kamersleutel te halen. Kijk, hij bestaat echt, kamer 10. De man kijkt verbaasd. Oh. Kamer 010. Goed, hij zal later bellen als hij kaartjes heeft. Uhm, dat is een probleempje, want onze kamer heeft geen telefoon. De man kijkt opnieuw ongelovig. Goed, dan zal hij wel een bericht achterlaten. Blijkbaar zijn er nog nooit toers geboekt vanuit de goedkope kamers.


Zaterdag 22 juli 2006


Om negen uur precies sta ik alweer bij de receptie. Onze goedkope kamer is namelijk toch niet zo heel goed bevallen, en dan met name het gebrek aan eigen zittoilet. Inderdaad, er is alweer een kamer voor ons vrijgemaakt, vier deuren van waar wij de eerste drie nachten zaten. En die kamer blijkt slechts 280 te kosten, in plaats van de 380 voor de kamer die wij gister in eerste instantie zagen. Eerlijk gezegd zien wij het verschil er niet aan af. Wij kunnen ook nog eens meteen onze intrek nemen in onze nieuwe kamer. We zijn gelukkig. Dit hotel is namelijk bijzonder aangenaam.

Bij de prijs zit ook nog eens een ontbijt inbegrepen. Voor morgenochtend uiteraard. Maar aangezien we vandaag toch ook moeten eten, en niet weten hoe alles morgen weer gaat lopen, verzilveren we de waardebon maar meteen. Dat mag. We dienen nu ons ontbijt te gebruiken in het restaurant van het Yak hotel en niet in het Dunya restaurant. Op zich is dat prima, nadeel is alleen wel dat je dan eerst weer die vier etages trappen moet opklauteren. En dat valt nog steeds zwaar met die hoogte hier. Je krijgt er wel een mooi uitzicht voor terug, dat Carina dit keer ongestoord kan genieten.

Ook al omdat we nog steeds geen uitsluitsel hebben gekregen over het Potala, besluiten we in de loop van de ochtend maar eens een bezoek te brengen aan het Norbulingka, het zomerpaleis van de Dalai Lama. Volgens de Lonely Planet niet echt de moeite waard, maar opnieuw zijn we het daar bepaald niet mee eens. Een taxi brengt ons naar het paleis, in het uiterste westen van de stad. Het is rustig in het Norbulingka. De hele dag zien we maar een andere westerse toerist. Wel lopen er de nodige Chinese toeristen rond, en wat Tibetaanse pelgrims.

Het complex werd gesticht door de zevende Dalai Lama in 1755. Latere Dalai Lama's hebben er weer stukken bijgebouwd, waaronder de huidige (14e) die in 1956 het zogenaamde Nieuwe Zomerpaleis heeft laten bouwen. Hij verbleef ook op deze plek toen hij in 1959 een dringende uitnodiging van de Chinezen kreeg om, ter viering van het nieuwjaar, een voorstelling van een dansgroep op een Chinese legerbasis in Lhasa bij te wonen. Later bleek ook nog dat zijn bezoek in het grootste geheim diende plaats te vinden en dat zijn gebruikelijke 25 lijfwachten niet welkom waren. Toen het volk daar lucht van kreeg, leek het hen duidelijk dat de Chinezen er op uit waren de Dalai Lama te ontvoeren en trokken 30.000 man naar het Norbulingka om de Dalai Lama te beschermen en te voorkomen dat de Dalai Lama daadwerkelijk op de uitnodiging in zou gaan. De situatie werd onhoudbaar en op 17 maart vluchtte de Dalai Lama, verkleed als soldaat, om 14 dagen later in India te arriveren.

Het Norbulingka is een groot complex met tuinen die er ietwat verwilderd bij liggen. We komen eerst in het paleis van de 8e Dalai Lama, dat nog tot en met de 13e gebruikt is. We kunnen een kijkje nemen in de ontvangsthal, die overigens verdraaid veel weg heeft van die van een klooster, behalve dan dat halverwege de achterwand geen Buddha-beeld staat, maar de troon van de Dalai Lama.

Het is een flink eind lopen naar de volgende attractie. De zon is fel. Als we staan te twijfelen wijst een pelgrimmevrouw ons de weg: het Chensek Podrang, het zomerpaleis van de 13e Dalai Lama. Het is een flink eind lopen, langs de dierentuin waaraan een bezoek door de Lonely Planet in de meest krachtige termen wordt ontraden. Ook in dit paleis weer het interieur van een klooster, maar dan met troon. Er hangt ook een trom midden in de hal. Eigenlijk mag je hier geen foto's maken, maar ik kan het niet laten om toch een plaatje te schieten. Buiten kunnen we ook een blik werpen op de vervoermiddelen van deze Dalai Lama.

