Donderdag 21 juni 2001


Om zeven uur moet ik op Schiphol zijn. Zo vroeg kan geen trein me daar krijgen. Ik neem dus een Schipholtaxi. Dat bevalt prima. Om klokslag tien voor vijf staat het busje voor de deur. Op dit uur blijk ik de enige reiziger. Wij gaan dan ook linea recta naar Schiphol, waar ik om een paar minuten over zeven bij de vertrekhal van Iberia wordt afgezet. Inchecken. Het vliegtuig naar Madrid vertrekt keurig op tijd. Dat van Madrid naar Mexico City heeft een uur vertraging. Zeggen ze. Dat blijkt nog te kloppen ook.

De kwaliteit van de inflight service van Iberia bereikt ongekende niveaus. Tussen diner en ontbijt, toch een periode van zo'n acht uur, zie ik ze niet één keer langskomen. Al doen de lege zakjes pinda's die ik zie bij het verlaten van het toestel wel vermoeden dat ze, toen ik even niet oplette, toch nog een keer zijn geweest. Maar verder moeten we drinken zelf halen, achter bij de balie. De crew is chagrijnig, aangevoerd door een gezette purser die nog het ergste is. Zelfs de tax-free artikelen moet je zelf afhalen.

Als ik weer achter naar de bar gestommeld ben voor een glaasje water, word ik aangesproken door een blonde jongen. Of ik ook geen touw kan vastknopen aan al dat Spaanse gebrabbel om ons heen. Ik antwoord ontkennend. Het blijkt een Britse student van Zuid-Afrikaanse afkomst, Jamie. We raken aan de praat. Hij gaat op reis met een vriend die hij eigenlijk nauwelijks kent, maar heeft ontmoet op de klimclub. Ze zijn van plan richting Guatemala te gaan en daar wat bergen te beklimmen. Zijn vriend komt morgen. Hij heeft zelf geen boekje van Mexico maar heeft inmiddels al begrepen dat je beter niet zo maar een taxi kunt nemen. Een vriend van hem deed dat wel, vlak nadat hij op de luchthaven was aangekomen, en werd prompt meegenomen naar een heuvel, waar wat collega's van de taxichauffeur instapten, en hij onder bedreiging van een machinegeweer alles mocht inleveren, behalve zijn onderbroek. We spreken af om, eenmaal in Mexico City, samen naar het centrum te gaan. Dat is wel zo veilig. We praten nog wat. Er komt ook nog een jonge Mexicaan bij. Dan wordt het de purser wat te machtig. Nerveus komt hij naar buiten. Wij moeten allemaal weer op onze plaats gaan zitten. En anders zwaait er wat.

De Mexicaan zie ik later weer, als ik achter bij de toiletten mijn benen aan het strekken ben. We hebben op dat moment een prachtig uitzicht over Florida. De jongen studeert cinematografie in Parijs, maar vindt het in Morelia, zijn woonplaats in Mexico, eigenlijk veel leuker. Daarom gaat hij daar nu weer een paar maanden heen. Morelia is een erg mooie stad, vindt hij. De Lonely Planet beaamt dat. Het ligt precies tussen Mexico City en Guadalajara en ik moet er vooral langskomen. Een Mexicaans meisje staat er ook bij. Zij studeert ook in Parijs, cinematografie. Ze is blij dat ze eindelijk in het vliegtuig naar Mexico zit. Een paar dagen geleden was ze namelijk al op pad gegaan, maar strandde toen in Madrid in de staking van Iberia. Vervolgens raakte ze haar paspoort ook nog eens kwijt, zodat ze naar de Mexicaanse ambassade moest om een nieuwe te regelen. Manuel, de jongen, vindt nog steeds vooral dat ik naar Morelia moet komen. Zijn ouders zitten bij de Lions, en zijn dus wel gewend aan buitenlandse gasten. Ik kan dus zonder problemen bij hen overnachten. Gratis. Aardige mensen, die Mexicanen.

De rest van de reis verloopt min of meer voorspoedig, gegeven het serviceniveau. Keurig een uur te laat, tegen vijf uur 's middags, komen we aan in Mexico City. Door de douane. Het lot, want zo werkt dat hier, wijst mij aan voor een grondige controle van de bagage. Die grondigheid valt nog wel een beetje mee, ze controleren niet eens het onderste vak van mijn rugzak. We lopen naar buiten en wisselen bij een van de kantoortjes buiten een paar travelers' cheques. Er gaan precies 9 Mexicaanse pesos in een dollar. Dat levert een ietwat hopeloze wisselkoers op tegen de gulden. Verschillende mannen bieden ons al spontaan een taxi aan. Wij geven de voorkeur aan een taxi zonder machinegeweer en gaan dus naar de daarvoor bestemde balie om een biljet te kopen voor een officiele gereguleerde taxi.

Bij de balie lopen we al twee andere buitenlanders tegen het lijf die net een biljet hebben gekocht. Zij gaan naar Hostal Moneda, vertellen ze. Wat kan het schelen. Daar willen wij ook wel heen. Ze hebben er geen bezwaar tegen een taxi met ons te delen en we gaan naar buiten. Probleempje. Alle rugzakken passen niet in de achterbak. En het taxibiljet zegt toch duidelijk dat bij de prijs van de taxirit, 80 pesos, slechts is inbegrepen de bagage voorzover die in de achterbak past. We worden het eens over een meerprijs van drie dollar.

Naar Hostal Moneda, een vrij upmarket jeugdherberg, en daarom eigenlijk eerder gewoon herberg, vlakbij de Zócalo, het centrale plein van Mexico City, waar een enorme Mexicaanse vlag trots wappert. De taxichauffeur doet erg zijn best om het ons naar de zin te maken. Hij kan ons niet naar de herberg brengen, want dat zit in een straatje waar hij niet in mag, maar hij kan ons wel op het plein afzetten. Wij vinden het prima en mogen er dus op de Zócalo uit. Inmiddels is het zachtjes aan het regenen. Hostal Moneda zit helaas vol, vertelt de vriendelijke receptionist ons. Maar hij kan ons vannacht wel op een andere plek stallen, en als we dan morgenochtend terugkomen, dan is er zeker plaats. Dan moeten we hier eerst even een half uurtje wachten in de woonkamer, dan zal hij ons daarheen brengen. Wij wachten.

We zitten met z'n zessen in de woonkamer. Onze taxigenoten komen uit Engeland en zijn al bijna een jaar op reis. Ze hebben elkaar onderweg ontmoet en komen net uit Nieuw-Zeeland, waar ze een tijd gewerkt hebben. Twee andere gestranden zijn twee studentes, ook uit Engeland, die in het vliegtuig voor mij zaten. Na iets van een half uur komt onze receptionist weer terug. We lopen, met een handvol leenparaplus, naar de andere kant van de Zócalo, waar Hotel Canada blijkt te zitten, een op het eerste gezicht best wel sjiek hotel. Hier blijkt best nog wel plaats. Iets duurder dan de herberg natuurlijk, een slordige 260 pesos voor een tweepersoons kamer. Ik deel een kamer met Jamie.

Ook de kamer ziet er op het eerste gezicht best wel aardig uit, maar hoe beter je kijkt, hoe minder het blijkt. Buiten ons raam beneden zit een groot apparaat waarvan de functie ons volstrekt onduidelijk is, maar dat wel erg veel lawaai en vooral warmte afgeeft. Het kluisje in onze kamer kunnen we momenteel niet open krijgen omdat de vorige bewoner zijn code heeft achtergelaten. Beneden beloven ze de manager te sturen om een en ander in orde te brengen. Dat gebeurt.

Het is tegen tienen, maar wij zijn van slag en lusten ook wel wat. We besluiten om nog even naar buiten te gaan. Ver komen we niet. Het regent een stuk harder en pal naast Hotel Canada zit Jugos de Canada, een sapbar annex broodjeszaak, waar ik een overheerlijke Torta Hawaiiana consumeer, met kip, ananas en gesmolten kaas. Daarna gaan we terug naar het hotel en gaan we slapen.


Vrijdag 22 juni 2001


Dat gaat nog redelijk goed. Om een uur of drie wakker wegens jet-lag, maar verder slaap ik redelijk door. Niet al te laat zijn we wakker. Douchen, spullen weer bij elkaar pakken en op naar de herberg. Buiten is het nog rustig. Wat we vooral zien is een enorme hoeveelheid veiligheidsagenten. Met volledige bewapening, grote geweren, plastic ME-schilden en op elke straathoek. We hadden al begrepen dat Mexico City ietwat crimineel is, maar dit lijkt toch overdreven. Een paar winkels verderop zit een ijzerhandel annex security-shop. Buiten voor de etalage staan twee veiligheidsagenten de nieuwste snufjes te bewonderen. Wij gaan naar binnen. Jamie wil nog een hangslotje kopen voor in de herberg. Wij bestellen bij de man achter de balie, mogen bij een vrijwel volledig afgesloten hokje betalen en krijgen dan het slotje overhandigd.

