Als we de volgende ochtend wakker worden regent het nog steeds. Behoorlijk. Ach, dit is tenslotte de Sahara. In Nederland is het momenteel rond de 35 graden en kurkdroog, hoor ik later. Hoe ironisch. Van Mark hoor ik dat men gisteravond nog lang op Vivian heeft zitten wachten, maar uiteindelijk toch maar naar bed is gegaan, pas na middernacht.
We gebruiken het ontbijt. Niet buiten, vanwege het weer. Traditioneel bestaat het ontbijt uit stokbrood en jam. Vivian duikt weer op en vertelt haar avonturen van de afgelopen nacht. De tas die nog op de jeep lag, bleek niet van haar. Vervolgens is ze met Kao naar de politie gegaan en heeft men het complete dorp uitgekamd. De tas werd daarbij gevonden. Blijkbaar had iemand gebruik gemaakt van de chaos bij ons aanleggen om die achterover te drukken. Een kind, in opdracht van een volwassene, volgens Vivian. Het hele dorp sprak er schande van. Vervolgens bleek haar horloge nog te ontbreken uit haar toilet-tas. Opnieuw het dorp uitgekamd. Ook haar horloge kwam weer boven water. Uiteindelijk was ze om een uur of twee weer terug in het hotel.
We wachten nog even af tot de bui wat bedaard is. Dan gaan we er op uit. Timboektoe. Gewapend met ponchos lopen we in de richting van het centrum, eerst maar eens op zoek naar het postkantoor. We waren al gewaarschuwd dat Timboektoe een beetje vergane glorie is. Dat blijkt inderdaad het geval. En met dit weer ziet het er allemaal nog troostelozer uit. Ooit was Timboektoe een legendarische, haast magische stad, ergens midden in de Sahara, cultureel middelpunt van de regio. Vele westerlingen hebben geprobeerd de stad te bereiken. Tevergeefs. Door zich te vermommen als moslim lukte het uiteindelijk toch, maar dat was al ver in de jaren '30 van de twintigste eeuw.
Ik ben op pad met Jet, Imme, Ellen, Judith, Babs en Mark. Plus nog wat Toearegs die zich zo af en toe bij de groep voegen. De Toearegs zijn zeer gehaaide verkopers, zo hebben wij al geleerd. Een flinke groep cirkelt permanent rond ons hotel en bestormd je met mesjes, sieraden en ander koopwaar op het moment dat je maar even buiten het gebouw komt. Maar ze pakken het wel slim aan. Goedenavond. Welkom in Timboektoe. Waar komt u vandaan? Nederland. Goh wat leuk. Hoe heet u? Ik ben Omar. Ik kom u later vast nog wel een keer tegen. Oh ja, dan kunt u ook meteen kijken naar al die fraaie koopwaar die ik bij mij heb. Een prettige dag verder. Ik wil u ook wel rondleiden trouwens. Zelfs als u dat niet wil, dan loop ik gewoon met u mee en ga ik na afloop zeggen dat ik u toch rondgeleid heb. Wij krijgen ook een gids mee die we eigenlijk niet hoeven. Maar ach, zo erg is dat ook weer niet. Af en toe zegt ie nog wel eens iets leuks. Het is duidelijk dat er in Timboektoe veel toeristen komen. Voor Malinese begrippen dan.
Het blijft wat miezeren. We komen langs de Beroemde Moskee, de Djinguereber, die we van de buitenkant bewonderen. Ziet er fraai uit en ziet er vooral uit alsof ie vroeger erg mooi is geweest. Dit is een van de weinige moskeeën in Mali waar je ook in mag als je geen Moslim bent. Ik zit daar niet heel erg op te wachten, vooral niet als er op een rare manier met toegangsprijzen wordt gegoocheld en er hier toevalligerwijs mannen rondhangen die ons wel aan een kaartje kunnen helpen.
We lopen dus verder naar ons belangrijkste doel van de ochtend: het postkantoor. Een van de belangrijkste attracties die nog in deze stad over zijn, is namelijk om een kaartje te sturen met een poststempel van Timboektoe. Achter de balie zit een vriendelijke en behulpzame Malinees die speciaal met dit doel is ingehuurd. Met veel uiterlijk vertoon, expertise en verantwoordelijk- heidsgevoel plaatst hij persoonlijk een prachtige afdruk van zijn stempel op onze ansichten. Ook is hij niet te beroerd om ook nog eens een stempel in onze dagboekjes te zetten. Wij lijken wel een kleuterklas.
Ook dit postkantoor is nogal een sobere toestand, met kille muren en vloeren en alleen het hoognodige. Of misschien zelfs dat nog niet eens. Veel verval hier. Judith spreekt goed Frans en maakt een praatje met een Toeareg die ook in het postkantoor zit te wachten, op het houten bankje voor de balie. Een andere Toeareg is helemaal verrukt als hij ziet hoe ik de pijpjes van mijn afritsbroek afrits. Wat een uitvinding! Zijn buurman wordt aangestoten. Moet je eens kijken wat handig. Zijn buurman vindt het ook handig. Bij zijn broek kan dat niet zo maar, laat hij nog eens aan mijn zien, de pijpen er af ritsen. Maar het lijkt hem wel erg handig. Hoe verzinnen ze het toch, zo'n broek. Hij wil ook wel zo'n broek.
In het centrum is het een enorme puinhoop. Echt bestrating is hier niet, dus na een regenbui zoals we die de afgelopen nacht en ochtend hadden, verandert de stad in een enorme modderpoel. Op straat zijn kinderen aan het spelen, vaak tot op hun kruin onder de modder. Erg hygienisch kan het niet zijn. Leuk is het wel, zo te zien. Wij concentreren ons er vooral op om niet tot onze enkels in de blubber te verdwijnen.
