Zondag 4 oktober 1998


Onze eerste dag in Trinidad. Om kwart over negen gaat de wekker. Wij hebben als een blok geslapen. Het ontbijt alhier bestaat uit een broodje met vlees, een flink stuk in stukjes gesneden papaya, meer gesneden brood met boter, vruchtensap, koffie en warme melk. Wij speculeren dat het de bedoeling is om die laatste twee gezamenlijk te drinken, en doen dat dus maar. Na het eten neemt Manuel ons mee naar het platte dak, waar een fraai terras met vier witte schommelstoelen is, en druk gebouwd wordt aan een aantal nieuwe kamers met eigen douche en toilet, en eigen opgang. Maar het duurt nog wel een paar maanden voordat dat af is. Tegen die tijd neemt de familie de hele benedenverdieping in gebruik.

Trinidad is een bijzonder aardig koloniaal stadje met kinderkopjes in de straten en relatief veel toeristen. We lopen over het Plaza Major, langs de kathedraal en langs de plek waar eerst een mis werd gehouden alvorens de stad werd gesticht. De stad was zo eind vorige eeuw een centrum van de suikerproductie, maar toen de slavernij werd afgeschaft ging het allemaal ineens een stuk minder en verlieten de inwoners de stad. We kuieren over de toeristenmarkt en lopen langs het gebouw dat destijds door de Spanjaarden als gevangenis werd gebruikt. We constateren dat er, met name in Santa Clara, in vrijwel elk huis wel een portret van Che Guevara hangt. En op veel plaatsen een portret van de paus buiten. Dat vinden wij wel een komische combinatie. Dan klauteren we omhoog naar Motel las Cuevas, vanwaar je een mooi uitzicht hebt over de stad en de zee er achter.

Het is inmiddels drie uur geweest en we gaan naar huis om uit te rusten en de hitte te ontvluchten. Van onze gastvrouw krijgen we een paar glazen limoensap met suiker en gemalen ijs. Zeer verfrissend. Onze kamer blijkt loeiheet, maar op het dakterras is het aangenaam toeven. Als tegen half acht de duisternis invalt, floept het lampje aan en geurt het avondeten ons al tegemoet. Niet veel later kunnen we aanschuiven. Op het menu staat vanavond varkensvlees, met rijst en zwarte bonen, kalebas en avocado, en verse druivensap. Het smaakt prima.

Na het eten buiken we uit en gaan dan nog even naar het centrum. Van Manuel krijgen we de sleutel mee.  Op een straathoek onder de schaarse verlichting komen we twee toeristen tegen die ook zwoegen met het plattegrondje uit de Lonely Planet. Het blijken Andy en Fabriza, een Nederlander en een Italiaanse, allebei woonachtig in, nota bene, Groningen. Ze werken in het scheikundegebouw, tegenover het gebouw waar Marco werkt, en wonen een paar straten verderop. Ze hebben gedurende twee weken een auto gehuurd, maar de NBBS heeft ze daarbij vervolgens ook hotels aangesmeerd. Daar zijn ze nu minder blij mee.

Gevieren gaan we daar het Casa de la Trova, de plek in Trinidad waar oude Cubaanse muziek wordt gespeeld. De voorstelling begint over een half uurtje, om tien uur, wordt ons verteld. En dat blijkt nog te kloppen ook. Een achttal Cubaanse muzikanten begint te spelen. Een oud mannetje opent de dans. Hij komt ook naar ons tafeltje. Als blijkt dat Fabriza Italiaanse is, komt hij op de proppen met de Italiaans-talige bijsluiter van een medicijn, voor de vader van een vriendin. De man blijkt René, 82 jaar oud, en dansleraar in Trinidad. Hij vraagt Fabriza ten dans. Daarna mag Christa ook. Niet lang daarna komt René opdraven met foto's van zijn zoon in Italië en Duitsland. René heeft meer dan 90 foto's en kaarten van vrouwen van over de hele wereld waar hij mee gedanst heeft. We mogen ze allemaal zien. In een notitieboekje wordt genoteerd wie Fabriza was, ze wordt om haar adres gevraagd, en er wordt aantekening gemaakt van het feit dat er foto's van gemaakt zijn. René vraagt ze op te sturen.

Rond middernacht verlaten wij het pand. Andy en Fabriza gaan dinsdag ook naar Camagüey, dus waarschijnlijk kunnen we meerijden. We spreken af om een uur of twee 's middags. Om half een zijn we weer thuis. Manuel zit nog televisie te kijken. Wij gaan naar bed.