Naar de herberg. Ook die heeft zijn eigen veiligheidsagent voor de deur staan. We zijn nog op tijd voor het ontbijt. Jamie bestelt een tweepersoons kamer, zijn vriend komt vanavond. Na lang dubben besluit ik toch maar op een slaapzaal, met zes personen, te gaan liggen. Zo kom je nog eens iemand tegen. Ik kan meteen al mijn intrek nemen op mijn kamer, Jamie moet nog even wachten tot zijn kamer schoongemaakt is. Op mijn kamer is een grote metalen afsluitbare box waar ik mijn rugzak in kan bewaren. We gaan naar het ontbijt. Dat wordt geserveerd op het dakterras, waar je een prachtig uitzicht hebt over het oude stadscentrum. Nog een beetje aan de kille kant, zo vroeg. Het ontbijt bestaat uit een buffet met broodjes, cornflakes, fruit, koffie en thee. En een prachtig uitzicht.

Niet lang na het ontbijt gaan we naar buiten om eens rond te kijken. Vlak naast de herberg begint een markt, met non-food karakter en veel kleine kraampjes. We lopen die kant op. Geinig. En druk. Eindelijk een beetje van de drukte die je je van een stad als Mexico City voorstelt. De kraampjes staan net zo'n beetje op de stoep, wij lopen over het asfalt. Een paar straten verder naar het noorden gebeurt er iets merkwaardigs. Steeds meer marktkooplui lopen met hun kraampjes bij ons langs, in plaats van andersom. Wel praktisch, zo'n markt die aan je voorbij trekt. Even later rijdt er een enorme kolonne politieauto's aan ons voorbij. Plus nog een peletonnetje ME. Curieus. We lopen verder en raken op de kledingmarkt, met de gebruikelijke collectie aan namaakmerkkleding. Even verderop een flinke hoeveelheid sporttassen en aanverwante artikelen. We mijmeren dat het mogelijk zou zijn geweest om zonder bagage naar Mexico te komen en hier alles bij elkaar te kopen.

Verder. We komen bij een marktgebouw dat er veelbelovend uitziet. We lopen naar binnen. Schoenen. Een straatje verderop dan maar. Nog meer schoenen. En de volgende straat ook. Het hele gebouw is hoog opgetast met een enorme hoeveelheid schoenen. En de uitbaters zijn gaarne bereid ons ook het een en ander te verkopen. Verder. We komen steeds noordelijker en de markt wordt steeds curieuzer. En krijgt steeds meer het karakter van een vrijmarkt op koninginnedag. Zo kunnen wij aanschaffen een aantal toetsenborden, een faxmachine en een originele Betamax-videorecorder. Allemaal zonder doos natuurlijk.

Op mijn kompasje kunnen we de weg naar de herberg weer vinden. Door een veel rustiger straat, waar duidelijk minder toeristen komen, lopen we weer zuidwaarts. We komen langs een schooltje waar een groep meisje in keurig schoolkostuum spontaan begint te gillen. Uiteindelijk komen we vlakbij de Zócalo weer uit. Hier zijn vlakbij het plein wat ruïnes te zien, wat later de Templo Mayor blijkt te zijn, de belangrijkste tempel van het centrale plein van de grote Aztekenstad die lag op precies dezelfde plek waar nu Mexico City is. Verderop is een markt waar vooral kraaltjes, spiegeltjes en souvenirtjes worden verkocht. Toch relatief weinig toeristen hier. Er zijn er wel een hoop, maar bij ruim twintig miljoen Mexicanen vallen die toch behoorlijk in het niet.

Op het plein is een Indiaans uitziende man met lang grijs haar gebonden in een paardenstaart bezig mensen te behandelen. Of wat het ook maar zijn mag. Er staan een hele rij mensen, vooral vrouwen in de rij. Bij elke klant prevelt de man wat, zwaait met een rokend wierookkruikje om hun hoofd, sprenkelt wat sterke drank op hun haar, prevelt nog wat, voert een goed gesprek, en geeft hen een papiertje mee waar een en ander nog eens op uitgelegd staat. Eerbiedig doet elke klant na de behandeling een stapje opzij. Wij lopen terug voor een korte middagpauze in de herberg.

In de herberg komen we Lena tegen. Lena is een Zweedse die ook gisteravond laat is aangekomen. Ze vloog via Parijs. Probleem is alleen dat haar bagage nog niet is aangekomen. Hopelijk komt die vandaag nog. Maar verder hangt ze de hele dag een beetje lamlendig rond in de herberg, wachtend op haar rugzak. Eigenlijk was ze van plan om vandaag nog door te reizen naar Guatemala, haar eigenlijke eindbestemming. Maar zolang ze haar bagage nog niet heeft, blijft ze nog maar in Mexico City. Met z'n drieën gaan we naar het dak om van het uitzicht te genieten. En van de felle zon, waarin ik nog behoorlijk zal verbranden. En we eten een hapje.

Na een tijdje op het dak gaan we weer de straat op, in andere richting dan we vanochtend gelopen hebben. Eerst lopen we door de Cinco de Mayo, waar ook ons vorige hotel, Hotel Canada, gevestigd is. Aan het andere uiteinde van de straat komen we uit bij het Palacio de Belles Artes, een enorm theater, dat ook bekend is vanwege de prachtige muurschilderingen die hier schijnen te hangen. Aan de andere kant van de straat begint het Alameda Central, een park midden in de stad. Meteen een stuk relaxeder allemaal. Veel bankjes aan weerskanten van het brede wandelpad, bijna allemaal gevuld door een hevig verliefd Mexicaans stelletje. We komen uit bij een grote fontein, waar aan weerszijden kraampjes staan waar vooral versnaperingen worden verkocht. Ook hier doen merkwaardig genoeg de puddingverkopertjes het weer goed. In het midden van het park is een overdekt podium waar muziek gemaakt kan worden. Aan de rand van het park een aantal fraaie beeldhouwwerken.

We lopen stug door en komen aan de andere kant weer uit het park. Een drukke weg met doorgaand verkeer en daarachter een marktje met wat restaurantkraampjes. Zo langzamerhand lusten we wel wat. Eerst een flink glas vers sinaasappelsap. Een grote kraam verderop, met een paar man personeel, verkoopt versbereide taco’s. Een hele belevenis. We gaan zitten op de barkrukken die bij het kraampje staan. Voor 10 pesos krijgen we hier vijf taco’s, kleine ronde maispannenkoekjes gevuld met vlees naar keuze, en garnering zoals komkommer, radijs, en vooral limoen en pikante saus naar eigen smaak toe te voegen. Overheerlijk. En behoorlijk vullend ook, zeker als blijkt dat elke taco uit twee pannenkoekjes bestaat.

We lopen terug richting centrum. Hier is aanzienlijk meer verkeer. Mexicanen lijken een buitengewoon grote voorliefde te hebben voor schoenwinkels. Hier zien we ook weer een straat vol. We komen in wat er iets meer uitziet als het winkelcentrum van Mexico City. De lucht begint behoorlijk te verduisteren en rond een uur of vijf zitten we weer in een flinke hoosbui. Als uit het niets duiken plotseling uit alle hoeken en gaten mensen op die regenkleding verkopen. Curieus. Over het algemeen niet veel meer dan veredelde vuilniszakken, maar toch. Als het al te erg wordt, blijven we even schuilen onder de afdakjes van de Zócalo. Dan rennen we verder, terug naar de herberg.

Tegen het einde van de middag gaat Jamie weer naar de luchthaven, om zijn vriend te halen. Ik blijf in de herberg. Beneden is een grote tafel waar vooral gegeten wordt en dagboeken geschreven worden. Ik ga er ook heen, om hetzelfde te doen. De herberg is van alle gemakken voorzien. Direkt na binnenkomst is er links een woonkamer met twee banken. Daarnaast is de TV-kamer, met een grootbeeld kleurentelevisie en video, plus een rijtje videofilms. Achter is een grote keuken, waar iedereen zijn eigen potje zou kunnen koken. Ook is er een koeling en een kraantje waar gepurificeerd water in zit. En voor bij de ingang is er ook een ruimte met drie PCs, waar we het internet kunnen gebruiken. Tien minuten per dag is bij de prijs inbegrepen.

Ik ga even in de woonkamer zitten. In een mum van tijd ben ik omsingeld door een in zeer sjieke kledij gestoken koortje, waarvan een aantal individuele leden zich druk aan het warmzingen is voor wat blijkbaar de Grote Uitvoering is van vanavond. Aan het begin van de avond is Jamie weer terug. Zijn vriend, Mark, is veilig en ook op tijd aangekomen. Morgen gaan ze naar Teotihuacan, vertelt hij. Ik ga mee.

In de loop van de avond ga ik op zoek naar eten. Het is wat merkwaardig. Van alle kanten wordt je gewaarschuwd dat Mexico City ontzettend crimineel is, op straat wemelt het van de veiligheidsagenten, maar als je op straat loopt voel je je absoluut niet onveilig. Wegens gebrek aan inspiratie eet ik vanavond weer een broodje bij Jugos de Canada. Terug naar het hotel en wegens nog immer lichte jet-lag, al op tijd slapen.


Zaterdag 23 juni 2001


Op tijd wakker. Uitstekend geslapen, ondanks de slaapzaal. Geen snurkers. De slaapzaal heeft zes slaapplaatsen, verdeelt over drie stapelbedden. Als je binnenkomt staan rechts twee stapelbedden achter elkaar, en links nog eentje. Helemaal achteraan is de badkamer. Ik lig in het bovenste bed linksachter. Naast mij, op dezelfde hoogte, ligt Paul, een sympathieke jonge Engelsman. Ook al een paar maanden op reis. Onder ons liggen twee Argentijnsen, waarvan degene onder mij nogal moeizaam Engels spreekt. En omdat Argentijns Spaans moeilijk te verstaan is, is het lastig communiceren. Met de andere Argentijnse heb ik nog niet gesproken. Ze schijnt hier een vriendje opgedaan te hebben, daarom lange tijd te blijven, en is op zoek naar een baan. In het andere bed liggen twee Australiers, die overigens verder niets met elkaar te maken hebben. De onderste is Jamie, nog jong en waarschijnlijk student. De bovenste is een stuk ouder, enigszins merkwaardig relaxed figuur, maar wel grappig. Vrij alternatief.

