Zondag 11 oktober 1998


Vandaag gaan we verhuizen. We pakken onze spullen in, verlaten het hotel en melden ons om 11 uur in onze casa particular, alwaar we met open armen worden ontvangen. We worden in een kamer geleid die ietwat aan de krappe kant is, maar wel een fraai, zacht bed huisvest. Na een kopje koffie gaan we de straat op. Het is vandaag zondag en veel musea en winkels zijn dicht. Nog net voor twaalf uur, als ook de dollarwinkel sluit, bemachtigen we een paar liter water en daarna lopen we naar het Museum Emilio Bacardí, inderdaad, die van de rum, welke oorspronkelijk alhier werd gebrouwen, maar na de revolutie en de daarop volgende nationalisatie, uitweek naar Puerto Rico.

[Vind hotels in Cuba!]

Onderweg bij de Cadeca lukt het de 100 pesos weer terug te wisselen naar dollars. Als we bij het museum aankomen, staat op een bord aangegeven dat het om twaalf uur sluit. Geen probleem, vindt de mevrouw achter de kassa, als we harde dollars betalen, mogen we gewoon naar binnen en net zo lang blijven als we maar willen. Na betaling van 2 dollar per persoon krijgen we een keurig toegangsbewijs voor het Museo Historico Parque Abel Santamaria.

Het museum heeft een nogal merkwaardige collectie. Op de begane grond is een verzameling relikwieën van heldhaftige Cubaanse generaals. Die verzameling neemt hier nog absurdere vormen aan dan die in het Museo de Revolución in Havana. Zo bewonderen wij het mes dat gebruikt is om sectie te verrichten op het lichaam van Jose Martí. Op de eerste etage hangt een verzameling schilderijen van Cubaanse meesters, die bij vlagen helemaal niet onaardig is. Ook zien we een aantal beelden, waaronder een zeer fraaie van de paus, niet ver van die van Che Guevara. Tenslotte, maar daar komen we pas veel later achter, is er bij een zijingang nog een archeologische afdeling, met wat mummies, andere Egyptische dingen, wat pre-Columbiaanse potjes en speerpunten en wat dies meer zij. Veel daarvan is afkomstig van giften van Cubanen, vertelt de suppoost. Want lange tijd was dit museum het enige in het land.

Na het bekijken van de eerste twee collecties belanden we bij de Artex-souvenirwinkel voor in het museum. Mevrouw licht ons uitgebreid voor over Cubaanse muziek en laat van flink wat CD's stukken horen. Ze heeft er duidelijk lol in. We kopen een CD en een bandje en danken haar hartelijk voor de informatie. Ach, het is toch een rustige dag, antwoordt ze, en wijst ons ook nog op de collectie achter de zijingang.

Na ons bezoek aan het museum lopen we verder naar het Parque Céspedes. Uiteraard worden we weer gevolgd en geroepen door jongens die wel wat willen verkopen of regelen. We gaan binnen bij het Casa de Te, voor een kopje behoorlijk gezoete thee voor slechts 15 centavos.

We maken een flinke stadswandeling richting Vista Alegre, een rijke buitenwijk. Eerst komen we door een volksbuurt. Er is hier veel groen langs de weg, en de onvermijdelijke bouwvallen, die verder van het centrum steeds hopelozer lijken te worden. Kinderen spelen met een houten zelfgemaakte step. Een mevrouw poseert bij een motor.

Na een flinke wandeling kopen we bij een kraampje een pizzaatje. Even verderop proberen we een batido, eerst maar eens eentje. Het blijkt een mengsel van papayasap, melk en gemalen ijs. Lekker, mompelen wij instemmend. Lakka, papegaait de verkoper. Wij kopen er nog eentje, en kopen daarna nog twee stukjes pudin, dat smaakt als worteltaart. Alles kost een peso.

We komen aan in Vista Alegre. In de jaren '50 was dit de rijke villawijk, maar sindsdien is ook deze wijk verrijkt met dat typische vleugje Cubaanse architectuur; verval. Veel rijke families zijn gevlucht en hebben hun huis achtergelaten. Daar zijn nu scholen, kantoren en overheidsfuncties gehuisvest.

