Spitsbergen ligt zo'n 500 kilometer ten noorden van het
noordelijkste puntje van het Noorse vasteland. Dat is behoorlijk
noordelijk dus. Onze vliegreis gaat dan ook naar de meest
noordelijke openbare luchthaven in de wereld: Longyearbyen. Dat is
Noors voor Longyearstad, de hoofdstad van Spitsbergen en genoemd
naar Longyear, een industrieel die aan het begin van de twintigste
eeuw hier begon met het delven van steenkool. Officieel is
Spitsbergen de naam van het grootste eiland van de archipel en heet
de hele archipel Svalbard. Dat is een naam die oorspronkelijk
afkomstig is van IJslandse sage die koude kust betekent en waarvan
wordt vermoed dat men er dit gebied mee bedoelde. Maar vroeger
heette het hele gebied nog Spitsbergen en vooral door Nederlanders
wordt de naam meestal nog in die betekenis gebruikt. Onze van
oorsprong Duitse reisgids is leesbaar geïrriteerd door die
eigenwijze Noren die het allemaal zo nodig weer anders moesten
noemen en daardoor nu al die verwarring veroorzaken.
We vertrekken wat laat vanuit Oslo. Dat heeft te maken met de grote drukte, meldt de piloot. We maken ook nog eens een tussenstop in Tromsø, waar we in het vliegtuig moeten blijven zitten om tijd te winnen. Uiteindelijk landen we een half uur te laat in Longyearbyen.
Vanuit het vliegtuig mogen we op eigen houtje naar een lokaal lopen waar in een veel te kleine ruimte onze bagage op een lopende band binnenkomt. Het is dringen. In de aankomsthal staat achter glas prominent een opgezette ijsbeer. Er staat een man die een bord omhoog houdt met het logo van Oceanwide Expeditions en de naam van ons schip, Alexey Maryshev. Vreemd, want we hadden er niet op gerekend hier iemand te treffen, en de boot vertrekt morgen pas. Volgens de informatie van ons reisbureau moeten we gewoon met de luchthavenbus naar het centrum. We melden ons toch maar. Als we straks buiten komen, is de eerste bus aan onze rechterhand voor ons, meldt de man. De bagage kan in het vrachtwagentje er achter. We hoeven dus niet met de Flygbuss. Dat valt al weer mee.
Het is nog licht in Longyearbyen. Dat is niet zo verbazend, want de zon gaat hier rond 23 augustus pas weer onder. We zijn niet ver van de stad en rijden langs bergen met mijnen aan de rechterkant en de haven aan de linkerkant, om bij het museum rechtsaf te slaan. Onze man van het vliegveld geeft zo af en toe wat toeristische informatie. Her en der staan rijen sneeuwscooters geparkeerd, de meesten afgedekt. Dat is een nogal curieus gezicht, vooral omdat er nu geen sneeuw meer ligt. Behalve dan in de bergen, hier nog niet eens zo ver vandaan. Verder bestaat Longyearbyen vooral uit houten huizen in vrolijke kleuren voor zijn 1700 inwoners. Het geheel heeft een nogal Scandinavische aanblik. De bus rijdt vier hotels langs, en wij zijn natuurlijk weer de laatste. Ons Guesthouse 102 blijkt tegenover het guesthouse waar we als laatste stoppen, eigenlijk net even buiten de stad. Onze begeleider lijkt het inderdaad wel een goed idee als we onze bagage morgenochtend hierheen brengen.
In Guesthouse 102 werden vroeger mijnwerkers gehuisvest. Er is
hier redelijk wat steenkool gewonnen en dat was aanvankelijk ook de
reden dat Spitsbergen überhaupt bewoond was. Nu houden de 2500
bewoners van de archipel die twee keer zo groot is als België,
zich vooral bezig met onderzoek en toerisme. Als we het knusse
onderkomen binnenkomen, moeten we eerst onze schoenen bij de ingang
achterlaten. Dat is zo de gewoonte op Spitsbergen, een gewoonte die
nog stamt uit de tijd van de mijnwerkers die overal met hun stoffige
schoenen naar binnen banjerden.
De bergen rond Longyearbyen zijn nog rijkelijk voorzien van sneeuw, veel meer nog dan we hadden verwacht. Die sneeuw ligt zo op het oog ook niet eens zo veel hoger dan waar wij ons bevinden. Momenteel is het waarschijnlijk een graad of zes, zeven, maar het voelt niet erg koud.
We checken in en gaan naar onze kamer binnen waar we eerst de twee bedbanken nog op moeten maken. Bij de balie liggen al de vouchers klaar voor de dagtrip die we voor morgen hebben geboekt. Gelukkig maar, want bij het laatste e-mail-contact had de lokale agent nog de verkeerde maand doorgegeven, dus we waren er niet helemaal gerust op dat het goed zou komen. Het rode gordijn op onze slaapkamer houdt niet erg veel van het buitenlicht tegen, maar daar hadden we op gerekend. We hebben slaapmaskers bij ons. We gaan slapen.
We staan om acht uur op. De ontbijtzaal ademt onmiskenbaar een Scandinavische sfeer uit: grote houten tafels en een houte kast waar het ontbijt is uitgestald, met vis, knackebrod en zo nog wat lokale favorieten. Voor vanochtend hebben we meteen maar een toer geboekt, om er in te komen. We brengen volgens afspraak onze bagage naar het tegenovergelegen guesthouse, voorzien van de naam van ons schip. Het belooft een mooie dag te worden, al is het behoorlijk bewolkt.
Een mevrouw van het kennel helpt met het aanlijnen van tien honden. De beesten zijn haast niet te houden en proberen al uit alle macht om weg te komen. Helaas, de handrem zit er nog op. Achterblijvende honden proberen door luid blaffen de baasjes nog op andere gedachten te brengen. Even verderop is nog een hok met een flink aantal honden, die nu ook beginnen aan te slaan. De tocht begint. Onze Belg zit op de bok, samen met nog een toerist. Op de twee banken achter de bok is dan nog plaats voor de vijf anderen. De gids biedt ons grote parka's aan tegen stof en kou, maar dat vindt niemand nodig. We rijden over een brede zandweg, langs een rivier. Daarachter liggen de toendra's, en daar weer achter bergen. De honden doen duidelijk hun best, het speeksel vliegt alle kanten op.
Na een paar kilometer stoppen we. Eigenlijk is het veel te warm voor de honden, legt de gids uit, dus ze hebben extra tijd nodig om af te koelen. Van de bok komt een grote emmer tevoorschijn en tien blikken drinkbakken. Vanuit de rivier krijgen de hevig hijgende honden water. Erg handig gaan ze er niet mee om, hier en daar wordt een waterbak omver geschopt. Na de tweede stop mag er iemand anders voor op de bok zitten. Tijdens de laatste etappe naar de eindbestemming mag ik voorop zitten. We slaan af en rijden over een smaller pad verder, om uiteindelijk uit te komen bij weer een kennel. De honden worden afgekoppeld en wij kijken eens rond. We bevinden ons op het Villmarkssenteret, zeven kilometer verwijderd van het andere kennel. Er is hier een replica gebouwd van het Barentszhuis op Nova Zembla. Daar worden lezingen gehouden, kan overnacht worden, en drinken wij vandaag een kopje koffie. Ook horen wij verhalen over Willem Barentsz.
