Donderdag 28 juni 2001


Mijn laatste ontbijt in de herberg. Om negen uur boven. Ik maak een praatje met twee Nederlandse meisjes die hier gisteravond zijn aangekomen. Ze hadden een kamer gereserveerd, maar dat bleek toch niet helemaal goed gegaan. Ze blijven twee dagen in Mexico City en gaan dan naar Guatemala. Carola en Lena komen wat later.

Ik pak mijn bagage bij elkaar, hijs mijn rugzak om, check uit en loop naar Hotel San Antonio, in een steegje net achter de Cinco de Mayo. Zeer fraai. Ziet er keurig uit. En slechts 140 voor een tweepersoons kamer, of je hem nu met een of twee personen gebruikt. Terwijl ik in de herberg toch 180 voor mijn eigen kamertje betaalde, en 220 in geval van twee personen. Ontbijt is niet inbegrepen. En de kamer en badkamer zien er keurig uit, een stuk beter ook dan Hotel Canada, wat hier pal voor zit, en waar je 285 betaalt voor twee personen. De meeste kamers kijken uit op de lobby beneden. Die van mij zit net om het hoekje. Het hotel heeft een nadeel. Geen lift. Maar daar wordt aan gewerkt.

Naar het internetcafé op de Zócalo om Christa op de hoogte te stellen van mijn verhuizing. Terug naar het hotel voor een korte middagrust en dan met de metro naar San Angel, alweer een leuke buitenwijk. Direkt buiten het metrostation is een handvol kraampjes en ik eet een torta con pollo. Ietwat royaal met de chilisaus. Op een brede doorgaande weg is het druk. Ik kom bij een klein winkelcentrum waar volgens de borden binnenkort een WalMart te bewonderen zal zijn. Er is ook een VIPS, een groot upmarket fast-food restaurant met bediening, waarvan er in Mexico City wel meer zijn. Aan een brede bar neem ik een overheerlijke capuccino, geserveerd in sjiek glas.

Twee plaatsen verderop is een oudere man, sjofel gekleed, druk aan het schrijven. In het Engels, zo blijkt. Hij is druk dingen uit bladen als Time en Newsweek aan het overschrijven. Net als ik weg wil gaan vraagt hij of ik Duits spreek. Ik antwoord bevestigend. Oh. Hij niet. Ik schuif een plek op en we maken een praatje. Mooi land, Nederland. Hij weet van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, van tulpen en polders. Zelfs van Groningen heeft hij wel eens gehoord, Groninga noemen ze dat hier. De koningin, da's Juliana toch? Nee, dat was de vorige. De huidige is Beatrix. Ach ja, dat is ook zo. En weet hij ook iets over de kroonprins? Oh... is die niet verloofd met die Argentijnse, Máxima Zorreguieta? Meneer is goed op de hoogte. Maar het is tijd om te gaan. Hij pakt zijn boeltje op, sjokt naar het tijdschriftenrek om de tijdschriften terug te zetten en gaat weer. Ik reken mijn cappuccino af en ga ook weer naar buiten.

Ik loop langs een drukke doorgaande weg. En het is niet eens spitsuur. In eerste instantie lijkt San Angel wat tegen te vallen, maar uiteindelijk kom ik toch op de mooie pleintjes en pittoreske straatjes die mij beloofd zijn. Toch was Coyoacan leuker. De lucht begint er weer dreigend uit te zien. Ik loop verder en kom bij het Plaza Loreto, een erg mooi en knus winkelcentrum, met vooral veel horeca. En cultuur. En half overdekt ook, dus geen last van de stortbui die inmiddels weer losgebarsten is. Uit een hele rij fast-food restaurants rond een centraal terras kies ik voor Mr. Juice, specialist in sapjes, en neem een grote verse druivensap.

Als de bui weer een beetje is gaan liggen, ga ik op zoek naar een pesero. Dat is zo'n minibusje die dienst doet als lijndienst, waarvan je er hier in de stad massa's ziet. Ik wil eigenlijk een enkeltje naar het dichtstbijzijnde metrostation, maar uiteindelijk bestel ik een kaartje voor het metrostation dat het verst weg is op de route. Ach, het regent toch, en Mexico City tijdens spitsuur is ook wel eens aardig. Het is druk op straat, maar niet zo idioot druk als bijvoorbeeld in Istanbul. Ik word afgezet bij metrostation Chapultepec.

Ook in de metro is het spitsuur. Het ding zit stampvol, zelfs de laatste wagons, waar ik zelf altijd instap. Maar een metro blijkt nooit zo vol, of er kunnen nog wel mensen bij. Al blijven er hier en daar wel mensen op het perron staan. Ik wurm mij naar het midden, naar tussen de mensen die wel kunnen zitten, van de deuren vandaan. Daar is iets meer ruimte. Nadeel is wel dat je dan niet meer uit kunt stappen. Maar Mexico City tijdens spitsuur in de metro is een attractie op zich, dus blijf ik graag nog even staan. Een halte of acht voorbij waar ik eigenlijk moest zijn, wordt het rustiger en stap ik uit. Naar de andere kant van het perron voor de metro terug. Ook die is vol, zo mogelijk nog voller. Het spitsuur gaat hier beide kanten op. Uiteindelijk weet ik de tram toch bij het door mij gewenste station te verlaten.

Even naar het hotel en dan op zoek naar een horeca-gelegenheid waar de Grote Wedstrijd te zien is. De eerste optie is de lobbybar van het Holiday Inn. Maar na een paar seconden bedenk ik mij dat dit wellicht niet het meest opwindende publiek is om een voetbalwedstrijd mee te kijken. Verder. In een smal en lang café-restaurant in een zijstraat van de Cinco de Mayo staan de mensen al op straat om naar de wedstrijd binnen te kijken. Geschikte gelegenheid. De kroeg heeft twee etages. De bovenste heeft een houten vloer die reikt tot ongeveer driekwart van de benedenetage. Ik blijf achterin de benedenetage staan.

Uiteraard drinkt men hier Corona bier. Mexicaans fabrikaat. En daar eet men halve limoenen bij, waarvan het sap wordt opgezogen, meestal pas nadat er zout opgedaan is. Iemand bestelt een longdrinkglas, perst die voor ongeveer een derde vol met limoensap, doet er zout bij en schenkt daar het bier op.