Maar dit is het dus. Timboektoe. De ooit glorieuze stad waar menig westerling zijn leven voor gegeven heeft om het ooit eens te kunnen zien. Dat is nu nog nauwelijks voor te stellen. De stad ziet er vervallen en verlaten uit. Zeker met dit weer. Al is hier en daar nog wel iets te zien van waarom het ooit de moeite waard moet zijn geweest. Hier en daar een deur. Of een deel van een huis. Of een moskee.
Uiteindelijk blijf ik over met Jet, Imme en Judith. We belanden op de markt. Het is nu droog, dus langzaam begint het leven weer een beetje op gang te komen, en daarmee ook de markt. Wat vrouwen glibberen heen en weer over de modder. Verderop is nog een ambachtsmarkt voor toeristen. De meeste kraampjes zijn nog niet open. En de kraampjes die wel open zijn, zien er nu niet echt aantrekkelijk uit. We lopen verder en hebben honger. In een vaste marktkraam koop ik een pak koekjes. Een paar straten verderop vinden wij een patisserie, de tweede die we in Mali tegen komen. Wat een feest. We gaan uitgebreid zitten, ik bestel een flinke pot thee en een broodje. Het is hier aangenaam. Al komt er natuurlijk nog wel een verkoper voorbij.
We maken nog een laatste rondje door de stad, zien een huis waar zo'n westerling gewoond heeft, en gaan in de loop van de middag weer terug naar onze herberg. Tegen het einde van de middag staat namelijk alweer de volgende attractie op het programma. Voordat het zover is, hebben we nog tijd voor een flesje fris, en om samen met Judith vanaf het dak van het slaapgedeelte van de herberg het uitzicht te bewonderen. Aan de ene kant zien we Timboektoe liggen, aan de andere kant de Sahara.
Het is inmiddels wat minder hard gaan regenen en we wagen het er op. Voor het hotel staat al een paar Toearegs met een kudde dromedarissen op ons te wachten, compleet met keurige houten zadels. Het valt nog niet mee, om je op zo'n beest voort te bewegen. We krijgen allemaal onze eigen dromedaris. Bijna allemaal dan, want er blijkt er eentje te weinig te zijn, dus mogen Babs en Judith samen op zo'n beest. Elk groepje dromedarissen wordt begeleid door een Toeareg die te voet de beesten leidt. Zo af en toe krijgen we aanwijzingen over hoe wij moeten zitten. Niet te veel achterof gaan hangen, vindt het beest niet leuk. Je benen op zijn nek zetten. Langzamerhand gaat het beter en ga ik mij iets veiliger voelen. En daar zit je dan, in je poncho, op een dromedaris, in de Sahara, in de regen. Terwijl het in Nederland op dit moment een graad of 35 is.
Na een slordige anderhalf uur schommelen komen we op onze bestemming. Een tentenkamp van Toearegs. Hoewel, hier en daar staat een grote ronde tent. De buren zitten vervolgens een flink eind verderop, meestal zelfs uit het zicht. Bij een vrijstaande tent gooien we onze spullen neer. Het is nog net licht. Zittend op een flinke zandduin zien we samen de zon ondergaan. Bijzondere ervaring, midden in de woestijn, ver van de bewoonde wereld, in alle stilte en rust, zien wij de zon langzaam zakken. Dan gaat de telefoon. Onze opper-Toeareg haalt een flinke mobiele telefoon uit zijn witte gewaad. Al onze beelden van een primitief bestaan, terug naar de natuur en ver van het jachtige leven, worden wreed verstoord. De man heeft een huis in Timboektoe, zo vernemen wij, en dit is eigenlijk zijn vaste telefoon, draadloos, en met een flink bereik.
We lopen terug naar ons tentenkamp. Het eten komt eraan. Met een jeep wordt een compleet geroosterd en gevuld schaap aangevoerd. Het is overheerlijk. De beste maaltijd in drie weken Mali. Ook vandaag is niet iedereen in de stemming, en vooral niet in de lichamelijke conditie, om mee te eten. Ik heb nog de helft van mijn pak koeken bij me, die gretig aftrek vinden.
Na het eten hebben wij een gesprek met het dorpshoofd. Hij is bereid al onze vragen over het leven van de Toearegs in het algemeen en van dit dorp in het bijzonder, te beantwoorden. Allereerst horen wij dat het toilet eigenlijk de hele zandbak om ons heen is. Dat vermoedden wij al. Wij krijgen echter wel het verzoek om alleen in die richting te lopen als we een toilet zoeken, want anders plassen wij in de tuin van de buren. En om alles wat wij achtergelaten te begraven, anders wordt het zo'n zootje.
De Toearegs zwerven met hun vee wat door de woestijn, zo leren wij. Als er ergens niets meer te grazen valt, gaan ze weer verder. Ze zijn erg op hun vrijheid gesteld en trekken zich in principe weinig aan van landsgrenzen. Het is ook zeker niet het geval dat ze constant maar een beetje in hetzelfde rondje blijven ronddraaien. Ze gaan daarheen waar dat het beste lijkt. Het dorpshoofd besluit daarover. Vrouwen mogen trouwen op hun vijftiende, mannen pas op hun 35e, zo begrijpen wij. Het lijkt ons wat merkwaardig. En inderdaad, zo'n Toeareg-dorp bestaat niet uit een paar tenten die op een kluitje staan, maar is behoorlijk uitgestrekt. In de buurt van Timboektoe hebben zich een aantal Toearegs nu min of meer permanent gevestigd, die leven van het toerisme.
We gaan slapen. Er ligt hier een flinke stapel matrassen, en we hebben onze eigen lakenzakken meegenomen. We slapen buiten. Het koelt nog behoorlijk af, 's nachts. Voor het slapen gaan ga ik nog een keer naar het toilet. Ik neem mijn zaklampje mee, en loop meteen nog een extra eindje. Het is een merkwaardige ervaring, om zo in het stikdonker door de Sahara te sjouwen. Het is vrij lastig de weg te vinden. Als ik 's nachts nog eens naar het toilet ga, vind ik uiteindelijk de weg terug door mijn eigen voetstapjes terug te volgen.
