Donderdag 31 juli 2003

We staan vroeg op. Ik word wakker door gillende geiten en balkende ezels. Wat een lawaai, die natuur. Het begint ook al licht te worden. Naast de binnenplaats is een lemen gebouwtje, of eigenlijk eerder een paar muren, dat dienst doet als toiletgebouw. Aan de ene kant kunnen we plassen, in een andere ruimte aan de andere kant kunnen we douchen. Om te kunnen douchen mogen we een emmer water meenemen plus een plastic steelpannetje om het water over ons heen te kunnen gieten. Het is toch een beetje behelpen. En, je zult het altijd zien, ben je net zo'n beetje uitgekleed, waait je douchedeur weg. Tenminste, de grote rieten mand die de douchecabine afsluit van de buitenwereld, valt opzij. Maar ik heb nog nooit met zo'n mooi uitzicht gedoucht.

Als ontbijt gebruiken we de stokbroodjes die gisteren in Bandiagara zijn aangeschaft. Die smaken vandaag toch al iets minder. Ook de voorverpakte smeerkaasjes van La Vache Qui Rit blijken niet helemaal tegen de omstandigheden bestand. Er staat wat schimmel op. Doen we het verder gewoon met de chocopasta. Er is thee en koffie.

Om een uur of zeven gaan we op pad. Het is hier vlak. We lopen langs de 200 kilometer lange rotswand die de kern vormt van het Dogon-gebied. Prachtig gezicht. Het zand is merkwaardig perzik-kleurig. De grond is bezaaid met wat begroeiing en wat Baobabs. Af en toe komen er kinderen uit de omgeving een kijkje nemen en een praatje maken. Soms ook een paar volwassenen. Sommige kinderen proberen iets te verkopen. Ik tik wat simpel houtsnijwerk op de kop. Onze lege flessen zijn weer erg in trek. Maar verder lijken ze vooral nieuwsgierig. Een jongetje loopt met mij mee. Vrolijk tiep. We zetten Vader Jacob in. Dat kent ie wel, maar dan in de Franse versie. Niet veel later is hij ook in staat de Nederlandse versie mee te brabbelen. Het potje met vet valt duidelijk minder in de smaak.

In een ruk lopen we door naar het eerste dorp, alwaar we onze lunch en siësta gebruiken. Maar eerst houden we rust bij wat gebouwtjes aan de voet van het dorp waar we uiteindelijk heen moeten. We zitten onder een laag afdakje waar een enorme hoeveelheid riet op het dak gebonden is. Dit is de plek waar de dorpsraad bijeenkomt om te vergaderen. Het is zo laag opdat niemand woedend op kan springen. De vergaderingen dienen rustig te verlopen. De dikte van het dak is een indicatie voor de status van het dorp. De palen waar het dak op rust zijn voorzien van fraai beeldhouwwerk. Dat mogen we wel kopen, meldt de plaatselijke bevolking als we er geinteresseerd naar staan te kijken. Alles is hier te koop. Er staat hier ook een museum, maar dat is gesloten.

Het laatste stuk, naar het eigenlijke dorp, gaat flink omhoog. Uiteindelijk puffen we neer bij onze herberg. Deze is groter en ruimer dan de herberg van de afgelopen nacht, en heeft zelfs iets dat door kan gaan voor een restaurant. De ruimte met tafels en draadstoelen is hier voorzien van muren en een dak. We leggen onze spullen alvast op het dak, want er schijnen ook een paar Fransen in aantocht te zijn. Op het dak is het momenteel loeiheet, dus het opzetten van de klamboes en het opblazen van de luchtbedden laten we nog maar even achterwege. We puffen terug naar het restaurant, nemen een glaasje prik, houden een siësta en gebruiken de maaltijd. Inmiddels hebben we besloten dat Ousmane ook de rest van de reis wel met ons mee mag om te koken.

's Middags, rond een uur of vier, is er een attractie voor ons gepland. We gaan een originele maskerdans mee maken, een traditioneel Dogon-gebruik dat normaal slechts eens per 60 jaar plaatsvindt, of als er een nieuwe hogon (dorpshoofd) wordt geinstalleerd. Maar dat gebeurt ook niet erg vaak. De dorpelingen hier blijken ook bereid zo'n maskerdans op te voeren als er een groep toeristen langs komt die daar grof geld voor betaalt.

Om op het veldje te komen waar de dans zal worden opgevoerd, moeten we nog iets verder klimmen. Eerst nemen we nog een kijkje bij een aantal lemen huizen die daar tegen de bergwand liggen geplakt, waaronder het verblijf van de toekomstige hogon. Deze ligt er niet al te florissant bij. Ik weet niet of ik het echt gepast dan wel prettig vindt om om het hoekje van de deur te kijken en daar een zieke man te zien liggen. In de verte horen we al lawaai. De maskerdans is begonnen.

Het is een spectaculair gebeuren. Mannen met traditionele Dogon-maskers springen in het rond, sommigen op stelten. Die maskers kunnen tot zes meter hoog zijn, lezen we later in ons boekje. Spectaculair. Er lijken hele verhalen te worden opgevoerd. Onze favoriet is een oude man in witte kleding, met rieten hoed, witte baard en brede grijns. Hij heeft het duidelijk naar zijn zin en lijkt min of meer de leiding te hebben. Inmiddels is het hele dorp uitgelopen en een plaatsje gevonden op de rotsen en rond de huizen in de buurt. Geeft ons ook weer een beetje het gevoel dat dit allemaal niet alleen maar voor ons wordt gedaan.

Als het allemaal voor bij is, poseren alle dansers nog een keertje voor ons, met hun maskers. Het is niet zo maar iets om tot de dansers te behoren, zo leren wij. Slechts af en toe wordt een nieuweling tot het selecte gezelschap toegelaten. De dansers spreken zelfs hun eigen taal. Wij dalen af, terug naar de herberg. We maken onze slaapplaatsen alvast klaar voor de nacht, nu het nog licht is.

Om zes uur komt er slecht nieuws. Er is nu nog niets aan de hand, maar volgens de plaatselijke bevolking gaat het over een uurtje regenen. Het is dus verstandig om alle spullen weer naar binnen te halen. Ietwat ongelovig kijken we naar de lucht. Het is weliswaar bewolkt, maar om nu te stellen dat het elk moment stevig kan gaan regenen, dat lijkt mij wat overdreven.

Men heeft gelijk. Ongeveer een uur later barst er een flinke bui los. Vanaf de ingang van de herberg heb je een mooi uitzicht over het dal, waar we vol bewondering de regen naar beneden zien gutsen, tegen een ondergaande zon. Gelukkig hebben ze hier een overdekt restaurant. Nou, ja een lemen bijeenkomst hut met rieten dak, dan. Het dak is niet helemaal waterdicht, maar het is hier toch een stuk droger dan buiten. Wij eten een maaltijd die opnieuw bestaat uit cous-cous met een prutje met doperwtjes, maar krijgen nu ook nog eens fruit en komkommer na. De mango is hier overheerlijk. Met een poncho en mijn zaklamp onder mijn petje eet ik mijn maaltijd.