Ik ben al weer vroeg aan het ontbijt. Zo rond een uur of acht is het op het dak nog wel wat kil. Jamie en Mark komen niet veel later ook naar boven. En Lena. Haar bagage is nog steeds niet gearriveerd. Rustig genieten we ons ontbijt. Tegen tienen nog even tien minuten gebruik maken van het internet, en dan op naar Teotihuacán. Daartoe beginnen we met ons eerste avontuur van vandaag. De metro. Die rijdt vanaf om de hoek van de herberg, onder de Zócalo. Een kaartje kost slechts anderhalve peso. Ook over de metro hebben we de nodige spookverhalen gehoord, maar ook dat lijkt allemaal nogal mee te vallen. Scheelt natuurlijk ook wel dat het nu geen spitsuur is.

Op station Hidalgo, berucht vanwege al zijn zakkenrollers, mogen we voor het eerst overstappen. Voor alle zekerheid maar de rugzak op de buik. Een paar haltes verderop alweer overstappen. Hier is dat een fikse wandeling. Om het lopen wat aangenamer te maken mogen wij door de Tunnel Der Wetenschap, een lange tunnel naar het volgende perron die opgeleukt is met foto's van Wetenschappelijk Interessante Objecten. Een gedeelte is zelfs geheel verduisterd, zodat we op het plafond een nagebouwde sterrenhemel kunnen bewonderen.

De derde metro brengt ons waar we zijn willen: Terminal del Norte, het busstation. Een enorm busstation, mogen we wel stellen. Over een enorme afstand zijn een kleine 30 loketten waar net zo veel busmaatschappijen hun kaartjes verkopen. En zie dan maar eens de juiste bus te vinden. Gelukkig weet iedereen hier dat alles wat blond is naar Teotihuacán wil, dus we worden al snel naar het juiste loket gebonjourd. Mevrouw achter de balie heeft onze kaartjes al praktisch klaar liggen als ze ons aan ziet komen lopen.

Zonder dat er echt naar ons kaartje wordt gekeken, worden we naar de juiste bus gestuurd, die niet veel later vertrekt. Hij is nog niet eens oncomfortabel. In anderhalf uur rijden we, over een snelweg en langs de sloppenwijken van Mexico City, naar onze eindbestemming. Daar worden we onmiddellijk en probleemloos naar de ingang gewezen.

Teotihuacán was het belangrijkste centrum van Mexico rond pakweg 500 na Christus. De bouw begon in 150. Rond de zevende eeuw stortte het rijk in. Hoe is nog steeds niet helemaal duidelijk. De belangrijkste attractie zijn twee enorme piramides, die van De Zon, en die van De Maan. De piramide van de zon is de op twee na grootste ter wereld, met een hoogte van 70 meter.

Volgens het boekje zijn hier gratis rondleidingen in het Engels. In eerste instantie lopen we op eigen houtje naar binnen, maar voortdurend in het boekje turen is ook niet alles, dus als we een mevrouw in het Engels de zaak horen uitleggen, voegen we ons enthousiast bij de groep. Al doet het suffe Mexicaanse hoedje dat iedereen op zijn borst heeft toch lichtelijk vermoeden dat het hier om een georganiseerd verband gaat. Wij houden ons vooralsnog van de domme en hobbelen braaf mee.

Vlak na de ingang wordt ons getoond hoe de oorspronkelijke bewoners kleur aanbrachten op hun gebouwen. Een oude man demonstreert het met het blad van een cactus, waar een of ander insect witte eitjes op heeft gelegd. Een naald dopen in die eitjes levert een fraaie rode kleur op. De naalden van de cactus leveren, alleen maar in combinatie met menselijk speeksel, een fraaie groene kleur.

We lopen eerst naar de citadel, oorspronkelijk waarschijnlijk de residentie van de keizer, of hoe de Teotihuacanen hun Opperste Leider ook maar genoemd mogen hebben. Vier muren van bijna 400 meter lang met 15 piramides. Aan de oostkant is de fraaie tempel van Quetzalcoatl, ofwel de Gevederde Slang, een van de belangrijkste goden in heel wat Mexicaanse culturen. Van onze gids mogen we op de steile trap tegenover het paleis even gaan zitten, terwijl zij het een en ander uitlegt. Wij kunnen makkelijk zien welk deel van de ruines origineel zijn, zo vertelt ze, en welke gereconstrueerd. Bij de gereconstrueerde gedeelten zijn er rond de grote stenen kleine steentjes gemetseld. Bij de originele stukken niet. Bij alle ruïnes in Mexico is dat het geval.

Met het minibusje, vertelt onze gids, zullen we nu naar de andere kant van het complex rijden. Voor ons de hoogste tijd om deze groep toch maar weer te laten gaan en op ons eigen houtje verder te wandelen. Het is genadeloos heet. Onbewolkt ook, en dat is een hele schok na de permanente smog die in Mexico City hangt.

Het is een kilometer of twee lopen naar de andere kant, waar de piramides van zon en maan liggen. En dan hebben ze nog niet eens alles uitgegraven ook. We lopen over de belangrijkste verkeersader van Teotihuacán, de Laan des Doods. Onderweg aan weerszijden veel ruïnes, in uiteenlopende staat van instorting. Aan de linkerkant beklimmen we een in iets betere staat verkerend gebouw. Dan komen we aan bij de piramide van de zon. Het stikt hier van de toeristen, maar op een of andere manier zijn het er toch minder dan ik verwacht had. Jamie is het dat niet met mij eens. We beginnen aan de lastige beklimming van de piramide. Treden zijn vaak erg steil. En de zon is genadeloos heet. Af en toe hebben we even rust als er weer een vlak horizontaal stuk is. De talud-tablero stijl noemen ze dat hier. We kijken uit op de piramide van de maan, waarvan de top op dezelfde hoogte zit als die van de maan. Alleen begint de maan hoger.

Bovenop de piramide van de zon hebben we uitzicht over het hele complex, en puffen we uitgebreid uit. Volgens de Lonely Planet zou er beneden, niet ver van de piramide een cafetaria moeten zijn. Daar zijn we wel aan toe. We dalen weer af. Aan de achterkant van de piramide blijkt een andere ingang van het complex te zijn, en even verderop wat kleine winkeltjes waar iets verkocht wordt. Cafetaria is nogal overdreven, er is niet meer dan een kleine smalle ruimte met erg veel glas, waar ijs wordt verkocht en waar drie automaten zijn die overigens erg gebrekkig functioneren. Wel geven ze voorwaar nog voorverpakte boterhammetjes uit ook. Op een rustig bankje achteraf peuzelen we onze boterhammetjes op.

We hebben nog een paar bezienswaardigheden te gaan. De piramide van de maan laten we maar voor wat hij is, die ziet er wel verdacht veel uit als die van de zon. Verderop moeten nog een paar tempels zijn met fraaie muurschilderingen. Dat blijkt nogal heel erg tegen te vallen. De schilderingen zijn amper te vinden. Donkere wolken pakken zich inmiddels ook samen boven het complex, en het duurt niet lang voordat het zachtjes begint te regenen. En natuurlijk heb ik weer geen paraplu bij me. Langzamerhand wordt de regen wat nadrukkelijker, maar we hebben nog geluk. De laatste tempels laten we maar voor wat ze zijn, we lopen terug naar de ingang, waar we onmiddellijk weer in de juiste bus gedirigeerd worden, terug naar Mexico City.

Via dezelfde weg als we gekomen zijn, gaan we weer terug. De regen begint inmiddels serieuze vormen aan te nemen. Terug op Terminal del Norte is er een enorme hoosbui losgebarsten. Wij zien zelfs hagel. In de sprint door de regen naar de ingang van de metro, een paar meter verderop. Met twee keer overstappen komen we weer terug bij metrohalte Zócalo, waar een enorme groep mensen op en bij de trappen angstig naar buiten staat te kijken om te zien of de regen al wat minder wordt. Het regent inmiddels minder dan bij het busstation, maar nog steeds behoorlijk. Vlot lopen we terug naar de herberg.

Rond een uur of acht is het weer droog. We gaan de straat op om iets te eten te vinden. Valt nog niet mee. Uiteindelijk komen we, op de Avenida Cinco de Mayo, terecht bij het restaurant waar Jamie en Mark gisteravond ook al gegeten hebben. Restaurante El Popular. Het restaurant doet zijn naam voorwaar eer aan. Er staat een rij voor de deur om binnen te komen. Een drukke mevrouw regelt de verdeling van de tafels en houdt met een walkie-talkie contact met de bovenetage. Het duurt niet lang voordat we een tafel op de bovenetage krijgen toegewezen. Ik neem een Enchiladas de Pollo Verde, en een jus. Zeer smakelijk. En behoorlijk goedkoop ook. Na het eten gaan we terug naar de herberg.