Het blijkt vannacht vooral nogal vochtig te zijn geweest. Al onze spullen zijn behoorlijk klam. We pakken ze in en gooien ze in de jeeps die ons weer terug naar de herberg gaan rijden. Maar eerst mogen we nog een kijkje nemen in een tent van een echte Toeareg-familie. Een echte tent is het eigenlijk niet. De constructie is van de voorkant open en dikke doeken doen dienst als dak. Als we ons bukken, kunnen we naar binnen kijken. Schaapachtig gluren wij naar binnen, terwijl de mensen die binnen zitten terug kijken. Een jongetje zonder kleren kijkt ons wantrouwend aan. Het rijden naar de herberg valt nog niet mee. Vooral het eerste gedeelte van de rit, dwars door de woestijn, is nogal heftig. Vrolijk stuiteren wij alle kanten op, zeker als er weer een zandheuveltje genomen moet worden.
In de herberg gebruiken wij het ontbijt. Dat kan weer buiten, want het is weer droog. Dan is het tijd om af te rekenen. Wij proesten hevig na het zien van de relatief exorbitante bedragen die hier voor het karige ontbijt in rekening worden gebracht. Alle bagage wordt weer uit de kamer van Vivian gehaald en dan is het tijd om te vertrekken. We gaan opnieuw terug naar Mopti, maar nu met de jeeps die ons vanochtend ook al uit de woestijn hebben gehaald.
De weg is nogal smal. Na een tijdje rijden gebeurt inderdaad wat wij al lange tijd vreesden: een tegenligger. Onze chauffeur maakt geen aanstalten om opzij te gaan. Onze tegenligger ook niet. Beide chauffeurs stappen uit, de tegenligger met ontbloot bovenlichaam, terwijl hij zijn broek aantrekt. Onze chauffeur begint zijn collega uit te leggen waarom hij aan de kant zal moeten en wij niet. Uitgebreide gesprekken volgen. Onze chauffeur maakt daarbij wel een erg zelfverzekerde indruk. Uiteindelijk is de tegenligger overtuigd, waarschijnlijk vanwege het feit dat zijn auto toch een stuk groter en sterker is. Terwijl wij gewoon min op meer op de weg kunnen blijven gaat hij met veel kunst en vliegwerk een flink stuk door het gras heen. Wij zijn onder de indruk van de onverzettelijkheid van onze chauffeur. Volgens mij gaat hij voor niets of niemand opzij.
Niet veel later treffen wij opnieuw een tegenligger, eentje met ook een buitenlander aan boord. Het ritueel lijkt zich te gaan herhalen. Onze chauffeur maakt geen aanstalten om opzij te gaan. Onze tegenligger ook niet. Beide chauffeurs stappen uit. Onze tegenligger heeft nonchalant een groot jachtgeweer losjes in zijn rechterhand hangen. Onze chauffeur is nu snel overtuigd en gaat opzij.
Onze lunch bestaat vandaag uit een picknick met de traditionele platte broden van Timboektoe, die voorzien zijn van een gezonde hoeveelheid zand. We gooien er ook nog jam overheen. Het zijn behoorlijke lappen, die broodjes.
Niet lang na de lunch doet er zich weer een probleem voor: zo'n rivier die er eigenlijk niet hoort te zijn, maar wel dwars over de weg heen stroomt. Een tegenligger zien wij tot over zijn koplampen in het water verdwijnen. We worden verzocht uit te stappen en er wordt druk en uitgebreid overlegd. Uiteindelijk lijkt te worden besloten dat de jeeps wel door het water heen kunnen, maar alleen zo licht mogelijk. Wij zullen dus te voet door het water moeten. Ik geloof dat ik daar niet overdreven veel zin in heb, zeker niet omdat het hier stilstaand water betreft. Er wordt nog maar weer eens druk overlegd. Vivian is er inmiddels al klaar voor en gaat te water. Ik wacht nog even af.
Het lijkt ons sowieso wel handig om alle bagage op het dak te gooien, voor het geval er toch iets mis mocht gaan. De zwaarste patiënten mogen ook in de jeeps blijven zitten. Inmiddels hoor ik daar al niet meer toe. Uiteindelijk mogen er toch weer meer mensen in de jeeps, en ook op het dak, waarschijnlijk omdat het water toch iets minder diep lijkt dan wat wij in eerste instantie vreesden. Uiteindelijk kom ik toch nog droog aan de overkant, door aan het dak van een jeep te gaan hangen en mijn benen in te trekken. Valt best wel mee.
De reis gaat verder. De weg is inmiddels aanzienlijk beter dan we hadden gevreesd. En ook een stuk beter dan vorig jaar nog het geval was, weet Luc te melden. Hij lijkt haast een beetje teleurgesteld, want zo gaat toch wel een groot gedeelte van de romantiek en onbereikbaarheid van Timboektoe verloren. Wij malen er niet om en snellen verder over de donkerrode gravelwegen. Er is zelfs sprake van om eventueel nog door te rijden naar Mopti, maar dat doen we toch maar niet. In de loop van de middag bereiken we Douentza, dat ook al ligt aan de voet van de bergwand die zich door de Dogon heenslingert, de Falaise de Bandiagara.
Wij beginnen ons verblijf alhier met het inmiddels traditionele flesje prik. We verblijven in een herberg net even buiten het dorp. Tenminste, dat is de bedoeling. Maar helaas, voor ons is geen plaats meer. Maakt niet uit, een kwartiertje verder lopen, en nog verder buiten het dorp is nog een herberg. We mogen er ook met de jeep heen rijden, maar vrijwel iedereen kiest ervoor om te lopen, behalve dan de meest ernstig zieken. Deze herberg is nog volledig leeg en ziet er op het eerste gezicht wel aardig uit. We hebben nog even de tijd om uit te puffen en pinda's te eten die Babs in de buurt op de kop tikt. Beetje raar smaakje, op zich. Maar inmiddels is al bijna alles lekker. Behalve misschien cous-cous met doperwtjes.
