Donderdag 24 juli 2003


De trein vanaf Groningen Noord van 7:24 blijkt al om 7:21 te vertrekken. Het begint al goed. Gelukkig had ik een trein speling ingebouwd voor de toch al royaal vroege tijd waarop ik mij op Schiphol dien te melden. Dus dat komt uiteindelijk nog goed. Op Schiphol, bij de balierij van Air France, staat al een groot gedeelte van de groep. Groep? Groep. Het zal nog even wennen zijn, maar ik ga op een groepsreis. Dat is voor het eerst in 15 jaar. Maar Mali leek me niet echt een bestemming om in je eentje te doen. En het is weer eens wat anders.

Ik schud de hand van een aantal mensen wiens naam ik al meteen weer vergeet. Bij de gate maak ik een praatje met wat reisgenoten. Onze eerste vlucht gaat naar Parijs. De jongen die in het vliegtuig naast mij zit, denkt dat wij naar Bali gaan. Veel gemaakte vergissing. Op het moment dat we op het punt staan om de grond te raken, bedenkt de piloot zich en trekt de neus van het toestel weer omhoog. Merkwaardige actie. Die Boeing op de startbaan leek hem toch wat in de weg te staan, meldt hij via de intercom. Maar het was allemaal voor onze eigen veiligheid. Door die actie zijn we wel wat laat op vliegveld Charles de Gaulle. Vooral als je dan ook nog op een busje moet wachten dat je naar je gate rijdt.

We lopen, inmiddels met de hele groep, naar de gate waar het vliegtuig naar Bamako vertrekt. Ik zie mijn eerste Malinezen. Het vliegtuig ziet er vol mee. Hier en daar zit een bleekneus, meestal nog iemand die bij onze groep hoort ook. Gefascineerd kijken we naar de autochtone bevolking. Dit zijn duidelijk de rijke Malinezen. Anders zit je sowieso niet in zo'n vliegtuig natuurlijk.

De landing op Bamako is opnieuw wat onrustig, al haalt deze het niet bij die op Parijs. Het weer lijkt wat onrustig. Het is inmiddels donker, maar ik zie regelmatig lichtflitsen langs de vleugel gaan. Het blijkt te regenen in Bamako. Na de landing haasten we ons naar een klein zaaltje dat moet doorgaan voor een luchthaven. We worden langs wat lage hokjes waar we een stempel krijgen en ons visum wordt gecontroleerd. Er is hier ook een lopende band waar onze bagage op binnen zou moeten komen. Het is hier druk en klein en heeft nog het meest van een omgebouwd schooltje. Ondertussen kijk ik mijn ogen uit. Ik ben in Afrika.

Het duurt even voordat iedereen zijn bagage heeft gevonden. Sterker nog, dat gaat niet lukken. Een tas van Jet is waarschijnlijk ergens onderweg blijven hangen. Buiten staat reisbegeleider Luc al op ons te wachten. Hij heeft de afgelopen paar weken door Burkina Faso gereisd en is dus niet met ons meegevlogen. We wachten buiten terwijl er achter de verloren tas wordt aangegaan. Het is inmiddels weer praktisch droog, maar het heeft enorm geregend, zo vertelt Luc. Een complete wolkbreuk. De receptie van ons hotel stond volledig blank en de kamers hebben het waarschijnlijk ook niet droog gehouden.

Er staat een busje klaar dat ons naar hotel Dakan gaat rijden. Dat is nog een flinke rit. De bus is niet het meest luxueuze exemplaar. Maar we passen er allemaal redelijk comfortabel in. Onderweg doe ik verwoede pogingen om al iets van het land op te vangen. Dat lukt nog niet heel erg. Het is hier twee uur vroeger dan in Nederland.

De hoeveelheid water voor ons hotel is alweer behoorlijk afgenomen, constateert Luc. Onze bus ploegt door de resterende modder, onze bagage wordt van het busje afgehesen en we zetten deze zo lang bij de receptie. Het hotel ziet er op het eerste gezicht wel aardig uit. Alle kamers komen uit op iets van een binnenplaats met paadjes die naar terrassen leiden. Ook de receptie is een hokje dat min of meer buiten staat. In het achterste hoekje van het complex is iets van een restaurant, met een lange rij plastic tafeltjes en stoeltjes, maar zonder muren. Wel een dak. We krijgen er allemaal een flesje drinken.

Tijd voor een eerste korte briefing. Welkom in Mali. Morgenochtend, als iedereen wakker is, zullen we een uitgebreidere briefing krijgen. Morgenochtend komt er ook een geldwisselaar, die al onze euro's kan omzetten in CFAs, de munteenheid van heel West-Afrika. Er zijn hier enorm veel muggen, dus is het verstandig een klamboe te gebruiken. En DEET. Wie geen klamboe heeft, zoals ik, kan die morgen op de markt van Bamako aanschaffen. Verder is dit Afrika, en dus gaat alles op zijn Afrikaans. Dat betekent dat je maar beter geen haast kunt hebben. Alles komt uiteindelijk wel goed, alleen duurt het vaak wel even. Dat blijkt al in het hotel bij het verstrekken van de frisdrank.

We blijven nog een tijdje in het restaurant hangen. Tegen half een gaan we naar bed. Ik zal de komende weken een kamer delen met Mark, een 20-jarige student antropologie te Amsterdam. We krijgen de kamer naast de receptie. Dat blijkt een dubbele kamer te zijn: eentje met een twee- en eentje met een een-persoonskamer. Dat is een meevaller. In de hoek van mijn kamer staat nog een plasje water. De badkamer is vrij Spartaans. Naast de receptie zitten, blijkt ook niet helemaal ideaal. Men maakt nogal lawaai 's nachts. Gelukkig heb ik mijn oordoppen mee.


Vrijdag 25 juli 2003

Ik ben toch weer vrij vroeg op. Vandaag gaan we echt beginnen. In het restaurant zonder muren genieten wij ons ontbijt, dat bestaat uit een stokje stokbrood, wat jam, en thee of Nescafé. Vanochtend mogen we het nog rustig aan doen en krijgen we een uitgebreidere briefing. Dit is Afrika, alles heeft zijn eigen tempo, het heeft geen zin om je te haasten. En wees voorzichtig met het maken van foto's, want in het verleden is het voorgekomen dat mensen hun fotorolletje of zelfs hun hele fototoestel moesten inleveren omdat ze foto's maakten van militairen of politie. Dat zou in mijn geval inderdaad wel een probleem zijn, want ik heb een digitale camera en heb dus helemaal geen rolletje dat ik in kan leveren.

We doen ook een kennismakingsrondje. Ongeveer driekwart van de 18 groepsleden blijkt wel op een of andere manier verbonden aan het onderwijs. Met algemene stemmen word ik gekozen tot boekhouder van de groep voor de rest van de rest. Moet je maar niet vertellen dat je econoom bent. De beloofde geldwisselaar opent zijn kantoortje aan een tafel in de hoek van het restaurant. Voor 100 euro krijg je 65,500 CFA. Dat rekent wat lastig. Uiteindelijk bedenken wij dat 10,000 CFA dus 15 euro is. Vanuit het restaurant kijken we op een soort binnenplaatsje waar het een komen en gaan is van mannen die ons sieraden, djembees, CDs en cassettebandjes willen verkopen.

De eerste attractie. Met een busje rijden we naar een heuvel met een fraai uitzicht over Bamako. Voor het eerst zie ik Afrika bij daglicht. We rijden langs het presidentieel paleis. Vanaf de heuvel kijken we uit over de stad die aan de Niger ligt. Dit is een beetje een ongelukkige lokatie voor een hoofdstad, zo ontdekte men later. De stad ligt weliswaar aan de rivier, maar die rivier is hier niet bevaarbaar. We zien een zwembad dat leegstaat. Verder overwegend laagbouw, behalve dan een foeilelijk bankgebouw. In de schaduw van de grote bomen die hier staan zitten studenten hun aantekeningen door te nemen.

Met het busje rijden we terug naar de stad. We worden losgelaten in het centrum van de stad, op de fetisj-markt. Ongeveer vanaf het moment dat we de bus uitstappen ben ik compleet overrompeld door alle indrukken. En dat zal nog zeker de hele dag duren. Afrika. Op de fetisj- markt worden delen van dieren verkocht waaraan een geneeskrachtige werking wordt toegeschreven. Met name de gedroogde koppen van bepaalde beesten zijn populair. De mensen hier zijn prachtig. Erg donker, maar met prachtige kleurige kleding. Ik kijk mijn ogen uit.