Zondag 24 juni 2001


Vandaag is het zondag. Dan zijn alle musea gratis toegankelijk. Bij het ontbijt is iedereen dan ook al druk aan het praten over wie naar welk museum gaat. Ik ben weer vroeg aan het ontbijt, niet veel na achten. Het ontbijt wordt hier geserveerd van 8 tot 10 uur 's ochtends, en van die tijd maak ik volledig gebruik ook. Om acht uur is het nog wat kil buiten. Rond negen uur begint de zon door de smog te breken en wordt de temperatuur aangenamer. Beneden bij de receptie staan Jamie en Mark met hun rugzakken. Ze gaan vandaag nog de stad in, maar trekken later op de dag weer verder. We nemen afscheid.

Op de Zócalo is het een enorme drukte. Er zijn een stuk of 15 grote tenten opgesteld, waar lange rijen voor staan. Iedereen krijgt een formulier dat, eventueel met hulp van de dames en heren herkenbaar aan hun witte T-shirts met opdruk, moet worden ingevuld. Ik ga op onderzoek uit. Het blijkt te gaan om een microkredietprogramma, waarbij kleine zelfstandigen, of zij die dat willen worden, een bescheiden lening kunnen krijgen om de noodzakelijke investeringen te doen. Voor die leningen moet een groepje van 5 tot 15 mensen garant staan. Het gaat om bedragen tussen de 1000 en 3000 pesos, zo'n 300 tot ruim 800 gulden.

Vanuit heel Mexico City komen de klanten hierheen, vertelt een mevrouw die in de rij staat. Bovenaan de tenten hangt een bordje met de desbetreffende wijk, en soms ook nog een subindeling in achternamen. Dit festijn wordt georganiseerd door de overheid, vertelt mevrouw, en vindt eens in de maand plaats.

Ik wandel over de Cinco de Mayo, weer in de richting van de Alameda Central, het parkje in het centrum waar we eerder deze week ook geweest zijn. Binnen in het Palacio de Belles Artes zijn een aantal enorme muurschilderingen. In de jaren ‘20 en ‘30 besloot de toenmalige regering dat er meer nadruk moest worden gelegd op de Mexicaanse identiteit. Voor dat doel werd een aantal kunstenaars aangezocht om muurschilderingen te maken waarin die identiteit tot uitdrukking komt. En een aantal van die schilderingen werden aangebracht in het Palacio de Belles Artes.

De mensen staan in de rij om binnen te komen. Dat krijg je met die gratis zondagen, vrees ik. Maar gelukkig staat men in de rij om de zaal binnen te gaan. In het Palacio is ook net een beeldhouwtentoonstelling aan de gang. Ik pik een zaaltje mee, maar laat de rest links liggen.

Het Palacio wekt een wat vreemde indruk. Een zeer statig en kapitaal gebouw, compleet met kroonluchters en de hele mikmak, met op de tweede en derde etage enorme muurschilderingen die zwaar communistische thema's en oorlogsgeweld tonen. Op een of andere manier lijkt het toch wat misplaatst. Fraai is het wel. Mooiste exemplaar is er eentje van Diego Riviera, de beroemdste muralist, die links de kwalijke uitwassen van het kapitalisme, en rechts de zegeningen van het communisme weergeven, met in het midden De Mens die als piloot de koers kan bepalen. Deze schildering was oorspronkelijk aangebracht op het Rockefeller Center in New York, maar bij nader inzien vond meneer Rockefeller een en ander toch iets te communistisch.

Weer verder de Alameda Central in. Ik drink een glaasje sinaasappelsap en neem vijf taco's op dezelfde adresjes waar we gisteren ook aten. Vervolgens met de metro van Hidalgo naar de volgende attractie: het antropologisch museum.

Om daar te komen wandel ik eerst een eindje door het Bosque de Chapultepec, een bos/park met veel attracties aan de rand van het centrum. Voorzover in een stad als deze een centrum te definiëren valt. Het is een gezellige boel. Het is zondag, dus gans Mexico is uitgelopen om in het Bosque van de vrije dag te genieten. Ik wurm mij langs een rij kraampjes, loop langs een vijvertje met bootjes en kom uit bij het museum.

Volgens velen is het antropologisch museum verreweg het mooiste museum van Mexico City en zelfs een van de mooisten van de wereld in zijn soort. En het wordt al snel duidelijk waarom. Het museum huisvest een enorme hoeveelheid voorwerpen uit de verschillende culturen die Mexico gekend heeft. En dat zijn er nogal wat. Bovendien is die collectie op bijzonder fraai tentoongesteld, met veel halogeenlampen, grote borden met uitleg, videos en nagebouwde huizen en graven. Het museum, twee etages hoog, is gebouwd rond een rechthoekige binnenplaats. Aan het einde daarvan staat een enorme in klassiek-Mexicaanse stijl gebeeldhouwde zuil voorzien van een rond dak van waar water naar beneden klettert.

Ik begin vooraan links. Precies de verkeerde kant, zoals later blijkt. Maar wat maakt het uit. Qua collectie misschien niet, maar qua presentatie wel een van de mooiste gedeelten van het museum. De culturen van het noorden, met name die van de Paquimé, met fraaie doorkijkjes, reconstructies en video's. Voordat de Spanjaarden begin 16e eeuw de zaak overnamen, kende Mexico een enorme hoeveelheid culturen, die naast elkaar leefden, elkaar beïnvloedden en soms overnamen. Nu nog worden er in Mexico 52 talen gesproken, sommige nog maar door een paar mensen. Er zijn een stuk of tien indianentalen die op wat grotere schaal gesproken worden. De belangrijkste daarvan is Nahuatl, gesproken door 1,7 miljoen afstammelingen van de Inca's. De Maya's tellen nog ongeveer een miljoen sprekers.

De volgende zaal belicht een handvol culturen uit het westen van Mexico. Op de bovenste etage is steeds uitgebreide informatie te vinden over hoe de culturen die beneden worden belicht, het er tegenwoordig van af brengen. De Maya-zaal wordt helaas gerestaureerd. Door naar de Golf van Mexico, met Olmec, Totonac en Huastec, die allemaal begonnen rond 800 voor Christus.

Een glaasje drinken. En een hapje eten wellicht ook. Het museum heeft een restaurant, wat ook de grootste tegenvaller blijkt te zien. Weliswaar met terras, maar ook met chagrijnig personeel en peperduur. Na bestudering van de kaart hou ik het maar bij een kopje thee, voor een kleine vier gulden. Er zijn in deze stad plekken waar je voor dat bedrag kunt dineren.

De Oaxaca-zaal brengt ons de Mixtec en Zapatec-culturen, beiden begonnen rond 1000 voor Christus, met als belangrijkste lokatie Mont Alban, waar nu ook nog steeds de ruïnes van te zien zijn. Meest fascinerend hier zijn de codexen, een soort gestileerde kleurrijke stripverhalen waarin de Mixteken in een hieroglief-achtig schrift verslag deden van hun dynastieën, oorlogen en wat dies meer zij. Een van die codexen is in het museum compleet, plaatje voor plaatje vertaald.

De topstukken, helaas wat minder fraai tentoongesteld, want nogal dicht op elkaar, staan in de grootste zaal aan het uiteinde van de rechthoek en zijn gewijd aan de Mexica, beter bekend als de Azteken. De laatste grote cultuur voordat de Spanjaarden de zaak overnamen. Halverwege de 15e eeuw vormden de Azteken een alliantie met Texcoco en Tlacopan, om oorlog te voeren tegen twee andere volken. Zo ontstond een rijk met rond 5 miljoen inwoners. Het ging er vrij bloedig aan toe. Gevangenen werden geofferd aan de god Huizilopochtli, opdat ook de volgende ochtend de zon weer op zou komen. Voor de inwijding van de Templo Mayor, de grootste tempel van de Azteken, werden 20.000 mensen geofferd. Toen Hernan Cortes, leider van de Spaanse expeditie die Mexico veroverde, bij die tempel aankwam, trof hij, zo wordt beweerd, daar een rek aan met 134.000 schedels van geofferden.

Topstuk van de collectie hier is een enorme schijf, in eerste instantie ten onrechte aangezien als kalender, maar dat bleek het uiteindelijk toch niet te zijn. Verder is het hier een enorme drukte van grote stukken en, vooral veel toeristen. Het lijkt er een beetje op dat heel wat toergroepen haast alleen maar deze zaal meepikken en vervolgens het museum weer verlaten. Op een gegeven moment slaag ik er in om tegelijkertijd van drie kanten evenzoveel gidsen te horen die een luide toelichting geven op een en ander. Beetje chaotisch allemaal.

Achter in de zaal staat een grote maquette van wat ooit het centrum van Mexico-Tenochtitlan was. Dat was de voorloper van Mexico City, gebouwd op dezelfde lokatie door de Azteken. Het centrale plein, op vrijwel dezelfde plek als waar nu de Zócalo is, werd gedomineerd door twee enorme piramides. Wat er nu nog van over is, is in de stad nog te bewonderen als de Templo Mayor. Een Engelse commentaarstem legt, tussen alle schreeuwende gidsen door, uit hoe alles in z'n werk is gegaan.