Spannende wedstrijd. Vlak voor rust scoort Cruz Azul. 0-1. Er barst een hels kabaal los, vooral op de bovenetage. De "Azul, Azul" spreekkoren zijn niet van de lucht, kracht bijgezet met het slaan op tafels en stampen op de vloer. Beneden beginnen de TL-buizen vervaarlijk te trillen. De houten vloer lijkt een tweede doelpunt nauwelijks te kunnen overleven. Een jolige ober houdt een kartonnen vel omhoog met daarop in viltstift geschreven de tekst Weg Met Azul. Af en toe gaat hij met het bord omhoog naar de bovenetage en vlucht dan al snel onder een regen van limoenschillen weer naar beneden.

Rust. Ik bestel een broodje. Even slinkt de groep mannen die half buiten staat te kijken. In de tweede helft blijft het spannend. Boca Juniors dringt aan, maar verzuimt te scoren. Boven neemt het enthousiasme toe. De TL-bak staat op springen. Dan wordt er afgefloten. Ik weet niet beter of Cruz Azul heeft nu de beker. Die Mexicanen reageren daar toch wat koeltjes op, vind ik. Plotseling staat er iemand klaar om een penalty te nemen. Ik begrijp er niks meer van. Maar blijkbaar heeft Cruz Azul de thuiswedstrijd met 1-0 verloren, niet gewonnen, en staat het nu gelijk. Cruz Azul slaagt er in drie penalties op rij te missen, zodat Boca Juniors er alsnog met de beker vandoor gaat. In no time is de bar leeg.

Ik ga terug naar mijn hotel. Op de Mexicaanse televisie is men licht teleurgesteld maar vooral trots op de bijzondere prestatie van Cruz Azul. Niet gek voor een clubje dat eigenlijk in belang maar het derde is van Mexico City, in een continent waar het voetbal vooral wordt gedomineerd door Argentinië en Brazilië.


Vrijdag 29 juni 2001


Mijn laatste volledige dag in Mexico City. Vanmiddag komt Christa en morgen trekken we per bus verder. Vandaag doe ik het dus rustig aan, en bekijk wat laatste bezienswaardigheden in de stad.

Eerst weer verhuizen. De kamer, en vooral het bed, is wat aan de krappe kant, dus vraag ik beneden om een habitación triple, een driepersoons kamer. Ze hebben er nog wel een op de vijfde etage, maar dat lijkt me, gegeven dat de lift nog steeds niet werkt, ietwat aan de hoge kant. Vooruit, op de derde staat er ook nog eentje vrij. Ook deze kamer ziet er keurig uit, maar hoe je drie personen in die twee bedden kunt krijgen is mij vooralsnog niet geheel duidelijk. Er is een tussendeur naar de kamer ernaast, met een tweepersoons bed, die ik maar dicht trek.

Beneden wordt het mysterie opgelost. Het is inderdaad een driepersoonskamer, dus ik heb recht op het gebruik van zowel kamer 36 als 35, die achter de tussendeur. En een badkamer, die grenst aan 36. Gossie. En dat allemaal voor 200 pesos. Dan heb ik wel een probleem, want ik heb de tussendeur dichtgetrokken, en kan nu dus niet meer van 36 in 35 komen. Geeft niet, lost de schoonmaakster wel op.

Ik ga naar buiten, allereerst naar de Templo Mayor, of wat daar nog van over is. Net naast waar nu de kathedraal is, was de centrale tempel van Mexico-Tenochtitlan, de Inca-stad die de voorloper is van het huidige Mexico City. Veel hebben de Spanjaarden er niet van overgelaten, maar wat er van over is, is met zorg weer in ere hersteld en vanaf de straat te zien.

Op naar de kathedraal. Fraai, maar niet bijzonder spectaculair. De achterkant is wat verzakt, wegens niet al te stabiele ondergrond. Dan naar het presidentieel paleis, ook op de Zocalo. Om daar naar binnen te mogen moet je je paspoort laten zien en achterlaten. Mijn verlopen paspoort, met gat erdoor, blijkt ook te werken. Binnen in het presidentieel paleis plotseling een oase van rust. Aardig parkje. Heel wat anders dan het plein aan de voorkant. Wel veel mensen. In de galerijen van het paleis weer een aantal enorme muurschilderingen. Ik zwerf wat rond op de markt die begint achter de kathedraal. Terug richting hotel, twaalf uur, dus hoogste tijd voor brunch. In iets wat zich afficheert als Chinees restaurant maar dat nauwelijks blijkt te zijn, ga ik naar binnen. Karige toestand. De televisie staat op een van de vele soaps die hier de hele dag vertoond worden. Het personeel kijkt verveeld toe. Ik word bediend door een mevrouw die constateert dat ik vast wel een cafe con leche, koffie met melk, lust. Vooruit. Er wordt een schaal met enorme koeken, zoet brood en dergelijke bij mij gezet. Of ik verder nog iets wil bestellen. Ik neem maar weer een torta de pollo. Ik eet een koek, het broodje en drink mijn koffie op. De rekening graag. Er wordt opgenomen hoeveel ik van de schaal heb genomen en ik krijg de rekening. Bijzonder onvriendelijke bediening hier.

Een korte rust in het hotel en dan op de metro naar het Plaza de Revolución. Opnieuw veel kraampjes. Op het plaza staat een enorm monument, oorspronkelijk bedoeld als kantoorgebouw, maar na de Mexicaanse Revolutie, aan het begin van de twintigste eeuw, wordt het bestemmingsplan gewijzigd. Even verderop is een pleintje met het monument voor De Moeder. Grappig. Staat niet in het boekje. Een flink monument ook, een grote halfronde muur met aan weerszijden en in het midden een beeld. Tekst: A la que nos amó antes de conocernos: aan zij die ons liefhebben voordat ze ons kennen.

De laatste attractie is de Zona Rosa. Nee, dat is niet de rosse buurt, maar wel de meest toeristische zone van Mexico City, waar de meeste dure hotels en winkels zijn. Ik loop door een aardige, groene winkelpromenade met wat toeristen. Bij de McDonald’s een kopje cappuccino. Ook daar lopen alweer vier veiligheidsagenten rond, twee voor de deur en twee binnen. Waarom is ook hier niet helemaal duidelijk. Na de economische crisis van 1994 nam de armoede, ongelijkheid en werkloosheid in Mexico City enorm toe. Daardoor nam ook de criminaliteit schikbarend toe. Zo langzamerhand krijg je de indruk dat iedereen vervolgens zoveel veiligheidsagenten heeft ingehuurd, dat daarmee meteen de werkloosheid en dus ook de criminaliteit is opgelost.