Iedereen gaat een kant op. Uiteindelijk ga ik met Ellen en Babs op pad. We lopen naar de Artisanat, een kleine toeristenmarkt waar onder meer djembees worden verkocht. Er zijn hier veel opdringerige mannen, maar heel erg lastig zijn ze nu ook weer niet. Daarna slenteren we weer naar buiten, en lopen we over de markt. Niet zo vreemd, want heel Bamako is één grote markt. En niet alleen Bamako, zo zal ik later merken. Heel Mali is één grote markt. Het loopt tegen enen, en dan gaan alle mannen naar de grote moskee hier vlakbij om te bidden. Mali is overwegend islamitisch. Wij gaan ook die kant op. De moskee is niet moeilijk te vinden. Je loopt gewoon met de enorme stroom mannen mee die ook die kant op gaat. Helaas blijkt het terrein van de moskee niet toegankelijk voor niet-moslims. We lopen dus maar weer terug. Dat is een stuk lastiger, want nu moeten we tegen de stroom in. Het is enorm druk. Af en toe moeten we even wachten op een stroom mannen die uit een zijstraat komt. Ik kijk nog steeds mijn ogen uit.

We lopen in de richting van een restaurant dat in Ellen's boekje staat. Het is onze eerste dag in Afrika, dus we moeten nu nog maar even goed eten, hebben we besloten. Langzaam overstappen. Ellen raakt aan de praat met Sékou, een jongen die djembé speelt in twee bandjes, zo vertelt hij. We zijn inmiddels in ons restaurant, Le Meridien. Uiteindelijk gaat Sékou ook mee naar binnen. De communicatie gaat wat moeizaam. Sékou spreekt Frans, en dat spreken wij niet bijzonder goed. Af en toe helpt de serveerster een handje. We blijken in een behoorlijk sjiek restaurant te zitten, en dat is ook aan de prijslijst te merken. Op zich ziet het er hier nog vrij eenvoudig uit, maar voor Malinese begrippen is het heel wat. Er is zelfs airconditioning. Daar ben ik wel aan toe. Het is warm buiten. We nemen een flesje cola en een pizza, en bestellen ook voor Sékou. In eerste instantie ben ik nogal argwanend ten opzichte van hem, maar hij lijkt toch heel sympathiek.

We rekenen af en lopen weer de markt op. In de klamboe-hoek schaf ik een klamboe aan. Mijn oog valt op een groen twee-persoons exemplaar van het vierpuntstype. Klamboes komen hier in twee smaken: er is het type met een grote ronde schijf aan de bovenkant dat je aan één punt kunt ophangen, en het type met vier haakjes dat je aan de vier uiteinden van je bed kunt bevestigen. Het exemplaar met de grote schijf lijkt me wat lastig te vervoeren in mijn rugzak. De verkoper zet in op 8,000 CFA. Drie, fluistert Sékou. Ik zet in op twee en we komen uit op drie.

Veel mensen hier zijn er niet bepaald dol op als je een foto van ze maakt, en reageren haast agressief. Dat vindt Sékou maar onzin. Zolang we op de openbare weg zijn moeten ze niet zeuren. Wij klikken vrolijk weg. Het is druk op straat. Er rijden vooral groene busjes die dienst doen als deeltaxi. Uit een zijstraat komt een militair die achter mij aanloopt en mij roept, terwijl ik de straat oversteek. Als ik gewoon doorloop, gaat hij vanzelf wel weg, hoop ik nog. Niet dus. Ik stop toch maar. Hij wil mijn camera. Het blijkt dat er om de hoek iets van een kazerne is waar een groep militairen voor staat. Men denkt dat ik daar foto's van stond te maken. Dat is niet het geval. Maar maak dat zo'n man maar eens duidelijk.

Sékou komt zich er mee bemoeien en er ontstaat een behoorlijke scene. We lopen eerst naar de overkant van het kruispunt, naar de hoek van de kazerne, en daar wordt de discussie voortgezet. Het gaat er behoorlijk heftig aan toe. In rap Frans staan Sékou en de militair elkaar uit te schelden. Ik maakte alleen maar foto's van de mensen, vang ik op. Ik blijf op de achtergrond en wacht rustig af op de dingen die komen gaan. Plotseling lijkt de militair het te begrijpen. Ineens krijg ik een vriendelijke glimlach, een stevige handdruk en mijn camera weer terug. Ik bedank Sékou uitgebreid voor zijn bemiddeling.

We lopen terug naar het Artisanat. Sékou speelt djembé en is dus deskundig, heeft Ellen bedacht, die zelf ook een djembé wil kopen. We gaan er maar eens rustig voor zitten. Als je hier iets wil aanschaffen moet je vooral geen haast hebben, want er moet stevig onderhandeld worden en dat kost hier tijd. Veel tijd. Maar het is wel boeiend. We lopen wat heen en weer tussen verschillende kraampjes en testen wat djembees. Sékou is tevreden. Na een half uurtje is men het ook eens over de prijs. Ellen kijkt ook naar een wat kleinere djembé. Die vind ik eigenlijk ook wel leuk. Uiteindelijk worden we het eens over de aanschaf van twee exemplaren, inclusief tasje. Een kwartiertje later zijn we het ook eens over de prijs.

Ellen had eigenlijk met Sékou afgesproken om te komen kijken bij de repetitie van zijn djembé- band. Uiteindelijk vinden Babs en ik het eigenlijk ook wel leuk om mee te gaan. Hij heeft inmiddels ons vertrouwen gewonnen. Sékou loodst ons door de straten in de richting van een taxi. Het is enorm druk. Later hoor ik dat op de markt, vlakbij waar wij langs liepen, iemand werd aangereden, tot grote ontzetting van de omstanders. Maar compleet overdonderd door alle indrukken was me dat niet eens opgevallen.

We vinden een taxi en rijden naar het huis van Sékou, zo begrijp ik. Dat blijkt een behoorlijke rit. Het wordt steeds rustiger buiten, en er is steeds minder bebouwing. Uiteindelijk raken we verzeild in een buitenwijk, waar alles er behoorlijk primitief uitziet. We stoppen ergens om een vriend van Sékou op te pikken, die bij ons op de achterbank komt zitten. Past er nog makkelijk bij. De weg wordt steeds onbegaanbaarder, we rijden nu over een soort brede zandweg. Uiteindelijk stopt de taxi, we rekenen af, en moeten het laatste stuk zelf lopen. Het is hier groen, rechts zien we rotsen en hier en daar staat een eenvoudig huisje. De kinderen uit de buurt komen op ons afgehold. Ellen deelt ballonnen uit. Uiteindelijk komen we bij iets waarvan we begrijpen dat het het huis van Sékou is. Het blijft lastig communiceren in het Frans. We ontmoeten zijn vrouw en zijn pasgeboren kindje en gaan zijn huis binnen, een kleine ruimte bestaande uit niets meer dan een paar rieten muren. Er zitten nog een paar mensen.

We pakken onze djembees uit die door de aanwezigen worden bewonderd. Spontaan wordt er gespeeld. Ik ram mee op m'n eigen djembé. De man links van mij geeft aanwijzingen. Met zijn rechter voet geeft hij aan welk ritme ik moet spelen. Na wat oefenen gaat dat uitstekend, lijkt hij te vinden. Een andere man heeft een bijzonder geinig trommeltje onder zijn linker arm waar hij met een klein stokje op een of andere manier verschillende toonhoogten uit kan halen. Het is een gezellige boel.

Na een tijdje drummen meldt Sékou dat we naar buiten moeten. We veroorzaken wat te veel burengerucht, en een buurman is net overleden, dus dat komt wat slecht uit. We lopen een eind verderop. Een flinke zwerm kinderen en wat volwassenen loopt met ons mee. Aan de voet van een rots wordt verder gespeeld op onze djembees. Een aantal vrouwen begint er spontaan bij te dansen. Bijzonder gezicht. Ondertussen kijk ik toe en hou ik een flinke groep kinderen bezig. Onderhoudend, zo'n bleekneus. Mijn digitale camera doet het erg goed, vooral als ik foto's van de kinderen maak en die vervolgens op het display aan de achterkant laat zien. Iedereen wil wel op de foto. Ik klauter met een paar kinderen naar boven voor een mooi uitzicht over de groep mensen en over het hele dorp. Het is inmiddels behoorlijk gaan schemeren.