Om de menigte te ontlopen, loop ik terug naar het begin van het museum, waar ik dus eigenlijk ook had moeten beginnen. Hier gaan wij terug naar het allereerste begin, en lezen wij hoe De Mens eigenlijk überhaupt in Mexico terechtgekomen is. Boven, op de eerste etage, is weer veel informatie over hoe de huidige afstammelingen van de culturen die beneden zijn tentoongesteld, het er tegenwoordig vanaf brengen. Boeiend. Fascinerend is ook om te zien hoe de verschillende volken, na de komst van de Spanjaarden, het katholicisme hebben geïntegreerd in hun eigen religie. Zo is er een groep Indianen waarin Jezus geldt als god van geld en gereedschap. Zowel geld, gereedschap als Jezus werden door de Spanjaarden immers naar Mexico gebracht, dus werd een en ander al snel met elkaar in verband gebracht.

Het is al half zes. Het museum is nog tot zeven uur open, maar ik vrees dat ik het toch niet meer red om alles nog te zien. Bovendien tolt mijn hoofd een beetje van deze overdosis aan informatie. Buiten regent het nog een beetje, na een hoosbui eerder op de middag. Langs de Paseo de Reforma, een brede doorgaande weg, loop ik naar metrostation Auditorio. Hier hebben ze weer wat anders bedacht om de reizigers tijdens hun lange wandeling naar de perrons bezig te houden: een tentoonstelling Metro's Van De Wereld. Op verlichte billboards krijgen wij een foto plus kaartje, relevante informatie en logo van de uitbater van de metro's van een groot aantal werelsteden. Ook Amsterdam zit er bij. Voor het gemak hebben ze alle tramlijnen ook maar meegenomen.

Terug in de herberg. Ik praat met een Amerikaan die over land uit de VS is gekomen. Hij geeft tips over wat er allemaal in het noorden van Mexico te zien is. Hij had ook door de Barranco del Cobre gewild, wat wij van plan zijn, maar vond dat wat te prijzig. Zacatecas is een aanrader. Guanajato is dat misschien wel nog meer, maar is wel een stuk toeristischer. Wat eten betreft ben ik wat weinig creatief vandaag. Gelukkig zit er aan de Zócalo een McDonald's, en daar moet je in elk buitenland tenslotte ook een keer geweest zijn, al was het alleen maar om te zien wat een Big Mac kost. Die komt hier op een gulden of zes. Mexico is zeker niet goedkoop, en Mexico City al helemaal niet.


Maandag 25 juni 2001


Mijn laatste dag als 31-jarige. Uiteraard eerst weer uitgebreid ontbijten. Ik zit bij een groepje inmiddels oude bekenden. Lena is er ook. Ze heeft nog steeds haar bagage niet. Ik trek weer zo'n anderhalf uur uit voor het ontbijt en keuvel wat met de oudere Australiër. Vrijbuiterig type. Hij werkte eerst in een afkickcentrum voor alcoholverslaafden, maar heeft zich nu toegelegd op een mij onbekende Japanse geneeswijze, gerelateerd aan acupunctuur. En hij reist wat rond.

Ik pak vandaag weer de metro. Ik kan het niet laten en moet toch eens een kijkje nemen op de Universiteit van Mexico. Dat is de laatste metrohalte. Die universiteit is gigantisch. Ze hebben hier 275.000 studenten. Het complex beslaat dan ook ruwweg 5 vierkante kilometer, en dan hebben we het alleen over de universiteitsgebouwen, niet eens de woonruimte voor studenten. Ze noemen het niet voor niets Ciudad Universitaria, Universiteitsstad. Nieuwsgierig loop ik rond. Langs een brede asfaltweg staan de afslagen naar alle faculteiten aangegeven. In de jaren ‘50 en ‘60 is een en ander hier neergeplempt door een team van 150 architecten. Het heeft dan ook veel van een betonnen blokkendoos.

Aan het einde van mijn wandeling, aan de noordkant, wordt het echt leuk. Een paar straten met winkeltjes zoals die ook in elke Amerikaanse universiteitsstad te vinden zijn. Maar dan iets armoediger. Veel boekwinkels, internetcafes, kopieerzaken en restaurantjes. Men lijkt hier niet bijzonder op te kijken van buitenlanders. Een paar straten verderop is een rij kraampjes waar gegeten en gedronken kan worden. Ik nuttig mijn dagelijkse dosis sinaasappelsap.

Nog even wat rondkijken bij wat boekhandels. Bij de afdeling economie staan de vertaalde Amerikaanse tekstboeken keurig naast de Spaanse versie van Das Kapital. Dan wandel ik verder in noordelijke richting. Ik voel mij niet helemaal volledig in orde. Lichte duizeligheid in mijn hoofd als ik loop. Eerder in de week ook al eens last van gehad. Dat heeft wellicht te maken met de slechte lucht in Mexico City. Wat die 20 miljoen inwoners aan uitlaatgassen en industriële vervuiling uitstoten, blijft vaak nog een hele tijd in de vallei hangen. Dat is niet gezond. Vooral de ozon is een probleem. Gemiddeld is de concentratie daarvan ongeveer twee keer zo hoog als in de VS en Japan is toegestaan. En omdat Mexico City op meer dan 2000 meter hoogte ligt is er sowieso al niet overdreven veel zuurstof in de lucht. Inmiddels doet men er alles aan om de zaak nog een beetje onder controle te houden. De krant publiceert, samen met de weersvoorspelling, uitgebreide gegevens over het niveau van de vervuiling, de hoeveelheid ozon in de lucht, en UV-straling. Elke dag mogen bepaalde auto's, afhankelijk van hun nummerbord, niet de straat op. Bereikt de vervuiling een bepaalde kritieke waarde, dan treedt Fase 1 in werking. Er worden dan twee keer zo veel auto's als normaal van de straat gehouden. Na een paar dagen fase 1 treedt fase 2 in werking. Nog meer auto’s van de straat, de industriele produktie wordt met 30 tot 40% teruggedraaid en op scholen moeten de leerlingen binnenblijven. Bij fase 3 wordt alle verkeer en industrie stilgelegd.

Maar mijn duizeligheid zou natuurlijk ook met te weinig drinken te maken kunnen hebben. Of te weinig eten. Teveel koffie. Te weinig slaap. Of een combinatie van bovenstaande mogelijkheden. Hoe dan ook. Eerst sjok ik maar eens verder. De muurschilderingen op de Centrale Bibliotheek, de reden dat normale toeristen naar de universiteit komen, laat ik maar zitten. Net ten noorden van de Ciudad Universitaria ligt Coyoacan, oorspronkelijk een klein stadje maar inmiddels opgeslokt door Mexico City. Ik loop langs een stuk langs een brede doorgaande weg. Eindelijk iets van de verkeersdrukte die je van Mexico City zou verwachten.

Ik kom bij een grote supermarkt, twee etages. Compleet met fast-food restaurants. Daar las ik een uitgebreide rustpauze in, met veel drinken. Daarna gaat het beter. Dit is een betere buurt met fraaie huizen. Waarschijnlijk. Beetje moeilijk te beoordelen want de meesten gaan schuil achter enorme hekwerken. Ook hier criminaliteit. In Coyoacan zelf is het een stuk beter. Ik loop de wijk binnen via de Avenida Sosa, fraaie straat met oude huizen. Hart van het stadje zijn de Plaza Hidalgo en de Jardin Centenario, twee pleintjes die tegen elkaar aanliggen. Prachtige pleintjes met veel groen en huizen en restaurantjes die er precies zo uitzien zoals je van Mexico zou verwachten. Geschilderd in één kleur met een brede balk in een andere kleur rond de kozijnen. Om buitengewoon lyrisch van te worden. Verrukt loop ik een paar keer de pleintjes op en neer. Ook de kerk is zeer fraai, met zelfs het plafond beschilderd in uitgebreide 17e eeuws Franse stijl. Zou ik als leek zeggen tenminste.

Honger. Even voorbij het pleintje zit een Chinees restaurant. Daar gebruik ik een uitgebreid laat lunchmenu voor bijna een tientje. Verrassend lekker allemaal. Niet geheel Chinees, wat duidelijk Mexicaanse invloeden, maar wat kan het schelen. Nog verrukter dan voorheen loop ik weer verder. Rond het pleintje zijn nog veel meer fraaie straatjes, met dito huizen en restaurantjes. Ook zeer pittoresk is het nabij gelegen Plaza Santa Catherina, met kinderkopjes, kerkje en oud mannetje dat op een bankje onder een boompje zit te mijmeren. Veel verkleinwoordjes hier.

Ik cirkel nog wat rond en loop dan richting Viveros de Coyoacan, een parkje waar vooral gejogd wordt. Merkwaardig. Bij het betreden van het park verzoekt een wacht mij vriendelijk doch dringend mijn fototoestel weer in de tas te doen. Er mogen in dit park geen foto’s gemaakt worden. Na het park loop ik in de richting van het metrostation. Dan kom je langs het Centro Coyoacan, een winkelcentrum dat veel lijkt op een Amerikaanse mall, maar dan in miniatuuruitvoering. In de food court drink ik een kopje thee. In de metro terug naar huis staat een Mexicaanse mij uitermate vriendelijk toe te lachen.

Het is een wat vreemde dag in de herberg. Een heleboel mensen waar ik de afgelopen dagen mee ben opgetrokken, zijn vertrokken. Natuurlijk zijn daar weer anderen voor in de plaats gekomen, maar da’s toch anders. In de ruimte beneden ontmoet ik nog een Nederlandse. Haar dochter, Carola, ging een maand of drie op vakantie door Midden-Amerika. Moeder zag dat niet zo zitten en besloot dus om haar dochter maar gewoon een paar weekjes op te komen zoeken. Ze heeft het prima naar haar zin in de herberg. Morgen vliegt ze terug naar Nederland. Carola zelf komt later ook. Lena zit ook beneden. Ze heeft nog steeds haar bagage niet. Maar er wordt aan gewerkt. Twee Duitse meisjes gaan ook morgen weer terug naar huis. Dat vinden ze niet leuk. Verder praten we nog met een Ierse.