Het wordt gelukkig ook weer droog. We richten onze slaapplaatsen opnieuw in, nu in het stikdonker. Dat is een stuk lastiger, maar je krijgt wel fraaie lichteffecten van al die heen en weer schietende zaklampen die door wapperende klamboes heen schijnen. Dit keer helpt Fulco een handje om mijn groene gevaar op te hangen. Na afloop drinken we nog een flesje en gaan dan naar bed. Ik ben moe.


Vrijdag 1 augustus 2003

Ik had mij nog zo voorgenomen om hier 's nachts niet naar het toilet te hoeven. Vannacht lukt dat niet. Om een uur of half drie ga ik er uit. Eerst mijn zaklamp opscharrelen. Dan op een fatsoenlijke manier onder mijn klamboe vandaan krabbelen. Voorzichtig langs alle reisgenoten op zoek naar de boomstamtrap. Met kunst en vliegwerk en zaklamp het trapje afdalen. Dan op zoek naar het toiletgebouw. Valt ook nog niet mee. Her en der ligt er personeel op de grond te slapen. Aan de andere kant van het terrein vind ik uiteindelijk het toilethok. Als ik weer terug wil gaan zie ik van een ander dak iemand naar beneden komen. Babs. Ze heeft geen zaklamp bij zich, dan lijkt het me wel helemaal een onmogelijke opgave worden. Ik licht haar bij en leen mijn zaklamp uit. Als ze terug is kan ik weer op zoek naar mijn eigen dak. Ik klauter omhoog, zoek de ingang van mijn bed en ga weer liggen. De hele operatie heeft ongeveer een half uur geduurd.

We staan weer vroeg op. Op een gegeven moment wordt het toch licht en dat merk je. Al was het alleen maar omdat allerlei dieren dan allerlei geluiden beginnen te maken. Bovendien is het gisteren wel bevallen om vroeg te vertrekken, zo rond een uur of zeven, dus dat doen we vandaag weer. Het brood bij het ontbijt is nu serieus oud geworden en nauwelijks weg te krijgen. Ik kies voor een licht ontbijt.

En opnieuw trokken zij op. Het eerste gedeelte van de toch van vandaag gaat over een kale, rotsachtige vlakte. Heel af en toe komen we onderweg wat autochtone Dogons tegen. Een groepje kinderen met geiten kondigt het volgende dorpje aan. We worden weer bestormd door kinderen. Ze willen allemaal wel lege flessen. Of een pen. Of een kadootje. Als er iemand inderdaad een pen krijgt, lijkt men niet helemaal te weten wat je daar nu eigenlijk mee moet. De kindertjes hier zijn getalenteerde papegaaien. Het duurt niet lang voordat ik een flinke zwerm met mij mee heb die allemaal enthousiast en luid in koor mijn He He, Poeh Poeh, Nou Nou, Is Dat Effe Lopen, meeroepen. De volwassenen komen op ons af en toe wel wat agressief over.

We laten het dorpje achter ons en lopen verder. We komen nu door een prachtig gebied, dwars door de bergen. Hoge verticale rotsen met hier en daar wat groen en wat water. We moeten flink klauteren en maken ergens op de top een groepsfoto.

We komen bij de volgende lunchplek. Niet echt overdekt, maar wel met een paar flinke bomen waaronder wij kunnen mijmeren en uitrusten. Niet iedereen voelt zich nog even fit. Ik voel mij nog prima. Denk ik. Ik maak nog even een rondje, maar inmiddels is het alweer loeiheet geworden. Na een uurtje of anderhalf rusten is het alweer bijna tijd om aan tafel te gaan. Dan gaat het helemaal mis. In lichte paniek duik ik achter een van de rotsen waar de omgeving mee bezaaid is. Maar het is al te laat. Ernstig geval van spontane diarree. Ik maak er maar het beste van, maar ben genoodzaakt mijn onderbroek achter de rots achter te laten. Ik voel mij ineens een stuk minder. Op het menu staat vandaag cous-cous, verrassend genoeg. Met prutje met doperwtjes. Ik beperk mij tot een paar hapjes droge cous-cous. Niet veel later zoek ik nog maar eens zo'n toilet-rots op. Toch maar een andere, dit keer. Gelukkig zag ik het nu wel aankomen. Maar inmiddels voel ik mij nog beroerder.

In de loop van de middag gaan we weer verder. Ook ik sleep mij mee, maar zoek nu een plekje in de achterhoede van het peloton. Mooi is het hier wel. We lopen langs een rivier, voorzien van veel groen, en slingeren uiteindelijk omhoog naar de top van een berg met een uitzicht dat ook al weer adembenemend is. Je kunt een flink eind kijken. Ik maak nog maar eens een toiletstop en voel mij wat slapjes.

We bereiken uiteindelijk toch de volgende bestemming. Het is hier nog weidser dan in het vorige dorp. Het is zelfs een flinke wandeling naar het toiletgebouw. Ik geloof dat ik daar niet helemaal blij mee ben. Ik ben trouwens niet de enige die zich niet helemaal lekker voelt. Goos gaat meteen na aankomst slapen. Hij wil onder een afdakje liggen maar steunt eerst tegen de boomstam onder het afdakje. Die blijkt niet zo stevig en het hele dak komt naar beneden, tot grote hilariteit van de groep en ontzetting van de lokale bevolking. Gelukkig blijkt de schade mee te vallen. Dit dorp bestaat uit drie gedeelten, zo wordt ons uitgelegd. Een christelijk, een moslim, en een animistische wijk. Vanaf onze zitplaats hebben we uitzicht op een kerk.

Als avondeten gebruik ik vandaag een bescheiden hoeveelheid pasta met kruidenbouillon. Jummie. Op de daken is weer gelegenheid om te slapen, maar beneden zijn ook een paar plaatsen. Daar ga ik maar liggen, wel zo praktisch als ik er vannacht nog een paar keer uit moet. Ik probeer mijn klamboe op te zetten, maar alles lukt niet zo vandaag, dus ik laat het het er maar bij zitten. Op aandrang en met hulp van de anderen komt die klamboe er uiteindelijk toch te hangen. Ik ga niet te laat slapen.


Zaterdag 2 augustus 2003

Om zes uur ben ik voor het eerst wakker. Ik voel mij eigenlijk wel redelijk. Tijd voor het eerste toiletbezoek. Ik doe weer een royale storting. Een uurtje later moet ik opnieuw. Ik voel alle krachten al weer uit mijn lichaam stromen. Het ontbijt bestaat vandaag uit versgebakken oliebollen. Naar keuze met chocoladepasta. Het brood is nu echt op. Ik beperk mij tot een hapje oliebol en voel mij zeer belabberd. Voordat we verder gaan, is er nog tijd om in het dorp rond te kijken. Ik sleep mij mee. Na een beklimming is er nog wel een prachtig uitzicht te bewonderen. In een hoekje zit een man beelden te maken van hout. In een ander hoekje is gelukkig ook weer een toiletrots. Ik heb het zwaar.