Als het te donker wordt stoppen we met de muziek. Sékou moet om een uur of half acht optreden, hadden wij begrepen, bij een café waar wij onderweg met onze taxi langs gereden zijn. Maar dat hebben wij blijkbaar verkeerd begrepen, want daar is het inmiddels al te laat voor. Sékou vraagt een klein bedrag om aan zijn vriend te geven ter compensatie, omdat de repetitie nu immers niet is doorgegaan. Wij begrijpen het niet helemaal maar geven het bedrag dat Sékou inderdaad aan zijn vriend geeft. We gaan nu even rusten, meldt Sékou. Hij vraagt nog of we met een taxi naar het café willen, of te voet. Het is ongeveer een half uur lopen. We kiezen voor de taxi omdat we het donkerbruine vermoeden hebben dat het aanzienlijk verder lopen is dan een half uur. Prima. Sékou zal er voor zorgen dat het voor elkaar komt. Maar eerst gaan we met een buurman rustig op de veranda zitten. Of op zijn minst, voor zijn huis. We zien hoe het langzamerhand helemaal donker wordt, en krijgen een kopje thee.

De tijd verstrijkt en er gebeurt niet echt iets. Het begint al laat te worden en bij nader inzien willen we toch maar niet meer naar dat café, maar liever rechtstreeks door naar huis. Dat is ook geen probleem. Sékou zal een taxi regelen. Na een tijdje komt hij terug. Er is een klein probleem want de vrouw van degene die onze taxichauffeur zou zijn, blijkt nogal ziek. Of iets dergelijks. Maar hij zal iets anders gaan regelen. Meer tijd verstrijkt. Wij maken ons niet druk, maar willen zo langzamerhand wel weer richting hotel. We zijn benieuwd hoe dit verder af gaat lopen. Dat is geen enkel probleem. We worden gebracht bij een familielid van Sékou die een huis heeft met echte muren eromheen. Maar verder is er in het huis niet veel. We krijgen een krukje om even op te zitten. Intussen springt Sékou op de brommer van zijn broer om een auto te halen. Hoe dat nu precies zit met zijn optreden in dat café wordt niet echt duidelijk.

Dit keer duurt het niet lang. Sékou komt terug gevolgd door een grote maar aftandse Mercedes. De chauffeur wil ons wel voor 3,000 CFA naar ons hotel brengen. Gezien de afstand lijkt ons dat een alleszins redelijke prijs. We gooien onze djembees in de achterbak en stappen in, Ellen en ik achterin, Babs voorin. Sékou blijkt op zijn brommertje mee te rijden, waarschijnlijk om de weg te wijzen. We mogen ook bij hem achterop. De chauffeur heeft zijn stereo flink open staan. Denken wij. Maar het blijkt nog veel harder te kunnen. Af en toe proberen wij de autoradio subtiel iets zachter te zetten, maar dat wil niet echt lukken. Onze chauffeur blijkt iedereen hier te kennen en stopt aan het begin van de rit regelmatig om iemand te begroeten en een hand te geven. En de stereo weer wat harder te zitten. Met onze vingers in de oren rijden we verder. Ondertussen gaat de chauffeur helemaal uit zijn dak, en zit swingend en soms zelf zonder zijn handen te gebruiken achter het stuur, over de zandweg waar af en toe flinke gaten en kuilen in zitten. Bij een zo'n kuil springt het handschoenenkastje spontaan open. Geen probleem, met een paar flinke klappen gaat hij weer weg. Inmiddels heb ik enorm de slappe lach. We beginnen ons ernstig af te vragen onder invloed van welke middelen onze chauffeur is.

Als we uit de buitenwijk zijn en op een wat fatsoenlijker weg, gaat de stereo dan toch wat zachter. Het is inderdaad een flinke rit. Als we al een flink eind in de richting zijn, kan Babs de verleiding niet langer weerstaan en stapt bij een kruispunt uit om bij Sékou achterop te springen. Het is uiteindelijk al half elf als we terug zijn bij het hotel. Luc en Mark blijken nog in het restaurant te zitten. Omar is er ook, een Malinees die in Amsterdam woont en vloeiend Nederlands spreekt. We blijken de laatsten te zijn die terug zijn en men bleek zich al licht zorgen te maken. Vooral over mij, want vanuit een taxi blijkt iemand gezien te hebben dat ik door een militair werd weggevoerd.

Eigenlijk hebben we nog niet gegeten vanavond en we hebben best wel honger. Omar weet een restaurantje hier op de hoek. Mark gaat ook mee. We blijken er buiten te kunnen eten, voor een fractie van wat we vanmiddag in het sjieke Le Meridien betaalden. Ik bestel een spaghetti bolognese die verrassend lekker blijkt. We maken een praatje met Omar. Hij komt regelmatig terug in Mali vanwege zijn handel in tweedehands auto-onderdelen. Die koopt hij op in Nederland en verkoopt hij in Mali. Maar het is een moeizame handel. Het kost hier erg veel tijd om iemand's vertrouwen te winnen, zo vertelt hij. Na het eten lopen we terug naar ons hotel. Het is alweer tegen middernacht als we naar bed gaan. Het is nog een hele toer om mijn groene klamboe te installeren. Echt gelegenheid om een vierpuntsklamboe op te hangen hebben ze hier niet. Uiteindelijk bind ik de vier ringen in de hoeken bij elkaar en hang ze met behulp van het slaapmasker van Air France aan die ene spijker die aan het plafond hangt ter bevestiging van een eenpuntsklamboe.


Zaterdag 26 juli 2003

Het is goed te merken dat het vandaag niet geregend heeft. Het is een stuk warmer dan gisteravond. Als ik in mijn bed lig, dan drijf ik van het zweet. Nu is er hier wel een airconditioning, maar die is in Mark's gedeelte van onze dubbele kamer en sowieso blijkt die niet echt te werken. Ik slaap voor geen meter. Een combinatie van de hitte en de enorme hoeveelheid indrukken van de afgelopen dagen, denk ik. Mijn hoofd tolt. Uiteindelijk zet ik maar de buitendeur een flink stuk open, zodat het wat door kan waaien. Dat helpt een klein beetje, maar heeft als nadeel dat het ook weer een stuk lawaaiďger is. Tegen een uur of vijf heb ik nog steeds amper geslapen en tot overmaat van ramp trek ik met al mijn gewoel ook nog mijn klamboe naar beneden.

Als ik mijn bed uitstap om de schade te gaan herstellen word ik onmiddellijk aangevallen door een horde muggen die door de open deur naar binnen zijn gevlogen. Zo snel mogelijk doe ik de deur dicht, smeer mij volledig in met DEET en ga over tot het systematisch uitmoorden van alle in mijn kamer aanwezige muggen. Ik voel mij op dit moment niet echt gelukkig. Als ik met veel pijn en moeite mijn klamboe weer opgehangen heb, is het inmiddels een uur of half zes. Ik begin mij af te vragen of het überhaupt nog wel zin heeft om te gaan slapen want om half zeven moeten we alweer opstaan. Uiteindelijk val ik toch nog in een diepe slaap.

Ik word pas wakker als er om half acht stevig op onze deur geramd wordt. Luc vraagt zich af of wij al wakker zijn. Niet dus. De wekker van Mark blijkt al een uur te staan loeien, maar we zijn daar allebei finaal doorheen geslapen. Om acht uur zou de bus moeten vertrekken. In no time staan we naast ons bed. Gelukkig heb ik een ruim bemeten rugzak en kan ik mijn spullen haast in één beweging naar binnen schuiven. Onze djembees kunnen we in het hotel achterlaten: op de laatste dag, voordat we terugvliegen, komen we hier nog weer terug. Na niet veel meer dan een kwartiertje hollen wij ingepakt het restaurant binnen, tot groot vermaak van de andere aanwezigen. Uiteraard is de bus te laat, dat hadden we natuurlijk ook wel kunnen weten, maar ach, nu hebben we op zijn minst onze goede wil getoond. En nog tijd om rustig te ontbijten. Met een uurtje vertraging kunnen we toch vertrekken. Zelfs Sékou blijkt nog te zijn gekomen om ons uit te zwaaien. Uiteindelijk heeft hij vannacht nog tot vijf uur met zijn bandje gespeeld, zo vertelt hij.