Op onze slaapzaal is vandaag ook een behoorlijk verloop. Vannacht sliep er onder mij al iemand anders, maar die persoon heb ik nooit echt gezien. Toen ik naar bed ging sliep hij/zij al, en toen ik vanmorgen wakker werd, was het bed al weer leeg. Tijdens het ontbijt had ik mij daar nog over opgewonden. Dat het toch geen stijl is dat je een nacht het bed met elkaar deelt en jezelf niet eens even laat zien. Het bed onder mij wordt nu ingenomen door een Duitser, die net uit Guatemala komt en daar tien uur Spaanse les heeft gevolgd. Dat is niet erg veel. Zijn Engels is af en toe ook wat moeizaam. Tegenover mij, boven, liggen twee jolige Venezolanen van in de dertig, die alles erg grappig vinden en dat zelf eigenlijk ook wel zijn. Johnny en Angel. Wij maken een praatje. Johnny’s Engels is ongeveer net zo gebrekkig als mijn Spaans, dus samen komen we er wel uit. Ze zijn over land komen reizen, via Colombia, Honduras en Guatemala. En dat allemaal in twee weken. Om half twaalf komen er nog twee mensen binnen en vragen welke twee bedden hier vrij zijn. Wij vrezen dat dat voor geen enkel bed geldt. De administratie verloopt hier soms een tikje chaotisch.

Rond tien voor twaalf kondig ik aan dat ik over tien minuten jarig ben. Ik moet er tenslotte toch nog iets van zien te maken. De Venezolanen reageren verrukt. Zenuwachtig tellen wij de minuten, en later seconden, af.


Dinsdag 26 juni 2001


Vandaag ben ik jarig. Ik wordt gefeliciteerd door mijn kamergenoten en vraag of zij niet eens voor mij zullen zingen. Dat doen ze. Ik dank hen hartelijk, poets mijn tanden en ga slapen.

Waar ze al voor waarschuwden, en wat ik al een paar dagen vreesde, blijkt te kloppen. Een Venezolaan snurkt. Niet overdreven, maar erg genoeg. Sowieso slaap ik niet zo goed. De afgelopen nacht ook al niet. De jet-lag en vermoeidheid van de reis is verdwenen, en dan wordt het toch een stuk lastiger om met vijf anderen op een kamer te slapen. Ik besluit om vanochtend te verhuizen naar een tweepersoons kamer.

Al even na achten sta ik beneden om te informeren naar een tweepersoons kamer. Daar is het nu nog een beetje te vroeg voor, laat men weten. Maar men zal er rekening mee houden. Ik ben weer vroeg aan het ontbijt. Aan de tafel naast het ontbijtbuffet hoor ik een groepje Zuid-Amerikanen, leden van het koor volgens mij, iets zeggen over verjaardagen. Enthousiast meld ik dat ik vandaag jarig ben. Spontaan word ik fraai toegezongen, eerst in het Engels, dan in het Spaans. Om elf uur mag ik verhuizen. Ik krijg nu een kamer op de begane grond, pal tussen de keuken en met uitzicht op de gemeenschappelijke eet-/schrijf-/praatruimte. Twee bedden en een eigen badkamer.

Er staat vanochtend een briesje. Een mooie gelegenheid om de paar vierkante meter vlag midden op de Zócalo te fotograferen. Geduldig wacht ik op het juiste moment. Als ik mijn fototoestel weer opberg, wordt ik aangesproken door een sympathieke rustige man met Indiaanse wortels. We raken aan de praat. Hij is professor in de linguïstiek, verteld hij. Hij komt net uit Creel, in het noorden, maar is op weg naar Palenque, waar hij woont. Hij is gespecialiseerd in de Indiaanse talen van Mexico, spreekt er zelf twee, en is bezig aan een project om in het noorden onder de Indianen aldaar tweetalig onderwijs op te zetten, in hun eigen taal en in het Spaans.

Manuel begrijpt redelijk Engels, maar spreekt liever Spaans. Ik begrijp Spaans vrij goed, constateert hij, maar heb veel moeite met het spreken ervan. Dat beaam ik. Ik heb een erg open gezicht en sta open voor andere culturen, vindt hij. Hij vraagt of ik tijd heb om een kopje koffie te drinken. Ik ga mee. Hoe is de toestand in Mexico nu? vraag ik. Tja, vraagt hij, in welk opzicht. Sociaal, politiek, economisch? Alles. Hij heeft zelf vertrouwen in de nieuwe regering, vertelt hij, maar die heeft zijn tijd nodig. Ik weet dat de Mexicaanse democratie de afgelopen 70 jaar gedomineerd is door de PRI, die elke verkiezing, zowel lokaal als nationaal, door intimidatie en fraude wist te winnen. De afgelopen tien jaar kwam daar, onder druk van de publieke opinie en het buitenland, langzaam verandering. Eind vorig jaar leidde dat er, tot ieders verbazing, toe dat Vicente Fox, van een concurrerende partij, de presidentsverkiezingen won. De bevolking is nu wat in de war. De PRI voert nu oppositie, zegt uiteraard dat wat de regering doet niet deugt, en zoveel kritiek van een sterke oppositie, dat is men hier niet gewend. Maar het gaat de goede kant op.

De man, die zich voorstelt als Manuel Kan Xochihua, neemt bij nader inzien liever een kopje thee. Vanwege zijn maag. We lopen langs een aantal marktkraampjes. Of marktkleedjes eigenlijk. Allemaal illegale waar, vertelt Manuel. De reguliere middenstand protesteert heftig tegen dit soort markten. Spullen zijn hier veel goedkoper, want de uitbaters hoeven geen huur, gas, licht en dergelijke te betalen, en betalen ook geen belasting. Maar vooralsnog laat de regering het op zijn beloop.

Burger King heeft geen thee. We gaan op zoek naar iets anders, en komen uit bij een sapbar. Ook een goed idee. We bestellen allebei een glaasje verse sinaasappelsap. We praten wat over zijn werk en spontaan geeft hij mijn zijn adres. Hij vraagt hoe oud ik ben. Ik vertel dat ik vandaag 32 geworden ben. Hij is 39. Manuel heeft gisteren een erg vervelende ervaring gehad, vertelt hij. Toen hij gisteravond om 11 uur op het busstation aankwam, regende het hevig. Hij had te veel bagage bij zich om met de bus mee te mogen, en moest dus een taxi nemen. Dat bleek een piraattaxi. Hij reedt naar de achterkant van het busstation, daar stapte iemand anders in, en onder bedreiging van een mes moest hij al zijn bagage en geld inleveren. En hij had veel bagage bij zich. Zo'n 40% van zijn werk is hij nu kwijt. Fototoestel, negatieven, bandopnamen, allemaal weg. Ook zijn vliegticket. Hij zou vandaag doorvliegen naar Palenque. Vliegen van Creel naar Palenque is namelijk erg duur, en voor de bus heeft hij 50% korting. Vliegen vanaf Mexico City kost nog altijd 200 dollar. Hij probeert of hij zijn gestolen ticket nog kan omzetten en haalt uit zijn stevige, nieuw uitziende groene rugzak de dienstregeling van de luchtvaartmaatschappij tevoorschijn.

Goh, constateer ik, waarom hebben ze die rugzak niet ook gestolen? Tja. Wat zit er in!? Wat zit er in!? hadden ze geroepen. En toen hadden ze zijn fototoestel er uit gehaald. Hij heeft contact gehad met een vriend van een vriend. Die is generaal bij het leger. Hij zou kijken wat hij kan doen en Manuel heeft afgesproken hem om twee uur weer te bellen.

Goh... Misschien... Wellicht zou... Nee nee, laat maar. Hij dacht even... maar... nee, laat maar, laat maar. Ik begin nu licht achterdochtig te worden. Ja, nee, vooruit, dan toch maar. Hij hoopt dat hij mij niet beledigd. Maar misschien zou ik hem kunnen helpen. Hoe dan?, vraag ik al iets achterdochtiger. Nou kijk, hij heeft vrienden even voorbij Puebla wonen en als hij daar nu met de bus heen zou kunnen, dan kunnen zij hem wel verder helpen... Ik heb niet veel geld, probeer ik zwakjes. Een enkele reis kost ongeveer 90 pesos, gaat hij verder, en als ik hem mijn adres geven, zal hij me als dank een kadootje sturen.