Onze herbergier doet zijn uiterste best om het ons allemaal naar de zin te maken. Eten gaan er voor vanavond ook geregeld worden, en wordt gebruikt in een grote ruimte naast de herberg. Het heeft hier wel een hoog kampeerboerderijgehalte. Op het menu staat vanavond spaghetti met schaap. Dat is tenminste de mogelijkheid waar ik voor kies. Er is ook nog iets vegetarisch en iets van cous-cous. Persoonlijk smaakt het mij prima. Daar blijkt achteraf niet iedereen het helemaal mee eens. Ook vanavond maak ik het niet al te laat.
We gaan 's ochtends weer vroeg op pad voor het laatste stukje van onze reis terug naar Mopti. Weer naar Mopti. Eerst gebruiken we het ontbijt bij onze vriendelijke herbergier die getuige zijn kleding duidelijk een islam-aanhanger is. Dan storten wij ons weer op onze jeeps.
In ons hotel in Mopti hebben we weer dezelfde kamerindeling als de vorige keer. Al zijn we zo vroeg dat we eerst nog even moeten wachten totdat er überhaupt kamers voor ons vrij zijn. Als we eenmaal naar binnen kunnen, is het eerst weer tijd voor het draaien van een wasje. Dan pakken we met een paar mensen wat deeltaxi's naar het centrum voor een paar boodschapjes.
Eens kijken. Allereerst is het geld op. Met Mark ga ik dus naar Ashraf Mopti waar het volgens onze bronnen mogelijk moet zijn om euro's te wisselen. Dat blijkt niet helemaal waar. Maar ze kunnen ons wel naar zo'n klein en overvol levensmiddelenwinkeltje te kunnen brengen, even verderop, dat ook dienst blijkt te doen als wisselkantoor. Het volgende agendapunt is een bezoek aan de patisserie van Mopti. Er is er namelijk maar eentje in Mopti, en dat is ook een van de weinigen in Mali. Overheerlijke broodjes. Wij voelen ons als een kind in een snoepwinkel, en dat zijn we eigenlijk ook wel een beetje.
Ik heb ook al veel te lang niet meer ge-internet. Dat is dus mijn volgende stop, net tegenover de patisserie en ook al vlakbij Ashraf Mopti. In Mopti is alles wat een mens maar nodig kan hebben vlakbij elkaar. Ik blijf wat langer in het café hangen dan de anderen en trek er vervolgens dus in mijn eentje op uit richting Bar Bozo. Ook wel weer eens leuk, in je eentje rondlopen. Alles ziet er meteen anders uit. Ik moet dan ook even zoeken voordat ik de "bar" weer gevonden heb. Op de markt ben ik naarstig op zoek naar de koeken die ik in Timboektoe had gekocht, maar helaas. Ook in Mopti is het weer wat nattig vandaag. Door de blubber heen baan ik mij een weg naar de haven. En naar Bar Bozo.
Op het terras tref ik Jet, Imme en Judith. Plus nog een handvol andere toeristen die brutaalweg alle plaatsjes in de schaduw hebben ingenomen. Er zit voor mij dus niets anders op om met mijn hoofd in de felle zon te gaan zitten. Binnen niet al te lange tijd komt er alweer een verkoper langs, dit keer van fraaie Tellem-beeldjes. Jet is wel geinteresseerd. Er moet weer een flink stuk van de prijs af en de onderhandelingen zijn weer langdurig. We praten uitgebreid met de handelaar, vooral ook over andere dingen. Tegen het eind van het gesprek zijn wij inmiddels een gezinnetje met twee dochters. Het Tellem-beeldje verwisselt van eigenaar.
We gaan terug naar het hotel. Vanavond is er opnieuw live-muziek, zo is ons beloofd, iets wat we de vorige keer net gemist hebben. We hebben weer de catering laten aanrukken van de eerste avond in Mopti. De band bestaat met name uit een stel drummers en een paar zangeressen. Ze staan helemaal aan het uiteinde van de omheining rond de binnenplaats van het hotel, die toch al niet zo ruim is, zeker niet met ook nog eens een groep Fransen erbij. In eerste instantie doet het allemaal wat oubollig aan, maar daar komt al snel verandering in als het tempo wordt opgeschroefd en de danseressen los gaan. Spectaculair. Aan het hek van de omheining hangt het vol met jongetjes uit de omgeving die zo nog net over het muurtje heen kunnen kijken om nog iets van de voorstelling op te vangen. De band speelt muziek uit verschillende regio's, zo wordt ons verteld. En ze verkopen ook bandjes. Een van de drummers komt met zijn djembé, al geloof ik dat het toch iets anders was, bij de tafeltjes langs om een ontstellend kabaal te komen maken.
Als de band is opgehouden, keert de rust weer. Behalve dan dat alle beesten in de omgeving weer volledig losgaan. Wij horen kikkergekwaak dat verdraaid veel weg heeft van het gebalk van ezels. Er zit ook variatie in het gekwaak dat uiteindelijk behoorlijk op de lachspieren werkt. Wij horen ook veel krekels.
Het is tijd om Mopti definitief vaarwel te zeggen. We gaan weg en komen dit keer ook niet meer terug. Toch merkwaardig. Je bent je hier toch een beetje thuis gaan voelen. In de categorie Bijzondere Vervoermiddelen maken we vandaag gebruik van de bacher, ofwel huifkarauto. Een soort pickup-truckje met in de laadklep twee houten banken waar wij op kunnen zitten. Een beetje hard. Gelukkig heb ik mijn opblaasbare kussentje bij me. Twee bachers zijn genoeg om ons met z'n allen naar Djenné te brengen. Inclusief een extra jongetje die ervoor moet zorgen dat alles goed komt. Onderweg vermaken we ons met het slaan op het knijptrommeltje dat ik in Mopti had aangeschaft.