Verder door de Zona Rosa. Erg bijzonder is het niet. Hier en daar zitten wat bedelaars, net als in de rest van de stad. Langs een drukke weg loop ik naar metrostation Sevilla, op weg naar het vliegveld. Dat is nog een flinke reis, ik ben een goede drie kwartier onderweg. Om vijf uur op het vliegveld, het vliegtuig blijkt inmiddels geland. Waar Christa vervolgens vandaan moet komen is nogal onduidelijk. De monitor geeft aan gate E, maar er zijn drie flinke aankomsthallen E1, E2 en E3. Ik ga maar naar E2, daar staan de meeste mensen en het staat me ook bij dat ik daar zelf aangekomen ben.

Het is even wachten, maar om twintig voor zes komt ze naar buiten. We praten bij, wisselen travellers’ cheques en kopen een taxibiljet. Op vertoon van ons vervoersbewijs voor een individuele taxi wil men ons buiten samen met anderen in een taxibusje stoppen. Wij zijn het daar niet mee eens en wachten op onze eigen taxi. Die brengt ons, dwars door het spitsuur, terug naar Hotel San Antonio.

Terug in het hotel verbazen we ons over de fraaie kamer. Christa doet van haar gedeelte van de suite, kamer 35, de grendel op de deur en als we weggaan trek ik de tussendeur dicht. Niet verstandig. Die tussendeur is alleen vanuit 35 te openen, en daar kunnen we niet meer in omdat daar de grendel op zit. Om vanuit 36 terug naar 35 te kunnen heb je een sleutel nodig. We gaan naar beneden en leggen het probleem uit. We hebben inderdaad een probleem, constateert mevrouw, want ze heeft geen sleutel van de tussendeur, maar om acht uur, als haar collega er weer is, zullen ze er eens naar kijken.

We lopen een rondje, over de Zócalo, langs de kathedraal, nemen een kijkje in de herberg en lopen daar nog wat oude bekenden tegen het lijf. Nog een rondje over de markt en om kwart over acht zijn we weer terug bij het hotel. Beide dames gaan met ons mee naar boven, gewapend met een enorme sleutelbos. Er blijkt echt geen sleutel van de tussendeur. Een van de dames komt met een lamel aangesneld en uiteindelijk lukt het om daarmee de grendel van de deur te wippen. Het tafeltje dat ik aan de binnenkant net een klein stukje tegen de deur had gezet, geeft ook mee. Wij zijn de dames zeer dankbaar.

We eten bij El Popular, net tegenover ons hotel. Valt vandaag wat tegen. De kip in de taco’s is koud en Christa vindt glas in haar jus. Verder is alles weer naar wens.


Zaterdag 30 juni 2001


Christa slaapt uit op haar eigen kamertje, ik ben iets eerder wakker. Na opstaan eerst naar het internetcafé op Zocalo, om de geslaagde vlucht aan het thuisfront te melden. Dan nog wat indrukken van Mexico City voor Christa. We lopen door de Cinco de Mayo en de Alameda Central, naar mijn favoriete taco-stalletje. Daar nemen we een setje van vijf suadero en vijf al pastor. De jusstal is nog dicht. Met de metro terug naar Zócalo en daar te voet verder naar het hotel.

We pakken onze spullen op en sjorren onze rugzakken om. Op naar het busstation. Met de metro mogen we officieel niet eens met onze rugzakken, en een taxi vinden we ook niet echt een optie. Met de bus dus. Volgens het boekje gaan er peseros vanaf even voorbij het Palacio de Belles Artes. Dat is een eindje lopen vanaf het hotel. De eerste minibus daar is al raak. Naar de Central Camionera, het centrale busstation. Daar vinden we een maatschappij die op Guadalajara rijdt, onze volgende bestemming. Voor 340 pesos per persoon reizen we eerste klas. Dat is hier wel verstandig, want tweede klas schijnt een stuk beroerder en rijdt bovendien vaak niet via tolwegen, zodat ook de kans op overvallen groter is. De bus vertrekt binnen een half uur.

De bus is zeer comfortabel. Er zijn slechts 38 zitplaatsen en we hebben enorm veel beenruimte. Er is video en een toilet aan boord. Onze rugzakken gaan, na afgifte van een bonnetje, in de laadruimte onder. Tijdens de eerste helft van de reis krijgen we de film Space Cowboys voorgeschoteld, een best wel onderhoudende Amerikaanse film van Clint Eastwood. Met ondertiteling. Tijdens de tweede helft is het Buffalo Soldiers, stuk minder, op het oog doorsnee western, nagesynchroniseerd in het Spaans.

We zijn al bijn 3,5 uur onderweg als de eerste stop zich aandient. Bij een parkeerplaatsje met wat horeca en een winkeltje, allemaal open, mogen we een tijdje zoetbrengen. Ook hier kunnen we weer een pannekoekje eten, iets groter dan een taco, met vulling naar keuze. Wij kiezen voor een roodbruine vleesbrei die ze hier chorizo noemen, maar verdraaid veel blijkt weg te hebben van de con carne die wij door de chili con carne gooien.

Verder. Het uitzicht is niet erg spectaculair, het grootste gedeelte van de reis kijken we uit over een vlakte met in de verte wat bergen. Wel veel groen. Het wordt donker. Om half tien, na acht uur reizen staan we op het busstation van Guadalajara, zo’n negen kilometer van het centrum van de stad. Pal tegenover het busstation is een hotel in Amerikaanse stijl. Laag en breed. Veel dingen in Mexico hebben toch wel iets weg van de VS. De wegrestaurants, de winkelcentra. Maar allemaal op een of andere manier dan toch op z’n Mexicaans.

Hotel Serena doet ook hardnekkig zijn best om voor een sjiek Amerikaans hotel door te gaan. Inclusief reclame-uitingen. We verblijven op de begane grond, niet ver van de ingang. Ze hebben hier zelfs twee kleine zwembaden. En een restaurant en lobby-bar. Toch heeft het het allemaal net niet. Onze waardepapieren kunnen we kwijt in de kluisjes in een kleine afsluitbare ruimte naast de receptie. Wij krijgen een sleutel mee. Het kluisje is alleen te openen als er twee sleutels inzitten. Die van ons en die van het hotel zelf.

We gaan nog even naar het busstation voor een glaasje sinaasappelsap, en om te kijken welke bussen overmorgen naar Mazatlan gaan. We hebben geluk. Alle busmaatschappijen geven tijdelijk een speciale korting van 50% op alle bestemmingen in het noorden van Mexico. En alle drie maatschappijen die op Mazatlan rijden, doen dat elk uur. Terug naar het hotel en op tijd slapen.