We rijden vandaag naar Sikasso, een paar honderd kilometer verderop. We hebben ons eigen busje waar we de komende paar dagen nog gebruik van kunnen maken. Onze lokale gids en tolk, Kao, gaat ook mee. Hij blijft tot bijna het einde van onze reis bij ons. Hij heeft ook weer iemand anders meegenomen die mee zal reizen. Zo kent iedereen elkaar hier.

Het is een verrassend goede weg. Strak en vers asfalt zonder kuilen of heuvels. Vorig jaar heeft Mali de Afrikaanse voetbalkampioenschappen georganiseerd, vertelt Luc. Voor dat doel zijn er een handvol nieuwe stadions gebouwd en is de infrastructuur tussen de grote steden flink opgeknapt. Voor elk dorp liggen er zelfs een paar keurige drempels in de weg, smalle verhogingen in het asfalt, eerst één strook, dan twee stroken, dan drie en dan vier, en aan het einde van elk dorp opnieuw, maar dan in omgekeerde volgorde. Zo af en toe komen we langs een politiepost waar de chauffeur zich dient te melden. Waarom weet eigenlijk niemand. Behalve dan dat het een paar agenten aan het werk houdt. Het is hier groen. Er is nauwelijks verkeer. De brousse wordt langzaam dichter, mais- en gierstvelden, katoenplantages en mangoboomgaarden typeren het landschap, zo lezen wij in de reisbeschrijving.

Tegen het einde van de ochtend hebben we een bezoek aan een dorpje op het programma staan. Het is behoorlijk warm. De bus wordt aan de kant van de weg gezet en we lopen het dorpje in. Het is hier adembenemend rustig. Behalve dan die kakelende bleekneuzen zo af en toe. Ik kijk alweer mijn ogen uit. Af en toe komt er nieuwsgierig een kindje naar ons toe, niet altijd met evenveel kleding. Soms begint er eentje te huilen als ik voorzichtig hun kant op loop. Her en der staan huizen, of liever gezegd lemen gebouwtjes die daar waarschijnlijk voor door moeten gaan, met grote binnenplaatsen. Mannen en vrouwen die we daar zien groeten ons vriendelijk. Ergens staat een vrouw met een grote houten stamper eten in een kom op de grond fijn te stampen. In dit dorp zien ze hooguit eens per jaar toeristen, vertelt Luc later. De vorige keer was een jaar geleden, toen hij hier ook was.

We lopen door een veld naar de andere kant van het dorp. Uiteraard is er een moskee, gemaakt van leem. We kijken in een schooltje, waar ongelooflijk vervallen, haast antieke houten meubeltjes staan. Alle onderwijzers in de groep kunnen hun hart weer ophalen. Dan lopen we door naar het verblijf van de dorpsoudste, die ons op zijn veranda ontvangt. De man is 83, zo wordt beweerd. Hij ziet er inderdaad erg oud uit. We mogen allemaal gaan zitten en worden toegesproken door de zoon van de dorpsoudste, die ons namens zijn vader in uitgebreide bewoordingen van harte welkom heet in het dorp, wat door Kao vanuit het Bambara vertaald wordt naar het Frans, en door Luc voor de groep weer omgezet wordt in het Nederlands. De dorpsoudste, zo wordt ons uitgelegd, is letterlijk gewoon de oudste man van het dorp en bemiddelt onder meer in conflicten. Wanneer men ruzie heeft over van wie welke geit is bijvoorbeeld. We nemen allemaal persoonlijk en eerbiedig afscheid van de dorpsoudste en lopen terug naar de bus.

Ergens na het middaguur stoppen we ergens in een dorpje om te lunchen. Een restaurant met wat stoelen en tafels waar we met wat passen, meten en organiseren allemaal in kunnen. Men gaat brochettes voor ons maken, zo wordt beloofd, vlees aan een spies die geserveerd gaat worden met wat frieten en salade. Het is verstandig om die salade te laten liggen. Het bereiden van de brochettes duurt eindeloos. Al snel nadat we ons eerste flesje prik op hebben lopen we maar eens naar buiten om een kijkje te nemen in het dorp. Er is niet zoveel te zien. Een brede zandweg met aan weerszijden wat huizen. Mensen die ons verbaasd aankijken en vriendelijk groeten. Ook in Mali speelt het leven zich grotendeels op straat af.

Overal in het land zie je tafelvoetbalspelen, met de hand gemaakt van hout en oude banden. Na inwerpen van een bescheiden bedrag zouden er 11 ballen uit het apparaat moeten rollen. Bij het exemplaar net naast het restaurant dat wij proberen, blijkt dat niet direkt het geval. De uitbater maakt het ding open, zodat we meteen een blik naar binnen kunnen werpen. Intrigerend. Om de tijd te doden spelen we een paar spelletjes. Een en ander mondt uiteindelijk uit in een interland Nederland-Mali tegen de jongens in de bus, die door ons grandioos verloren wordt. Die jongens hebben dat duidelijk vaker gedaan. Vlak voor het restaurant zitten twee uitermate fotogenieke jongetjes die door ons uitgebreid gekiekt worden.

Na heel erg lang wachten zijn onze spiesjes klaar. Een gedeelte ervan tenminste. Gelukkig smaakt het wel. Als de eerste lading op is, komt de rest en kunnen de anderen ook gaan eten. Als we afscheid nemen is het inmiddels na drieën.

We rijden verder. Na mijn gebrek aan slaap van de afgelopen nacht ben ik nogal vermoeid, en uiteindelijk slaag ik er in om de hele achterbank van de bus voor mijzelf te claimen. Onder het genot van mijn opblaaskussentje slaap ik zomaar een paar uur. Door onze enorme lunchpauze lukt het niet meer om voordat het donker is onze eindbestemming te bereiken. Maar uiteindelijk komen we toch aan in Sikasso. We zijn meteen verrukt als we het hotel zien. Voor ons gevoel is het een uitermate sjieke bedoening. Ontberingen wennen verbazend snel, zo blijkt. De receptie en het restaurant zijn hier gevestigd in een echt gebouw, met vier muren en een dak. Het ziet er allemaal best wel fatsoenlijk uit ook zelfs. De kamers zijn een soort bungalows die buiten staan. Ze hebben een airconditioning. Eentje die werkt, en zelfs ook een douche die het doet.

We beginnen met het inmiddels gebruikelijke ritueel van het verdelen der kamers. Voor Mark en mij blijkt er geen kamer meer met twee eenpersoonsbedden te zijn, maar het management zal er nog een extra bed bijplaatsen. Dat blijkt niet veel later te zijn gebeurd. Ik mag dit keer in het tweepersoons bed slapen, Mark gaat op het matras op de grond. Boven het tweepersoonsbed hangt keurig een eenpuntsklamboe, waar ik gebruik van maak.

's Avonds eten we gezamenlijk in het restaurant. Het dagmenu bestaat uit soep en kip en een fruithapje na. Wel prijzig voor dit land. Ik ga op tijd naar bed en hoop van harte dat ik vannacht wel wat slaap mee krijg.


Zondag 27 juli 2003

Ik slaap als een blok. Sterker nog, als ik 's ochtends om vier uur wakker word om naar het toilet te gaan, begin ik mij lichtelijk zorgen te maken omdat ik Mark nog steeds niet thuis heb horen komen. Voor alle zekerheid gluur ik even over de rand van mijn bed, maar daar ligt hij wel degelijk. Om een uur of acht sta ik echt op. Mark blijkt vannacht ook nog eens problemen te hebben gehad met zijn klamboe. Omdat zijn matras op de grond ligt, haalt zijn klamboe het bed niet. Uiteindelijk is daar iets op gevonden: zijn rugzak hangt nu aan het plafond, daaronder de klamboe, en het past allemaal weer keurig.

We ontbijten gezamenlijk. Voor het restaurant staan een paar bomen die volledig zijn gekraakt door wevers: gekleurde vogeltjes waarvan er in Mali veel rondvliegen. Dit vogeltje heeft de eigenaardige gewoonte om haar nest ondersteboven te bouwen, en dan bij voorkeur in die ene boom voor een zeker hotel in Sikasso.