Moeilijke situatie. Ik zou graag geloven wat Manuel me het afgelopen half uur allemaal verteld heeft en heb ook nog steeds de neiging om dat te doen. En 90 pesos is niet zo veel geld. Maar ik heb, ook van anderen, toch iets teveel van dergelijke verhalen gehoord. Ik zoek naar de juiste reactie. Ach wat pijnlijk, wat pijnlijk, roept Manuel uit. Ik had er natuurlijk nooit over moeten beginnen. En ik begrijp je situatie volledig. Vergeet het. Door zijn uitgebreide verontschuldigingen krijg ik haast de neiging om alsnog over de brug te komen. Ik zou hem graag willen geloven. Je hebt me verteld dat je professor linguïstiek bent, probeer ik nog. Zou je me daarvan kunnen overtuigen. Tja, dat is lastig, want zijn identiteitspapieren zijn ook gestolen. Hij is toch echt geen dief of oplichter. Anders had hij zo mijn camera kunnen jatten. Maar we moesten maar weer eens gaan. Hij heeft nog maar een handvol pesos. Gisteravond heeft hij namelijk nog drie dollar van iemand gekregen. Hij staat er op zijn eigen jus te betalen. Ik betaal die, dat was ik toch al van plan, en bovendien heeft hij ook wel weer een aanzienlijke amusementswaarde opgeleverd. Uiteindelijk stemt hij toe. Misschien kan hij met zijn eerlijke gezicht iemand anders overtuigen om hem te helpen. Merkwaardig genoeg is hij inmiddels omgeschakeld naar Engels. We lopen vlot terug naar de Zócalo en nemen afscheid.

Ik ga terug naar de herberg om bij te komen. Voor alle zekerheid controleer ik mijn rugzak, maar alles zit er nog in. Ik ben lang bezig om mijzelf ervan te overtuigen dat dit een oplichter was. Uiteraard is dat het geval. Maar je zoekt toch bevestiging. Het belangrijkste gat in zijn verhaal was toch wel die groene rugzak. Merkwaardige dieven, die al je bagage jatten, maar je alleen een rugzak laten houden, maar die wel eerst leeghalen. En eerst met de bus 1500 kilometer van Creel naar Mexico City, en vervolgens de laatste 1000 kilometer naar Palenque vliegen, is ook wat merkwaardig. De busreis duurde 20 uur vertelde hij. Als hij gisteravond om 11 uur aankwam, zou hij om 3 uur 's nachts moeten zijn vertrokken. Klinkt niet logisch. Volgens de Lonely Planet zijn er helemaal geen vluchten van Mexico City naar Palenque.

Waarom zijn dergelijke situaties dan toch zo lastig? Omdat je feitelijk iemand in z’n gezicht vertelt dat je hem niet gelooft, en denkt dat hij een oplichter is. Valt niet mee. Bovendien weet je niet hoe zo’n persoon vervolgens reageert. Het is een stuk makkelijker en voelt een stuk beter om zo iemand te geloven, hem grootmoedig te helpen en zijn dankbaarheid te aanvaarden.

Afijn. We gaan maar eens verder met de officiële bezienswaardigheden in deze stad. Bij de receptie kom ik twee Nederlanders tegen, die ik ook al eerder heb gezien. Ze vertellen dat ze gisteren in de metro bestolen zijn. Als het erg druk is wil het nog wel eens gebeuren dat een groepje mannen bij een halte begint te duwen, trekken en tasten onder het mom dat ze er hier uit willen. Voordat je het weet zijn ze er dan met je spullen vandoor. Zijn portemonnee, met Visa-Card is gisteren uit zijn broekzak gehaald. Paar uur op het politiebureau. Vandaag hebben zakkenrollers weer twee pogingen gewaagd. Merkwaardig. Ik heb nergens last van gehad.

Met de metro opnieuw naar het Bosque de Chapultepec, dit keer voor het Museo de Arte Moderno, inderdaad, het museum voor moderne kunst. Onderhoudend. Meest boeiend is natuurlijk de afdeling moderne Mexicaanse kunst, met ook wat werk van de Grote Drie muralisten. Mexicaanse kunst is erg kleurrijk, vrij realistisch, maar haast meer op een strip-achtige manier. Het museumrestaurant hier is een stuk sympathieker en vooral ook goedkoper dan dat in het antropologisch museum. Lekker rustig ook, dit museum. In de andere zalen nog wat moderne kunst van over de hele wereld. Er hangt zelfs een Appel. Een tentoonstelling van een of andere Duitse fotograaf, gesponsord door Lufthansa, zegt mij helemaal niets. Wel aardig is een tentoonstelling van Remedios Varo, een Mexicaanse surrealist. Beetje Dali, maar dan anders. In de museumshop beneden koop ik een ansichtkaart van zijn God Schept De Vogels. Buiten is nog een flinke beeldentuin.

Het is half vijf geweest. Mooi nog even de tijd om het antropologisch museum af te ronden, dat op een steenworp afstand ligt. Het is lekker rustig nu, met ongeveer evenveel bezoekers als veiligheidsmensen. De eerste zaal van het museum is een overzicht in vogelvlucht van de Mexicaanse geschiedenis en daarmee dus ook van de rest van het museum. Dan behandelen wij de preklassieke periode. De eerste tekenen van beschaving dus. Ook hier aandacht voor Het Balspel. Op vrijwel alle archeologische plekken in Mexico zijn een of meerdere I-vormige velden te vinden, van een meter of 80 lang, waar Het Balspel gespeeld was. De exacte regels zijn onduidelijk, maar het komt er op neer dat een rubberen bal met schouders en heupen zo lang mogelijk in het spel gehouden moest worden. Er werd gespeeld tussen twee teams en waarschijnlijk werd de aanvoerder van het verliezende team aan de goden geofferd. Tot mijn ontzetting lees ik dat de eerste sporen van Het Balspel dateren van 1200 voor Christus. Geen wonder dat die Mexicanen zo gek van voetbal zijn. Ze doen het al ruim 3000 jaar.

Door naar de Teotihuacán-kamer. Belangrijkste attractie daar is een erg spectaculaire metershoge reconstructie van de gevel van de Quetzalcoatl-tempel, in de oorspronkelijke kleuren. Verder nog wat voorwerpen en beelden die in Teotihuacán zijn opgegraven. Buiten hoost het weer. We komen bij de Tolteken. Fraaie muurschilderingen en een metershoog beeld dat vanuit Tula hierheen is gehaald. Dan heb ik eindelijk alles gezien. Het loopt inmiddels tegen half zeven. Mooie timing. Uiteindelijk toch een dikke zes uur hier rondgelopen. Het is bijna uitgeregend en ik loop weer naar de metrohalte. Terug naar de herberg.

Mijn verjaardag vier ik in Restaurante El Popular. Omdat ik toch maar alleen ben mag ik aan de bar zitten. Van de lijst met specialiteiten kies ik de Enchiladas Potosiensis. Dat blijkt een flinke lap dun biefstuk met drie opgerolde pannenkoekjes gevuld met aardappelen, een en ander voorzien van een licht pikante saus.

In de krant lees ik dat de luchtkwaliteit vandaag ongewoon goed was. Ik had vandaag inderdaad geen last van duizeligheid. Op tijd op mijn kamer. Moe. Ik heb nog wat achterstallige slaap in te halen. De kamer blijkt nogal gehorig, door zijn lokatie. Toch slaap ik een stuk beter dan de afgelopen nachten.


Woensdag 27 juni 2001


Vanochtend slaap ik uit. Eerst om een uur of zeven wakker, maar daarna pas om een uur of negen weer. Om half tien pas aan het ontbijt, tot grote verbazing van Lena, die er aan gewend is dat ik er elke ochtend al ruim voor half negen zit, als zij zo ongeveer naar boven komt. Gisteravond laat is haar bagage dan eindelijk aangekomen, maar ze maakt nog geen aanstalten om naar Guatemala te gaan. Ze kan het erg goed vinden met Jamie, de Australische jongen op mijn slaapzaal. Inmiddels is er nog een Nederlander aangekomen. Peter, die blijkt te slapen op het bed waar ik tot nu toe geslapen had. Niet mijn type. Zwak uitgedrukt.

Het is weer tijd voor een dagje buiten Mexico City, vind ik. Opnieuw met de metro naar het Busstation Noord. Blijft toch een beetje hopeloze verbinding. Slechts zeven stops, maar toch twee keer overstappen. En bij één overstap een minuut of acht lopen. Bij die lange overstap valt me op hoe ontzettend rustig de Mexicanen eigenlijk zijn. Het is behoorlijk druk in deze tunnels, maar je hoort, zeker voor Nederlandse begrippen, helemaal niets. Iedereen schuifelt stilletjes voort. Een paar dagen geleden bij Teotihuacán viel me al op dat de verkopers daar zich zo bescheiden opstelden. Zachtjes, haast timide vragen ze of je iets wil kopen en na een No, Gracias zijn ze ook onmiddellijk weer verdwenen. Ook wordt er op straat relatief weinig geclaxoneerd.

De bus naar Tula is wat lastiger te vinden dan die naar Teotihuacán. Maar het lukt. Om twaalf uur, nog een paar minuten, gaat er een rechtstreekse bus. Als ik een kaartje wil kopen krijg ik een beeldscherm voor mijn neus waarop ik mag aanwijzen welk plaatsje ik wil. Er zitten maar een man of tien in de bus. Uitermate saaie bedoening eigenlijk hier, bedenk ik als we eenmaal onderweg zijn. Alles zo luxueus en efficient. Uiteindelijk neem je in dit soort landen toch de bus om op de balen rijst te kunnen hangen en tussen de kippen te kunnen zitten. Dan beleef je tenminste nog eens wat. Sowieso maakt Mexico City een vrij rijke indruk op mij. Relatief dan. Een stuk rijker dan de plekken waar we de afgelopen jaren op vakantie zijn geweest.