De honden worden weer aangelijnd en we maken ons klaar om terug
te rijden naar het kennel bij Longyearbyen, via dezelfde route
waarlangs we gekomen zijn. Heel verbazend is dat niet, want zoveel
wegen hebben ze niet op Spitsbergen. Op de terugweg laten we ons om
tien over een door Karl afzetten bij het Radisson Hotel in het
centrum van Longyearbyen. Kunnen we daar ook nog even
rondkijken.
Het bruisende centrum van Longyearbyen wordt gevormd door het Lompensenteret, een bescheiden winkelcentrum niet ver van het Radisson. Vandaag is het zondag, dus zijn alleen de souvenirwinkels open, wat het geheel nog een desolatere indruk geeft. In de souvenirwinkels ligt de nadruk op knuffelijsberen. Ook een outdoor-winkel is nog open, voor het geval we nog warme kleding, kompassen of andere essentiele attributen voor onze expeditie nodig hebben. Gelukkig hebben we alles meegenomen. Gezien de aparte status van Spitsbergen hoef je hier geen BTW te betalen, maar door de hoge transportkosten is alles toch weer minstens net zo duur als op het vasteland.
Naast het Lompensenteret is Basecamp, een hotel annex restaurant in outdoor-stijl met duidelijk houten uitstraling, waar we een late lunch consumeren. We kiezen voor de pizza, die best wel te eten is. Na de lunch gaan we maar eens in de richting van de haven lopen, waar we om vier uur in moeten schepen. We lopen even het museum om een plattegrond van Spitsbergen te kopen die we tijdens onze reis willen raadplegen. Die hebben ze hier op voorraad. In de outdoor-winkel was dat niet het geval.
We slaan af en lopen langs het industriegebied aan de haven in de
richting van de pier waar ons schip komt te liggen. We kunnen hem al
zien liggen, de Alexey Maryshev, de verbouwde Russische ijsbreker
waar we de komende anderhalve week mee zullen rondvaren. Ook zien we
de Noorderlicht liggen, een zeilschip waar we ook een reisje op
hadden kunnen boeken. Ik loop in de richting van de waterkant om het
zeilschip op de foto te kunnen zetten. Een Noordse stern is het daar
duidelijk niet mee eens. Het beestje komt luid protesterend in mijn
richting gevlogen en voert vervaarlijke duikvluchten uit die steeds
dichter bij mijn hoofd eindigen. Blijkbaar ben ik iets te dicht bij
het nest gekomen. Met mij armen boven mijn hoofd ga ik snel maar
weer terug.
In de haven ligt een enorm cruiseschip, waar op dit moment bussen vol toeristen vanaf komen. De boot ligt waar eigenlijk onze boot had moeten liggen. Dat gaat dus niet lukken. Er staan bij de haven twee vrachtwagens die er net zo uit zien als de vrachtwagen die gisteravond onze bagage heeft meegenomen. We lopen eerst naar de verkeerde en zien dan de andere staan. Er staan wat mensen bij. Al snel blijken dat de opvarenden van de Maryshev te zijn. Omdat het schip niet in de haven kan aanmeren, krijgen we meteen onze zodiac-vuurdoop. De zodiac is een stevige opblaasboot met zeven luchtkamers, metalen bodem en stevige motor. Ons schip is uitgerust met zes exemplaren die we de komende reis meermalen per dag zullen gebruiken om op het vasteland te komen. Op de zodiac dienen wij altijd gekleed te gaan in een reddingsvest. Het personeel van de boot demonstreert hoe je zo'n ding omgepst. Dan gaan we in groepjes van een man of tien naar de Maryshev. Onze bagage is daar al.
Bij het inschepen worden we daar onze hut gewezen. Daar staat onze bagage al, is de bedoeling. Onze sporttas met laarzen ontbreekt, maar nog voor we daar melding van maken, ziet Carina hem al staan in de hut naast ons. Met wit krijt is er het verkeerde kamernummer op gezet. Snel halen we de tas naar onze kamer. Zo is dat probleem ook al weer opgelost.
Onze hut ligt op de derde etage, de laagste etage waar hutten zijn. We zitten in hut 312, aan de voorkant van het schip, met uitzicht op het dek waar de zodiacs liggen. Overdreven groot is het niet, links is een stapelbed, rechts na de ingang een wasbakje, daarachter een klerenkast en een bureautje. Op het bureau ligt wat informatie over het schip, plus twee doosjes met heuse Maryshev-chocolaatjes. Op de tweede etage zijn de bar en het restaurant. In de bar kunnen we gedurende de rest van de reis onbeperkt koffie, thee en warme chocomel drinken, en ligt een barlijst voor de overige consumpties. We drinken een kopje koffie.
Niet lang na het inschepen is er een briefing in het restaurant.
Het restaurant bestaat uit een langwerpige ruimte met aan
weerszijden vaste tafels waar vier of zes personen kunnen eten.
Tijdens de briefing wordt het personeel voorgesteld. De bemanning
van de Maryshev is volledig Russisch. De reisleiding bestaat uit
drie personen. Delphine is Frans en expeditieleidster. Ze is van
huis uit bioloog en heeft er inmiddels al bijna honderd poolreizen
op zitten, naar zowel noordpool als zuidpool. Jamie is een Britse
bioloog die net twee-en-een-half jaar in Antarctica heeft
doorgebracht. Hij is voor het eerst in het Noordpoolgebied. Aad
tenslotte is Nederlander en doceert Engels op een hogeschool. Hij is
Noordpoolgebiedliefhebber en doet dit elke zomer als bijbaantje. De
kok is Amerikaans, zijn hulpje en de vrouwelijke hotelmanager komen
allebei uit Argentinië. Het schip en haar bemanning is
gespecialiseerd in het maken van poolreizen. Elke zomer vaart het
schip rond in het noordpoolgebied, meestal in Spitsbergen, en als
daar de vorst invalt vaart het richting zuidpool, waar het daar dan
juist zomer is.
In totaal is er zo'n 25 man personeel aan boord. Daarnaast zijn er een slordige 50 toeristen. De meesten van hen blijken Brits te zijn. Een flink aantal van hen blijkt onderdeel van een reis van vogelliefhebbers, en heeft ook een eigen gids meegenomen. We kwamen hen al tegen op de luchthaven van Oslo. Verder zijn er acht Nederlandse toeristen aan boord, een handvol Amerikanen en wat Scandinaviërs. De dokter is een Duitser. Het is ook zijn eerste reis. Hij biedt zijn diensten aan tegen kost en inwoning. De gemiddelde leeftijd van de passagiers ligt aanzienlijk hoger dan die van ons. Vooral onder de Britten zijn een aantal medereizigers die de pensioengerechtigde leeftijd al ruimschoots hebben overschreden.
Bij de eerste briefing wordt ook verteld hoe we bij noodgevallen moeten handelen. De fel-oranje reddingsvesten waarvan er twee in onze hut schijnen te liggen, worden uitgebreid gedemonstreerd. Deze vesten zijn voorzien van alles wat je in geval van nood maar nodig kan hebben, fluitjes, lampjes, dat soort dingen, in tegenstelling tot de wat eenvoudiger zwemvesten die we in de zodiacs aan moeten. Later op de avond zal er nog een evacuatie-oefening volgen, zo wordt ons beloofd.