Zondag 1 juli 2001


En ook op tijd weer op. Met de bus het centrum van Guadalajara in. Guadalajara is de op één na grootste stad van Mexico. Al is Mexico City nog altijd zo'n 15 keer zo groot. Niet ver van ons hotel rijden bussen naar het centrum. Na veel omzwervingen en onverwachte bochten komen we bij een plein met een fraai kerkje dat redelijk in het centrum ligt. Op het plein staan al een aantal paarden met rijtuig te wachten op enthousiaste toeristen, al lijken die toeristen vooral uit Mexico zelf te komen.

Ontbijt. Op de hoek van het plein is een restaurant, nou ja, zo'n witte open eetgelegenheid zonder echte ramen en deuren maar wel met een dak er op, waar we allebei een taco en een quesodillo nuttigen. Een quesodillo is een pannenkoekje, uiteraard, dit keer gevuld met gesmolten kaas. Lekker.

Op naar de bekendste attractie van Guadalajara: de kathedraal. Vrij pragmatisch geheel, vooral de buitenkant, waar de meest uiteenlopende bouwstijlen bij elkaar zijn geraapt. De binnenkant valt een beetje tegen. Maar het fraaist zijn nog wel de vier pleinen die op de kathedraal uitkijken, de een nog mooier en pittoresker dan de ander. Guadalajara blijkt dol op fonteinen, op elk plein is er minstens één. Op het derde plein is een drogist, waar wij een fles water en een liter yoghurt kopen die wij op een bankje op het plein in de schaduw naar binnen werken. Het is behoorlijk warm. Guadalajara ligt dan ook zo’n 700 meter lager dan Mexico City.

We slenteren verder, langs een klein marktje met vooral sieraden, een pittoreske wandelpromenade, tot bij een pleintje met fraaie fonteinen en beelden. Geinige banken ook. Erg mooie stad. Even verderop is een overdekte markt, met veel schoenen, levensmiddelen, maar ook een restauranthoek waar de gebruikelijke Mexicaanse snacks worden geserveerd op een brede bar vanuit een open keukentje, en een saphoek. Wij nemen weer een glaasje verse jus. Vandaag wordt er opnieuw gevoetbald. Vanochtend om half twaalf begon de WK-kwalificatiewedstrijd Mexico-VS. In heel wat marktkramen staat de televisie aan. Mexico wint met 1-0.

We lopen weer buiten op zoek naar de Plaza de los Mariachis. Valt niet mee. Staat in het boekje verkeerd aangegeven. Uiteindelijk lopen we er bij toeval tegenaan. Fraai klein driehoekig pleintje, gedeeltelijk overdekt, en vooral bestaand uit terras. Wij gaan zitten en nemen iets te drinken. Mariachi is een in Guadalajara ontstane muziekvorm die gespeeld wordt door mannen in fraaie strakke pakken met grote sombrero's. Vandaag wordt er weinig gemariachied. Er hangen wel wat van die mannen rond, maar echt actief zijn ze niet.

Na een lange pauze, het is warm in Guadalajara, lopen we verder in westelijke richting langs een wat duurdere winkelstraat. Aan een pleintje verderop, dit keer zonder fontein, zit op de eerste etage een internetcafé, waar wij voor 12 pesos een uur gebruik van mogen maken. Stuk goedkoper dan in Mexico City. Niet ver daar vandaan zit de Universiteit van Guadalajara in een modern flatgebouw. Het gebouw aan de overkant, oud en statig, hoort ook bij die universiteit. Daarachter is een plein, met fontein, en erg mooie kerk. Staat niet eens in het boekje.

We lopen terug richting centrum. Bij het pleintje waar we vanochtend uit de bus stapten vinden we een Chinees restaurant. Behoorlijk autentiek: dezelfde ongezellige inrichting en TV in de hoek die in China ook gebruikelijk zijn. We bestellen allebei een menu. Na het eten maken we nog een paar rondjes over wat pleinen in de buurt. Het is een gezellige drukte. Bij Sanborns, een andere dure keten, drinken we een kopje cappuccino en thee. We waren van plan om daar een gebakje bij te nemen, maar die zijn prijzig en bij de buren zien we dat ze nogal klein uitvallen. Dan maar een ijsje bij een ijssalon even verderop. We vinden een bus die ons weer naar het hotel brengt. Op tijd slapen.


Maandag 2 juli 2001


's Nachts hangt er een enorm onweer boven ons hotel. In het holst van de nacht horen we een paar enorme klappen, en stevige buien. We staan om zes uur op. Zo heb je nog iets aan je dag. Bovendien hebben we een flinke busreis voor de boeg en willen we ook nog iets zien in Mazatlan, de stad waar we vanmiddag hopen aan te komen. Het is nog donker als we opstaan. Het uitchecken en leeghalen van ons kluisje gaat vlotjes en om kwart voor zeven staan we weer op het busstation. Nog op tijd voor de bus van zeven uur. De bus van vandaag, hoewel ook eerste klas, is toch een stuk minder dan die van een paar dagen geleden. Minder beenruimte, en de video stoort nogal. Ook is ie behoorlijk vol, waarschijnlijk vanwege de speciale 50% korting. Van de busradio begrijpen we dat er gisteren lokale verkiezingen waren. Uit de uitslag daarvan worden we geen wijs.

Vooral het eerste gedeelte van de reis is fraai. Door bergachtig gebied, met veel groen en cacteeen. Na een paar uur rijden een tussenstop in Tepic, volgens de Lonely Planet ook een heel aardig plaatsje, maar helaas krijgen we van de chauffeur slechts een kwartier om ons hier te vermaken. Net genoeg tijd om wat eten en water in te slaan. Het kwartier blijkt echter meer dan een half uur te duren, zeker als de chauffeur ook nog eens met de video gaat klooien.

We rijden verder. Niet veel later stopt de bus. De chauffeur stapt uit en loopt een drogist binnen. Eindelijk een busreis die ontwikkelingslandvormen begint aan te nemen. Maar nee, het blijkt bij de service te horen. De man blijkt een flesje alcohol te hebben gekocht, schroeft de video open en begint met een papiertje gedrenkt in alcohol de koppen schoon te maken. Hij schroeft het ding weer in elkaar. Heeft niet erg geholpen. De video gaat uit.

Het landschap is nu wat saaier. Wel zien we een paar struisvogelkwekerijen. En agavekwekerijen. Een agave is een cactusachtige plant, met lange stevige bladeren met naalden. Van het hart van de agave wordt tequila gemaakt. De bladeren zijn, vooral in het verleden, erg nuttig geweest bij de produktie van bijvoorbeeld kleding, touw, papier en naalden.