Al snel lopen we weer terug richting centrum, via een andere route. In een parkje rusten wij op een bankje. Een man komt langs met een pak kaarten. Voor een dollar wil hij wel een kaartje voor ons leggen. Wij bedanken vriendelijk. Maar willen wij dan niet weten wat de toekomst voor ons in petto heeft? Wij bedanken iets minder vriendelijk. Spanjaarden en Italianen vinden het altijd erg leuk en zijn zeer tevreden. Wij bedanken onvriendelijk. Niet veel later komen twee vriendelijk glimlachende, sympathiek geklede jongemannen bij ons. Of ze met ons mogen praten over de Heer. Het blijken, jawel, twee Jehova's getuigen. Het wordt ook steeds gekker hier. Gelaten geven wij toestemming, want boeiend vinden we het toch ook wel weer. De oudste duikelt een bijbel op uit zijn aktentasje en reclameert voor ons een paar versen uit Timoteüs. De ander haalt twee edities van de Spaanstalige versie van de Wachttoren uit zijn vrolijk gekleurde rugzakje, en neemt ze met ons door. Hij praat wat snel, maar de essentie is ons duidelijk. En als we meer informatie willen, dan is er ongetwijfeld in Nederland ook wel een filiaal van de Jehova's. Ook wij twijfelen daar geen moment aan. Wij stellen een wedervraag. Is het in Cuba niet moeilijk om je geloof te belijden? Vroeger, in de jaren '70 en '80, was dat wel het geval. Maar sinds de komst van de paus, twee jaar geleden, is er volledige godsdienstvrijheid. Wij zijn daar nu ook volledig van overtuigd.

We lopen verder naar het centrum, bellen een laatste keer naar Nederland en staan dan weer oog in oog met Coppelia. De verleiding is te groot. Ingewikkeld is het hier wel. Eerst, althans in de zone waar wij zijn, blijk je een half uur in de rij te moeten staan voordat je bij de kassa je bestelling mag doorgeven. De enige keuze is hier twee bolletjes voor 1,10 pesos, dus bestellen we er vier. Tegen betaling krijgen we een handgeschreven bonnetje. Dan mag je aan ronde tafeltjes gaan zitten, als daar tenminste plaats is, wat meestal niet het geval is. Iemand wijst ons er op dat er op ons bonnetje ook een nummertje staat. Die nummertjes worden door de serveerster afgeroepen, ze neemt vervolgens het bonnetje mee en haalt voor een aantal mensen de bestelling. Wij worden al snel aan een tafeltje gepoot en ons bonnetje wordt onmiddellijk meegenomen. We zijn tenslotte buitenlanders.

We gaan terug naar huis. Om half acht staat het eten op tafel en het is overheerlijk. De rijst is bijzonder smakelijk, de kip gekruid, en we krijgen sap, avocado, komkommer, banaan, sinaasappel, bonito, dat is een soort zoete aardappel, mandarijn en kalebas. Na het eten maakt Christa nog een praatje met de heer des huizes. Er zijn hier al veel Nederlanders geweest, vertelt hij. En bijna allemaal vinden ze Santiago veel leuker dan Havana. In Santiago gebeurt het. Terwijl in Havana de revolutie uitbrak, waren ze in Havana nog aan het dansen. Al door de eeuwen is de bevolking van Santiago opstandig geweest. Geldt dat nu nog steeds? probeert Christa. Ah. Vandaag de dag is het niet meer nodig om opstandig te zijn, antwoordt hij braaf.

Rond half tien doen we een nieuwe poging het Casa de la Trova te bereiken. De disco blaast al weer, en buiten vermaken veel Cubaanse jongeren zich een goedkoper dan binnen. Maar we kunnen er door. Het Casa de la Trova is een stuk verderop en vrij klein. Vanavond is er een bus bejaarde Fransen losgelaten. De presentator heet hen van harte welkom. We hebben vanavond een uitstekende groep van 6 man sterk die begint met wat traditionele muziek, en via salsa en andere dansmuziek uitkomt bij een kwartier durende uitvoering van Guajita Guantanamera. Om middernacht is het feest ten einde.


Maandag 12 oktober 1998


Weer wat later op. Het ontbijt is overheerlijk met een fijn gekruid omeletje, voor ons gebakken door meneer persoonlijk. Rond een uur zijn we weer de straat op.  Op het programma staat een bezoek aan de Moncado barakken, waar in 1953 een mislukte aanslag werd gepleegd door een groep van 121 man, onder leiding van Abel Santamaria en Fidel Castro. De kogelgaten aan de voorkant van de barakken zijn destijds weer opgevuld, maar na het slagen van de revolutie weer keurig opnieuw aangebracht. We betalen een dollar per persoon en krijgen een keurig toegangsbewijs voor het Museo Frank País.