De briefing is ten einde en we kijken nog wat rond op de boot. We
gaan op zoek naar de reddingsboot die in geval van nood de onze is.
Aan beide kanten van de boot hangt zo'n fel- oranje boot, helemaal
afgesloten, met een klein deurtje aan de zijkant.
Niet veel later is het zover. Het grote ontruimingsalarm. Wij snellen terug naar onze hut om onze oranje reddingsvesten aan te trekken en haasten ons dan naar de ons toegewezen reddingssloep. Met z'n allen klimmen we de ietwat krappe ruimte in. De boot is voorzien van alles wat we nodig hebben om nog een paar dagen in leven te kunnen blijven. Als iedereen naar tevredenheid zijn plekje heeft gevonden, is de oefening ten einde.
Na al deze paniektoestanden komen we tot rust bij een kopje thee in de bar. We hebben nog een uurtje voordat we gaan eten. We kijken nog wat rond op de boot en genieten van het uitzicht. We varen langs bergen. Op de bovenste etage van het schip is de brug, een brede overdekte ruimte waar het schip bestuurd wordt. Er staat een flinke rij navigatie-instrumenten en twee grote beeldschermen met een radar en het scheepvaartequivalent van de TomTom. Achter de stoel van de kapitein staat een grote letterbak met allerlei vlaggen. Op een apparaat is de identiteit af te lezen van de schepen die hier hemelsbreed het dichtst bij zijn. Tijdens deze reis mogen we ons normaal gesproken vrij op de brug begeven, zo is ons al beloofd. Boven de brug is nog een klein dek waar we kunnen staan.
Tijd voor het diner. Het eten is hier prima, zo zal de komende dagen gaan blijken. Vanavond zitten we aan bij Diane en Marlene, allebei uitkomstig uit Florida. Ze zijn elkaar een tijd geleden eens bij een of andere vereniging tegen gekomen, kwamen er achter dat ze dezelfde reisvoorkeuren hebben, en reizen sindsdien altijd samen. Een paar jaar geleden zijn ze ook al op de zuidpool geweest.
Na het eten kijken we nog eens op de brug. Het is een duidelijk voordeel dat het hier op dit moment nooit donker wordt. Je gevoel van tijd raak je daardoor wel een beetje kwijt. Ik maak een praatje met een jonge Russische matroos die nu aan het roer staat. Hij heeft net zijn opleiding afgerond, en spreekt een beetje Engels. Net als de meeste Russische opvarenden van het schip komt hij uit St. Petersburg. Uitgebreid legt hij de werking van alle apparaten en instrumenten uit. We besluiten de avond met een kopje warme choco in de bar.
We zijn al druk aanstalten aan het maken om naar bed te gaan als Carina nog eens vanuit ons patrijspoortje de horizon afspeurt. Walvissen! Snel kleden we ons weer aan en snellen we naar de brug. Schuin voor ons zien we af en toe wat water in de lucht spuiten als teken dat hier walvissen zitten. Vinvissen om precies te zijn. Een stuk of drie vier. Af en toe is ook een gedeelte van het lichaam van de zo'n 26 meter lange beestjes te zien. Blijkbaar zwemmen ze in tegenovergestelde richting, want als snel zien we ze schuin achter ons. En dan zijn ze verdwenen. De beesten kunnen dan ook tot een kwartier onder water blijven. We blijven nog een tijdje turen, en gaan dan definitief naar bed.
Vanochtend zullen om 7:40 door Delphine via de intercom worden
gewekt. Zelf hebben we onze wekker om kwart over zeven gezet, zodat
we rustig kunnen douchen en toch nog op tijd bij het ontbijt kunnen
zijn. Het ontbijt bestaat uit een uitgebreid buffet en is prima. We
vinden een plekje aan tafel bij twee andere Nederlanders uit
Eindhoven.
Om negen uur volgt de milieubriefing en de zodiacbriefing. Ook belangrijk. Er wordt ons op het hart gedrukt om Spitsbergen vooral netjes achter te laten, niet buiten gebaande paden te treden en vooral niets mee te nemen. Bij historische plekken, en dat is hier alles van voor de Tweede Wereldoorlog, moeten we vooral alles in de oorspronkelijke staat laten en nergens op gaan staan. Dieren moeten we vooral niet verstoren en al helemaal niet opjagen. Rond Spitsbergen zitten zo tussen de twee- en drieduizend ijsberen en die zijn niet altijd even vriendelijk. Daarom moeten we aan land altijd bij de gidsen blijven en vooral niet op eigen houtje gaan rondbanjeren. Zo'n ijsbeer is namelijk sneller dan je denkt en de drie gidsen zijn allemaal in het bezit van een geweer. Mocht de ijsbeer gaan aanvallen, dan kan het beest als laatste redmiddel neergeschoten worden. Natuurlijk zal eerst geprobeerd worden om de ijsbeer op een andere manier te verjagen, met waarschuwingsschoten of een alarmpistool. Mocht er een ijsbeer neergeschoten worden, dan moet daar melding van gemaakt worden bij de Sysselman, de gouverneur van Spitsbergen, die vervolgens een uitgebreid onderzoek zal instellen. IJsberen zijn namelijk beschermd en het doden van een ijsbeer wordt hier ongeveer net zo grondig onderzocht als een moord. Verder worden een aantal handgebaren afgesproken die aan land gebruikt kunnen worden. Onmiddellijk stoppen. Meelopen. Dat soort dingen.
De zodiacbriefing zijn we eigenlijk niet meer nodig, want
gisteren zijn we onbedoeld al per zodiac naar de boot gevaren. Maar
goed. Er wordt nog maar eens uitgelegd hoe we in en uit moeten
stappen, en dat we altijd ons reddingsvest aan moeten hebben aan
boord van de zodiac. Laarzen aan is verstandig bij natte landingen,
landingen waarbij we eerst door het water moeten voordat we aan land
gaan. Vrijwel alle landingen zijn natte landingen. Verder krijgen we
het advies om ons vooral warm aan te kleden, want op het water is
het koud. In de praktijk betekent dat meerdere broeken plus een
regenbroek tegen spatwater, meerdere truien, winterjas, een muts en
handschoenen. Gemiddeld is het een graad of vijf maar er staat vaak
een ijzig koude wind.
Meteen om kwart over tien hebben we onze eerste excursie en kunnen we onze zodiacbriefing in de praktijk brengen. We maken een zodiacsafari in de Krossfjorden, langs de Fjortende Julibreen. Dat 'fjorden' fjord betekent ligt nogal voor de hand, 'breen' staat voor gletsjer. Fjortende Julibreen is dus de Gletsjer van de Veertiende Juli. Gletsjers op Spitsbergen zijn spectaculair: enorme wanden van dicht op elkaar geperst ijs, waar af en toe eens een stuk van alfkalft. De Krossfjorden is 30 kilometer lang, 5 kilometer breed, en ligt aan de westkant van Spitsbergen, toch alweer een flink stuk ten noorden van Longyearbyen.
Op het voordek staan we in de rij om de zodiacs in te mogen, ons zwemvest netjes omgegespt. We komen terecht in de zodiac waar Jamie aan het roer staat. Twee andere zodiacs worden bestuurd door de twee andere gidsen, bij nog eens twee andere exemplaren staan leden van de Russische crew aan het roer, die dicht bij de gidsen blijven. Via walkie talkies blijft iedereen met elkaar in contact. Op elke zodiac zitten een man of tien, twaalf. Op die van ons zitten ook een flink aantal Britse vogelaars, zo merken we al snel.