Na acht uur rijden, om twee uur ‘s middags, komen we aan in Mazatlan. Inderdaad, er is een tijdsverschil van 1 uur met Guadalajara. Da’s weer een meevaller. Op zoek naar een hotel. Rond het busstation zijn er een handjevol. De eerste doet 100 pesos voor een kamer met twee bedden, maar is wel heel erg basic. Een eindje verderop is Hotel Santa Maria, 150 pesos voor een keurige kamer met badkamer. Het gaat er gemoedelijk aan toe. De vriendelijke snor achter de provisorische balie vertelt ons dat er geen kluis is. Maar wij kunnen onze spullen we bij hem in bewaring geven. Dan tekent hij voor de ontvangst ervan. Vandaag houden we onze buideltjes maar om.

De bus naar het centrum rijdt voor het hotel langs. Wij laten ons afzetten bij een pleintje met een kerk. Bij de bank om de hoek pinnen wij, en dan zigzaggen we langs de verschillende pleintjes in het centrum. Mazatlan is een alleraardigste badplaats. In de Lonely Planet wordt het aangeprezen als de Shrimp Capital Of The World, de wereldgarnalenhoofdstad. Er wordt hier veel op garnalen gevist. Jaarlijks wordt er 40.000 ton verwerkt. Maar in de stad zelf merk je daar vrij weinig van.

We lopen naar de waterkant. Prachtig uitzicht over de Stille Oceaan. We kijken uit over een fraaie inham met de boulevard van Mazatlan en veel rotsen in het water. We lopen eerst een eindje in noordelijke richting. Daar liggen drie eilanden voor de kust. Aan wal een standbeeld van De Mens, twee zelfs, die geleid wordt door een groep van een stuk of vijf springende dolfijnen. Terug naar de boulevard. Op het terras van een restaurant aan de waterkant bestellen we een portie garnalen met knoflooksaus, geserveerd met frietjes en salade, en taco’s met mole. Bijzonder lekker, vooral de garnalen.

We maken gebruik van een internetcafé even verderop. Nog wat heen en weer lopen langs het water. Christa’s maag is wat van streek dus we nemen bijna een taxi, maar uiteindelijk toch een bus terug naar huis. Ze hebben wel geinige taxi’s in Mazatlan, de zogenaamde pulmonias. Open karretjes die er uitzien alsof ze zijn verdwaald van de naburige golfbaan. De bus neemt een nogal merkwaardige route en de chauffeur maakt geen overdreven snuggere indruk, dus we vragen ons af of dit wel goed komt. Volgens het boekje is het maar twee kilometer. Na veel omzwervingen doemt de merkwaardige ronde toren van het busstation voor ons op. En de chauffeur van het busje maakt ons er ook nog eens op attent. Had ie het toch allemaal goed begrepen.

Naast het hotel is een winkeltje. Daar verkopen ze flessen water van een gallon, 3,78 liter. Handig. We kopen een pak biskwietjes voor Christa en een ijsje voor Marco. Om een uur of half tien alweer in bed.


Dinsdag 3 juli 2001


En ook vandaag reizen we weer verder. Eerst doen we het maar eens rustig aan. Opstaan, rustig douchen, rustig constateren dat het water van de douche niet al te warm is, inpakken, uitchecken en op naar het busstation. Om elf uur, over een minuut of tien, is er een bus naar Los Mochis, onze volgende bestemming. Het gaat maar door. Ook hier geldt de 50% korting, en dat is te merken, want de bus zit weer vol. Het is weer zo'n mooie, die we tijdens onze reis naar Guadalajara ook hadden. Eentje met een video die functioneert.

We gaan zitten op twee stoelen die leeg lijken. Dat zijn ze niet. Deze bus is al langer aan het rijden en de bewoners van onze stoelen zijn even naar buiten. Een mevrouw voor ons spreekt Engels en maakt ons er op attent. Aan de rechterkant van de bus zijn nog twee plaatsen achter elkaar vrij. De oudere mevrouw naast mij is druk aan het kwebbelen en het regelen en het blijkt dat zij gaarne bereid is naar de voorste stoel te verhuizen, naast een wat oudere man, zodat wij naast elkaar kunnen zitten. Onze hartelijke dank.

De Engels sprekende mevrouw blijkt Amerikaanse. Ze woont in het uiterste noordwesten van de VS, een uur onder British Columbia. Ze is net naar een festival in Mexico City geweest. Beperkt budget, dus met de bus. Dat is 81 uur met de bus, en 81 uur weer terug. Maar prima te doen, vindt ze. Helemaal als de bussen ook nog video aan boord hebben. Onderweg een vliegende controle. De bus stopt en twee agenten komen binnen, checken de bagageruimten en vragen om een identiteitsbewijs.

We beginnen met een kung-fu film. Dat klinkt erger dan het is, hij blijkt namelijk wel komisch. En ondertiteld. Na drie uur rijden een serieuze stop. Culiacan. Er stappen wat mensen uit, er komen wat nieuwe bij. De chauffeur geeft ons hier tien minuten. Aan de buitenkant van het station zijn wat winkeltjes. Binnen is een flinke rij restaurantjes. We lopen er langs maar ik houd het uiteindelijk bij een boterhammetje. Christa eet droog brood.

Keurig na een minuut of elf willen we weer terug naar de bus. Waar we zijn binnengekomen mogen we nu niet meer terug. We worden omgestuurd. Daar mogen we slechts op vertoon van ons buskaartje weer naar buiten. Als we bij onze eigen bus aankomen, blijkt iedereen al binnen te zetten, behalve de chauffeur. Hij bleek na exact tien mnuten al bijna weggereden te zijn, totdat de Amerikaanse hem er op attent maakten dat wij er nog niet waren. Als hij terug komt, zou hij zonder meer vertrekken. Tja. Kunnen wij ook niet weten, dat tien minuten hier ook maar tien minuten duren.

Het begint er hier opvallend armer uit te zien. Meer bouwvallige huizen langs de weg, en andere oude troep. Rond half zes arriveren we in Los Mochis. De bus rijdt nog wel even door, tot Tijuana, bij de Amerikaanse grens, maar wij stappen uit. Het busstation staat waarschijnlijk verkeerd ingetekend op onze plattegrond, zodat het wat moeite kost om het centrum te vinden. Los Mochis is een weinig enerverend stadje, met ergens rond de 150.000 inwoners. Het is pas gesticht aan het begin van de twintigste eeuw, en alle straten lopen dan ook in een keurig rechthoekig patroon, van zuidwest naar noordoost, of van zuidoost naar noordwest. Verder ziet het er uit als veel andere Mexicaanse steden. Veel witte gebouwen met grote opschriften. De belangrijkste attractie van Los Mochis is de trein die er vandaan gaat.