De hele historie van de 26e juli 1953, en alles wat daar vooraf ging en na kwam, wordt door de expositie in geuren en kleuren verteld. Uiteraard zijn er weer de verschoten broeken en andere gebruiksartikelen van hen die aan de opstand hebben deelgenomen. Ook zijn er veel krantenknipsels die uitgebreid over de opstanden en onrust in het land berichten. Dat is toch opmerkelijk vinden wij, want dat betekent op zijn minst dat er onder Batista een aanzienlijk grotere persvrijheid was dan nu onder Castro. Wij zien fraaie maquettes van hoe een rij revolutionaire auto's onder leiding van Fidel hier voorreed, een ander groepje onder leiding van Raul opereerde vanuit het naastgelegen paleis van Justitie en een derde groep onder leiding van Santamaria vanuit het ziekenhuis. De aanval mislukte omdat men bij toeval de rij auto's van Fidel ontdekte. Een aantal revolutionairen kwam al bij de actie zelf om het leven. Een flinke groep werd gevangen genomen en doodgemarteld. Een andere groep, waaronder de broertjes Castro, wist in eerste instantie te vluchten, maar werd een paar weken later opgepakt. Onder druk van de publieke opinie kregen zij wel een rechtszaak. Bij die gelegenheid voerde Fidel, niet voor niets afgestudeerd jurist, zijn eigen verdediging, wat leidde tot zijn in Cuba inmiddels heilig verklaarde De-Geschiedenis-Zal-Mij-Vrijspreken speech. Hij werd tot 15 jaar cel veroordeeld maar kreeg na ruim een jaar al gratie in een poging van Batista om, na corrupte verkiezingen, de publieke opinie weer achter zich te krijgen. Castro vluchtte naar Mexico, verzamelde daar een groep revolutionairen, waaronder Che Guevara, die met de Granma eind 1956 aan de Cubaanse kust landen en vanuit de bergen ruim twee jaar een guerillastrijd voerden die uiteindelijk op 1 januari 1959 tot de vlucht van Batista, en daarmee de overwinning leidde. Aan het eind van de tentoonstelling zien we de juichende koppen die destijds in de Castro-gezinde kranten stonden. Met name het "Alle stranden voor het volk!" vinden we wel hevig ironisch, gezien wat er nu van Varadero is geworden.

Coppelia blijkt vandaag gesloten. Na ons bezoek aan de barakken drinken we daarom maar een kopje thee in een krakkemikkige volkscafetaria aan de overkant van de straat. We kopen elders nog wat water en een gebakje op de hoek en gaan weer naar huis.

's Avonds gaan we nog even op visite bij onze pizza-bakker. Het is kwart voor elf, maar de pizza-verkoop begint nog maar net. Mevrouw moet morgen om zeven uur al weer voor de klas staan, en haar lessen nog voorbereiden, dus ze maakt het niet te laat. Ze willen niet op de foto, want ze zijn niet mooi aangekleed, vinden ze. Ze beloven een foto te sturen. Rond middernacht gaan we weer naar huis.


Dinsdag 13 oktober 1998


Om half zeven moeten we al opstaan. Het ontbijt staat keurig op tijd weer gereed. We rekenen af en geven een paar klompjes. De privé-taxi die we via de huisbaas hadden gereserveerd, is er om tien voor acht nog steeds niet, dus haalt hij hem zelf maar op. Vergeten, verontschuldigt de chauffeur zich. We nemen afscheid en rijden naar het station, waar we niet lang naar achten aankomen.

Ons mannetje staat er al. Hij is druk in de weer met een Engelstalige handleiding voor een matrix-printer, zojuist door het station aangeschaft. We hebben geluk, want hij moet zelf ook naar Holguin, om nog een boekje van de printer op te halen dat ze vergeten waren te sturen. Voor Marco haalt hij boven een kopje koffie. Het kost niets.

Al om half negen kunnen we in de trein stappen. We krijgen de beste plaatsen, beweert ons mannetje, in de eerste wagon, rechts achteraan. Schuin achter ons, bij een ander zitje voor vier personen, worden broodjes en drinken verkocht, zodat er het eerste uur een hele rij Cubanen naast ons staan. Ons mannetje zit tegenover ons, en geeft af en toe de plaatsen door waar we doorheen rijden.