We gaan nog even bij de herberg langs en gaan dan weer op pad. Vandaag hoeven we gelukkig niet heel ver, na de fikse etappe van gisteren. We lopen een eind. Het is hier vlak en er komt steeds meer perzikkleurig zand. Ik loop zo ongeveer te slaapwandelen. Na een uurtje maken we een drinkstop. Ik krijg er niet heel veel van mee en zit ergens op de hoek van een muurtje mijn colaatje naar binnen te sabbelen. Aan de overkant van de weg staan een paar ezelkarren met onze bagage. Ik maak een foto. Dan lopen we weer verder.

We moeten nu een stuk door het mulle zand heen. Ik ploeter voort. Onderweg stopt iemand om ergens een foto van te maken. Ik vraag mij af of ik dat ook zou moeten doen. Maar ik vind het niet echt de moeite waard. En bovendien, ik heb mijn camera toch niet bij me. He? Hier klopt iets niet. Ik zou mijn camera namelijk eigenlijk wel bij me moeten hebben, in mijn rechterhand, met het bandje om mijn pols en het hoesje in mijn hand, net als altijd. Maar nu niet. Paniek. Ik moet hem hebben laten liggen bij de vorige drinkstop, want toen had ik hem nog.

Ik haast mij naar Luc en vertel van mijn vermissing. Ik graaf mijn rugzak nog eens uit, maar daar zit mijn camera inderdaad niet in. Luc roept Ousmane. Snel wordt een plan gesmeed. Ousmane gaat terug naar de drinkstop om mijn camera op te sporen. Wij lopen door naar het volgende dorp en lassen daar een extra drinkstop in en wachten op Ousmane. Ik hoef mij nergens zorgen over te maken, stelt Luc mij gerust. Mijn camera zal daar gewoon nog wel liggen. Bovendien, die Dogon kunnen daar toch niets mee, want ze hebben hier geen elektriciteit. Ik wacht gelaten af.

We komen aan bij de ingelaste drankstop, waar ook al weer matrassen liggen, en ik ga een dutje doen. Er is hier zelfs elektriciteit: er staan een paar flinke zonnepanelen. Nog steeds geen bericht van Ousmane. Uiteindelijk duikt hij weer op, onder luid enthousiasme van iedereen. Maar hij kijkt zorgelijk. Hij praat met Luc. Hij heeft mijn camera niet kunnen vinden. Het voorstel is nu dat hij nog een keer naar de plek gaat, en mij meeneemt. Misschien dat ik me herinner waar ik de camera heb neergelegd.

We hoeven niet te lopen. Ousmane leent de brommer van de uitbater van de drinkplek. Ik mag achterop. Goed vasthouden aan het riempje dat over het zadel loopt, waarschuwt Luc nog. Ik begrijp niet helemaal waar dat goed voor is. Als Ousmane flink gas geeft, begrijp ik het ineens wel. We crossen terug, door het mulle zand, af en toe flink slippend. Spectaculair is het wel.

Het laatste stukje lopen we. Hier hadden we iets gedronken, vertelt Ousmane als we op de bewuste plek zijn. Ik krijg verbaasd rond. Klopt helemaal niets van. Dit heb ik nooit eerder gezien. Ik kan me nog een klein muurtje herinneren, één steen breed, waar we net met z'n drieën op konden zitten, loodrecht op de weg. Hier is een enorme muur, meterslang, evenwijdig aan de weg, opgebouwd uit losse stenen en meer dan een meter breed. Daarom kon Ousmane mijn camera natuurlijk ook niet vinden. Hij is gewoon naar de verkeerde plek gegaan.

Geduldig legt Ousmane uit dat dit wel degelijk de plaats is waar we iets gedronken hebben. Hij blijkt ook redelijk Engels te spreken. Kijk, hier zat je, en daar is de boom waar de ezels onder stonden, aan de overkant van de weg. Daar heb je nog een foto van gemaakt, kijkend naar het display op de achterkant en niet door de zoeker. Dat kan ik mij nog herinneren, en een aantal andere mensen hier ook. Ik kijk en loop eens rond, en kijk en loop nog eens rond. Dat plaatje aan de overkant van de weg kan ik mij inderdaad nog herinneren van de foto die ik maakte. Langzamerhand begint tot mij door te dringen dat Ousmane gelijk heeft.

Ik ga op zoek op de plek waar ik gezeten moet hebben. Ousmane helpt eerst nog maar weer eens en gaat dan druk in gesprek met wat mensen die hier rondhangen. Mijn camera ligt er inderdaad niet. Omdat ik toch iets moet, begin het muurtje volledig af te breken op de plek waar ik gezeten moet hebben. Misschien is mijn camera er op een of andere manier tussen geschoven. Maar het is onbegonnen werk. Zo diep kan hij niet liggen.

Ousmane laat weten dat hij met de dorpelingen gesproken heeft. Het ganse dorp zal op de hoogte worden gebracht, vanavond, in de dorpsraad. Er is hier een enorme sociale controle, dus Ousmane kan zich eigenlijk nauwelijks voorstellen dat een Dogon er met mijn camera vandoor is gegaan. Bovendien kunnen zij er weinig mee. Maar er komen hier natuurlijk ook nog andere toeristen langs. Ik weet het, we zijn er onderweg nog een paar tegen gekomen. Door het dorpshoofd zal er een klopjacht op touw worden gezet om mijn camera alsnog op te sporen. Ousmane heeft voor de eerlijke vinder een Erg Mooi Kado uitgeloofd, hoor ik later. Maar eerlijk gezegd heb ik er weinig vertrouwen dat het nog goed komt. Als ik aangeef dat het volgens mij nog weinig zin heeft om verder te zoeken, lopen we weer terug naar de brommer. We rijden weer terug naar de drinkplek.

De rest van de groep is al weer verder gegaan als we daar aankomen. Onder protest, zo vertelt Luc later. Maar we moeten toch weer op tijd in het volgende dorp zijn. We blijven nog even uitpuffen en nemen allebei een Fanta. Ousmane is mij erg dankbaar als ik die van hem betaal. Dan gaan we in flinke pas de groep achterna. Tot mijn verbazing lijkt door de schok van het verlies van mijn camera spontaan alle ziekte uit mijn lijf te zijn geschoten en lichamelijk voel ik mij al weer een stuk beter.

Ik maak onderweg een praatje met Ousmane. Er zijn 10,4 miljoen Malinezen, legt hij uit. Daarvan behoren zo'n 5% tot de Dogon. Waaronder hij zelf. De weg is vlak en breed. Regelmatig komen we iemand tegen die in het veld staat te werken. Ousmane lijkt iedereen te kennen. Begroetingen blijven hier eindeloos heen en weer stuiteren met korte geroutineerde woordjes. Hallo. Hallo. Alles goed? Alles goed. Met je vader? Ook alles goed. Je moeder? Ook goed. Je broer? Ook goed. Zus? Ook goed. Je vrouw? Ook goed. Kinderen? Ook goed. Buurman? Ook goed. Buurvrouw? Ook goed. Elke begroeting volgt een haast eindeloos ritueel.

We lopen de groep achterop. Luc komt naar ons toegesneld als hij ons aan ziet komen. Hij gelooft nog niet meteen dat de camera nog steeds weg is. Wat ontzettend balen, zeg. Ach, het is niet anders. Gelukkig ben ik nog gezond. En ik was eigenlijk niet van plan om mijn vakantie er door te laten bederven. De verzekering betaalt wel een nieuwe. En anders maar niet. Ook de rest van de groep is zeer begaan met mijn lot.