Vanochtend rijden we met ons busje naar Missirikoro. Traditiegetrouw moeten we weer met een paar man de bus aanduwen voordat hij aanslaat. Mark is wat aan de late kant, want hij kon vanochtend met geen mogelijkheid zijn rugzak vinden. Onderweg naar Missirikoro is er weer veel te zien. De weg is beduidend minder dan de grote doorgaande wegen. We rijden nu over een zandweg, maar nog steeds zonder al te veel kuilen en gaten. De aarde is hier dieprood. Hier en daar staat een Baobab in het veld. Langs de weg is er enorm veel bedrijvigheid: ezelkarren, kraampjes, vrouwen die dingen op hun hoofd vervoeren. Ik zit voor in de bus en hang mijn camera uit het raam om ongeveer permanent foto's te schieten.

In Missirikoro is een vrijstaande animistische grot, waar we worden opgewacht door de lokale bevolking. Een meisje in gele kleding adopteert mij onmiddellijk en wijkt voorlopig niet meer van mijn zijde. Eerst klauteren we omhoog, de berg op, vanwaar ons een prachtig uitzicht over de omliggende broesj wordt beloofd. Dat blijkt inderdaad het geval, maar voordat je daar bent moet je wel eerst een verrot eind omhoog klauteren. Tachtig meter, om precies te zijn. Dat is niet overal even makkelijk, maar gelukkig heeft de lokale bevolking zo hier en daar laddertjes opgehangen tussen de allermoeilijkste punten. Het is warm en binnen de kortste keren zweet ik enorm. Iets te laat word ik er op gewezen dat het handige van een afritsbroek is dat je de pijpen er af kunt ritsen.

Maar het uitzicht is fraai. Staand boven op een rots kun je enorm ver uitkijken over rode aarde met groene begroeiing. De rotsen waar we overheen geklauterd zijn, zijn ook mooi: grillig, met hier en daar een Malinees. Ik maak meer foto's. Dan zakken we weer af naar beneden. Daar is nog een attractie: de animistische grot. De lokale bevolking, die hier in de grotten schijnt te wonen laat een grote hoge grot zien waar in een hoekje inderdaad wat huisraad ligt. Eerst mogen we nog kijken in een akelig lage en nauwe grot die uiteindelijk uitmondt in een kleine ruimte waar men zich terug kan trekken voor meditatie. Dit doet dienst als moskee, zo begrijpen wij. Toch aardig, naast een grot waar allerlei animistische rituelen worden uitgevoerd. Men is hier zeer pragmatisch waar het religie betreft.

Wij puffen na, nemen afscheid van onze gidsen, duwen de bus weer aan en rijden terug. In de bus hang ik mijn broekspijpjes te drogen. Voordat we toe zijn aan het middagprogramma mogen we eerst een kijkje nemen in Sikasso zelf. Of even terug gaan naar het hotel. Massaal kiezen we voor het eerste. Het is markt in Sikasso. Maar ja, eigenlijk is het hier altijd en overal markt. De markt hier is een stuk boeiender dan in Bamako. Hij is echter, niet voor toeristen, en er worden dingen verkocht die ook echt nuttig zijn. Veel voedsel, maar vaak in enorm kleine porties, die keurig op kleine hoopjes op een doek liggen uitgestald. De mensen, vooral de vrouwen, zien er hier prachtig uit. Sikasso is de stad van de Senufo, zo lezen we in onze reisbeschrijving: weer een andere bevolkingsgroep. Onze camera's jeuken, maar over het algemeen is men er niet bepaald dol op om de foto te komen. Behalve de kinderen dan, zeker als ze zichzelf eenmaal op het display van mijn digitale camera hebben gezien. Er komen in Sikasso weinig toeristen, nog minder dan in de rest van het land. Op straat worden kleine oliebollen verkochten, waar we een portie van kopen. Nogal vet.

Ik heb inmiddels een enorme kinderschare om mij heen verzameld. Naast de bus staat een mevrouw die potten en pannen verkoopt. We zijn klaar voor ons middagprogramma: watervallen. Dat is weer even een eindje rijden. Bij de watervallen blijken zich wat meer bleekneuzen te hebben verzameld. Het lijken haast mensen die hier in Mali wonen. Ze hebben een flinke picknickmand mee, wat bedienden doen de was. De watervallen zijn niet heel erg spectaculair, maar wel de moeite waard. Als je ver genoeg inzoomt lijkt het op de foto best wel alsof het hele hoge watervallen zijn. Het is warm. In wat kleine poeltjes aan de voet van de watervallen sterft het van de kikkervisjes. Geinig. Ik slenter wat rond, geniet van het weer en het uitzicht. Boven bij de waterval blijkt het iets minder goed te gaan. Jet loopt door het water, beoordeelt een donkere plek verkeerd, en gaat kopje onder, inclusief fototoestel en rugzakje.

Het is mooi geweest. We stappen weer in ons busje en rijden terug naar de stad, waar we de rest van de middag en desnoods avond kunnen doorbrengen. De temperatuur is inmiddels wat aangenamer, er begint zelfs bewolking te ontstaan. Met Babs, Ellen, Judith en Mark loop ik over de markt. Prachtig. Ergens in een hoekje zit een forse Malinese straatmuzikant onder een afdakje, met een trommel op zijn hoofd muziek te maken. Er ontstaat een brede grijns als ik hem op de foto zet. De mensen zijn hier vriendelijk, en ontdooien al helemaal als je je van goede wil toont. Aan het einde van de markt is een nogal chaotische parkeerplaats van gele taxi's. We lopen naar een heuvel in het midden van de stad, de Mamelon, hopend op een mooi uitzicht. Dat valt wat tegen. Er zijn nog wel wat overblijfselen te zien van de oude verdedigingswallen die de stad in de 18e eeuw moesten beschermen ten tijde van militaire confrontaties, zo lezen wij in onze reisbeschrijving. Boven op de heuvel staat nog een torentje waar een animistische meneer zijn diensten en spullen aanbiedt.

Wij zijn wel toe aan een flesje cola en raken verzeild in het hotel dat in ons boekje genoteerd staat als een van de besten van de stad. Sowieso hebben ze een miniscuul terrasje onder een boom. Wij laten ons steunend vallen in de originele jaren '60 draadstoelen die niet alleen hier staan, maar waar ook de rest van het land mee bezaaid is. Bijna alles in Mali, zo heeft Luc al verteld, is tweedehands en bestaat meestal uit afdankertjes uit West-Europa. Er blijkt een colaatje minder op voorraad te zijn dan wij bestellen. Geen punt, doen we er toch een Sprite bij. We krijgen er zelfs een bakje pinda's bij. In de volgende ronde blijkt er merkwaardig genoeg wel weer cola te zijn, maar opnieuw een flesje te weinig.

De lucht begin nu serieus dicht te trekken. Niet veel later begint het zelfs te regenen. Gelukkig is er een paar meter verderop ook een overdekt terras annex restaurant. Met dak dus, maar zonder voorkant. Het is er nogal donker en de muziek staat nogal hard. Mascha en Fulco komen er aan lopen en voegen ons ook bij ons. Het gaat steeds harder regenen, maar ik vind het eigenlijk nog steeds geen serieuze tropische regenbui. Het begint zo langzamerhand etenstijd te worden en we hebben weinig zin om dat hier te doen in de herrie en duisternis. Mascha en Fulco weten ons te melden dat dat andere restaurant dat wordt aangeprezen in ons boekje volstrekt onvindbaar is. Als het min of meer gestopt is met regenen gaan we weer op pad, op zoek naar eten.

We raken uiteindelijk verzeild in een karig, Spartaans, maar wel erg geinig restaurantje dat wordt uitgebaat door een fraai uitziende man in moslim-kledij. In eerste instantie lijkt hij niet zo goed te weten wat hij aan moet met zo'n groep bleekneuzen die niets begrijpen, maar in de loop van ons bezoek begint hij er duidelijk lol in te krijgen. De menukaart is een groot stuk karton dat van de muur wordt gehaald en waar alles op geschreven staat. Mijn keuze valt uiteindelijk op de cous-cous. Het is hier absurd goedkoop en nog lekker ook.

Als we klaar zijn is het inmiddels donker, maar wel droog. We besluiten terug te lopen naar het hotel. We hadden al gevraagd aan de buschauffeur hoe ver dat is, maar zijn antwoord fluctueerde nogal, van een kleine 3 tot een slordige 20 kilometer. Op de kaart lijkt het niet overdreven ver, en je ziet nog eens wat van de wereld. De afgelopen dagen hebben we ook wel erg veel stil gezeten. Als we buiten het direkte centrum komen wordt het wat minder druk, maar er is nog steeds overal leven, kraampjes en mensen. Nog steeds worden wij overal begroet met een vriendelijk "ca va!?", maar zo langzamerhand lijkt dat toch een beetje zo'n ondertoon te krijgen van "gaat het eigenlijk wel goed met jullie!?". Want tja, zo'n groep bleekneuzen die in het donker langs een eindeloze weg sjouwt, daar moet toch iets mis mee zijn.