De trein vertrekt zo maar op tijd. We rijden door heuvelachtig gebied met weer veel suikerrietplantages. Na ongeveer een uur, als we net weer een station uit rijden, klinkt plotseling een knal, als of we een klapband hebben. De trein komt tot stilstand. De wagon is losgeschoten, vertelt ons mannetje. Maar het duurt niet langer dan een minuut voordat dat weer in orde is. Het blijkt nog te kloppen ook.

Hier is laatst een ernstig ongeluk gebeurd, vertelt ons mannetje als we al weer een stuk verder zijn. Een bus reed op de spoorbaan af. Er kwam een trein aan, maar de bus reed door. De trein schepte de bus. Zestig doden. Waarschijnlijk was de chauffeur dronken. Passagiers zeiden nog dat hij moest stoppen, maar hij reed gewoon door. Het was de zesde keer dat zo'n ernstig ongeluk was gebeurd op Cuba. Vooral over de snelwegen rijden is gevaarlijk. Het gebeurt vaak dat automobilisten te veel rum hebben gedronken, ook al is dat niet toegestaan.

 Tot onze grote verbazing komen we om kwart over twaalf, nota bene tien minuten te vroeg aan in Holguin. Cuba blijft verbazen. Ons mannetje neemt ons mee naar onze casa, vlakbij het station, in een fraai, nog net vrijstaand huis. Mevrouw is momenteel niet aanwezig, zo blijkt, maar de werkster wel. De kamers zijn boven, ruim en met nog een tafeltje. Het kost 20 dollar. Dat vinden wij een beetje veel, vooral omdat ons 12 dollar beloofd was. Uiteindelijk worden we het eens over 15.

We geven ons mannetje een dollar voor de goede zorgen, hij gaat er weer van door en wij puffen uit op onze geairconditionde kamer. We hebben zo maar een halve dag langer te besteden dan waar we op gerekend hadden. Als we rond tweeën weer beneden komen is mevrouw ook weer thuis. Ze heet ons van harte welkom en voor twee en vier dollar mogen we ontbijten en dineren.

We verkennen de stad. Holguin is een aardig stadje, met veel witte en andere lichtgekleurde huizen, en veel pleintjes. De leusdichtheid is hier ook vrij hoog. En het wemelt van de verkopertjes op straat. Bij een man met een grote metalen bak kopen wij een granizado, gemalen ijs met een smaakje. De fietstaxis hier hebben één zitplaats naast de fietser, en eentje er achter, plus een geinig parasolletje er tussen. Wij lopen verschillende winkeltjes in. Een winkel die zich aankondigt als La Moda Cubana is vrijwel geheel leeg. Treffend. In veel winkeltjes zijn nagellaksters actief. In een internationale boekhandel worden we door de verkoper in gebroken Nederlands aangesproken. Hij spreekt veel talen wel een beetje, zo vertelt hij. Dat leert hij thuis, gewoon, voor de lol. Ze hebben ook nog een boekje in het Nederlands, van Fidel Castro. Ook mogen we wel souvenirs en sigaren kopen. Het internationale gehalte van de boekhandel beperkt zich verder tot werken van Castro en Jose Marti. Bij de bioscoop even verderop hangt de mededeling dat als tijdens de film de stroom uitvalt, je bij de kassa een waardebon kunt halen waarmee je binnen dertig dagen nog eens mag. Op een terrasje drinken we een paar glaasjes limonade voor 25 centavos per stuk.

We zijn erg moe en gaan om een uur of vijf weer naar huis om een dutje te doen. Rond half acht is het avondeten gereed, zonder de beloofde vruchten, maar die zijn er morgen weer, zo wordt ons beloofd. Verder smaakt het eten prima. 's Avonds lezen we nog wat en gaan niet te laat naar bed.


Woensdag 14 oktober 1998


Uitslapen. Als we opstaan is mevrouw reeds verdwenen, maar haar zoon en een andere jongen van ruwweg dezelfde leeftijd, wiens rol verder onduidelijk is, zorgen voor het ontbijt. We lopen weer de stad in. Op het plein worden we bedolven onder souvenirverkopers en ander volk dat wel iets van ons wil. Snel lopen we verder, hier en daar een refresco of ander vloeistof consumerend.

We beklimmen vandaag de Loma de la Cruz, een heuvel aan de noordkant van de stad. Het is behoorlijk bewolkt. Holguin is een vrije rijke stad, merken we als we die kant op lopen. Voor Cubaanse begrippen dan, natuurlijk. De huizen zien er vrij goed, en groot, uit. Regelmatig zien we op uithangbordjes dat we kamers kunnen huren. Aan de voet van de heuvel worden we al weer lastig gevallen door drie, vier jongens die wanhopig proberen een praatje aan te knopen. Het wil niet erg lukken.