Maandag 5 oktober 1998


Vandaag kunnen we eindelijk weer eens uitslapen. Tegen kwart over elf komen we ons bed uit, en tegen lunchtijd zijn we toe aan ons ontbijt. Vandaag drentelen we nog wat rond in Trinidad. Via wat omwegen door het nieuwe gedeelte lopen we naar Parque Céspedes. Dat nieuwe gedeelte van Trinidad heeft een redelijk fatsoenlijke bestrating. Aan de voorkant van de huizen zit meestal een groot ijzeren hek, waardoor je rechtstreeks de schamele woonkamer in kijkt. En meestal zit er ook nog wel iemand voor dat hek vanuit de woonkamer naar buiten te kijken. De meeste woonkamers bestaan uit een kale vloer, wat aftandse rieten meubels, een tafeltje en een televisie in de hoek. Af en toe staat er in de hoek van de kamer nog een fiets, of een motor met zijspan geparkeerd.

Wij lopen langs de bibliotheek en mogen binnen een kijkje nemen. Het staat stampvol met vergeelde boeken. Wij belanden bij de afdeling economie, die louter bestaat uit politiek correcte boeken uit de jaren '60 en '70, soms geschreven door Cubanen, maar meestal vertaald uit het Russisch. Ook bij de romans zijn de Russische auteurs zeer in trek.

In het parkje, het is eigenlijk meer een plein, overdekt een fraaie bomenrij een wandelpaadje met veel bankjes. Op een rond pleintje in het midden, ook beschut door groen, gaan wij op een van de acht bankjes zitten. Dan vervolgen wij onze weg naar Plaza Santa Ana, geen plein maar de voormalige Spaanse gevangenis, waar nu een aantal winkeltjes voor toeristen zijn. Als we net binnen zijn volgt er buiten een hoosbui. Wij kopen een aantal sigaren, een pakje sap en kijken naar de andere prullaria die men hier aan toeristen probeert te slijten. Door het oude stadsgedeelte lopen we naar het Plaza Mayor.

Het oude Trinidad wordt beschermd door Unesco. De straten zijn geplaveid met kinderkopjes en hier en daar zijn wat huizen zelfs opgeschilderd in fraaie kleuren. Ook zijn er hier opvallend veel souvenirwinkeltjes. Bij het Plaza Mayor worden we aangesproken door een jonge vrouw. Als duidelijk is dat we al een casa particular hebben, en ook geen behoefte hebben aan een restaurant, vraagt ze ons of we ook een stukje zeep hebben, en zo niet, dat voor haar willen kopen. Even later stelt iemand anders dezelfde vraag. Als we al weer terug zijn in onze eigen straat, vertelt een man op een fiets dat hij wel een casa particular voor ons heeft. Die hebben we al, antwoorden we. Mijn huis is in deze straat, gaat hij onverstoorbaar verder. Dat van ons ook, antwoordt Christa. In mijn huis kun je uitgebreid eten voor 6 dollar, probeert de man nog eens. In ons huis voor 5, antwoordt Christa.

Even na vieren zijn we weer thuis. Wij genieten van de enigszins bewolkte lucht op ons dakterras en Manuel brengt ons sinaasappelsap met ijs. Hij vertelt dat je in Cuba in gewone huizen geen computer mag hebben. Alle vormen van communicatie blijken wat problematisch. Mobiele telefoons zijn er ook niet. Maar hun huis staat wel op Internet. Dat heeft een Belg daar opgezet. Een hoosbui drijft ons weer de keuken in. Daar vertelt Lucia dat haar twee zonen weer terug zijn naar de stad, waar ze allebei studeren. Eens in de twee weken komen ze thuis. De staat financiert verder hun huisvesting en eten. Zelf doceerde ze tot vorig jaar geschiedenis op de middelbare school.

Even na half acht staat het eten weer voor ons opgediend. Vandaag eten we kip, en rijst met zwarte bonen, wat sperzieboontjes, tomaatjes, sinaasappel, druivensap en een aantal groenten die we niet thuis kunnen brengen. Een lijkt op en smaakt als schijfjes gebakken aardappel, maar is zoeter. Een ander lijkt op iets als flinke groene pepers, maar is het niet. Later leren we dat dat in het Nederlands okra heet.

Na het eten trekken wij weer naar het balkon. Het is flink afgekoeld na beide buien, en er schijnt een volle maan. We lezen wat en dan komt Manuel weer een praatje maken. Het schijnt dat Italiaanse toeristen een erg slechte naam hebben in Cuba. Ze komen alleen maar voor de vrouwen, of prostituees, en komen dan ook vaak in de problemen. In zijn huis wil hij om die reden dan ook geen Cubanen. Ten eerste omdat hij een fatsoenlijk huis heeft, en ten tweede omdat er dan een goeie kans is dat ze de toeristen beroven, terwijl hij daar verantwoordelijk voor is. Als er Cubanen in zijn huis willen, betalen ze maar gewoon.