Bij de ingang van de gletsjer varen we eerst langs Kaap Guissez, waar een flinke vogelkolonie zit. Wij leren meteen een aantal poolvogels te identificeren. Er zitten hier duizenden drieteenmeeuwen (kittiwakes). Honderden zeekoeten (Brunnich's guillemots) zijn tegen de rotswanden aangeplakt, bijna allemaal met hun zwarte rug naar ons toe. Op het eerste gezicht hebben de beestjes wel iets van penguins, maar dan een slag kleiner. Gelukkig hebben wij een Arctische dierengids met een Nederlands-Engelse woordenlijst, zodat we kunnen achterhalen hoe al die beestjes in het Nederlands heten. Jamie belooft vanavond een glas wijn in de bar aan degene die als eerste een razorbill weet te spotten, want die schijnen hier redelijk zeldzaam te zijn. Zo zeldzaam dat onze gids hem niet vermeld. Uiteraard is het voor ons onbegonnen werk om zo'n beest te spotten. Jamie ziet hem zelfs het eerst, vrijwel gelijktijdig met een Engelsman die zich in de komende anderhalve week zal ontpoppen als scherpste vogelspotter. Wij slagen er zo snel niet in om het verschil met de zeekoet te zien, maar zetten het beest braaf op de foto. Een paar Grote Burgemeesters (Glaucous gulls) zitten hier met hun versgeboren kroost. Het leukst is duidelijk de papegaaiduiker (puffin). Tenslotte zien we ook de brandgans, de kleine rietgans en de noordse stern.
Genoeg vogels voorlopig. We varen door in de richting van de
gletsjer. Zo hier en daar drijven er al wat stukken ijs om ons heen,
in verrassend veel verschillende kleuren. Dat heeft te maken met de
leeftijd en de samenstelling van het ijs, legt Jamie ijs. Oud ijs,
dat al flink in elkaar geperst is, wordt diep blauw, sommige stukken
zijn zelfs zwart. Verderop, dichter bij de gletsjer, en waar dus ook
al meer ijs drijft, liggen een paar baardrobben, herkenbaar aan hun
snorharen. De beestjes zijn tot 2,5 meter lang en wegen zo'n 300
kilo. We zien er een paar, allemaal eenzaam liggend op een
ijsschots, en in verschillende stadia van hun rui. Het eerste
exemplaar is wat schrikkerig en lijkt ons niet al te dicht bij zich
te willen hebben. Doorvaren dus, we mogen de beesten hier immers
niet teveel storen. De tweede rob die we tegenkomen lijkt het
allemaal niet al te veel te interesseren en blijft rustig op zijn
rug in de zon liggen als we dichterbij komen. Dat levert een aantal
fraaie plaatjes op, met de boot of de gletsjer op de achtergrond. We
varen tot vlakbij de gletsjer. Daar liggen nog wat baardrobben. We
zien ijs van de gletsjer afkalven. Verder is het stil, we horen
alleen het gekraak van het ijs dat klinkt als ijsbrokjes in een glas
cola. We varen weer terug naar de boot.
Terug op de boot is het tijd om te lunchen. Dit keer zitten we een aan tafel met twee vriendelijke bejaarde en ook flink bereisde Engelsen. Vorig jaar hebben ze op eigen gelegenheid een cruise met het openbaar vervoer langs Groenland gemaakt. Dat lijkt ons ook wel wat. We eten vis op een bedje van groente met iets er over heen. Opnieuw bijzonder smakelijk.
Om drie uur stappen we op de Zodiac. Het is een kort ritje naar de haven. Van de trein die hier ooit naar de mijn reed, is nog een locomotief met vijf wagons over. We lopen het dorpje in. Onder het eerste huis nestelen een paar poolvossen, zo waarschuwen de gidsen. We weten de beestjes inderdaad te spotten. Niet ver daar vandaan zit een kolonie brandganzen. Ter ere van ons bezoek gaat de souvenirwinkel open. De arme uitbaatster wordt meteen bestormd door een horde toeristen. Vooral voor de postzegels natuurlijk. Maar mevrouw zal het gewend zijn. Er schijnen hier ook cruiseschepen met meer dan duizend passagiers aan te leggen. Wij deponeren onze ansichtkaarten in de brievenbus voor de deur.
We slenteren verder door het dorpje. Heel veel valt er niet te
beleven. We lopen naar de buste van Roald Amundsen. Toen in het
begin van de twintigste eeuw door verschillende ontdekkingsreizigers
pogingen werden gedaan om de Noordpool te bereiken, gold Ny
Ålesund namelijk als belangrijke uitvalsbasis. Roald Amundsen
was daar één van. In mei 1926 vertrekt hij met de
Italiaan Umberto Nobile in een zeppelin om over de Noordpool heen te
vliegen en vervolgens in Alaska te landen. De mast van waar ze
vertrokken zijn staat hier nog steeds en dat is onze volgende
bestemming.
Met de rest van de groep hebben we afgesproken bij de buste van Amundsen. We moeten een flinke tijd wachten totdat iedereen bij elkaar is. Dan trekken wij op. We lopen over een drassige toendra. Netjes achter elkaar aanlopen zodat er niet al te veel voetstappen ontstaan. Bij de mast is een plaquette die aan de moedige mannen herinnert. Aad geeft wat uitleg, maar al snel neemt een in gele regenjas geklede Zweed het over. Hij blijkt poolhistoricus en heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar dergelijke vluchten. Amundsen en Nobile waren de eersten die over de Noordpool trokken. Dat hadden ze zelf niet door. Een Amerikaan, Richard Byrd, beweerde net een paar weken eerder al de pool te hebben bereikt, maar tegenwoordig neemt niemand zijn claim nog serieus. Onze Zweed zeker niet en die heeft er onderzoek naar gedaan.
Na de tocht van Nobile en Amundsen is het overigens niet meer
helemaal goed gekomen tussen die twee. Nobile was de piloot,
Amundsen de expeditieleider en daarom vonden ze allebei dat ze de
volledige eer voor deze geslaagde poging verdienden. Twee jaar later
deed Nobile nog eens een expeditie naar de Noordpool. Zijn vluchtte
crashte. Ironisch genoeg overleefde Nobile uiteindelijk de ramp,
maar kwam Amundsen om bij de reddingspogingen. Zijn lichaam is nooit
terug gevonden.
Er is hier ook nog een begraafplaats. In de toendra groeien
bloemen en paddestoelen. We maken nog een rondje door het dorp. De
vogelaars hebben het druk met het bespieden van een kolonie
brandganzen die hier de zomer doorbrengt. Er zijn er zelfs een paar
met kuikens. Terug langs meer ganzen, honden, huizen. Bij het huis
aan het begin van het dorp zien we nu een jonge poolvos
rondscharrelen. Hij heeft zojuist een brandgansje verschalkt. Tot
onze verbazing zien we bij het huis ook een grote Gamma verhuis- en
bewaardoos en een stuk of vijf paar klompen. Het is duidelijk. Hier
wonen de Nederlanders. Een van hen gaat met ons mee naar de
Maryshev. Maarten is zowaar een collega die ook aan de
Rijksuniversiteit Groningen werkzaam is, maar dan bij het Arctisch
Centrum. Hij doet al twintig jaar op Spitsbergen onderzoek naar de
brandgans. Met zijn zoon vaart hij met ons in de zodiac om in het
restaurant een lezing te geven over zijn onderzoek.