Wij beklimmen aan de moeizame beklimming van de 460 steile treden. Na elke 25 treden staan er twee bankjes waar je uit kunt puffen. Het is heet en de trap ligt in de felle zon. Na veel rusten en doorzetten komen we dan toch boven, alwaar wij worden beloond met fraaie uitzichten en drie, vier jongens die wanhopig proberen een praatje met ons aan te knopen. Naar beneden gaat een stuk sneller dan omhoog. Eenmaal beneden zien we een vrouw die haar varken uitlaat, keurig aangelijnd. We lopen terug naar het centrum.

Bij Cafeteria Holguin, waar we gister ook zaten, nemen we een handvol refresco's en glaasjes water. We zijn behoorlijk uitgeput na onze beklimming en lopen terug naar huis. Er is weer fruit, en meteen krijgen we een schaal vol aangeboden, waarschijnlijk ter compensatie van het ontbrekende fruit gisteravond en vanochtend.

Tegen zes uur valt de stroom uit. Beneden hebben ze nog wel een oplaadbare noodlamp, die we kunnen gebruiken. Gebeurt het hier wel vaker, dat de stroom uitvalt?, vragen we de vrouw des huizes. Af en toe, is het diplomatieke antwoord. Van de elektrische wekkerradio op onze slaapkamer weten we sowieso dat het gisteren ook al een keer gebeurd is.

Even na zevenen wordt ons avondeten geserveerd, en onder het knusse schijnsel van de noodverlichting werken wij het na binnen. Na ruim een uur stroomstoring floept alles weer aan. Tegen negenen gaan we de straat op, gewapend met een zaklantaarn, voor een laatste bezoek aan een Casa de la Trova. Van de aankondiging begrijpen we dat het hier om negen uur begint. Om kwart over negen is er echter nog geen kip te bekennen. Om kwart voor tien is er muziek, vertelt het personeel. Dan proberen we maar ergens anders een ijsje te halen. Die blijken overal uitverkocht. Dan maar naar een andere kroeg. Die blijken allemaal vol. Uiteindelijk kunnen we alleen nog bij cafetaria Holguin terecht voor onze welverdiende refresco's.

Om kwart over tien is er wat meer leven in het Casa de la Trova. Het podium is nog leeg, maar er staat een bandje op. Pas na half elf gebeurt er iets. Een oud mannetje komt binnengelopen en er wordt een stekker onder in zijn akoestische gitaar geplugd. De geluidsinstallatie wordt aangezet en produceert een vreselijke bak ruis. Meneer mag drie liedjes zingen, wat, mede door de installatie, zo beroerd klinkt dat het haast grappig is. Tijdens het derde liedje gaat de bedrijfsleider enthousiast mee sambaballen en guagua-en en de rest van het publiek weet de man zo ongeveer van het podium af te klappen. Daarna gaat het bandje weer aan. We gaan maar naar huis.


Donderdag 15 oktober 1998


De laatste dag in Cuba. Om half tien staan we op en pakken rustig onze bagage in. Een uurtje later zitten we beneden aan het ontbijt. We rekenen af en krijgen van mevrouw nog haar visitekaartje mee, en om vijf voor twaalf staat er een taxi met geel nummerbord gereed om ons naar de luchthaven te brengen. Ook bij vertrek levert de douane geen problemen op en we krijgen zelfs een stempeltje in ons paspoort.

Achter de douane is beneden een grote tax-free winkel. Boven is een terras waar de rest van de passagiers al zit te wachten onder het genot van de tonen van een buitengewoon plastic en nep Cubaans bandje met drumstel en elektronisch orgeltje. De overige passagiers zijn waarschijnlijk voor het grootste gedeelte afkomstig uit badplaats Guardalavaca. Ze zien er behoorlijk geblondeerd en vies-bruin uit, en hebben zojuist een zorgeloze vakantie achter de rug, met als enige potentiële probleem dat de beauty-case te groot is om als handbagage mee te nemen. De overgang is ons iets te abrupt.

Keurig op tijd gaan we de lucht in. In minder dan een uur zijn we in Montego Bay, Jamaica. Daar worden we weer een uurtje losgelaten. Om tien over vier stijgen we weer op. Van schrik zijn we zo maar een uur te vroeg terug op Schiphol.