Dinsdag 6 oktober 1998


Inpakken. We eten ons ontbijt, dit keer met veel sinaasappel, rekenen af, geven een paar klompjes, en zijn na elven klaar om nog even Trinidad in te gaan. Ergens in een straatje staan 6 Cubanen, Los Pinos, te spelen. Wij blijven een tijdje zitten luisteren. Even later zien we Andy en Fabriza er ook. We spreken af om een uurtje eerder naar Camagüey te gaan. We hebben nog net even tijd om op de markt te kijken, en naar het Museo Histórico Municipal te gaan. Dat is een huis waar vroeger een rijke Duitser woonde, maar dat nu is ingericht ter meerdere eer en glorie van de rijke historie van Trinidad. Er zijn zelfs bijschriften in het Engels, al zijn die wel erg koddig en vrijwel letterlijk vertaald. Er zijn wat foutjes in de Engelse tekst, erkent een van de suppoosten, maar degene die het vertaald heeft, sprak nog niet zo goed Engels. Ze maakt meteen van de gelegenheid gebruik om te informeren of we wellicht geïnteresseerd zijn in een aantal originele Cubaanse bankbiljetten.

Trinidad, zo leren wij, is een van de zeven steden die in 1514 door Diego Velazquez op Cuba gesticht zijn. De suikerindustrie was erg belangrijk, met name ten tijde van de slavernij. Toen dat systeem echter aan zijn eigen sociaal-economische tegenstellingen ten onder ging, ging het een stuk minder. Het leukste aan het museum is eigenlijk nog wel het torentje vanwaar je, na het beklimmen van een aantal verdraaid smalle trappetjes, een fraai uitzicht over Trinidad hebt. Op de weg terug naar huis nemen we een foto van een schoolklas die een middagdutje doet.

Om klokslag een uur zijn we weer thuis. We krijgen een adres in Camagüey, en meteen maar een brief mee die we aldaar kunnen afleveren. Niet lang daarna staat onze auto met chauffeur klaar. Wij laten nog even onze casa zien en dan gaan we op naar Camagüey. De hele familie zwaait ons uit. Onderweg is er weinig verkeer. Af en toe zien we een gerecycled plaatsnaambordje, waarvan de achterkant al eens eerder voor een andere plaats is gebruikt. De weg is prima. In de loop van de middag komen we weer aan in  Sancti Spiritus, en passeren we ons geliefde busstation. In het centrum van de stad kijken we een uurtje rond. We zetten de auto op het plein en kijken in een klein museumpje.

We lopen langs een schooltje en een stukje door het oude, met kinderkopjes geplaveide gedeelte van de stad. Dat stelt niet zo veel voor. Op de weg terug passeren we een economische school, bij navraag blijkt het een soort MEAO, waar op dit moment typeles wordt genoten. Er zitten zo'n 600 leerlingen op deze school, zo wordt ons verteld. Een van de vakken die op het programma staan, is "Marketing, mode of noodzaak?".

De auto staat nog veilig op het plein, en we rijden verder naar  Camagüey, alwaar we om half zeven aankomen. Andy en Fabriza hebben inmiddels besloten om ook maar eens naar een casa particular te gaan, en gaan mee naar ons adres. Zwaaiend met de brief en vragend aan veel argeloze voorbijgangers weten we uiteindelijk onze casa te bereiken, in een buitenwijk net voorbij het station. Christa belt aan en de rondbuikige eigenaar komt ons tegemoet. Hij heeft momenteel nog maar één tweepersoons kamer vrij, maar de anderen kan hij wel bij de buren kwijt.

Onze nieuwe huis is buitengewoon smakeloos ingericht met een overdaad aan kitscherige prullaria. Dit is waarschijnlijk een rijke familie. Een twintig dagen oud baby'tje rust uit op de schouder van zijn/haar moeder. De kamer alhier kost twintig dollar, maar dan heb je wel airconditioning, televisie, een koelkast, en twee kitscherige schemerlampjes op twee dito tafeltjes op een eveneens dito tegelvloer. Bovendien is er in het achtertuintje een zwembadje. De twee met schattige franje afgezette kussentjes zijn al net zo kogelrond als de buik van de uitbater. De badkamer verschaft tevens toegang tot de kamer van de andere gasten die hier ook verblijven, en vice versa. Vanaf de buitenkant kan je onze badkamerdeur wel met een sleuteltje op slot draaien, maar die kan je dan vanaf de binnenkant net zo hard weer opendraaien. Wij vinden dat niet zo'n goed idee en zetten 's avonds ons eigen slotje op de buitenkant van de deur.