Ergens rechts voor ons horen wij harde muziek uit een krakkemikkige luidspreker komen. Daar moeten we bij zijn. Er heeft zich een enorme groep mensen verzamelt rond een open ruimte waar kinderen aan het dansen zijn. Er staan grote schijnwerpers om een en ander bij te lichten. Ik hou het op een schoolfeestje, maar Mark zal de rest van de vakantie blijven volhouden dat het hier een bruiloft betreft. Hoe dan ook, geinig is het wel. Af en toe is er een man die de zaak weer enigszins aan elkaar praat. Het duurt niet heel erg lang voordat men ons in het publiek gespot heeft. Na niet te lange tijd kan Ellen het niet langer houden en stort zich ook op de dansvloer. Dat leidt tot enige hilariteit onder de omstanders, zeker als een uit de kluiten gewassen Malinese gaat meedoen.

We lopen weer verder. Het wordt steeds rustiger langs de weg, iedereen loopt in zijn eigen tempo waardoor de groep wat uit elkaar valt. Aan de andere kant van de weg zit een groep kikkers een enorm kabaal te maken. Ellen en ik nemen een kijkje met behulp van mijn zaklamp. Wij weten geen kikkers te spotten. De rest van de groep blijken we inmiddels ook kwijt. Op eigen houtje sjouwen we verder in wat wij hopen wat de goede richting is. Het blijkt een flink eind sjouwen. Bij het pompstation moeten we afslaan, zo weten we nog. Het wordt steeds problematischer. We zitten nu op een doorgaande weg, zonder bebouwing, en zonder straatverlichting. Het wordt er niet aangenamer van. Gelukkig heb ik nog steeds mijn zaklamp. Als we het bijna opgegeven hebben, zie ik het bieruithangbord dat ik herken als zijnde van ons hotel. Nu is het nog de vraag hoe we daar komen. We lopen weer een eind terug en zien naast en schuin boven ons wel de oprijlaan van het hotel. Uiteindelijk klauteren we door het gras die kant op en melden ons als laatste weer in het restaurant van het hotel.


Maandag 28 juli 2003

We verlaten Sikasso. Op naar Mopti, een centraal punt op deze reis. We hebben een flinke rit voor de boeg en gaan dus vroeg op pad. Zelfs Mark en ik zijn op tijd, tot lichte opluchting van de rest van de groep. Voor vertrek moeten we allemaal ons paspoort bij Luc inleveren die ze zal laten afstempelen bij de politiepost alhier. Waarom dat moet is ook niemand echt duidelijk, maar op zijn minst levert het weer een aantal leuke stempeltjes in je paspoort op. Nadat we de bus op gang hebben geduwd, kunnen we op pad.

Bij de politiepost is het even wachten. Ik dood de tijd door wat buiten de bus rond te slenteren en de kindertjes in de buurt de stuipen op het lijf te jagen. Dan rijden we door. Het is mooi onderweg. Niet heel erg spectaculair, maar wel heel anders dan elders. We rijden over een dieprode weg, langs groene velden, met hier en daar een Baobab. Ik zit voor in de bus en zie tot mijn niet geringe verbazing de chauffeur twee zakjes Nescafé leegeten. Ergens midden in de rimboe doen we een Baobab-stop. Aan weerskanten van de weg staan wel hele fraaie exemplaren. In de grootste schijnt zelfs iemand te wonen. Er staat ook nog eens een enorme termietenheuvel in het veld.

We rijden door naar de lunchplaats. Die ziet er vandaag aanzienlijk professioneler uit dan een paar dagen geleden: een grote zaal met lange tafels. Luc heeft er alle vertrouwen in dat het vandaag aanzienlijk sneller zal gaan dan een paar dagen geleden. Verbazend genoeg blijkt hij nog gelijk te hebben ook. We eten vandaag vis. Nationale specialiteit is de Capitain, een vis waarvan ik de Nederlandse naam nog steeds niet heb kunnen achterhalen. Vanwege de enorme snelheid laten we een royale fooi achter.

Ook vandaag stoppen we des middags weer in een lokaal dorpje. Men lijkt te zijn voorbereid op onze komst. In het gras onder een boom op weg naar het dorpje ligt de schedel van een beest. Het dorpje bestaat uit lemen huizen en ronde graanschuren met een doorsnee van een slordige meter en een dak dat uitloopt in een punt. Het blijkt een Bambara dorpje. Vrouwen hebben zwart getatoeerde monden. Het lijkt wel of men hier een markt voor oude ambachten voor ons heeft georganiseerd. Voor zijn huis zit een smid die met een ingenieuze doch primitieve constructie zijn vuur brandende houdt. Even verderop staan vrouwen vrouwen voedsel te stampen, weer met grote houten stampers in een houten kom. Deze kunnen met z'n drieën tegelijk in dezelfde kom stampen. Kwestie van de juiste coordinatie. En dan zijn ze ook nog in staat om tussen elke stamp hun stamper omhoog te gooien en in hun handen te klappen, tot ons grote enthousiasme. Dames uit onze groep mogen het ook eens problemen, wat gewoontegetrouw tot grote hilariteit leidt onder de autochtone bevolking.

Er loopt een groep vrouwen met allemaal een handdoek op hun hoofd met daarop een grote schaal. Alle kinderen van het dorp hebben zich inmiddels ook al om ons heen verzameld. We lopen naar het einde van het dorp waar de waterput is. Een paar vrouwen, met hun baby nog op hun rug, halen in hoog tempo met een touw een volle emmer water omhoog. De babies bungelen alle kanten op. De woordvoerder van het dorp vertelt, ook nu via onze gids, dat de mannen er in deze cultuur er meerdere vrouwen op na mogen houden. Dat valt nog niet mee, want je moet al die vrouwen wel tevreden zien te houden. Het heeft ook als gevolg dat elke keer dat hij de kinderen van een van zijn vrouwen slaat, hij de kinderen van de andere vrouwen ook zal moeten slaan, anders zou de moeder van die geslagen kinderen zich immers achtergesteld voelen. Een en ander heeft tot gevolg dat kinderen hier niet vaak geslagen worden. En zo heeft elk nadeel weer zijn voordeel.

We blijven nog wat in het dorp rondhangen en rondkijken en lopen dan weer een stuk door het veld terug naar de bus. Op een of andere manier vond ik het vorige dorp leuker, dat maakte een authentiekere indruk. Maar misschien komt dat ook wel omdat de schok toen nog groter was. Op een of andere manier kwam het hier wat neppig en geregiseerd over allemaal. Maar dat kan ook aan mij liggen.

Helaas zal het niet lukken om voor zonsondergang Mopti te bereiken. Dat is jammer, vertelt Luc, want de weg naar Mopti is fraai en loopt over een dijk met aan weerszijden water. Maar dat zullen we dan later nog wel zien. Op zijn minst hebben we nu een prachtig heldere sterrenhemel. De weg naar het hotel is wat hobbelig. Als de bus bijna lijkt te kantelen, gaat het nog net goed als iedereen in paniek naar de andere kant van de bus schiet.

Het hotel is op het eerste gezicht een beetje een domper na de relatieve luxe van Sikasso. Het is er ook onstellend warm. Het hotel bestaat uit een binnenplaats omgeven door muren. Daar staan ook tafels en stoelen waar het ontbijt of een consumptie genuttigd kunnen worden. De kamers op de begane grond komen rechtstreeks uit op de binnenplaats. Een trap naar boven leidt naar nog meer kamers die ook rechtstreeks buiten uitkomen. Voor het gemak zijn de hotelkamers niet voorzien van nummers. De uitbaatster van het hotel blijkt een bleekneus.

Eerst maar eens de kamers verdelen. Na natuurlijk de allerbelangrijkste activiteit: het openen van de bar middels het bij de receptie neerleggen van de drankenlijst. Ten aanzien van het verdelen van de kamers is er een probleem: sommige kamers zijn voorzien van douche en toilet, anderen niet. Maar we komen er wel uit. Mark en ik krijgen de kamer in het hoekje op de begane grond. Daar staan twee eenpersoonsbedden die tot mijn vreugde zijn voorzien van vierpuntsklamboe- bevestigingsfaciliteiten. Mijn groene gevaarte hangt in no-time om beide bedden heen, waarbij het zelfs nog mogelijk blijkt om ruimte tussen de bedden over te houden.