Inmiddels hebben we onze bestemming voor vandaag ook bereikt. We komen aan in Ennde, bij weer een andere herberg. Door alle toestanden zijn we enorm laat aan het eten toe, ver in de loop van de middag. Ik eet weer iets meer mee. Als wordt gemeld dat dit dan ook maar de laatste maaltijd voor vandaag is, dreigt er een kleine revolutie uit te breken. Uiteindelijk wordt ons in de loop van de avond nog een hapje toegezegd.

Ennde blijkt behoorlijk toeristisch, voorzover daar in dit land sprake van kan zijn. Na het eten, tegen het einde van de middag worden we uitgenodigd om vrouwen kleden te zien schilderen in het dorp, net achter de herberg. Zo heet het tenminste. We blijken op een enorme toeristenmarkt terecht te komen, die speciaal voor ons lijkt opgezet. Erg leuk is het wel. Door het hele dorp hangen grote kleden tentoongesteld, die we allemaal mogen bewonderen. En er zitten inderdaad vrouwen te schilderen. Ook de kinderen die hier rond lopen zien er niet allemaal even gezond uit. Op verschillende plekken wordt ook houtsnijwerk te koop aangeboden. De typische en traditionele Dogon-symbolen, zoals beelden van mannetje en vrouwtjes met hun armen omhoog, om regen op te wekken. Maskers worden er ook verkocht.

Ik besloot tot de aanschaf van een flink bruin kleed met traditionele motieven die ook op een bankbiljet staan. Dat vereist nogal wat onderhandeling. Ik blijf vriendelijk glimlachen en loop tot drie keer toe weer weg om uiteindelijk toch toevalligerwijs weer langs de verkoper te komen die ook steeds breder begint te grijnzen en mij zo af en toe ook op begint te zoeken. Om te onderhalen heb je hier veel tijd nodig. Heel veel tijd. Maar uiteindelijk weet ik toch ongeveer de helft van de oorspronkelijke prijs af te krijgen. Met een paar anderen kijk ik nog wat rond, en bemiddel ik bij de aanschaf van andere kleden. Zelf koop ik nog een regenmannetje. Langzamerhand begint het te donker te worden om nog zaken te kunnen doen. We gaan terug naar de herberg.

In de loop van de avond krijgen we ons beloofde hapje, dat opnieuw erg smakelijk blijkt. Kliekjes van alles wat er de afgelopen dagen is gekookt, daar komt het zo ongeveer op neer. Voor het eerst eet ik weer volledig mee. Het smaakt mij prima. Niet lang na het eten gaan we naar bed. Mijn bedje ligt dit keer op de hoek van een dak, naast Mascha en Fulco. Het blijkt dat ik met mijn slaapdronken kop ook mijn zaklamp in het vorige dorp heb achtergelaten. Dat is wat lastig als je 's nachts naar het toilet moet. Gelukkig kan ik van Mascha en Fulco nog een exemplaar lenen.


Zondag 3 augustus 2003

Rond middernacht word ik wakker van de wind die door mijn groene klamboe wappert. Al snel ben ik behoorlijk wakker. Zo'n wind steekt meestal op vlak voordat het gaat regenen, weet ik inmiddels. Niet veel later beginnen de eerste druppels inderdaad te vallen. Ik zit rechtop in mijn bed, en twijfel nog over wat ik ga doen. Fulco zit ook rechtop in bed, we kijken elkaar twijfelend aan. De regen stopt weer. Ik ga weer liggen, maar ben er niet gerust op. Terecht.

Niet veel later gaat het weer regenen, en nu fors. In een onwaarschijnlijk tempo breek ik mijn bed af, prop ik mijn spullen bij elkaar en daal ik met mijn drie plastic tassen het glibberige boomtrapje af. Onder ons dak zijn een paar schuurtjes waar ik mijn spullen dump. Wat herbergpersoneel is er ook al. Ik ben net op tijd binnen, er barst een hoosbui los. Ik ga weer terug naar buiten om de anderen te helpen. Onder aan de trap pak ik de spullen van Mascha en Fulco aan. Wat later komt Mark ook naar beneden. Hij is verbouwereerd door het tempo waarmee ik langs kwam en zal later beweren dat hij eigenlijk wakker is geworden van mijn luchtstroom. Inmiddels heeft Judith zich ook gemeld.

We blijven nog een tijdje naar de bui kijken. Ik heb al mijn spullen redelijk droog binnen kunnen krijgen, behalve het matrasje van de herberg, en mijn houten regenmannetje, die nog eenzaam in een flinke plas water om regen ligt te roepen. Hoe het weer zich verder ook ontwikkelt, op het dak kunnen we vannacht toch niet meer slapen, realiseren wij ons. We maken ons dus op om de rest van de nacht binnen door te brengen. Hoe het met de rest is weten we niet, die liggen op andere daken, maar zullen ongetwijfeld ook al naar beneden gestormd zijn.

We hebben de beschikking over twee kleine schuurtjes, die al behoorlijk volstaan met troep. Maar met wat kunst en vliegwerk lukt het om daar vijf slaapplaatsen te organiseren. Ik heb gelukkig nog een luchtbed. En zelfs nog een pakje lucifers dat droog genoeg is om een lantaarn die hier staat mee aan te steken. Wel zo praktisch. Uiteindelijk is het bijna twee uur als we klaar zijn om verder te gaan slapen. Ik lig in een schuurtje met Judith en Mark.

We zijn al weer vroeg wakker. Buiten zijn al weer aardig wat mensen in de weer, druk bezig om dingen te drogen. We ontbijten weer met oliebollen. Dit keer eet ik ook mee. Mijn maag lijkt weer geheel tot rust gekomen. Als alles weer een beetje droog is, gaan we op stap voor de laatste etappe.

De lucht ziet er nog niet naar uit alsof we het vandaag gegarandeerd droog gaan houden. Op zich hebben we nog best wel geluk met het weer, zo wordt ons voorgehouden. Af en toe een bui, maar dat heeft wel als voordeel dat de temperatuur een stuk draaglijker is. Na een uurtje lopen worden we weer getroffen door een hoosbui. Ik houd mijn poncho in mijn rugzak, als ik van Ousmane hoor dat er niet veel verderop een grot is waar we kunnen schuilen. Het blijkt een grote overhangende rotsblok, waar we met z'n allen onder kunnen. We wachten af tot het weer opklaart, en doden de tijd met het zingen van oud-Hollandse liedjes en smartlappen, tot zichtbaar plezier van Ousmane. Dan is het droog en kunnen we weer verder.

Het blijft de hele dag behelpen met het weer. Hier en daar stroomt water dat er normaal gesproken niet lijkt te stromen. Zo af en toe stroomt er ook weer water uit de lucht, maar niet zo heftig en langdurig als de bui van vanochtend. Al worden wij in de loop van de middag zelfs nog vergast op wat hagel.