Terug op de boot vertelt Maarten ons alles wat wij maar ooit wilde weten over de brandgans. Over de trek van het beestje, over voorjaarsgras, over de spijsvertering en hoe wij aan de uitwerpselen van de brandgans kunnen zien wat het beest gegeten heeft. En ook over rendieren en poolvossen en hun relatie met de brandgans. Dat gaat allemaal met zoveel enthousiasme dat zelfs wij als niet-vogelaars het reuze interessant vinden. Het gaat momenteel niet heel goed met de brandgans op Spitsbergen. Dat komt vooral omdat het aantal poolvossen sterk is toegenomen. In de winter hebben de poolvossen het zwaar omdat er voor hen vrijwel niets te eten is. Na de afgelopen winter was de verwachting dat het aantal poolvossen flink gedaald zou zijn. Dat bleek niet het geval. Ergens in de winter bleek het namelijk geijzeld te hebben, waardoor de rendieren niet bij hun voedsel konden komen en massaal omkwamen. Zo hadden de poolvossen weer een makkelijke maaltijd. Maar Maarten twijfelt er niet aan dat het ook met de poolvos weer helemaal goed komt. Als er ook maar één goed jaar is, dan kunnen ze zo weer tien jaar vooruit.
Na het eten varen we terug naar Ny Ålesund om Maarten en zijn zoon weer terug te brengen. Bij het verlaten van de fjord schijnt er kans te zijn op het spotten van een blauwe vinvis. Maarten heeft er hier vanochtend met zijn zoon nog eentje gezien. Vol spanning nemen wij dus plaats op de brug. Helaas. Wij zien geen walvis. Dan maar naar bed.
Ook vandaag ontbijten we om acht uur. Het is wat lastig wakker worden. We komen aan tafel met de twee hoogbejaarde Engelse vogelaars. Ook die zijn nog weinig spraakzaam. De zee is wat ruwer vanochtend.
Door de eeuwen heen hebben de meest wilde verhalen de ronde gedaan over Smeerenburg. Er zou hier een stad zijn met zo'n duizend tot tienduizend inwoners, compleet met kerk en rosse buurt. In werkelijkheid verbleven hier nooit meer dan 200 mensen in de zomer, en slechts een handjevol in de winter. Het leven was zwaar. Een paar decennia geleden zijn hier opgravingen gedaan en zijn de graven van een groot aantal slachtoffers blootgelegd. We lopen naar de graven waar zij gelegen hebben. Uiteraard zijn alle overblijfselen van Smeerenburg beschermd, en is het streng verboden er overheen te lopen.
Op de weg terug naar de kust komen we ijsbeersporen tegen. Toch maar even op de foto zetten. Aan de kust liggen nog wat walvisbotten, en de schedel van een Groenlandse walvis (bowhead whale). Als we nog op het strand staan beweert iemand in de verte een ijsbeer te zien. Deze waarneming wordt helaas niet bevestigd. Misschien maar goed ook, anders hadden de geweren tevoorschijn moeten komen.
Terug op de zodiac nemen we nog een toer langs de kust aan de
overkant, Virgohamna, vanwaar de Zweed Andrée aan het einde
van de negentiende eeuw een poging deed om per luchtballon de
Noordpool te bereiken. Die poging is jammerlijk mislukt. Men is niet
verder gekomen dan 40 kilometer, van de slordige 1200 die afgelegd
moesten worden. In de verte kunnen we de vertrekplaats zien, ergens
op de enorme stapel stenen. We gaan hier maar niet aan land, want
daar verbindt de gouverneur van Spitsbergen nogal strenge eisen aan.
Wij vinden het wel prima zo.
We gaan weer terug aan boord. Aad houdt om 12:40 een lezing in de bar. Als het net zo'n beetje zo laat is, is er echter een ijsbeeralarm. Een ijsbeer loopt vlakbij een gletsjer, naar het schijnt. Iedereen staat massaal op het dek of op de brug om naar het beest te turen. De een na de ander ziet de ijsbeer in de verte. Ik niet. Op een gegeven moment ziet Carina hem ook, door onze verrekijker. Ik zie hem nog steeds niet. De ijsbeer, zo schijnt het, loopt wat rond. Dan gaat hij het water in. Inmiddels is het ook tijd om te lunchen. De een na de ander gaat maar naar binnen, omdat ze de ijsbeer nu wel lang genoeg gezien hebben. Ik zie hem nog steeds niet. De ijsbeer is steeds verder weg en alleen nog vanaf het dek op stuurboord te zien. Hij zwemt behoorlijk snel. Uiteindelijk zijn er nog maar een paar mensen buiten. Eindelijk, waarschijnlijk als laatste, zie ik een zwarte vlek die het hoofd schijnt te zijn, toch nog met enige regelmaat boven water uitkomen. De ijsbeer. De lunch is een half uur verlaat door deze bijzondere sighting. We eten spaghetti met rode saus en twee soort van schnitzels er bovenop.
Om 14:50 volgt de briefing voor de landing van vanmiddag. We gaan
naar Fuglesangen, een eilandje voor de uiterste noordwest-punt van
Spitsbergen. De landing zal een lastige zijn, met grote rotsblokken
volledig overwoekerd door algen en daardoor spiegelglad. De grootste
attractie van het eiland ligt aan de andere kant: een alkenkolonie
van ettelijke tienduizenden paren.
Na de inderdaad extreem gladde landing moeten we ook nog eens
over een strand met rollende stenen. Daarvandaan is het twaalf
minuten lopen naar de observatieplek, zo wordt ons meegedeeld.
Eenmaal daar aangekomen kijken we tegen een flinke heuvel die
bezaaid ligt met stenen en vooral met kwetterende vogeltjes. Carina
gelooft het allemaal wel en blijft beneden kijken. Ik klauter omhoog
en kan de beestjes tot op een paar meter naderen. Ademloos kijk ik
toe en knip ik mijn chip vol. Elke keer als je denkt dat je genoeg
foto's hebt gaan die beestjes er nog fotogenieker bij zitten. Of
komen ze nog dichterbij. Wij zijn nog steeds geen vogelaars, maar
een paar duizend van die beestjes op een paar meter afstand is toch
wel spectaculair.
Het betreft hier de kleine alk, tot zo'n twintig
centimeter groot, en geheel uitgevoerd in zwart-wit. Geinig beestje,
ook al weer verwant aan papegaaiduiker en zeekoet. Na een flinke
tijd observeren daal ik maar weer af. Om vijf uur gaan we terug naar
de boot.
's Avonds genieten we opnieuw ons diner. Maar eerst luisteren we naar het uitgestelde praatje van Aad over de geschiedenis van ballonpoolexpedities. Hij houdt het kort. Tegen negen uur naderen we Moffen, een zandplaat ten noorden van Spitsbergen waar veel walrussen plachten rond te hangen. Zo ook vandaag. We mogen niet dichterbij komen dan op 300 meter afstand en er ligt een Noors marineschip vlakbij, dus houden we ons ook maar netjes aan die grens. De vogelaars hebben het druk met Ross's Gull (Ross' meeuw) die nogal zeldzaam schijnt te zijn, terwijl wij naar de walrussen blijven turen. Fascinerend. Een flink aantal ligt knus tegen elkaar aan genesteld, op de zandplaat. Verderop ligt nog een groep, vlakbij de grote oranje piramide die fungeert als baken. Hier en daar zien we een paar grote witte slagtanden uit de grote hopen beest steken.