Wij hebben eigenlijk nog niet gegeten vanavond. In eerste instantie bestaat het plan om naar een restaurant in de buurt te gaan, maar uiteindelijk krijgt Luc het voor elkaar dat ze in het hotel komen bezorgen, maar uiteraard duurt dat weer even. Het is al ver na tienen als we aan de maaltijd zitten. Er is een gevarieerde maaltijd aangerukt, met spiesjes, patatten, spaghetti, doperwtjes, boontjes, aardappeltjes in viesvettige saus, afijn, al het goede dat de Malinese keuken te bieden heeft. En het is nog verrassend lekker ook. Er ontstaat een levendige ruilhandel tussen alle borden zodat uiteindelijk iedereen overal ongeveer iets van krijgt.

In het hotel is een andere Ashraf-groep net weer weggegaan, om de Dogon-vallei in te gaan. Twee groepsleden zijn wegens ziekte echter achtergebleven. Dat heeft als gevolg dat er nu wel een kamer te weinig is. Luc moet zijn heil derhalve elders zoeken. Morgen blijkt Goos jarig te zijn. Als hij al in bed ligt, treffen wij voorbereidingen voor de festiviteiten van morgen. Die bestaan uit het plakken van ballonnen op zijn deur en op een stoel beneden die bij deze wordt gebombardeerd tot de zijne. Tegen middernacht liggen wij in bed. Het is weer flink warm op de kamer, ondanks de royale ventilator die aan het plafond hangt.


Dinsdag 29 juli 2003

We ontbijten weer gezamenlijk op de binnenplaats van het hotel. Vandaag is Goos jarig. Hij wordt spontaan toegezongen. Zowel Luc als de staf van het hotel hebben zelfs nog een kado geregeld. Het ontbijt bestaat gewoontegetrouw uit slap stokbrood met jam, nescafé en thee. 's Ochtends krijgen we de gelegenheid om Mopti te verkennen. Ook ons hotel in Mopti, Doux Reves, staat in de buurt van het stadion. Voor het stadion is een groot plein waar jongens aan het voetballen zijn. Bij het plein is ook de halte van de deeltaxi's, die je voor een schijntje naar het centrum of de haven rijden. We laten vijf deeltaxi's aanrukken en rijden naar het kantoor van Ashraf Mopti, het lokale filiaal van onze reisorganisatie. Ashraf Mopti heeft een aantal gidsen geregeld die ons door de stad zullen rondleiden, in groepjes van een man of zes. Ik kom terecht bij Amadou, een Engelssprekende gids.

Mopti ligt aan twee rivieren, de Niger en de Bani. Het centrum ziet er best wel iets van georganiseerd uit, met straten en zijstraten, allemaal voorzien van lemen huizen. Er staat ook een lemen moskee, die volgens de reisgidsen een slappe kopie is van die in Ségou, in Soedan-stijl. Ik ben nog niks gewend en vind hem nog best wel aardig.

We lopen eerst naar de haven. Daar is het markt. Dat is geen wonder, want het is hier overal markt. De markt is aan de rivier, die vol ligt met pinasses, zwarte langwerpige boten, kleurig beschilderd, die wel iets weg hebben van een uit de kluiten gewassen gondel. Met zo'n pinasse zullen we over een slordige week een paar dagen over de Niger gaan dobberen. De markt is een levendige bedoening. En het lijkt wel alsof hier ook echt iets verkocht wordt, in tegenstelling tot de markten waar we eerder zijn geweest en waar alleen maar verkopers leken te zijn. Er wordt hier ook vis gekocht, met name gedroogde, waarschijnlijk door de Bozo. Elke bevolkingsgroep in Mali heeft een duidelijke taak. Dat is wel zo overzichtelijk. Zo zijn de Bozo de vissers, terwijl de Peul de herders zijn.

We komen bij het kraampje van een smid. Er zitten er hier een flink aantal bij elkaar, zo lijkt het wel. Geen wonder. We blijken verzeild op de scheepswerf. Ook dat is een primitieve bedoening, waar zo op het oog vooral met tweedehands staal wordt gewerkt. Arbeiders kijken verbaasd op als wij langs komen. Een enorme opzichter zittend op zijn draadstoel ziet dat het goed is. Mopti blijkt een merkwaardige mengeling van mensen die oprecht verbaasd zijn om ons te zien, en dan ook nog eens bijzonder vriendelijk reageren, en mensen die hun diensten als gids aanbieden en soms wat lastig zijn. Wel toeristisch maar niet heel erg, blijkbaar.

We beginnen dorst te krijgen. Bij een winkeltje koop ik een koel flesje cola, en geef er ook een aan Amadou. Dat is duidelijk goed voor onze populariteit. Hij wijst ons er nog op dat het beter is om een flesje te kopen in plaats van een blikje: er zit net zo veel in, maar het is veel goedkoper. We lopen naar de overdekte markt. Beneden wordt er de wereld aan etenswaren verkocht, maar dan iets georganiseerder dan buiten. Op de muur staat een enorme Maggi-reclame geschilderd. Je ziet ze veel dit jaar. Wij worden naar de eerste etage geloodst. Daar zijn wat meer kraampjes bedoeld voor toeristen, met sieraden, kleding en trommeltjes. Ze hebben hier ook zo'n geinig trommeltje met verschillende toonhoogten die ik ook de eerste avond gezien had. Enthousiast betaal ik er te veel voor.

We gaan weer naar buiten en lopen in de richting van de moskee. Helaas zijn vrijwel alle moskees in Mali niet toegankelijk voor niet-moslims. In een huis niet ver van de moskee mogen we een kijkje nemen. Tegen betaling mogen we zelfs het dak op, waar we een nogal telerurstellend uitzicht over de stad hebben, maar ook op de vrouwen die beneden op het binnenplaatsje staan te koken. Tenslotte worden we nog een kamer in gelokt waar wij dingen mogen kopen. Dat doen we niet.

En hier eindigt onze rondleiding door Mopti. We lopen terug naar het kantoor van Ashraf Mopti waar we nog een tijdje blijven rondhangen en uitpuffen. Er is hier airconditioning. Mopti is van alle gemakken voorzien. Er is zelfs een internetcafé, niet ver van Ashraf. Dat is duidelijk onze volgende bestemming. In een apart zaaltje staan een stuk of vijf computers. Wat traag, maar het werkt wel. Uiteindelijk. Ik ben er wel even zoet.

Uiteindelijk is het al rond drieën als ik met Ellen en Babs weer naar buiten lopen. Ik heb nu wel heel erg honger. We besluiten naar Bar Bozo te lopen, een restaurant met een prachtig terras dat uitziet over de haven. Als we daar aankomen blijken we een groot gedeelte van de rest van de groep net te zijn misgelopen. Er is hier een uitgebreide menukaart, waar ook nog best wel dingen op staan die in voorraad zijn. Uiteindelijk valt mijn keuze op een spaghetti bolognese. De Fanta Cocktail hadden we al besteld.

Het is hier bijzonder aangenaam. Wij zien het leven en de markt beneden aan ons voorbij trekken en bestellen een thermosflesje thee. Een vriendelijke verkoper komt het terras opgeslenterd om ons wat fraaie sieraden aan te smeren. Hij komt er eens rustig bij zitten. Ellen is wel geinteresseerd dus we laten hem. Om iets aan te schaffen moet je in Mali de tijd nemen. Eerst eens kijken. Nog eens kijken. Niet geďnteresseerd zijn. Over koetjes en kalfjes praten. Nog eens kijken. En eindeloos onderhandelen. Vandaag speel ik de rol van kwaaie echtgenoot. Uiteindelijk gaat er een slordige 80% van de prijs af. Vriendelijk neemt de verkoper afscheid en gaat op zoek naar zijn volgende slachtoffer.

We moeten afrekenen. Vriendelijk, want het is hier aangenaam, wijs ik de joviale ober er op dat hij twee fris te weinig in rekening heeft gebracht. Hij lijkt niet helemaal te begrijpen wat er aan de hand is. Met een groepje mannen dat op het muurtje hangt wordt uitgebreid geboomd over deze merkwaardige toerist. Uiteindelijk blijkt de man het toch te gaan begrijpen. Wij willen meer betalen! Rare jongens, die Hollanders. De rest van de dag ben ik zijn Grote Vriend.