Halverwege houden we halt. Er is hier een markt. Goede gelegenheid om eens de benen te strekken. Inmiddels zijn we zo'n beetje gewend aan wat er op zo'n markt te zien is. Hoewel de parkeerplaats vol met ezelkarren wel weer een aardige toevoeging is. Op de markt zien we verder veel theepotjes en kansspelen, al was dat laatste mij ontgaan. Verder ontwaren we opvallend veel non-food items.
Wij klimmen weer terug op onze bachers. Na nog een paar uur doortuffen komen we bij de rivier, de Bani. Met een pontje kunnen we de overkant bereiken. Voor het pontje aan deze kant van de rivier is, worden we bestormd door kindertjes die ons miniatuurvliegtuigjes willen verkopen, vervaardigd met de hand van oude conservenblikjes. Ziet er heel geinig uit. Ik bekijk uitgebreid de collectie en er komen steeds meer kindertjes op mij af. Ik kan amper nog bijhouden wie mij nu wat in mijn handen heeft gedrukt. Ze hebben ook autootjes en ander rollend materiaal. Maar de vliegtuigjes zijn het leukst. Uiteindelijk koop ik er een handjevol. Vervolgens lijkt er een klein handgemeen te ontstaan over hoe de opbrengst nu precies verdeeld moet worden.
Ook op het pontje is het te koop, speelgoed vervaardigt van blik. Alleen zijn ze hier een stuk groter. Wij kunnen complete fietsen en auto's aanschaffen, van al snel een slordige 20 centimeter. Ze zien er wel erg mooi uit.
We hebben nog net de tijd om, voordat het donker is, de stad te verkennen. Ik ga met Mark op stap. Djenné is een prachtige stad, met als absolute hoogtepunt natuurlijk de enorme lemen moskee aan het marktplein. Je moet een eindje zo ongeveer tot aan je enkels door de modder waden, maar dan heb je ook wat. Helaas mag je ook hier als niet-moslim niet naar binnen. Maar ach, waarschijnlijk is de buitenkant eigenlijk veel mooier. Verder staan er bezaaid over de stad nog meer fraaie lemen gebouwen in Soedanese stijl. Een en ander wordt beschermd door UNESCO.
Allereerst hebben wij honger. We slenteren rond en raken verzeild bij Chez Baba, een van een handjevol restaurants in de stad. Bij Chez Baba zitten wij onder een afdak met vrij uitzicht rondom. Ook hier blijkt niet alles wat op de menukaart staat ook daadwerkelijk in de keuken aanwezig te zijn. Er is nog precies één vis en nog net genoeg kip voor één persoon. Als niet veel later een flink gedeelte van de rest van de group komt opdraven, blijkt er dan ook niet al te veel meer te kiezen over. Gelukkig hebben ze nog een blikje tonijn bij zich. Het stokbrood waar dat opgesmeerd wordt, wordt niet eens in rekening gebracht.
Na onze late lunch gaan Mark en ik weer met z'n tweeën op pad. Even rust is ook wel prettig. We lopen door nauwe straatjes met fraaie gebouwen. Met Marokkaanse vensters, zo lezen we later in onze reisbeschrijving. We komen langs een koranschooltje, en en flinke groep jongetjes komt achter ons aan. Ze hebben koranleesplankjes bij zich. De jongetjes begroeten ons vriendelijk en beginnen de gebruikelijke vragen te stellen over de beschikbaarheid van snoepjes, pennen en kleingeld. Zoals gebruikelijk zeggen wij dat we niets hebben. Een paar jongetjes beginnen aan de broek van Mark te trekken en op een of andere manier lijkt de situatie dan uit de hand te lopen. Andere jongetjes beginnen mee te trekken zodat Mark haast zijn broek van zijn lijf wordt getrokken. Een man die toevallig langs loopt, spreekt de jongetjes bestraffend toe, en ze verdwijnen weer. Die avond vertellen we de rest van de groep met veel gevoel voor drama dat wij bestormd zijn door een horde fundamentalistische moslims.
We lopen verder en laten ons door een ander jongetje leiden naar een mevrouw die souvenirs verkoopt. Blijkbaar zijn ze hier wel gewend aan toeristen. Uit beleefdheid koopt Mark een paar stenen die naar verluidt vroeger gebruikt werden als geld.
We treffen het. Het is mooi weer. We slenteren naar de rand van de stad en lopen naar het platteland. Een compleet voetbalteam komt voorbij lopen en informeert of we misschien geïnteresseerd zijn om de tapijtenfabriek te komen bekijken. Of iets dergelijk. Wij bedanken vriendelijk. Uiteindelijk raken wij verzeild onder een baobab, waar wij in alle rust de reis tot nu toe plus de groep doornemen. Het is hier aangenaam. Af en toe komt er iemand langs die wat verbaasd opkijkt als hij twee bleekneuzen onder een baobab ziet zitten. Wij zijn op deze manier toch behoorlijk geassimileerd, zo vinden wij zelf.
Tijd om terug te gaan naar het dorp. Al ver buiten het dorp hebben wij reclame gezien voor restaurant La Fleuve. Dat moet dus heel wat zijn. Uiteindelijk vinden we het restaurant, niet ver van het marktplein. Buitengewoon sympathiek. Binnen, in een laag, donker hol, met slechts zand waar je een vloer zou verwachten, staan wat gammele tafeltjes met dito stoelen eromheen. Een gehandicapte man die hier rondhobbelt groet ons vriendelijk, en een klein jongetje brengt ons de gevraagde flesjes prik. Wij vinden het hier meteen al een stuk leuker dan bij Chez Baba. Als we afrekenen, beloven wij om nog eens langs te komen.
Het loopt tegen het einde van de middag, en we gaan maar weer eens terug naar het hotel. Onderweg komen we een hevig fulminerende Luc tegen, die door Chez Baba uitermate slecht is behandeld en uiteindelijk maar zonder te betalen is vertrokken. Het zit hem niet echt mee vandaag. Wij geven hoog op over restaurant La Fleuve en spreken af daar vanavond te gaan eten. Eerst hangen wij nog een tijdje in, om, en vooral voor het hotel. Er loopt een jongetje voorbij die een autootje achter zich aantrekt gemaakt van een lege plastic waterfles.