Terwijl we nog in de buurt van het eiland zijn, passeren we de 80
graden grens. Reden voor een feestje met een cocktail van rum en
grapefruit. Dat is zo de traditie. Niet lang daarna gaan wij naar
bed. Als wij in bed liggen tolt het allemaal nog wel een beetje. We
zijn nog maar twee dagen onderweg, maar hebben al ontstellend veel
gezien: gletsjers, zeehonden, walvissen, walrussen en zelfs een
ijsbeer. Voor ons gevoel hebben we eigenlijk alles nu al gezien.
Alles wat er nog komt is meegenomen.
Iets na middernacht gaat de zon schijnen en worden er drie blauwe vinvissen gesignaleerd, zo horen we de volgende ochtend bij het ontbijt, al blijkt later dat niet iedereen daar even overtuigd van is. De blauwe vinvis is het grootste beest dat ooit op deze aard heeft rondgehangen, met een onvoorstelbare 35 meter lengte en een gewicht van 170 ton. Toch eet het beest alleen maar plankton, waar het dan wel zo'n 400 kilometer per dag van achterover slaat.
En weer ontbijten we om acht uur. Dit keer zitten we bij twee
landgenoten die afkomstig zijn uit Eindhoven. En vanochtend zien we
een enorme lap drijfijs! Bedekt met sneeuw. Toch heel iets anders
dan de bergjes van de afgelopen dagen. Om half tien gaan we er met
de zodiacs op uit. We varen tussen het ijs door, naar
Phippsøya, het grootste van de zeven eilanden die samen
Sjuøyane vormen, wat Noors is voor Zeven Eilanden. Daar aan
de kust liggen twee walrussen op ons te wachten. We maken een
omtrekkende beweging om ze van de wind af te kunnen benaderen. Met
een brede groep lopen we over het strand, zodat iedereen kan zien
wat er gebeurt. We hebben nog niet eerder een walrus van zo dichtbij
gezien. Curieuze beesten, verwant aan de zeehond, maar ook weer geen
directe familie. Meest opvallend zijn de enorme slagtanden die
sommige exemplaren bezitten. Waar die dingen voor dienen is
eigenlijk niet helemaal duidelijk.
Er staat hier ook een huisje op het strand, ooit de huisvesting
van een Noorse jager. Het eiland maakt ook al een
waddeneilandachtige indruk, maar wel met veel stenen langs het
strand. Op de droge, rotsachtige ondergrond groeien zelfs een paar
bloemetjes.
De lunch gebruiken we met alweer twee andere Nederlanders, daarna is het tijd voor een middagdutje. Vanaf vandaag kleden we ons nog maar eens een tikje warmer aan. Dat betekent een extra broek onder de spijkerbroek en ook nog een extra T-shirt. Buiten is het een graad of vijf, maar vooral met de straffe wind kan het venijnig koud worden. Vandaag bereiken we ook het meest noordelijke puntje van onze reis, op 80 graden en 42 minuten Noorderbreedte, precies 1033 kilometer van de Noordpool, en dus 2032 kilometer ten noorden van thuis.
's Middags staat er voor kwart voor drie een lezing van Jamie gepland, maar er blijkt een fikse ijsberg op de route te liggen, en zoveel zijn er daar niet van in Spitsbergen. Het ding ligt eenzaam in het water, zonder ander ijs in de omgeving. We maken een rondje er omheen. De bovenkant is glad en schuin: het lijkt er op dat het ding van een gletsjer is afgebrokkeld. Dat moet een flinke klap gegeven hebben.
Na de ijsberg toch nog de lezing van Jamie, over het Arctische
voedselweb. De Arctische Oceaan is een van de productiefste op
aarde, zo leren wij. We beginnen bij de voedingsstoffen die hier
door de warme golfstroom worden afgeleverd, om uiteindelijk bij de
walvissen uit te komen. De kleine beestjes maken echter de grootste
biomassa uit. De ijsberen komen wat dat betreft amper in het verhaal
voor. We leren ook waarom er een goede kans is op drijfijs aan de
oostkant van Spitsbergen, terwijl we die aan de westkant niet gezien
hebben; de golfstroom voert warm water vanaf de evenaar aan naar
Spitsbergen, dat water klotst dan om de archipel heen, zodat het
flink kouder aan de oostkant weer terug stroomt. En die warme
golfstroom is ook de reden dat er soms zelfs tropisch hardhout
aanspoelt op de stranden van Spitsbergen.
Tegen het einde van de middag beleven we de tweede landing van vandaag. Het eiland Lagøya, en ook daar worden al vanaf de boot walrussen op gesignaleerd. Een flink aantal zelfs. Er wordt een zodiac vooruit gestuurd om te controleren of het eiland ijsbeervrij is. Er ligt hier namelijk een dode walrus op de kust en daar willen nog wel eens ijsberen op af komen.
De kust is veilig. Weer sluipen we in gesloten formatie over een
stenenstrand richting walrussen. Het is nog een stuk spectaculairder
dan onze vorige walvissensafari. We kijken uit over een enorme berg
blubber van tegen elkaar aan en over elkaar heen liggende walrussen.
Steeds lopen we een klein stukje verder richting de groep, en als
blijkt dat ze geen aanstoot aan ons nemen gaan we nog weer eens wat
dichterbij. Er blijken hier twee groepen te liggen; een flink aantal
recht voor eens en nog eens een vergelijkbaar aantal op een
heuveltje daar vlak achter. Delphine schat het totaal aantal
walrussen op zo'n 130, vertelt ze later. Af en toe spettert er eens
eentje het water in of uit. Na een tijdje kijken krijgen we de keuze
of we een wandeling willen maken, of bij de walrussen willen kijken.
Natuurlijk kiezen we voor het laatste. Een flink aantal mensen gaat
wandelen. Dat komt mooi uit, want nu zijn wij met minder en kunnen
we dus nog dichter bij de walrussen komen.
We zien nu pas dat er ook een klein baby-walrusje tussen de voorste groep ligt. Iedereen stoot elkaar aan en fluistert opgewonden. Het beestje wordt door waarschijnlijk zijn moeder liefdevol beneuzeld. Drie walrussen komen onze kant opgezwommen en komen haast akelig dichtbij weer boven water. Maar de beesten zijn vrij ongevaarlijk. Hoewel er in het verleden wel eens eentje in paniek de luchtkamer van een zodiac heeft lekgeprikt. Gelukkig heeft zo'n boot zeven luchtkamers.
Als je het restaurant binnenkomt, dan is er meteen links een kleiner tafeltje waar slechts plaats is voor twee mensen. Vanavond weten wij dat tafeltje te bemachtigen, zodat we ons kunnen wijden aan een romantisch diner voor twee.
Gewoontegetrouw is het ontbijt vanochtend om acht uur. We gaan
aan de rustige kant van het restaurant zitten, daar waar
vierpersoons tafels zijn en geen lawaaiige apparaten, en komen aan
tafel bij Aad en de dokter. Onze scheepsdokter is een Duitser die
ook voor het eerst mee is op zo'n boot. Hij mag gratis mee varen,
tegen kost en inwoning. Hij heeft het nog niet druk gehad op deze
cruise. Behalve dan met het toezicht houden tijdens het instappen
van de zodiacs.