Qua hotel doen we weer een klein vergelijkend warenonderzoek. Een kamer in het hotel op de hoek van de straat van onze keuze doet 240 pesos, maar ziet er toch wat karig uit. Even verderop zit hotel Fenix, 255 pesos, maar een mooie grote kamer. We kunnen zelfs kiezen tussen een op de eerste etage, wat kleiner, niet veel licht maar aan de achterkant van het hotel, of een op de tweede etage, groter, meer licht, maar aan de straatkant. We kiezen de laatste.

Nog net tijd voor een kleine wandeling door Los Mochis. Bij een doodgewone bakker, merkwaardig genoeg vermomd als Chinees restaurant (Pasteleria Hongkong) kopen we wat brood voor de reis van morgen. Op het enige plein van Los Mochis staat een aardig hagelwit kerkje waar net gedoopt is. Vermoeden we. Dan lopen we naar het gebied wat in het boekje staat aangeduid als markt, waar wij ons iets van een pleintje met kraampjes bij voorstellen. Niet het geval. Eerder een handvol kleine straatjes met wat detailhandel, waarvan het merendeel inmiddels gesloten lijkt.

Maar eerst gaan we langs bij Hotel Santa Anita, het enige sjieke hotel in Los Mochis, waar eersteklas tickets kunnen worden gekocht voor de trein naar Chihuahua, door de Copper Canyon, wat het belangrijkste doel is van onze reis. Eigenlijk willen we gewoon tweede klas reizen, maar misschien weet men hier of de treintijden die in ons boekje staan nog steeds kloppen. Dat blijkt het geval. De eersteklas trein vertrekt ‘s ochtends om zes uur, de tweedeklas trein ‘s ochtends om zeven uur.

Op de markt, of wat daar voor door moet gaan, zijn we toe aan onze dagelijkse portie verse jus. Bij een kraampje willen wij mango’s kopen. Verwarring. Een en een kwart kilo, al in plastic verpakt, kost tien pesos. De helft van die hoeveelheid, die we zelf bij elkaar zoeken, kost vijftien pesos. Dat komt, legt mevrouw uit, omdat we dan zelf de mooiste er uit kunnen zoeken. Afijn. We kopen een zak.

Tegenover ons hotel zit een Chinees restaurant, ook al weer met authentieke smakeloze inrichting. De ober, met baseballpet, spreekt amper Spaans. Wij bereiden ons voor op een niet overdreven goede, wat vettige hap. Maar het eten blijkt verrassend lekker. Veel groente ook. Vooral Christa, maar ja, die heeft dan ook gemengde groente besteld. Terug naar het hotel. Het is al weer half tien, de hoogste tijd om te gaan slapen.


Woensdag 4 juli 2001


Om vijf uur staan we op. Vandaag maken we een treinreis door de Barranca del Cobre, oftewel de Copper Canyon. Over de Nederlandse vertaling zijn we het nog niet helemaal eens. Volgens de Lonely Planet een van de meest spectaculaire treinreizen in de wereld. We hebben nog geen kaartjes, en hopen maar dat het geen probleem is die op het station alsnog te kopen.

De nachtwaker van het hotel schiet wakker als we beneden komen om uit te checken. Wij hoeven geen taxi. Te voet gaan we een paar blokken verderop waar de bus naar het station net klaarstaat. Wij zijn niet de enige toeristen in de bus. Om vijf voor zes meldt de chauffeur dat we bij het station gearriveerd zijn.

Een enorme hoeveelheid vliegjes is afgekomen op de lichtbakken bij het station, het enige licht in de wijde omgeving. Wij banen ons een weg door het ongedierte. In een hoekje van de stationshal is een eenzaam loket geopend, waar een bescheiden rij voorstaat. Het blijkt geen enkel probleem nu nog kaartjes te kopen. Wij kopen twee enkeltjes naar Creel, een klein plaatsje op ruwweg tweederde van de afstand Los Mochis - Chihuahua, voor 275 pesos per persoon.

Achter ons in de rij staat een Deen. Hij is op reis met zijn zoontje van een jaar of acht. Het is al de tweede keer dat hij hier vannacht staat, vertelt hij. In zijn hotel had hij gevraagd om om vijf uur worden gewekt. Zelf heeft hij geen horloge bij zich. Beneden in het hotel wees de klok inderdaad half zes aan. Toen hij bij het station aankwam, bleek het echter nog maar één uur te zijn.

We gaan naar buiten, naar het station, doen antimuggenspul op, en wachten af. Een lokomotief komt aangetuft en koppelt zich aan de drie wagons die al klaar staan. Niet veel later lijkt het alsof we in mogen stappen en komt de meute in beweging. We dienen ons te beperken tot de voorste wagon, die er minder comfortabel uitziet dan de andere twee. Tweede klas. We weten een fraai plekje te bemachtigen aan de rechterkant, bij het raam.

Om klokslag zeven uur zet de trein zich tergend langzaam in beweging. We zijn nu nog op tijd. De eerste drie uur, zo zijn wij gewaarschuwd, zijn nog niet bijster interessant. Vlakte, met alleen in de verte wat bergen. De trein puft langzaam voort, dodelijk vermoeid, zo lijkt. Bij een van de eerste stations komt een vrouw de trein door om tortilla’s met een flinke homp zachte kaas te verkopen. Wij nemen genoegen met ons brood. Als we al een tijdje stilstaan, loop ik naar het balkon aan het eind van de wagon, om naar buiten te kijken. Als ik kom voor de tortilla’s met kaas, dan ben ik te laat, meldt een Amerikaan. Uitverkocht.

De Amerikaan blijkt een Canadees, maar woont in El Paso, Texas, vlakbij de grens met Mexico. Hij zit in het leger, vertelt hij, is instructeur, maar gaat over een jaar met pensioen. Hij was twee jaar geleden nog in Nederland, Amsterdam en Edam, en is over de Afsluitdijk gereden. Hij spreekt Duits. Jarenlang in Duitsland gestationeerd geweest. Zijn vrouw komt uit Letland. Over een jaar gaat hij met pensioen. Zijn vrouw is momenteel zeven weken in Letland om daar een huisje te zoeken waar ze volgend jaar gaan wonen. De man stelt zich voor als Andy. Hij spreekt naast Engels en Duits ook nog Frans, Spaans en Noors. En hij kan Tot Ziens zeggen.