Het is avond. Op naar La Fleuve. De eigenaar is verheugd ons terug te zien, en brengt ons de menukaart. Onze keus valt uiteindelijk op de oliebollen met schapevleessaus, een lokale delicatesse, aldus onze ober. We krijgen een flinke hoeveelheid enorm zwaar op de maag vallende bollen. Ik beperk mij dan ook tot de helft van de aangeboden hoeveelheid. Luc maakt een praatje met een Franse familie die informeert over de mogelijkheden om per openbaar vervoer morgen naar Bamako te komen. In de loop van de middag moeten ze namelijk op de luchthaven zijn om hun vlucht te halen. Luc heeft ernstige twijfels of dat gaat lukken. Door de modder ploegen wij ons in het donker weer terug naar ons hotel.
Vandaag is Luc jarig. Eerder op deze reis heeft hij ons al verteld dat hij er nooit iets aan doet en van de vorige groep een kadootje heeft gekregen. Wij begrepen de hint. Luc blijkt vanochtend stevig te slapen. Dat komt mooi uit, zo kunnen wij ongemerkt de voltallige groep verzamelen. Behalve Mark dan, want die slaapt altijd stevig, en nog op dezelfde kamer ook. Net als wij binnen wat gerommel horen, staan wij voor de deur en heffen een massaal Lang Zal Hij Leven aan. Luc komt verbaasd en slaperig naar buiten.
Tijdens het ontbijt wordt overgegaan tot de overhandiging van de kado's. Het ontbijt wordt hier opgediend in een best wel fraaie zaal, maar bestaat uit een uitermate smakeloos want zoutloos stokbrood. Het ontbijt gaat vanochtend heel erg lang duren. Niet lang nadat wij Luc onthaald hebben, barst er namelijk een enorme regenbui los. De binnenplaats van een hotel verandert langzaam in een modderpoel. En vanochtend was nog wel de wekelijkse markt op het plein voor de moskee, waar wij ons zo op verheugd hadden. Voorlopig zit dat er nog even niet in. Als ik een sprintje heen en weer trek om iets uit mijn kamer te halen, word ik al behoorlijk kleddernat. In het kader van de flora en fauna in Malinese hotels treffen wij vandaag een kikker in onze kamer aan. Die hadden we nog niet eerder gehad.
In de loop van de ochtend begint de regen toch wat minder te worden. We hebben hier maar één dag, dus sop en zomp ik niet veel later met Mark, Judith, Jet en Imme de straat uit richting markt. Het is nu zeker serieus uitkijken om niet onderuit te gaan. De markt begint ook op gang te komen. Grote plastic zeilen worden weggehaald. Veel non-food op deze markt, met de moskee als fraai decor. De typische gekleurde Toeareg-theepotjes zijn hier ook in de verkoop. Uiteinde- lijk schaf ik er een aan. Ook worden hier enorme opengesneden kalebassen verkocht. Maar die zijn wat lastig naar huis te krijgen. Verder verkopen de Bozo-vrouwen vis, de Peul melkproducten en de Dogon uien, zo lezen wij later in onze reisbeschrijving. Vandaag is daar echter niet heel veel van te merken. Voorzichtig glibberen wij verder.
Wegens groot succes gebruiken wij de lunch weer bij restaurant La Fleuve. We worden inmiddels als oude bekenden onthaald. De soep en de omelet zijn bijzonder smakelijk. We lopen over een klein marktje waar vrouwen handgemaakte produkten verkopen. Voor vanmiddag bestond de mogelijkheid om per ezelkar te trekken naar een Bozo-dorp even verderop. Die ezelkarren kunnen georganiseerd worden op het plein naast de moskee, bij de meest toeristische herberg van het dorp. Rond de afgesproken tijd treffen we vrijwel de voltallige groep daar aan. Maar het regelen van een ezelkar gaat wat moeizaam. Vanwege het slechte weer zijn alle ezelkarren nog druk in de weer met het vervoeren van marktwaar, zo wordt ons verteld. We moeten dus even wachten. In de tussentijd vermaken wij ons met het non-verbaal communiceren met de lokale jeugd. Bij een souvenirwinkeltje op de hoek van het plein treffen we een aantal landgenoten die op stap zijn met een andere organisatie.
De lucht begint ook al weer behoorlijk te betrekken. Niet veel later laten we het er dus maar bij zitten en haasten we ons terug naar ons hotel, nog net op tijd voordat de volgende hoosbui echt losbarst.
's Avonds, als de bui weer weggetrokken is, soppen wij ons een weg naar het Campement om daar gezamenlijk het diner te gebruiken, ter ere van Luc's verjaardag. Het is vrij modderig hier. Het verhaal gaat dat, omdat dit beschermt UNESCO stadsgezicht is, het zaakje ook niet bestraat of berioleerd mag worden. Dat vinden wij toch wat merkwaardig.
Het Campement is iets van een jeugdherberg waar het naar onze smaak en ervaring akelig toeristisch is. Lange tafels staan buiten waar toer- en andere groepen de maaltijd gebruiken. Er is ook live-muziek die mij naar verloop van tijd akelig op de zenuwen gaat werken. Het jengelt nogal. Wat de menukaart betreft, hebben we hier weer de gebruikelijke keuzes. Het wordt dus kip met cous-cous. Een belangrijker reden om vanavond met z'n allen uit eten te gaan is dat Kao morgen afscheid van ons gaat nemen. Vanaf Bamako heeft hij ons begeleid. Vanaf morgen moeten we het zelf doen. Luc geeft nog een rondje, een paar mensen blijven nog een tijdje hangen, dan glibberen we terug naar ons eigen hotel. Er hangt weer regen in de lucht.