Rond de middag houden wij halt in een dorp. Ook hier is een fraaie lemen moskee. Even verderop kunnen we uitrusten bij een herberg. De liefhebbers kunnen nog de bergen inklauteren om wat Tellem-huisjes te bekijken. Ik geloof het eigenlijk wel en blijf, samen met wat anderen, op de binnenplaats van de herberg van de rust genieten. Die rotsen lijken mij veel te glibberig en ik moet ook nog maar zien of we het komende uur droog houden. Dat blijkt inderdaad niet het geval. Maar dit buitje valt nog mee.

Als iedereen weer bij de herberg verzamelt is, lopen we verder, over de vlakte. In de loop van de middag doemt er echter een hindernis op. Wij stuiten op een flinke rivier, die dwars over de weg heen stroomt. Die rivier hoort hier helemaal niet te zijn. Gevolg van ernstige regenval. En we zullen toch naar de overkant moeten. De enige route is dwars door de rivier. Ousmane neemt het voortouw en zoekt voorzichtig naar de handigste route. De rivier is zo hier en daar serieus diep. Maar als je de handigste route kiest, hoef je maar tot je borst in het water.

De eerste dappere zielen zijn al aan de overkant, terwijl ik nog wat sta te dralen. Op een of andere manier blijf ik nog hopen dat er een andere oplossing uit de hemel neer komt dalen. Dat is niet het geval. Weinig kans op bilharzia, heeft Luc al beloofd. Dit is immers allesbehalve stilstaand water, en bovendien hoort die rivier hier helemaal niet te zijn, en is het dus alleen maar vers regenwater. Net als de anderen kleed ik mij tot mijn onderbroek uit, plaats ik mijn rugzak op mijn hoofd, en hou ik mijn sokken en schoenen op ooghoogte in mijn rechterhand. Ousmane leidt het proces zorgvuldig in goede banen. Ach, hoe je het ook wendt of keert, nat word je hier toch. Als ik uit het water stap, heeft iedereen veilig de overkant bereikt.

We lopen verder. Na nog eens een fikse wandeling komen we op de plek waar de bus ons moet komen oppikken. We blijven staan wachten vlak bij een kudde koeien, die ook al weinig trek heeft om door een rivier heen te waden. Ousmane gaat op jacht naar onze bus. We krijgen weer dezelfde chauffeur als op de heenweg naar Bandiagara.

We wachten een tijdje en laten onze ponchos in de wind droog wapperen. Het is weer gestopt met regenen. De bus komt er aan, dwars door het water. Opnieuw neemt de chauffeur niet de handigste route, en komt vast te zitten. Enthousiast kleden wij ons al weer uit om de bus uit het water te duwen, maar daar blijkt weinig voor nodig. Het lijkt handiger te zijn om die weg omhoog niet door de bus met complete bemanning te laten afleggen, dus lopen we omhoog om daar in de bus te stappen. Onderweg zien we hoe op de rotswand waar we op uit kijken spontaan watervallen zijn ontstaan. Mooi gezicht.

We kachelen terug naar Bandiagara. Terug naar de bewoonde wereld. Min of meer. Terug in Bandiagara lijk ik ineens ernstig moeite te krijgen met de armoede hier. Merkwaardig. Het nieuwe en de enorme gevoel van overweldigende indrukken zijn er nu vanaf en dan begint de armoede toch wat meer op te vallen. Ik ben natuurlijk wel eens eerder in arme landen geweest, maar dit is toch iets anders. Iets heel anders. China en Vietnam zijn bijvoorbeeld ook arm, maar daar is altijd nog een redelijke middenklasse, waardoor er toch overal wel winkels zijn waar je alles kunt kopen. En zelf niet zo'n last hoeft te hebben van die armoede. Maar hier is helemaal niets. Nauwelijks winkels, hooguit wat kleine hokjes met een toonbank en hoog opgestapeld koopwaar langs de muur. Verder is alleen markt. Even een Mars kopen kun je hier wel vergeten.

We kopen weer een flinke zak brood, plus wat beleg. Dat eten we onderweg in het busje op, om tijd te sparen. De chauffeur rijdt namelijk niet bijzonder hard. Goos koopt toiletpapier. 600 CFA per rol, dus zes rollen voor 2400, rekent de verkoper voor.

Op de weg terug komen we weer langs de nodige politieposten. Vlak voor elke post staat stoer een bordje met "Douane/Zoll". Niet dat het hier douane betreft natuurlijk, maar blijkbaar heeft men begrepen dat dit de bordjes zijn die bij een wegafzetting horen te staan. Bij één politiepost heeft men er per ongeluk "Douane/Zool" van gemaakt. De chauffeur heeft inmiddels behoorlijk het gas op de plank. Er is hem verteld dat het allemaal best wel wat sneller mag. De man heeft inmiddels ook een verwilderde blik in zijn ogen alsof hij zojuist drie zakjes Nescafé heeft leeggegeten.

We zijn weer in Mopti en gaan terug naar ons hotel. De nieuwe kamerindeling wordt bekend gemaakt. Mensen die de vorige keer geen badkamer hadden, krijgen die nu wel. En andersom. Zieken krijgen sowieso een badkamer. Ik reken mijzelf daar niet meer toe. Wij krijgen vandaag de dubbele tweepersoonskamer, die we delen met Mascha en Fulco. Een kamer op de eerste etage, met een tussendoor naar hun kamer, en daar weer een deur naar de badkamer. Wij hebben het druk. Het is de hoogste tijd om een wasje te doen en alle stof uit de Dogon van ons lijf te wassen. Maar eerst naar het politiebureau om aangifte te doen. Eerst organiseert Luc nog een dokter om bij Arnoud te kijken. Dan gaan we met z'n tweeën met de bus naar het politiebureau.

Het politiebureau is van de buitenkant nauwelijks als zodanig te herkennen. Weer zo'n niets- zeggend bouwvallig gebouwtje. We hebben pech. Het is zondag, dus het politiebureau is gesloten. Maar tegen geringe meerprijs zijn de mannen die hier in de tuin zitten gaarne bereid om een agent op te trommelen. Hoe lang dat gaat duren, daar kunnen ze niets over zeggen. Laat dan maar zitten. Morgenochtend om acht uur zijn we de eerste.

Luc moet nog bij het kantoor van Ashraf langs. Dan pak ik nog even het internetcafé mee. Als je zo zit te internetten en druk bezig bent met iedereen en alles in Nederland, is het toch een merkwaardige gewaarwording om vervolgens weer naar buiten te gaan en een hele andere wereld in te stappen. In mijn eentje ga ik weer terug, ook wel weer eens leuk, en eigenlijk de eerste keer dat ik deze vakantie alleen ben. Ik neem een deeltaxi terug naar het stadion. De chauffeur is buitengewoon vriendelijk. Terug in het hotel doe ik mijn wasje. Veel tijd heb ik niet, want vanavond gaan we naar Sigui, naar verluidt het beste restaurant van Mopti. Daar zullen we afscheid nemen van Ousmane.