In de loop van de middag komen Jet en Imme ook het terras op. Ik schrijf wat in mijn dagboekje. Het is hier nog steeds aangenaam. Ellen en Babs gaan weer verder. Ik blijf zitten. Uiteindelijk begint het weer etenstijd te worden. Ik bestel nog een spaghetti. Uiteindelijk ga ik met Jet en Imme tegen een uur of half negen maar weer eens terug naar het hotel. Het is donker in de haven. Veel straatverlichting hebben ze hier niet. Helemaal niet eigenlijk. Behulpzame mannen die nog aan het werk zijn wijzen ons de weg naar de taxi-route. Die brengt ons voor 500 CFA weer terug naar het stadion, maar voor 2000 wil hij ons ook nog wel de laatste 100 meter brengen en afzetten voor de deur van het hotel. Want dan is het een reguliere taxirit. Wij denken dat wij het laatste stukje nog wel zelf kunnen lopen.

In het hotel blijken we de Grote Muziekavond net te hebben gemist. Er speelde vanavond een bandje, waarbij de belangrijkste attractie was al die kindertjes die aan de buitenkant van het hek hingen om over het randje te gluren en te zien wat hier allemaal gaande is. Er is nog wel mango. Mangos zijn hier overheerlijk, en zijn trouwens ook zo ongeveer de enige dingen die hier overheerlijk zijn. Sinaasappels zijn volledig uitgedroogd. Bananen zijn ook nog wel smakelijk. Maar ze halen het niet bij de mango. Dan is het tijd om naar bed te gaan.


Woensdag 30 juli 2003

Vandaag is de Grote Dag. We verlaten Mopti en starten met onze vijfdaagse Dogon-trek, een wandeling door het woongebied van de Dogon, langs een 200 kilometer rotswand, de Falaise de Bandiagara. De Dogon staan bekend om hun traditionele leefwijze en beeldhouwwerk. De komende dagen zal er dan ook geen sprake zijn van stromend water of elektriciteit. We lopen een kilometer of 8 tot 18 per dag en slapen bij lokale herbergen, op het dak. Een gedeelte van de bagage kan hier achterblijven bij Ashraf Mopti. Alles wat we wel nodig hebben, maar niet overdag, wordt meegezeuld door dragers en ezelkarren. Zij zeulen ook een paar dozen met flessen mineraalwater mee. We krijgen een eigen Dogon-gids mee, Ousmane. Onderweg zal hij voor ons koken. Ook al dat eten wordt door de dragers meegesleept.

Maar eerst nog maar eens die kant op. Wij checken uit bij het hotel. Het valt allemaal nog niet mee, want onze bagage moet nu dus in drie groepen verdeeld worden: datgene wat hier in Mopti achterblijft, dat wat met de ezelkarren mee moet en dat wat overdag op de wandeltocht met de handbagage mee mag. Ik heb dus duidelijk te weinig tassen mee. Gelukkig kan ik er een paar van Mark lenen.

We hebben vandaag een nieuw busje met chauffeur. De bus ziet er een behoorlijk stuk sjieker uit dan de vorige. Bovendien start hij gewoon als je het sleuteltje omdraait. Over de chauffeur zijn we in het verloop van de rit wat minder te spreken. Hij is nogal voorzichtig. Het grootste gedeelte van de reis slaagt hij er niet eens in de maximum snelheid te halen. Die heeft vanochtend zeker zijn Nescafé nog niet gegeten. En het is ook niet bepaald dat het nu zo druk is op straat. Wij hebben de donkerrode weg opnieuw bijna helemaal voor ons zelf. We lopen dan ook een behoorlijke vertraging op.

Uiteindelijk komen we toch in Bandiagara. Dat gaat nog via een goede, vlakke weg. In Bandiagara is er een korte stop, met name om brood voor de komende twee dagen te kopen. Vanaf Bandiagara rijden we naar het startpunt van onze trip. De weg is verdwenen. Af en toe stuiteren we alle kanten op. De chauffeur lijkt er ook niet echt op berekend om op zulke wegen te rijden. Als we bij een grote plas komen, wordt het helemaal problematisch. We moeten allemaal uitstappen, zodat de bus wat lichter wordt. Langs de kant van de weg kijken we toe hoe de bus langzaam in het water zakt. Ik ben helemaal gelukkig. Dit is ongeveer wat ik mij had voorgesteld bij het reizen in Afrika.

Maar uiteindelijk blijkt deze doortocht niet erg spectaculair. Licht teleurgesteld stappen we weer in. We hobbelen verder over een rotsvlakte met weids uitzicht, af en toe de allergrootste obstakels ontwijkend. Dan bereiken we het eerste dorp. De bus wordt uitgeladen en hobbelt weer terug naar Mopti. Voor ons is het tijd voor de siësta. Rond het middaguur wordt het hier zo warm dat het niet verstandig is je overmatig in te spannen. Zo tussen ruwweg twaalf en drie uur zullen we dan ook doorbrengen met het uitrusten onder afdakjes, luieren in luie stoelen, iets drinken, en natuurlijk eten. Vandaag zijn we wat aan de late kant, vanwege onze overdreven voorzichtige chauffeur.

We krijgen allemaal een stoel onder een rieten afdakje. Vervolgens komt er een flinke maaltijd, in grote pannen en geserveerd in origineel camping-bestek. We eten cous-cous met een prutje met daarin veel doppertjes. Het is uitermate smakelijk. Dan hangen we nog een tijdje rond. Alle kindertjes uit het dorp lijken inmiddels uitgelopen en staan nieuwsgierig te kijken. Ze vragen om onze lege PET-flessen. Die kunnen ze krijgen. Dan gaat de wandeling beginnen. Vandaag hebben we nog maar een klein stukje voor de boeg, dat flink steil naar beneden gaat. Maar eerst lopen we een stuk over een vlakke stenen ondergrond. Het is hier prachtig.

Het wemelt van de helpers, kinderen maar ook ouderen die ons allemaal wel een handje willen helpen bij een lastige beklimming of afdaling. Meestal lopen ze meer in de weg dan dat je er echt gemak van hebt, eigenlijk. Ondertussen wordt druk gepoogd om contact te leggen. Wij leren onze eerste woordjes Dogon. Een aantal dragers loopt mee met onze bagage en dozen vol bronwater die we de komende dagen zullen nuttigen. Minimaal drie liter per dag.

Hoog in de bergen zien we rotswoningen. Die waren vroeger van de Tellem, de bevolkingsgroep die hier verbleef voordat de Dogon een paar honderd jaar geleden de zaak overnamen. Hoe ze het voor elkaar kregen om hun huizen zo hoog te bouwen en dan ook nog eens daar te wonen, blijft een mysterie. In de loop van de afdaling krijgen we een prachtig uitzicht op het dorpje dat beneden ons ligt, en wat uiteindelijk de eindbestemming van vandaag zal zijn. Een paar handen vol lemen huizen lijken kris-kras in het dal gekwakt.

Niet veel later komen we aan bij de herberg. We danken al onze helpers. We mogen vannacht, en ook de komende nachten, op het dak slapen. Via een uit een boomstam gehakte trap komen we boven. De herberg levert dunne matrasjes, zelf hebben we ook nog wat luchtbedden en lakenzakken meegenomen. En onze klamboes natuurlijk. Uiteindelijk krijg ik een plaatsje aan de rand van het dak, naast Jet en Imme. Het is nog een hele toestand om mijn groene klamboe in de lucht te krijgen. Wim helpt een eindje. Een paar autochtone vrouwen die beneden zitten vermaken zich bijzonder als ik wat onhandig het trappetje weer afdaal.

Als we klaar zijn, hangen we beneden nog wat rond. Het wordt snel donker. En als het hier donker is, is het ook stikdonker. Het is een prachtig heldere nacht, bezaaid met sterren. In het donker gebruiken we de avondmaaltijd. Spaghetti. Alweer lekker. Ik slaag er uiteindelijk in om mijn zaklamp onder mijn petje te klemmen, zodat deze op mijn bord schijnt terwijl ik eet. Regelmatig is er een lichtflits aan de hemel. Dat is geen bliksem, maar het noorderlicht. We gaan niet laat naar bed. Er is hier tenslotte toch niets te beleven. Van onder mijn klamboe kijk ik nog een tijdje ademloos naar de sterrenhemel en het noorderlicht. Dan val ik in slaap.