Ik ga weer terug naar mijn plek en rustig wachten we op de dingen die komen gaan. Na een kleine 2,5 uur reizen lopen we al 50 minuten achter op de dienstregeling. Onze gemiddelde snelheid tot nu toe is amper 25 kilometer per uur. Dat is lager dan het gemiddelde dat we over de hele reis zouden moeten halen. En dat terwijl de route tot nu toe vlak was, en we straks flink moeten gaan klimmen.

We gaan samen naar het voorste balkon. Daar staat onze Deen plus een Oostenrijkse en Amerikaan. Wij hangen een tijd over de railing, hoofd in de wind. Terug naar onze plek. Niet veel later komt Andy langs met een tijdschrift over de Canyons dat hij twee dagen geleden gekocht heeft. Toen is hij al met de trein in omgekeerde richting gereden, maar dan in de eerste klas. De Copper Canyon, zo lezen wij, is eigenlijk maar een van de vele canyons die dit gebied rijk is. Het hele gebied is ongeveer vier keer zo groot als dat van de Grand Canyon in de VS en een keer of anderhalf tot twee zo groot als Nederland, zo schatten wij. De diepste canyon is 1873 meter diep, tegen slechts 1425 voor de Grand Canyon, meldt het tijdschrift trots. Verder lezen wij over de vele watervallen in het gebied en de Tarahumara indianen, die in dit gebied hun thuisbasis hebben.

Buiten begint het nu mooi te worden en we gaan naar het achterbalkon van onze wagon om een en ander wat beter te kunnen bekijken. Andy komt ook enthousiast weer naar buiten. Sympathieke man. We rijden over een brug en door de eerste van 87 tunnels. Andy heeft inmiddels 81 landen bezocht, vertelt hij. Zijn doel is om dat aantal op 100 te brengen. En volgend jaar, als hij in Letland woont, gaat hij Russisch leren. Hij is nu voor de derde keer getrouwd. Van zijn eerste vrouw is hij vervreemd geraakt omdat hij voortdurend in het buitenland was. Zijn tweede vrouw was een hondenliefhebber, en toen zij de vijfde hond in huis nam, is hij er zelf maar uitgegaan.

De trein klimt verder en de uitzichten worden steeds mooier. Andy komt nog een keer naar buiten stormen om ons te wijzen op die mooie waterval aan de linkerkant. Jammer, net te laat. De rotsen worden steeds grilliger en beneden in de vallei kabbelt een klein riviertje. De trein slingert zich een weg langs de bergwanden. We zien een waterval. De trein klimt daar sterk en slingert nog twee keer rond, zodat we drie keer uitzicht hebben op de waterval. Als we eenmaal boven zijn zien we de rails onder ons die er nu uitzien als een miniatuur spoorlijntje.

Als we al ongeveer een uur buiten hebben gestaan, en het uitzicht weer wat minder spectaculair is, zoeken we onze plaatsen weer op. Het valt mee, we kunnen nog steeds zitten. Bij een vorig station, toen wij buiten bleven staan, zijn er nogal wat mensen de trein ingestapt. Allemaal Mexicanen. De meesten zijn geleid in de twee achterste wagons, die na vertrek in Los Mochis nog leeg waren. Op het balkon ontmoeten we een Amerikaanse, die alleen reist. Ze heeft negen jaar gewerkt, maar gaat na terugkomst weer studeren. Rechten, in Oregon.

De trein puft voort, al lijkt ie nu wat sneller te gaan dan in het begin. Het uur dat we buiten stonden bleek ook het meest spectaculaire van de rit. Rond een uur of vier, als we eigenlijk al in Creel hadden moeten zijn, stoppen we een tijdje in San Rafael. Inmiddels is het zachtjes beginnen te regenen. In San Rafael staat een groepje mensen op het perron te wachten, blijkbaar op een andere trein. Links staat een familie met drie dochters en twee zoons, allemaal hoogblond met blauwe ogen en keurig gekleed, de meisjes in jurk met een wit kapje op hun hoofd. Mennonieten. Als ze mijn blonde haar en blauwe ogen op het achterbalkon zien, komt vader enthousiast naar ons toe gelopen. Waar we vandaan komen. Nederland. Aha. Zij komen uit de Verenigde Staten.

De Mennonieten is een Christelijke sekte die in de zestiende eeuw gesticht is door Nederlander Menno Simonis. Zijn volgelingen bestonden uiteindelijk vooral uit een groep Duitsers. Omdat de Mennonieten geen enkele andere autoriteit erkennen dan God, dus ook geen overheid, kwamen ze vaak in conflict met lokale overheden. Uiteindelijk kwamen ze terecht in de Verenigde Staten en begin jaren ‘20 vestigden een paar duizend zich in het Noorden van Mexico, rond Cuauhtemoc, niet ver van waar we op dit moment zijn. Langs de snelweg is een aantal dorpen waar alleen Mennonieten wonen. De Mennonieten trouwen alleen binnen de eigen groep, zodat er nu in het noorden van Mexico een aantal merkwaardige enclaves zijn waar alleen hoogblonde, blauwogige, lange bleke Noord-Europeanen wonen, die oud-Duits spreken.

De regen begint wat serieuzer te worden. Een uurtje later zijn we bij Divisadero, waar de uitzichten het mooist zijn. Hier worden we nog even uit de trein gelaten. Eigenlijk staan daar twintig minuten voor, maar wegens regen en achterstand op schema is dat vandaag wat minder. De enkele tientallen meters tussen de trein en het uitzicht is bezaaid met verkopers, vooral Tarahumara. En kleine Tarahumara-kindertjes in oude, versleten en smerige kleding, wel originele klederdracht overigens, die vriendelijk om een peso vragen.

Het uitzicht is erg fraai. We kijken nu uit over de eigenlijke Copper Canyon. Grote diepten en fraaie rotspartijen in uiteenlopende kleuren met ook nog verrassend veel bomen en ander groen. Wij hadden ons eigenlijk alleen maar weerbarstige rode rotspartijen voorgesteld, net als in de Grand Canyon.

De stoomfluit blaast. We kopen nog snel een quesadillo en snellen weer de trein in. We zijn niet ver meer van Creel, waar we tegen half zeven aankomen. Krap 2,5 uur vertraging, maar dat is gebruikelijk voor deze trein. Hij hoort om half elf ‘s avonds in Chihuahua aan te komen, maar volgens de Lonely Planet is rond 1 uur ‘s nachts een betere inschatting.