Bij Sigui staat al een lange tafel voor ons klaar, op de binnenplaats. Binnen kun je ook helemaal niet eten, heb ik haast de indruk. We gaan zitten aan het gezellige plastic terrasmeubilair. We hebben een menu waarbij we kunnen kiezen uit een aantal opties. Bijna iedereen kiest voor de Kapitan Bamaquoise, een vis op Bamako-wijze bereid. Dat houdt vooral in dat je er banaan bij krijgt. Lekker. We missen de doperwtjes van de afgelopen dagen wel een beetje, maar op speciaal verzoek worden die nog nagebracht. Bij wijze van nagerecht kies ik de yoghurt en krijg vervolgens iets wat ik niet als yoghurt zou omschrijven, maar wel erg lekker is. Als ik naar het toilet ga, vind ik dit restaurant meteen toch al een stuk minder sjiek. We gaan terug naar het hotel. Morgen moeten we al weer vroeg op stap, op naar de volgende bestemming.


Maandag 4 augustus 2003

Gedurende de nacht heb ik weer wat last van toiletbezoek. Voorzichtig door de slaapkamer van Mascha en Fulco heen sluipen. Dat lukt niet helemaal. Gisteravond hebben we een enorm insekt in de badkamer aangetroffen. Die moet er nu nog steeds zitten. Ik krijg dan ook het verzoek om de toiletdeur stevig achter mij dicht te trekken als ik van het toilet kom. Dat doe ik. Iets te stevig, waardoor ik met de deurkruk in mijn handen sta. Met wat kunst en vliegwerk sleutel ik hem er weer aan. Ondertussen is iedereen al wakker. Ik ga terug naar mijn kamer. 's Ochtends, als ik weer moet, slaag ik er in om Het Beest onder het toiletemmertje te vangen.

Ik blijk niet de enige te zijn die last had van frequent toiletbezoek. Na een inventarisatie in de loop van de dag blijkt dat de groep mensen die last heeft van zijn maag verdacht veel overeenkomsten vertoont met de groep mensen die gisteren bij Sigui vis heeft gegeten. Het gerecht wordt spontaan omgedoopt tot de Kapitan Diarree.

Na ons ontbijt gaan we op weg naar de Niger. Ergens na achten worden we daar afgezet, met het verzoek om ons om 9 uur weer te melden bij de boot die ons de komende dagen over de Niger naar Timboektoe zal voeren. Voordat het zover is, moet Luc nog een paar klusjes klaren. Met mij naar het politiebureau gaan om aangifte te doen, bijvoorbeeld.

Vanochtend is het politiebureau in vol bedrijf. We worden naar een kamertje gebracht waar een flink uit de kluiten gewassen agent in een draadstoel achter een bureau zit. In een hoekje zit een aanzienlijk ieler exemplaar te typen op een mechanische typemachine, type vooroorlogs. De forse agent legt zijn boekje met een cursus Engels opzij en vraagt wat hij voor ons kan doen. Wij komen aangifte doen van het verlies van een digitale fotocamera. Voor de verzekering. Dat kan. Vlot wordt het juiste formulier tevoorschijn gehaald. Nadat ik dat heb ingevuld worden in een schriftje keurig de cruciale details overgenomen. Als we nog even wachten, gaat agent naar achter om het juiste officiële stempel op mijn aangifte te zetten, en krijg ik een bewijsje mee. Binnen tien minuten staan we weer buiten. Ik ben helemaal verbijsterd door de klantvriendelijkheid en vlotte en efficiënte afhandeling.

We gaan bij het postkantoor langs. Dat is ook niet bepaald als zodanig te herkennen. In een kort breed gangetje zit een mevrouw op een draadstoel achter iets van een geïmproviseerde toonbank. Veel stelt het niet voor. Ze verkoopt ook wat ansichtkaarten. Er staan nog wat stoelen. Ik koop kaarten en postzegels. Het postkantoor wordt momenteel verbouwd.

We stappen in onze boot. Het is een pinasse, lang, van hout, maar met motor. Het heeft iets van een flink uit de kluiten gewassen gondel. Aan de voorkant is wat plek voor bagage. Daarachter is een rij houten banken waar je met drie mensen naast elkaar ruim op kunt zitten, met brede kussens tegen al te veel ongemak aan het zitvlak. Een paar banken aan de achterkant van de boot zijn omgebouwd tot keukentje. Daarachter zit de kapitein met zijn buitenboordmotor, en we sluiten af, helemaal aan de achterkant van de boot, met het toilet. Een gat in de vloer met vier muurtjes eromheen waar je, als je rechtop staat, overheen kunt kijken. Er zal veel gebruik van gemaakt gaan worden. Over de hele boot is een stevig rieten dak, waar je ook op kunt zitten. Over de plank aan de buitenkant kunnen we heen en weer lopen. De komende drie dagen zullen we het met deze boot moeten doen, die ons langzaam naar Timboektoe zal pruttelen, een paar honderd kilometer verderop. Vlak voor we de boot in stappen, koop ik bij een ambulante handelaar een nieuwe zaklamp. Toch wel handig. En voor een prikkie.

Om klokslag negen uur missen we nog drie mensen: Babs, Ellen en Mark. Ze willen nog niet echt komen. Luc begint steeds zorgelijker te kijken. Voor het dramatisch effect varen we alvast een rondje door de haven. Als we al bijna weer op de vertrekplaats zijn komen ze stipt om half tien aanlopen. Ze hadden zich in de afgesproken tijd vergist. Een man met een klein bootje wil ze wel tegen een woekerprijs naar onze pinasse varen.

Er is flink wat personeel aan boord. Je lijkt hier ook altijd meer personeel mee te krijgen dan waar je om gevraagd hebt. Dat was op de bus ook al zo. Er is altijd wel een broer, neef of vriend die het geinig vind om ook mee te gaan. Kao, onze vaste gids, is ook weer mee. Daarnaast hebben we nog een stevige kokkin aan boord. En de kapitein natuurlijk. Plus nog iemand wiens functie niet helemaal duidelijk is.

Ik voel mij wat slapjes. Het vooruitzicht om de komende dagen wat op die rivier rond te dobberen vind ik dan ook niet echt onaantrekkelijk. Zeker naar de inspanningen in de Dogon. Ik heb een plekje voor in de boot bemachtigd.

Heel veel is er niet te zien onderweg. We liggen laag in het water, de kade is hoog. Hier en daar is er nog net wat bebouwing langs de kant te zien. Af en toe doet het landschap haast Hollands aan, met laaghangende bewolking. Het water is viesbruin. Veel verkeer is er ook niet op het water. Af en toe komen we een andere pinasse tegen, en heel zelden iets groters.

De kok is voortdurend in actie. We krijgen thee, geserveerd in dikke plastic koppen. Rond de middag komt de lunch door. Een enorme portie nogal stevige vettige rijst met groente, vis en nog menig ander ingrediënt dat ik niet helemaal kan determineren. Het is lekker, zo hoor ik. Ik eet er maar een heel klein beetje van. Voel me toch weer niet zo fris vandaag. Het eten dat overblijft gaat weer terug naar de keuken. Volgens mij betreft dat ruimschoots meer dan de helft van het geserveerde voedsel. Daarna komt de thee weer langs.