Meteen na het ontbijt om negen uur genieten we een zodiaccruise. We gaan naar Alkefjellet, basaltkliffen van pakweg honderd meter hoogte waar zich een gigantische kolonie zeekoeten ophoudt. Er schijnen zich hier zo'n 60,000 broedparen op te houden. Dat geeft een ontzaglijk gekwetter, vooral als er een roofvogel overvliegt. Vanuit de verte zien we de beestjes al zitten, in eindeloze rijen langs de smalle richels in het basalt. Van een afstand is nauwelijks te zien waar het ijs van de gletsjer ophoudt en de vuilgrijze uitlopers van het basalt beginnen. We varen langs een rots met boven en onder dezelfde steensoort waar zich een andere steen tussen gewurmd heeft, in de loop van de miljoenen jaren. Hier en daar stromen watervallen met kraakhelder water. Onderweg varen we langs een paar vrijwel doorzichtige stukken ijs. Dan naderen we enorme hoeveelheden vogels. Een paar dozijn zwemmen in het water om ons heen. Net onder een gletsjerrand zien we een poolvos lopen.
Om kwart over elf zijn we terug op de Maryshev. Om twaalf uur
lunchen we. Dat is tenminste de bedoeling. Vlak voor de lunch:
walvisalarm! Carina ziet hem vanuit ons raampje. Snel kleden we ons
warmer aan en rennen we naar boven. Ik loop er wat frisjes bij. Het
blijkt een gewone vinvis, de fin whale. Nog altijd goed voor zo'n 26
meter lengte. Het dier spuit er vrolijk op los. Het schijnen twee
tot vier exemplaren te zijn. IJverig probeer ik de beestjes op de
foto te zetten. Uiteraard kom ik niet verder dan wat rookpluimen en
een heleboel water. Na de walvissen gaan we dan toch lunchen. Dit
keer zitten we aan bij een Amerikaans onderzoeksstel van gevorderde
leeftijd.
Vanmiddag staat er een lezing op het programma. Maar we varen inmiddels diep in de Hinlopenstraat, die ruim voorzien is van pakijs. We spoeden het dek op om te kijken. Het begin bescheiden, om een uur of twee, met wat vlakke ijsschotsen. Maar de ijsschotsen worden steeds talrijker, en er zit steeds minder water tussen. In de bar hingen al de ijskaarten die de voorspellingen van het lokale weerstation weergeven. Stevige hoeveelheden ijs aan het einde van de Hinlopenstraat. Er was nog even sprake van dat we hier misschien helemaal niet langs zouden kunnen, maar de kapitein lijkt het er op te gaan wagen. De vorige reis van dit schip was de eerste dit seizoen die door het pakijs heen gekomen is. Maar dat is geen garantie dat het ons ook gaat lukken. Aad vertelt dat hij ooit eens een paar dagen in het pakijs vast heeft gezeten.
Ter verhoging van de algehele wintersfeer haal ik twee kopjes
warme Chocomel in de bar. De lezing wordt voor onbepaalde tijd
uitgesteld. Het uitzicht is adembenemend. Onze ijsbreker heeft
steeds meer moeite om door de ijslaag heen te ploegen. Het schip
lijkt steeds wel een stuk omhoog te gaan om vervolgens krakend op
het ijs terecht te komen. Meestal komen we verder door de
ijsschotsen gewoon aan de kant te duwen. Steeds meer vogels cirkelen
om de boeg heen. Als we ijs opzij duwen komt er regelmatig vis aan
de oppervlakte en de vogels pikken daar graag iets van mee.
Op een gegeven moment zien we haast alleen nog maar ijs. Delphine roept enthousiast als aan stuurboord door onze ijsbreekactiviteiten een paar vissen aan de overkant komen. Een aantal mensen komt kijken wat er te zien is. Ik ben wat laat, maar nog net op tijd om de hoogbejaarde Britse vogelaar weer terug te zien lopen. "It's just a fish!" moppert hij verongelijkt, en gaat weer naar zijn vogeltjes kijken.
De ijsbreker heeft er nu serieus moeite mee en loopt vast. De kapitein zet het schip in zijn achteruit voor een aanloopje en een nieuwe poging. Opnieuw loopt het schip vast. Langzaam sukkelt het schip weer in zijn achteruit. De kapitein probeert het eens vanuit een andere hoek, waar het ijs wat kwetsbaarder lijkt. Ook dat loopt op niets uit. Uiteindelijk zijn er negen pogingen nodig om door de ijslaag heen te komen.
We blijven urenlang op het dek om alle ijsschotsen te bewonderen. Om een uur of vier breekt zelfs de zon door, waardoor alles er nog spectaculairder en adembenemender uit gaat zien. En we alle foto's nog weer eens opnieuw moeten maken. Het is hier prachtig. Merkwaardig genoeg moet ik op een of andere manier aan de Sahara denken, qua eindeloosheid en ongestrektheid. Alleen is het hier een stukje kouder.
Zo rond een uur of vijf verandert er niet heel veel meer aan het
landschap. Snel gaan we naar onze hut om de batterij van mijn
digitale camera weer op te laden. Inmiddels heb ik al een paar
honderd foto's gemaakt, en ik ben bang dat de batterij straks leeg
is, natuurlijk net als er iets spectaculairs langs komt. Later zal
blijken dat dat heel erg verstandig is.
Om zeven uur staat het diner gepland. Ook dat gaan we uitstellen. Net voor het eten wordt op die sneeuwrand voor die berg in de verte een ijsbeer gesignaleerd. Groot alarm. Langzaam en voorzichtig laat de kapitein het schip een klein eindje in die richting glijden. De ijsbeer is zich van geen kwaad of Russische ijsbreker bewust en stapt het water in. Zo'n ijsbeer zwemt nog best wel snel. Het beest maakt een omtrekkende beweging en vaart in een grote boog om het schip heen. Dan klautert hij op een ijsschots aan bakboord, eigenlijk heel dicht bij de boot. Misschien is het de zalm die kok net voor ons klaargemaakt heeft. Het beest kijkt eens rond, schudt zijn vacht droog en gaat er vervolgens verdraaid fotogeniek bij staan. Uiteindelijk duikt hij weer terug in het water en verdwijnt hij langzaam uit het oog. De hele show heeft zo'n twintig minuten geduurd.
Opgetogen gaan wij aan het diner. Inderdaad, zalm. Na het eten is er nog meer drijfijs te zien. De zon hangt wat lager, waardoor een en ander nog fraaier uitgelicht wordt. Rond half elf 's avonds een nieuw ijsbeeralarm. Deze zit op een flinke ijsschots, waar ook een pak sneeuw op ligt. De ijsbeer zit op Tordkildensøya, zo lezen we later in ons logboek, net voor Koriskabreen en met Sonklarbreen daar weer achter.
Dit examplaar ziet er wat minder gezond uit dan de vorige. Zijn
achterwerk is aanzienlijk minder volgroeid dan die van de eerste.