Wij gaan Djenné weer verlaten, een stad die we ons vooral zullen herinneren vanwege mooie moskee en heel erg veel regen en modder. Voordat we gaan mogen we nog een laatste zoutloos ontbijt genieten. Dan stappen we weer op twee bachers die ons naar het Carrefour brengt, een kruispunt van wegen aan de andere kant van de rivier, waar we uiteindelijk een bus zouden moeten kunnen vinden die ons naar Ségou gaat brengen. Het is even wachten op het kruispunt. Twee uur maar. Er is hier een politiepost en even verderop zijn een paar winkeltjes. Wij doden de tijd met het praten en spelen met lokale kindertjes die al snel om ons heen komen zwermen. Ze krijgen wat oude T-shirts en andere dingen. Verder ram ik zo af en toe op mijn trommeltjes. Bij de kindertjes kopen we een zakje oliebollen.
Uiteindelijk komt er dan toch een bus op ons pad. Richting Ségou, ook nog eens. We hijsen al onze bagage aan boord. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde. De andere buspassagiers vermaken zich uitstekend. Uiteindelijk weet iedereen zich op een plekje te persen. De bus is best wel luxe, vinden wij. Luxer dan we verwacht hadden, tenminste. Er is ook best wel beenruimte.
Na een tijdje rijden arriveren we in San. Eerst worden daar bij het busstation verse passagiers opgepikt. Dat duurt een tijdje. Een paar honderd meter verderop stoppen we opnieuw, nu voor de lunch. Volgens ons had dat efficiënter gekund. Op een grote ruimte achter een gebouw kunnen we eten afhalen en dat bij de verstrekte tafeltjes opeten. Ik neem een bakje met iets van rijst overgoten met iets wat op pindasaus lijkt maar toch duidelijk heel anders smaakt. Het is een beetje vaag allemaal, maar het kost helemaal niks. Ik koop ook nog wat zakjes met koeken, of iets wat daarop lijkt. Allemaal eigen fabrikaat, zo te zien.
Als we heel even stoppen staat de bus op een markt pal voor een kraampje met een mevrouw die onder meer een heuse handgemaakte balafon verkoopt. Een balafon is een soort van Afrikaanse xylofoon, vaak vrij groot, maar mevrouw heeft er eentje die persoonlijk aan elkaar is geknoopt van een paar houten plankjes met daaronder een morsig verfblik en een oud medicijnenblik, die beiden als klankkasten fungeren. Er zitten ook nog twee stokjes bij. Op de ronde bovenkant is met een elastiekje een stukje rubber gebonden. Verrukt probeer ik het ding uit. "Mille!" roept de mevrouw die achter het kraampje zit, met een brede grijns om haar mond. Duizend CFA. Dat is anderhalve euro. Daar ga ik niet voor onderhandelen. Ik geef mevrouw een flapje van duizend en stap gelukkig met mijn nieuwe speeltje de bus in. De rest van de groep reageert nogal lauwtjes op mijn laatste aankoop.
Ook de kamers zien er fraai uit. Om in onze kamer te komen moeten we een eindje lopen naar een zijvleugel, waarbij we langs een aantal souvenirverkopers komen. Onze kamer is schoon en glimmend, zonder huisdieren. Er is airconditioning en zelfs TV. Het is haast iets van een opluchting als de deur van het toilet niet goed blijkt te sluiten. Gelukkig maar. Toch nog iets wat niet deugt. Wij nemen het ervan. Op het terras van het hotel komen we bij, onder het genot van een blik ananassap. Een aantal mensen springt alvast in het zwembad. Een groep van Baobab loopt hier ook rond, zo blijkt. Deze is aanzienlijk minder gezellig dan die van ons, hebben wij de indruk. Hun reisleidster komt met ons meezwemmen.
Met Mark maak ik nog een rondje door de stad en langs de rivier. Een uitermate irritant mannetje vindt dat hij wel onze gids mag zijn. Hij blijft ons bijna de hele weg volgen, zelfs als wij niet voor rede vatbaar lijken en eindeloos hopeloze rondjes gaan lopen om de man af te schudden. Het begint te schemeren. In de rivier staan hier en daar vrouwen hun kleren en zichzelf te wassen. De stad is wel aardig, maar wij vonden het boek beter. Als het te donker begint te worden, slenteren we weer terug naar het hotel.
Vanavond wordt er in het hotel gezamenlijk gegeten. Ook het eten lijkt hier uitstekend, zeker voor Malinese begrippen. Er is zelfs wijn. Ik bestel maar weer een Kapitan, maar opnieuw blijk ik het niet eens te kunnen worden met deze vis. Hij valt opnieuw verkeerd en ik haast mij naar het toilet om daar de gevolgen van deze ongelukkige keuze te ondergaan. Dit keer blijken er niet zoveel mensen last te hebben van de vis.
Vanochtend wordt er gezamenlijk ontbeten. Even verderop zien we de reisleidster van Baobab eenzaam alleen aan een tafeltje zitten. We hebben medelijden met haar. Vandaag gaan we fietsen huren. De hele groep zet zich in beweging naar Ségou-koro, het oude Ségou, ooit hoofdstad van een groot rijk, en naamgever van het boek. Babs, Mark en ik voelen er meer voor om met z'n drieën op pad te gaan.
Langs asfaltwegen rijden we in de richting van de oude stad. We komen langs de oude koloniale wijken waar nog een aantal fraaie panden staan. Onderweg halen we de rest van de groep in, die eerder zijn vertrokken, maar te kampen hebben met bandenpech. Even verderop halen we een vrolijke Malinees in. Niet veel later haalt hij ons weer in. Een en ander ontaardt in een wedstrijdje dat tot een vroegtijdig einde komt als de ketting van de arme man van zijn fiets loopt. Hetzelfde probleem krijgt Babs ook.