Verderop staan nog zo wat gebouwen waarvan de functie niet helemaal duidelijk is, maar waar het aardig rondwandelen is. Er staat een aardige fontein, die bewaakt blijkt door een hond. Gelukkig is het beest aangelijnd. Carina weet dat Heinrich Harrer, die van Seven Years in Tibet, hier een fontein heeft laten bouwen. Dat kon deze wel eens zijn, en dus zetten we het ding op de foto.

Na een flinke wandeling terug komen we bij de belangrijkste attractie: het Nieuwe Zomerpaleis. Dat staat er fraai bij, met bloemetjes in de tuin en een grote fontein. Die fontein zetten we dus ook maar op de foto, voor de zekerheid.

We beginnen met de ontvangsthal van de Dalai Lama. Langs de muren is de geschiedenis van Tibet in 301 taferelen geschilderd. Ook hier mag men geen foto's maken, en een monnik houdt een oogje in het zeil. Vervolgens komen we in de privé-vertrekken van de Dalai Lama. Veel dingen staan er nog alsof hij net gisteren vertrokken is: een grote Russische radio, een bed, een klokje naast het bed. Dan het mooiste: de vergaderzaal. Tegen de muur staat een gouden troon. Op de linker en rechter muur staan een aantal nogal realistische schilderingen. Vooral die op de linker muur bekijken we met veel interesse. Daar staat namelijk een forse afbeelding van de huidige Dalai Lama op jonge leeftijd, omgeven door zijn gevolg en wat buitenlandse gezanten. In het door China bezette Tibet is het streng verboden om afbeeldingen van de huidige Dalai Lama in je bezit te hebben, en daarmee is deze muurschilderingen een van de weinige legale afbeeldingen van de Dalai Lama in het land. Op de rechter muur zijn onder meer alle 14 Dalai Lama's afgebeeld.

We gaan weer naar buiten. Daar is nog een aardig meer met wat paviljoenen. Er zijn nog wat Chinese toeristen en wat pelgrims. Dan is het tijd voor een taxi terug naar het hotel. Carina is inmiddels volledig aan het einde van haar latijn, en slaapt 's middags een paar uur.

Als we tegen etenstijd weer uit onze kamer komen, komen we beneden Rene tegen. Rene is onze reisagent. We waren Rene al eens eerder tegen gekomen, maar toen wisten we nog niet dat hij Rene was. We maken een praatje. Lhasa zit helemaal stampvol, weet Rene. Vandaar ook dat het zoveel moeite kost om aan kaartjes voor Potala te komen. Dat komt allemaal door de trein, die sinds 1 juli rijdt. Een paar dagen geleden hoorden we op de Engelstalige staatstelevisie al het merkwaardige bericht dat alle groepsreizen op die trein geannuleerd zijn. Touroperators moeten nu hals-over-kop op zoek naar alternatieven, zoals treinkaartjes. De oorzaak zou zijn de enorme zwarte handel. Volgens Rene is het een poging om het aantal mensen dat naar Lhasa komt nog enigszins binnen de perken te houden. De man bij wie we onze Potala-kaartjes proberen te krijgen, komt ook langs. We geven hem ons nieuwe kamernummer.

In het kader van de afwisseling besluiten we om vanavond toch maar eens ergens anders te gaan eten. De Lonely Planet adviseert het Tibet Cafe, in de straat naar het Barkor plein. Dat cafe is niet te vinden, maar op de lokatie waar ie eigenlijk had moeten zitten, zit wel iets met een andere naam. Dan die maar. Om de verwarring nog groter te maken, krijgen we de menukaart van weer een ander restaurant. De keuze valt op spinazie met rijst en groentemomo's. De rijst volgt pas op de spinazie als we er om vragen. Ook blijkt dat men hier in staat is om zelfs de rijst te verprutsen. De momo's zijn lang niet zo lekker als bij Dunya. De spinazie is wel in orde. Die vriendelijke service van het boekje is ook al verdwenen. Om onze misstap goed te maken, gebruiken we het nagerecht maar weer in Dunya. Hollandse appeltaart met Nescafe.

Terug op onze kamer gaat om half tien de telefoon. Het is gelukt. We mogen morgen naar het Potala, om vier uur 's middags. Als we ons om drie uur melden bij het reisbureau, dan komt alles goed. Dankbaar gaan we slapen.