Het beest loopt wat rusteloos heen en weer te, eh, ijsberen. Hij
begint fanatiek in de sneeuw te wroeten. Af en toe steekt hij zijn
kop in het gegraven gat om te kijken of er iets te halen valt. Hij
stampt met beide voorpoten tegelijk op het ijs in een poging er
doorheen te komen. Net als in die natuurdocumentaire die wij laatst
zagen. Hij heeft honger, interpreteert Delphine later.
Waarschijnlijk ruikt hij dat hier het nest van een zeehond heeft
gezeten en probeert hij nu die zeehond te verschalken. IJsberen
leven met name van zeehonden. Al willen ze ook nog wel eens een
vorkje meeprikken als er ergens een dode walvis is aangespoeld. Of
een rendier is omgekomen. Het zijn eenzame beesten, die ijsberen.
Het grootste gedeelte van hun leven zwerven ze alleen rond, op zoek
naar voedsel. Jonge ijsbeertjes blijven nog een tijd bij hun moeder,
maar ook die worden er dan in hun eentje op uitgestuurd.
Onze ijsbeer blijft maar rondwroeten en onrustig heen en weer banjeren. Af en toe steekt hij zijn neus in de wind om te ruiken of er ergens anders iets te halen valt, net als de vorige ijsbeer. IJsberen hebben namelijk een ontstellend vermogen om zeehonden al op kilometers afstand te ruiken. Na een half uurtje laten wij het beest met rust en varen we verder. Het is dan inmiddels tegen elf uur 's avonds. Behalve tijdens het diner hebben we vanaf vanaf twee uur 's middags bijna permanent op het dek gestaan. De tijd is omgevlogen. Nu gaan we toch maar naar bed.
's Ochtends om zes uur, als ik wakker word, ploegen we weer door
het pakijs. Het ontbijt is vandaag om half negen, maar verder is er
over het programma van vandaag nog niets bekend. Dat hangt af van
onze vorderingen door het ijs. We ontbijt met een hoogbejaard Brits
echtpaar. Die ene van die vissen van gisteren. Na het ontbijt staan
we een tijdje op de brug, op zoek naar wild. De ijsschotsen zijn
inmiddels al minder talrijk. We spotten een zwemmende baardrob. We
varen door Freemansund, tussen de eilanden Barentsøya en
Edgeøya. Nu we zover gekomen zijn, is het zeker dat we heel
Spitsbergen zullen ronden.
Om twintig over tien houdt Aad een lezing over de geschiedenis van Spitsbergen, voorzover het mensen betreft. We horen dus meer over walvisvaarders en steenkoolwinning. De mogelijke landing van vanochtend is geblokkeerd door ijs, dus voorlopig moeten we aan boord blijven. Vanmiddag proberen we te landen op Edgeøya.
Dat gaat lukken. Na een lunch voor twee om half één nemen we eerst maar eens alle gegevens over de route tot nu toe over op de plattegrond die we in Longyearbyen hebben aangeschaft. In de bar hangt namelijk een grote geplastificeerde plattegrond waar Delphine elke dag onze route intekent. Het is nog een een hele klus om dat over te nemen en als ik klaar ben vertelt Jamie dat we na afloop van de reis allemaal een kaart met onze route van hem krijgen.
Rond kwart over twee varen we per zodiac naar het strand van
Edgeøya. We landen bij Doleritneset, de noordwestpunt van het
eiland. De bergen van Kapp Lee liggen op de achtergrond. Vlak
voordat we landen zien we nog een walrus in het water stappen.
Edgeøya is een opvallend groen eiland met heuvels, bergen en
rotsen, wat een en ander een vrij Schots aanzien geeft. Het is het
op twee na grootste eiland van de archipel. Verder wemelt het hier
van de rendieren. 2500 stuks, volgens ons boekje. In de verte zien
we er meteen al een. En boven op de berg, midden in de sneeuw loopt
er nog een.
Ook op Edgeøya zaten walvisjagers. Pomoren, in dit geval. Dat is een volk uit het noorden van Rusland waarvan bekend is dat ze in de 16e eeuw al op Spitsbergen waren. Daarna kwamen ze nog eeuwenlang regelmatig terug, We zien de schamele overblijfselen van een nederzetting. Ook werd hier veel op walrus gejaagd, vooral vanwege de slagtanden. Het hele eiland ligt nog steeds bezaaid met botten en schedels van de beesten.
De groep wordt in tweeën gesplitst: zij die een stevige wandeling willen maken, en zij die een wat rustiger wandeling willen, zodat er onderweg ook nog tijd is om iets te bekijken. Wij kiezen voor het laatste. De groep splitst in twee ongeveer gelijke delen. We lopen langs een baai. In de verte ligt de balein van een walvis die, aan de begroeiing te beoordelen, hier al een behoorlijke tijd ligt.
Op de weg terug spot Delphine een rendier. Vlak in de buurt
blijkt er nog een te zitten. En al snel kijken we naar drie grazende
rendieren. Langzaam mogen we van Delphine wat dichterbij komen,
totdat we uiteindelijk op een meter of tien van het gezelschap zijn.
Spitsbergen heeft z'n eigen rendier, het Svalbard-rendier, dat wat
kleiner en meer gedrongen is dan het rendier dat elders aangetroffen
wordt.
De beesten trekken zich weinig aan van onze aanwezigheid en grazen rustig verder. Hier en daar zetten we nog een plantje op de foto. Als we de heuvel weer afdalen, treffen we nog drie rendieren. En later nog eens een paar. We lopen terug naar de kust. We komen langs drie houten hutten. De meest linkse ronde is van wetenschappers aan het einde van de negentiende eeuw, die hier kwamen om metingen te doen om de exacte vorm van de aarde te bepalen. Een andere hut werd door Pomoren gebruikt als ijsberenval. Aan de kust is een fors walruskerkhof, waar de overblijfselen van nog meer walrussen dan elders liggen. In het midden is van de schedels een cirkel gemaakt. Ook hier wordt ons op het hart gedrukt om vooral alles in de oorspronkelijke staat te laten liggen.
Inmiddels is het prachtig weer. Op het strand genieten we van de
zon. Met mijn laarzen loop ik een eindje het water in, maar daar
krijg je al snel behoorlijk koude voeten van. De zodiacs komen er
weer aan en brengen ons terug naar de boot. 's Avonds genieten we
een diner voor twee. Daarna geeft Jamie een lezing over de zeehond.
Na mens en vee vormen de zeehonden de grootste biomassa op aarde.
Alleen in het Noordpoolgebied zitten al vier miljoen zadelrobben
(harp seals). Verder zitten hier ringelrobben (ringed seals) and
baardrobben (bearded seals). De laatsten zijn, hoewel het er maar
een paar honderdduizend zijn, het meest te zien. want zij zijn het
minst verlegen. En dan is er nog de walrus. Eigenlijk is dat een
soort op zich, strikt genomen geen onderdeel van de
zeehondenfamilie, maar ergens tussen de zeehond en de zeeleeuw.
Volgens Jamie is de walrus misschien wel het bewijs dat God bestaat
en nog gevoel voor humor heeft ook, want evolutionair gezien slaat
dat beest natuurlijk nergens op.
We moeten vroeg naar bed, want vanavond ronden we het zuidelijkste puntje van Spitsbergen en er is een goede kans dat daar walvissen rondhangen. We bereiken dat punt tussen drie en vier uur vannacht. We gaan dus om tien uur naar bed en zetten onze wekker.