Verreweg de beste low-budget slaapplaats in dit dorp schijnt Casa Margarita te zijn. En dat zullen we weten. Als we het station verlaten en de naam van dit verblijf noemen, reageert een jongeman met een busje enthousiast. Margarita, daar is hij ook van. Margarita’s, staat er in grote letters op zijn minibus. Het hotel is amper honderd meter verderop, dus we kunnen ook wel lopen, vinden we.

Casa Margarita ziet er van de voorkant behoorlijk bouwvallig uit. We zullen eens kijken. We gaan naar binnen en komen in een flinke keuken, met links en rechts een grote eettafel waar een flink aantal buitenlanders aan het eten zijn. Rechts voor ons is het gasstel waar een stuk of drie vrouwen druk in de weer zijn. Wij melden ons voor een tweepersoons kamer en worden door een meisje naar achteren gebracht, naar een aparte vleugel waar de kamers zijn. Die zien er verrassend goed uit. Helaas heeft de ons aangewezen kamer niet meer dan een anderhalf persoons bed. Wij vragen of er ook een kamer is met twee bedden. Terug naar de keuken beneden, waar er een groot schrift bijgehaald wordt om te zien wat er momenteel beschikbaar is. Er is geen kamer met twee bedden. Maar ze zijn gaarne bereid ons naar een ander hotel te brengen, voor dezelfde prijs, dan kunnen we hier gewoon eten en morgenochtend zal er dan zeker een kamer zijn.

We worden weer in een busje gezet dat ons een paar blokken verderop rijdt. Creel is een dorp van niks, met een paar straten en iets meer dan 3.000 inwoners. Overal hangen nog vrolijke vlaggetjes van de laatste verkiezingen in de straten. Het busje is al bijna vol met mensen die wij herkennen uit de trein. Inmiddels regent het weer. Onze volgende stop is Hotel Margarita Plaza Mexicana. De hele groep gaat naar buiten, er wordt onderhandeld, maar om een of andere reden schijnen ze geen kamer voor ons te hebben. Alleen grote kamers, voor vier personen, zo schijnt. Maar ze zijn gaarne bereid ons naar een ander hotel te brengen, voor dezelfde prijs, dan kunnen we gewoon in Casa Margarita eten. De Amerikaanse gaat met ons mee.

Een klein jongetje wordt met ons meegestuurd om de weg te wijzen. Op de hoek van de straat worden we weer overgedaan aan een ander klein jongetje. We komen bij iets wat meer op een groot huis lijkt. Een mevrouw ontvangt ons vriendelijk en laat ons de kamer zien. Twee bedden. Voor 350 pesos. Ah, maar dat is meer dan de 250 pesos die ons in Casa Margarita beloofd is. Bovendien zien we geen badkamer. Christa reageert verontwaardigd, maar mevrouw is niet te vermurwen. We gaan weer naar buiten.

Buiten komen we weer wat anderen tegen, die ook nog niets gevonden hebben, en een meisje dat we herkennen van het Margarita-kartel. Geen probleem, zegt ze. Ze zijn gaarne bereid ons naar een ander hotel te brengen, voor dezelfde prijs, dan kunnen we gewoon in Casa Margarita eten.

Het volgende hotel is Los Pinos, even verderop. In een apart kantoortje ontvangt een mevrouw ons vriendelijk. Ja, ze hebben nog kamers. Met twee bedden. Willen wij met of zonder TV? Wat is het verschil? 30 pesos. Zonder, dus. En wat kost de kamer? 250 pesos. Dat is het juiste antwoord. De kamer ziet er keurig uit. Het hotel bestaat uit twee etages, aan een korte en een lange kant. Alle kamers kijken uit op een binnenplaats waar een paar auto's geparkeerd staan. Een jongetje van een jaar of vijf crosst driftig heen en weer op een, voor zijn lengte, enorme quad, een open voertuig met vier wielen die elk groter zijn dan het jochie zelf. Als hij genoeg voorover hangt, kan hij net het gas en het stuur bedienen. Een wat groter jongetje loopt er naast.

We betalen en gaan naar onze kamer. Niet lang nadat we binnen zijn horen we buiten een geluid alsof een vijfjarig jongetje op een quad een hek ramt. Het blijkt geen hek, maar de achterkant van een auto. Er zit een flink gat in het achterlicht. Het jongetje stapt af en roept zijn moeder. Die komt niet. Een tijdje later komt de vermoedelijke eigenares van de auto naar buiten en scheldt het jongetje de huid vol.

Het is in Creel een stuk koeler dan in Los Mochis, waar het behoorlijk warm was. We zitten hier dan ook een dikke twee kilometer hoger. Hadden we in Los Mochis nog een airconditioning op onze kamer, hier staat er een kacheltje. We gaan naar Casa Margarita voor ons alom beloofde avondeten. Aan de tafel voor het gasfornuis is ruimte genoeg. We beginnen met een bonensoepje. We krijgen al snel gezelschap van twee Belgischen. De een onderwijst kunstgeschiedenis op een middelbare school, de ander is net afgestudeerd en hoopt na terugkomst een baan te vinden. Ze wonen in Gent en zijn zes weken op pad. In Mexico City voegen ze zich bij een georganiseerde reis van Baobab. Er verblijven ook twee Nederlandse meisjes in Casa Margarita, weten ze.

Ons hoofdgerecht bestaat uit spaghetti, groente en vlees. En tortilla’s natuurlijk. De Deen met zoon, Oostenrijkse en Amerikaan uit de trein melden zich inmiddels ook aan onze tafel. De Canadees zit aan de andere tafel. Iemand anders van de Casa informeert of wij wellicht bier, tequila of water believen. Ook vraagt hij of we morgen op een toer willen. Dat willen we. We worden naar een achteraf hoekje meegenomen waar alle toers staan aangeplakt. Morgen is er een toer naar La Bufa, en dat komt mooi uit, want die is niet elke dag. En bovendien wilden wij daar toch al heen, dus wij boeken voor 230 pesos per persoon.

Met de Canadees lopen we weer terug richting hotel. Zijn hoofd tolt, klaagt hij, want hij heeft vanavond met een Duitse in het Duits, met een Franse in het Frans, en met een Deen in het Noors gepraat. Hij overnacht uiteindelijk bij de mevrouw waar wij weer weggelopen waren, voor slechts 150 pesos. Mevrouw koos uiteindelijk blijkbaar eieren voor haar geld.