Wij willen dan wel naar Ségou-koro, maar het blijkt wat lastig de weg te vinden. Bij een rotonde nemen we waarschijnlijk de verkeerde afslag. Even verderop staat bij een politiepost een kraampje langs de kant van de weg waar we een flesje prik gebruiken. We blijven nog een flinke tijd zitten. Er wordt overlegd welke kant we nu weer op moeten. Na nog een eindje doorfietsen besluiten we te keren. Zo ver kan het niet zijn.
Op de weg terug rijden we een klein dorpje in. Zo hier en daar wordt verbaasd omgekeken. Langs de rivier puffen we uit bij de enorme wortels van een boom die grotendeels boven de grond lijken te groeien. Een paar meter verderop is men bezig netten te boeten.
We rijden verder. Als we weer bij de rotonde komen, pakken we dit keer een andere afslag. Langs een nog bredere asfaltweg met nog minder verkeer rijden we weer verder. Op deze manier komen we er ook niet. Wij vragen de weg in ons gebrekkige Frans. We worden terug gestuurd naar de rotonde en moeten daar naar rechts. En dan nog maar eens vragen. Opnieuw naar de rotonde, slaan rechtsaf en vragen nog maar eens. We worden terug gestuurd naar de rotonde. Daar laten we het maar bij. Zo schiet het ook niet op. Later bedenk ik mij dat het misschien te maken heeft met het feit dat 'rechtdoor' en 'rechtsaf' in het Frans wel heel veel op elkaar lijkt en dat ik ze wel eens door elkaar zou kunnen hebben gehaald.
Terug naar Ségou zelfs. We hebben honger en voelen wel iets voor een patisserie. Die schijnen ze hier in de stad namelijk ook te hebben. Oh luxe. Helaas. Niet te vinden. We blijven doelloos rondzoeken naar iets anders geschikts. Het zoeken wil vandaag niet heel erg lukken. Uiteindelijk raken we niet ver van ons hotel verzeild in een restaurantje. We bestellen een eitje. Niet veel later zien we de eigenaar op zijn brommertje springen, waarschijnlijk om ergens in het dorp eieren te halen. Het smaakt prima. Bij wijze van nagerecht bestellen we een yoghurt. Niet veel later zien we de eigenaar opnieuw op zijn brommertje springen.
Inmiddels hebben we gezelschap gekregen van Alpha, een uitermate grappig kereltje dat ons wel souvenirs wil verkopen. Toeristen worden altijd enorm afgezet, zo weet hij, maar hij kan aan ons zien dat we hier al een behoorlijke tijd rondlopen, dus zal hij bij ons met een redelijke prijs beginnen. Dat blijkt inderdaad het geval. Maar eerst wil hij wel wat van ons drinken. Dat moesten we maar niet doen. Er wordt druk onderhandeld over de koopwaar. Uiteindelijk worden we het eens over een mooi prijsje voor een en ander. Wij rekenen af en Alpha vindt dat hij nu toch wel een biertje heeft verdiend. Vooruit dan maar. Maar hij is toch moslim, en mag dus geen alcohol? Dat is op zich wel waar, maar één biertje per dag moet toch kunnen. Alpha probeert ons nog het een en ander aan te smeren, maar dat wil niet lukken. Dan moeten we hem maar van harte aanbevelen bij als onze vrienden, zo vindt hij. Als zij nog iets nodig zijn, gewoon vragen naar Alpha, en dan komt het allemaal wel goed. Wij beloven een goed woordje te doen.
We gaan terug naar het hotel. Tijd om te zwemmen. Het wondje dat in de Dogon-vallei aan mijn enkel is ontstaan, blijkt er inmiddels wat merkwaardig uit te zien. Des avonds gebruiken we ons laatste avondmaal hier in Mali. Morgenochtend rijden we terug naar Bamako, en vliegen we terug naar Nederland. Tijdens het eten zijn er de nodige festiviteiten gepland. Luc heeft via de hotelhouder een bandje geregeld. Overdag zijn we al druk bezig geweest om het een en ander voor Luc te organiseren. Ik geef een speech, en krijg er een terug met ook nog eens een Dogon- deurtje. Wegens de bewezen diensten als boekhouder. Bovendien mag ik meespelen met de band, achter de xylofoon. Enthousiast speel ik het smurfenlied. De musici helpen mij ook nog eens met het spannen van mijn trommeltje. Na het eten wordt er uitgebreid ingepakt. Dan gaan we naar bed.
We gaan weer naar de Artisanat. Dan lopen we naar een andere drukke en erg mooie markt met ook winkels. Ik koop een paar theepotjes, qua souvenir. Ook laten we ons een aantal bandjes aansmeren met authentieke Malinese muziek. Babs probeert een djembé te kopen.
We gaan terug naar het hotel waar we aan het begin van de reis ook verbleven, om te wachten op de late vlucht. En om alle bagage weer op te pikken die we hier aan het begin van de reis hadden laten staan. Ook Sékou duikt weer op. We eten iets bij een restaurant dat eigenlijk dicht is. Er is hier zelfs een supermarkt. Terug bij het hotel moeten we een tijdje wachten. Met taxi's gaan we naar de luchthaven. Ook daar moeten we eindeloos wachten. We krijgen een vertrekkaart. Tot vier keer toe moet ik mijn paspoort laten zien. Vervolgens mag ik zelf naar het vliegtuig lopen.
In Parijs moeten we weer overstappen. De overstap is nogal krap, en we moeten een flink eind lopen, maar gelukkig krijgen we ons eigen mannetje mee die ons in goede banen leidt. De overstap verloopt niet echt soepel. Dingen die op de vlucht van Bamako naar Parijs nog wel als handbagage mee mochten, mogen dat nu niet meer. Zo moet die traditionele Malinese stok in het ruim. De ophef die dat allemaal veroorzaakt, leidt er uiteindelijk toe dat Vivian de aansluiting mist.
Eenmaal terug op Schiphol is het tijd om afscheid te nemen. Met Mark en Babs drink ik nog een kopje capuccino. Dan pak ik de trein terug naar huis.