Na precies anderhalf uur komen we aan in Tula. Buitengewoon aardig stadje. Veel spierwitte restaurants en winkels volgeschilderd met menukaarten en reclame. Ik neem een Torta de Pollo, broodje kip dus, in zo'n restaurantje. Zeer smakelijk. Nog een glaasje verse jus er bij ook. Dan ga ik te voet naar de attractie van vandaag. De ruïnes een kleine twee kilometer buiten Tula. Het is erg warm en de lucht is aangenaam fris. Ik loop langs een doorgaande weg. Tula was wellicht ooit, de deskundigen zijn het er nog niet helemaal over eens, de hoofdstad van de Tolteken. Dat was ruwweg rond het jaar 1000 en Tula had toen zo'n 35.000 inwoners. Dat is nog altijd 9.000 meer dan tegenwoordig. De Azteken spraken vol ontzag over de Tolteken en beschouwden zichzelf als hun afstammelingen en navolgers. De leider van de Tolteken, Topiltzin, had een blanke huid, lang haar en een zwarte baard. Hij stichtte de hoofdstad maar werd uiteindelijk, zo wil de legende, min of meer verjaagd door de god Tezcatlipoca. Hij trok naar het oosten maar beloofde ooit, via de zee, weer terug te komen en zijn troon te claimen. Dat verhaal leidde een kleine 500 jaar weer tot grote verwarring bij Moctezuma, toenmalig leider van de Azteken, toen een groep Spanjaarden zijn rijk binnenviel onder leiding van Hernan Cortes, een man met, inderdaad, een blanke huid, zwarte baard en lang haar. Volgens sommigen was dat de belangrijkste reden dat zo’n klein groepje Spanjaarden in staat was het machtige Azteekse rijk in te nemen.

Er heerst een weldadige rust bij de ruïnes. Zeker in vergelijking met Teotihuacán. En ze zijn fraai gelegen, midden in de bergen, met een mooi uitzicht op het tegenwoordige Tula en met fraaie wolkenpartijen. Maar eerst aandacht voor het museum vlak na de ingang. Na het multimedia geweld van het antropologisch mseum een beetje karig allemaal, maar toch aardig. Dan is het nog een flinke wandeling naar de ruïnes. Ik loop tussen twee keer twee rijen souvenirstalletjes, waarvan de uitbaters, meestal vrouwen, lijken wakker te worden als ik er aankom, en keurig één voor één hun waar aanprijzen precies op het moment dat ik langsloop. Bij de ruïne zelf lopen nog een paar ambulante handelaren rond.

De eerste attractie is een Speelveld voor het Balspel. Als ik weer uit deze Arena kom, wordt ik aangesproken door een Mexicaanse jongen. Of ik misschien een groepje Amerikanen voorbij heb zien komen. Dat is niet het geval. Dat komt, hij studeert Engels, en hij wil graag, net als hij gisteren ook al gedaan heeft, met een groepje Amerikanen met gids meelopen om te luisteren hoe zij met elkaar praten, en om daarvan te leren. Ik kom uit Nederland, vertel ik. Dat is jammer, vindt hij. Maar ik spreek Engels. Zijn gezicht klaart op. Mag hij dan met mij oefenen? Ik ben nog een beetje achterdochtig, maar hij laat mij zijn studentenkaart met pasfoto zien en dat ziet er allemaal betrouwbaar uit. Vooruit dan maar.

Ally-René is 18 jaar en heeft nu 7 maanden Engels gestudeerd. Zijn opleiding duurt 10 maanden en hij heeft nu 7 van de 10 modules afgerond. Hij studeert in een stadje net voorbij Tula. Hij spreekt goed, maar zijn woordenschat is nog wat beperkt. Hij wil later iets met technologie gaan doen, het liefst in de VS. Ik vertel dat ik gisteren jarig was en 32 ben geworden. Hij vindt mij er nog jong uitzien.

Belangrijkste attractie hier is een piramide met een vijftal metershoge beelden van krijgers. Fraai, vooral tegen de dramatische achtergrond van bergen en stapelwolken. Bij de overblijfselen van een verbrand paleis zijn nog wat reliëfs te bewonderen. Van een tweede speelveld en een tweede piramide is wat minder over.

We praten nog wat verder, ik geef hem mijn e-mail adres en we lopen weer richting uitgang. Ik heb dorst, koop twee blikjes en geef Ally-René er ook een. Ik kijk nu wat uitgebreider naar de souvenirstalletjes. Hij kijkt met mij mee en is erg geïnteresseerd in wat ik mooi vind. Ik loop verder, terwijl hij nog bij het eerste stalletje blijft staan. Even later komt hij weer naar mij toe. Ik krijg twee kadootjes van hem, een kleine glazen piramide en een sleutelhanger met daarin een miniatuuruitvoering van de beelden hier. Als dank omdat hij met mij mocht praten. Hevig in verlegenheid gebracht accepteer ik. En omdat ik gisteren jarig was natuurlijk!, suggereer ik. Oh ja! Inderdaad! antwoordt hij met een brede glimlach. Dan is dit het enige kadootje dat ik dit jaar voor mijn verjaardag heb gekregen, constateer ik. Dat vindt hij wel leuk.

Bij de uitgang hangen handgemaakte statistiekjes van de bezoekersaantallen alhier, die we uitgebreid bestuderen. In 2000 zijn hier 667 Nederlanders geweest. Opvallend veel Duitsers: zo'n 3200, tegen maar 2300 Amerikanen. Aantal bezoekers uit Haïti: 1. Er komen hier niet overdreven veel buitenlanders, zeker niet vergeleken met het aantal bezoekers uit bijvoorbeeld Mexico City: een kleine 60.000. Ik ga weer richting Tula. Ally-René blijft bij de ingang, om te kijken of er nog Amerikanen komen. We nemen afscheid en ik druk hem op het hart om mij vooral een e-mail te sturen. In het Engels.

Nog geen honderd meter verderop dient de volgende gespreksparter zich al weer aan. Een jongen komt mij achterop gelopen. Of ik ook uit Nederland kom. Dat klopt. Hoe weet hij dat? Hij zag het in het gastenboek alhier. Hij vond het hier een beetje tegenvallen, maar ja, ook al zo'n 40 ruïnes gezien. Die liefhebberij begon een jaar of vijf geleden. Hij ziet overeenkomsten tussen de beschavingen hier en die in India. Dus moet er volgens hem nog een vroegere beschaving zijn geweest. Da’s ook een manier om er tegenaan te kijken.

We lopen terug naar Tula. Het is een echte Brabander, van even ten zuiden van Eindhoven. Al een maand of zeven aan het reizen, in Mexico, Honduras, Guatemala. Aan het begin dronk hij veel, heeft er binnen drie maanden 15.000 gulden doorheen gejaagd, maar toen kreeg hij een aandoening aan zijn maag en is gestopt met drinken. Hij wil straks een baan in de VS, zodat hij veel geld kan verdienen, en weer veel kan reizen. Op dit moment wil hij zo snel mogelijk weer een bus pakken naar Mexico City, want vanavond om zeven uur begint de finale van de Copa de Libertadores, de Zuid-Amerikaanse versie van de Europacup, tussen Boca Juniors uit Argentinië, en Cruz Azul de Mexico. Cruz Azul won de thuiswedstrijd met 1-0, dus ze maken een goede kans. We werpen een vluchtige blik op de kathedraal en hij zoekt het busstation op. Ik blijf nog wat rondhangen in Tula.

Een Mega Elektra. Wat handig. Vanochtend bleek de batterij van mijn scheerapparaat, en ik heb een verloopstekkertje nodig om hem hier op te kunnen laden. Mexico hanteert namelijk Amerikaanse stopcontacten, waar een andere stekker ingaat. Ik heb het snoertje meegenomen en informeer of ze iets hebben waarmee ik dit in Mexico kan gebruiken. Dat hebben we, antwoordt het meisje. Het is alleen even zoeken. Dozen van TV’s worden boven van de plank gehaald en nagezocht, laden overhoop gehaald. We moeten er toch eentje hebben. Ik wacht rustig af en even later komen ze met een verloopje tevoorschijn. Hij past op mijn stekker. Wat kost me dat?, vraag ik. Nada, is het antwoord. Niks. Aardige mensen hier.

Ik zwerf nog wat rond. Aardig stadje. Het dorpspleintje heeft alles om het dorpspleintje van een behoorlijk toeristisch stadje te worden. Door hier en daar achter een bus aan te lopen kom ik weer uit bij het busstation. Net op tijd voor de rechtstreekse bus terug van 17:40. De terugreis gaat al net zo vlotjes als de reis hier naar toe. Saaie boel.

Even na zevenen weer terug in de herberg. Merkwaardig genoeg is er van de grote wedstrijd van vanavond niets te merken. Later zie ik een aankondiging bij het Holiday Inn Hotel waaruit blijkt dat die wedstrijd pas morgen is. Voor de verandering eet ik maar weer eens bij een Chinees restaurant. Er zit er eentje in een zijstraatje van de Cinco de Mayo. Hij blijkt van dezelfde keten waar ik een paar dagen geleden ook gegeten heb. Op een of andere manier was het toen lekkerder.

Terug in de herberg is het weer rumoerig op mijn kamertje. Ik besluit om morgenochtend maar eens te verhuizen naar een echt hotel. Ik heb hier ook al weer zes nachten gezeten, en de leuke mensen zijn weg. Carola heeft mij een uitstekend hotelletje aangeraden, net aan de andere kant van de kathedraal. Morgenochtend check ik uit.