In de loop van de middag leggen we aan bij een bijna verlaten dorpje. Hier moeten we brood gaan halen, is aanvankelijk het verhaal dat rondzingt, maar er lijkt hier niet echt sprake van een bakker. Maar dan blijkt dat het gaat regenen, en de boot dus in veiligheid moet worden gebracht. Dit is het domein van de Bozo, de bevolkingsgroep in Mali die verantwoordelijk is voor de visserij. We hebben zojuist gevaren door de binnendelta, zo lees ik later in mijn reisbeschrijving, een uniek gebied in de Sahel dat één maal per jaar onder water loopt en rijk is aan vis, wild, weidegrond en akkers. De Bozo hebben meestal geen vaste woonplaats, wanneer het waterpeil stijgt trekken de families naar verafgelegen visgronden. Ze laten hun huisjes achter en komen er terug wanneer het waterpeil gedaald is, zo lees ik verder. In dit dorpje treffen we een paar lege huizen, plus een vrouw en wat kinderen. Het is nu nog droog, dus struinen we wat rond. Aan de overkant van de rivier lopen wat kindertjes. Ze zwaaien enthousiast naar ons. Enthousiast zwaai en roep ik terug.

Het gaat inderdaad behoorlijk regenen. Een deel van de groep schuilt in het huis bij de vrouw. Ze heeft een baby op haar schoot en lijkt niet te weten wat haar overkomt. Het huis bestaat uit niet veel meer dan een grote ruimte met vier lemen muren en een dak. De vloer bestaat gewoon uit aarde. Het is donker binnen. Er is alleen een gat in de muur die dienst doet als deur. Aan de muur hangen een paar half vergane posters. Koddig zijn ze wel. Satan Is In Trouble, zo lezen wij. Middels plaatjes en teksten wordt uitgelegd waarom dat het geval is. Wij vragen ons ernstig af of de vrouw des huizes begrijpt wat ze aan de muur heeft hangen.

De rest van de groep heeft het wat minder getroffen, wat onderkomen betreft. Het schuurtje waar zij zijn ingedoken, blijkt te lekken en in te regenen. Een paar komen bij ons schuilen. Maar het duurt niet lang. De bui trekt snel weer voorbij. Mevrouw krijgt een aardigheidje voor haar gastvrijheid en we gaan weer naar buiten. Het is enorm soppen buiten. Als je rondloopt, krijg je enorme plakken klei aan je schoenen. Onze boot is verdwenen en we moeten even wachten tot ie weer opduikt. Dan kunnen we weer verder varen in noordelijke richting.

Het loopt al tegen het eind van de middag. We varen nog een uurtje, zo krijgen we te horen. Dan gaan we ergens onze tenten opslaan. Letterlijk. Er zijn tweepersoons tenten voor iedereen aan boord, en nog voor het donker is gaan we een geschikt grasveldje opzoeken om de nacht door te brengen.

Als we aanleggen, ontstaat er al snel een oploopje van wat mensen uit een naburig dorp. Waarschijnlijk hebben ze nog nooit blanken gezien, zo vermoeden wij. Alles wat wij doen wordt vol bewondering en haast met open mond gadegeslagen. De tenten worden verdeeld. Een en ander blijkt niet meer helemaal compleet. Dat was een jaar geleden nog wel het geval, bezweerd Luc ons. Inmiddels blijken praktisch alle buitententen verdwenen. Ook zitten we wat krap in de haringen. Met de nodige improvisatie weten we er nog iets van te maken. Gelukkig maakt niemand zich er echt druk om.

Ondertussen kijkt een handjevol dorpsbewoners nog steeds gefascineerd toe. Mark en ik zetten onze tent op. Tegen mogelijke regen hangen we een poncho er over heen. In een melige bui vullen we de capuchon op en doen we er een papiertje voor waar we een gezichtje op tekenen. Het hele dorp denkt nu waarschijnlijk dat dat een oude Westerse gewoonte is om kwade geesten weg te jagen. Of zo iets. Ik blaas mijn luchtbed op. Zes banen, een voor een. Bij elke baan voel ik af en toe of ie al hard genoeg is. Een paar kinderen staan er met hun neus bovenop en voelen goedkeurend als er weer een baan vol is.

We gaan terug de boot op om te eten. Het is weer een stevige maaltijd met enorme porties. Wel lekker. Maar ik hou mij maar weer wat in. Ik voel mij bij lange na niet zo beroerd als in de Dogon, maar wel wat slapjes en mijn maag is duidelijk nog niet helemaal op orde. We krijgen weer fruit na. Smakelijk. Behalve dan de sinaasappelen, waar geen druppeltje sap uit te halen lijkt. Opnieuw gaat er een flinke hoeveelheid eten terug naar de keuken. Wij beginnen ons zo langzamerhand een beetje onaangenaam te voelen bij al dat eten wat terug gaat. Wij krijgen haast de indruk dat alles wat over is zonder meer overboord wordt gekieperd. Nogal onaangenaam als je langs al die armoede vaart. Maar wij worden gerust gesteld. Alles wat overblijft eet de bemanning zelf op. Er wordt geen kruimel weggegooid. Wij zijn gerust. De bemanning moet een stevige eetlust hebben. We drinken nog een kop thee en lopen terug naar onze tent.


Dinsdag 5 augustus 2003

Het is weer vroeg dag. Wij ontwaken bij het krieken van de dag en, vooral, het gillen van de geiten. Ik gil weer vrolijk terug. Tijdens deze vakantie weet ik in contact te komen met de geit in mij. De bevolking is weer uitgelopen om ons te zien vertrekken. Ongestoord pakken wij in en poetsen wij onze tanden. Wij zijn erg boeiend.

Wij varen af. De vis van Sigui begint langzaam toe te slaan. Voelde ik mij gisteren nog best wel in orde, vandaag ga ik het toilethok veel vaker zien. Ga langzamerhand ook maar weer minder eten. Bij de thee neem ik maar eens een zakje ORS, tegen mogelijke uitdroging. Op de boot ontstaan levendige gesprekken over het type en soort ontlasting dat eenieder in het toilet achterlaat. Verder is het vooral rustig. Iedereen hangt wat, leest wat. Heel veel is er onderweg ook niet te zien, maar ik vind het eigenlijk wel aangenaam zo.

We stoppen in een dorpje en worden verwelkomd door een horde mensen, vooral kinderen die al voordat we goed en wel aangemeerd zijn in het water plonzen en luid gillend om onze aandacht en vooral om onze lege flessen vragen. We gaan even van boord. Onderweg met een groepje mensen komen we een groepje fraai geklede vrouwen tegen. Beide groepen gaan tegenover elkaar staan om elkaar eens uitgebreid te bekijken. Het eigenlijke doel van onze stop is om wat vlees te bemachtigen voor tijdens de lunch. De kip die vandaag door het eten zit is gegarandeerd vers. Als we weer terug zijn op de boot zien we tenminste met eigen ogen hoe de bemanning een stuk of drie levende kippen een kopje kleiner maakt. Letterlijk.

We varen door. Een tijdje later krijgen we onze lunch met kip. Ik neem een paar hapjes. We hoeven vandaag niet weer in de tenten te slapen, heeft Luc besloten. Als Ashraf Mopti er niet voor kan zorgen dat de tenten in orde zijn, dan moeten ze maar betalen voor een overnachting in een herberg. Als we nog een eindje doorvaren zijn we in Niafounke, waar internationaal vermaard muzikant Ali Farka Touré een herberg heeft. We gaan eens kijken of daar plaats voor ons is.

De bemanning blijkt niet altijd even goed in het inschatten van afstanden. Of in het overbrengen daarvan op onze reisbegeleider, daar zijn we nog niet helemaal uit. Hoe dan ook, we zijn veel eerder in Niafounke dan we hadden verwacht. We hebben nog niet eens gedineerd zelfs, wat eigenlijk wel de bedoeling was. We eten dus op de boot, als die al ligt aangemeerd aan het strand. Ook hier weer de gebruikelijke taferelen van kinderen die ons al in het water tegemoet komen. Zonder al te veel kleren, vaak duidelijk ondervoed, terwijl wij rustig zitten te eten. Ietwat onaangenaam.

Als het eten op is gaan wij aan wal. Inmiddels heeft ons al de heuglijke tijding bereikt dat Ali plaats voor ons heeft. Zijn herberg dan, want Ali zelf is helaas niet aanwezig. Tegen meerprijs kan men nog wel een optreden van zijn band voor ons regelen, maar dat gaat uiteindelijk toch niet door. Er zijn hier nog acht kamers voor ons vrij. Wat later komen we er achter dat er hier überhaupt ook maar acht kamers zijn. Blijkbaar loopt het geen storm. De herberg ziet er niet onaardig uit. Van leem, uiteraard, met een binnenplaats waar de kamers omheen zijn. Er is zelfs een bar. En TV op de binnenplaats. Ik beperk mij tot een kopje slappe thee en ga op tijd naar bed.

Volgens mijn reisbeschrijving zijn we inmiddels het Lac Debo gepasseerd. De dorpjes van de Bozo worden afgewisseld door de stadjes van de Songhai, waar Niafounke zo te zien er ook eentje van is. De Songhai hebben het grootste gedeelte van de handel op de rivier in handen.


Woensdag 6 augustus 2003

Het is vroeg als we verder gaan. We hebben weer haast als ik opsta. Vlotjes mijn spullen bij elkaar pakken. Ik heb vaag ergens het gevoel dat ik iets mis, maar weet eigenlijk niet wat. We lopen terug door het dorpje naar het strand waar onze boot ligt. Een paar jongetjes uit de buurt lopen met mij mee. Bijna op het strand blijf ik nog wat onrustig. Alles mee? Zou niet weten wat niet. Camera mee? Nee, maar die was ik al kwijt. Mijn nieuwe zaklampje mee? Mee. Ik graaf door mijn rugzakje. Handcomputer mee? Ook mee. Ineens weet ik het. Buideltje niet om, met al mijn geld, waardepapieren, paspoort. Moet nog onder het kussen liggen in mijn bed in de herberg. Ik stel Luc op de hoogte en hol terug, onder begeleiding van zo'n jongetje uit de buurt, die mij de weg wijst. De kamers staan nog open, waren nog niet schoongemaakt en mijn spullen liggen nog onder mijn kussen. Blij en tevreden spoed ik mij terug naar de boot.

Vandaag varen we stevig door. We hebben wat achterstand op het schema, zo schijnt. Het zal iets met de stroming te maken hebben. En met de gedwongen regenstop van eergisteren. Hoe dan ook, een tussenstop zit er vandaag niet echt meer in. Ik begin mij beter te voelen en hang vandaag ook een beetje op en bij het dak van de boot rond. Niet rond het middaguur, want dan is het enorm heet. De toiletbezoekfrequentie begint ook wat af te nemen. Maar in orde is het nog niet. Voor de zekerheid haal ik toch nog een extra plastic mok gekookt water om een ORSje in op te lossen. Voordat ik de mok mee krijg, wordt die door de kokkin eerst keurig schoongemaakt. Met een schuursponsje en afwasmiddel wordt de binnenkant vakkundig uitgeboend, waarna de mok keurig in het rivierwater weer wordt afgespoeld.

Tot groot enthousiasme van de hele boot zien we in de loop van de middag in de verte twee nijlpaarden een paar keer op- en weer onderduiken. Een aangename onderbreking van onze reis. Want zo langzamerhand begint iedereen een beetje z'n buik vol te krijgen van de boot. Zelf vind ik het nog steeds niet echt onaangenaam. Maar wat vaste grond onder de voeten lijkt me ook niet onaantrekkelijk.

Het begint alweer donker te worden. Op de wal zien we hier en daar al wat ronde tenten verschijnen, die we menen te herkennen als zijnde van de Toeareg. In de verte zien we wat lichtjes. Het lijkt ons ultieme doel te zijn. Timboektoe. Opgewonden turen we naar de horizon.

We meren aan als het al donker is. We zijn nog niet in Timboektoe, dat ligt een eindje verderop. Maar er staan al jeeps klaar om ons het laatste stukje te vervoeren. De bagage wordt van de boot op de kade gezet. Mannen verplaatsen de bagage weer van de kade naar de jeeps. Het verloopt wat chaotisch allemaal. Er lopen ook wat kindertjes rond. Voor de zekerheid houd ik mijn tassen goed in het oog. Over een goede en gladde asfaltweg leggen we de laatste kilometers in hoog tempo af. Ik zit voorin. Regelmatig zie ik kleine witte muisjes over de weg heen schieten.

We worden gebracht naar hotel Bouctou, een hotel dat, voor wat we tot nu toe gewend zijn, nogal toeristisch op ons overkomt. Het hotel heeft twee vleugels. De vleugel waar wij slapen heeft twee etages, rond een langwerpige binnenplaats. Op de binnenplaats zijn een paar tenten opgeslagen. In de andere vleugel, een klein eindje lopen, gebruiken we straks het diner. Buiten, aan een lange tafel. Maar eerst moeten we onze bagage weer zien te bemachtigen. Bij de jeeps scharrel ik mijn plastic tassen bij elkaar. Regelmatig word ik aangesproken door zich vriendelijk voordoende Toearegs die mij ongetwijfeld morgen iets willen verkopen. Sommigen proberen dat vandaag al.

Iedereen heeft zijn bagage, behalve Vivian, die nog een tas mist. Druk en zenuwachtig wordt er heen en weer gezocht en geinformeerd. Een paar mensen schijnen de jeeps weer hebben zien vertrekken met nog een tas bovenop. Misschien die van Vivian. Samen met Kao gaat ze er achteraan. Ondertussen gebruiken wij het diner. Ik blijf voorzichtig en eet soep en cous-cous.

Ik ga opnieuw maar niet al te laat naar bed. Op de kamers is het moordend heet. We zitten nu eenmaal aan de rand van de Sahara, zullen we maar denken. Maar een goede airconditioning was ook geen overbodige luxe geweest. We moeten het doen met een gammel en klein ventilatortje. Wat andere mensen hebben hun matras al buiten neergelegd, op de gang die langs de kamers loopt. Ik zet de deur wagenwijd open, nadat ik mijn tanden heb gepoetst in de gammele gemeenschappelijke badkamer. Toiletpapier is er ook al niet. Gelukkig heb ik zelf nog een voorraadje. Met de deur open ga ik slapen. Mark is nog beneden. In de loop van de nacht barsten er enorme hoosbuien los. Dat brengt wel aangename verkoeling.