Onze personalia worden genoteerd, we hadden verteld dat we twee á drie nachten zouden blijven, en de eigenaar vraagt ons om die twee nachten maar alvast vooruit te betalen. Tja, want met Nederlanders en Duitsers heeft hij nooit problemen, maar Italianen weigeren nogal eens te betalen, of zijn zo ineens verdwenen. Het ontbijt kost hier 3 dollar per persoon, het avondeten 8. Vanavond gaan we maar in het centrum eten.

Tegen achten rijden we gevieren weer naar het centrum. Wij hebben besloten te gaan eten in restaurant La Campana de Toledo, op het Plaza San Juan de Dios. Dat valt nog niet mee. Camagüey heeft een volstrekt onbegrijpelijk stratenplan, dat oorspronkelijk ook ontworpen schijnt om mogelijke aanvallers in verwarring te brengen. Bij ons lukt dat in elk geval. Wij zetten de auto op een donker pleintje waarvan we hopen dat het het juiste is, of op z'n minst daar in de buurt. Twee jongens op fiets die daar rondhangen vertellen ons dat het restaurant waar wij heen willen veel te duur is en bovendien gesloten. Maar zij weten wel iets beters, waar je voor zes dollar all-in kunt eten. Maar eerst weten ze wel een betere plek om de auto te parkeren.

Wij laten ons mee leiden naar een ander plein waar inderdaad een wacht staat om op de auto te passen en zelfs op een verdraaid imposant klembord de gegevens van de chauffeur noteert. De service kost 1 dollar, die achteraf betaald mag worden. De jongens brengen ons naar een willekeurig uitziend woonhuis, waar we eerst de trap op moeten, maar daar staat toch inderdaad restaurant op de muur geverfd. Half in de openlucht staan daar drie keukentafeltjes met vier stoelen, precies het toegestane aantal van 12 zitplaatsen dus. Een mevrouw geeft het menu door. We hebben varken met rijst en salade voor 6 dollar, vis met hetzelfde voor 8, en garnalen en kreeft zijn allebei 10. Wij nemen twee varkens en twee vissen.

Het eten smaakt. Bij wijze van toetje gebruiken wij een grote schaal met verschillende soorten fruit en tenslotte een kopje Cubaanse koffie; beresterk met veel suiker. Na het eten is het de bedoeling nog even in de stad rond te kijken, maar we raken het spoor totaal bijster. Er zijn nogal veel pleinen en pleintjes in Camagüey die verdraaid veel op elkaar lijken en middels kronkelige straatjes met elkaar zijn verbonden. We lopen een keer of drie door dezelfde dure winkelstraat en vinden uiteindelijk na een paar keer vragen het pleintje waar we eigenlijk heen wilden, maar daar valt ook weinig te beleven. We zoeken de auto maar weer op en dat lukt, met wat moeite. Eenmaal in de auto rijden we straal de verkeerde kant op, passeren eenrichtingsbruggen van de verkeerde kant, nog wat andere wegen op dezelfde manier, fietsers vliegen alle kanten op en dan hebben de Cubanen er genoeg van. Ongeveer tegelijkertijd vragen een oud mannetje en een jongen op een fiets waar we heen willen. Naar het station, antwoorden wij. Rij maar achter mij aan, zegt de fietser. Met hoge snelheid crosst hij feilloos door alle eenrichtingsweggetjes naar het station. Hij krijgt een dollar, maar wil ons nog wel verder brengen. Wij zeggen dat dat niet nodig is, maar hij achtervolgt ons toch tot ons huis. Om half een liggen we in bed.


Woensdag 7 oktober 1998


De wekker gaat om negen uur, maar we zijn een half uurtje eerder al wakker. We spelen nog een paar keer met ons ene schemerlampje; hij kan drie lichtsterktes afgeven, en elke keer als je het metaal aanraakt, schijnt-ie wat feller en gaat vervolgens uit. De douche levert weinig tot geen warm water. Als we ons tegen half tien melden aan het ontbijt, zitten Andy en Fabriza al te eten. Om onduidelijke redenen kunnen zij het ontbijt niet in hun eigen huis gebruiken. Het ontbijt bestaat uit een omelet, ham, wat brood, ananas en papaya, koffie met warme melk, en een vrij zuinig glaasje papayasap.

Wij lopen naar het station om uit te zoeken hoe laat de treinen naar Santiago de Cuba gaan. Het station bestaat uit twee langgerekte gebouwen. In het een mogen Cubanen hun kaartje kopen. Daar hangt ook een dienstregeling, waarvan wij ook de indruk krijgen dat naast de ons reeds bekende trein die om een uur of half een 's nachts vertrekt en vervolgens rond vijven in Santiago de Cuba aankomt, er ook een trein is die om half tien 's ochtends vertrekt. We worden naar het andere gebouw gestuurd waar men kaartjes voor buitenlanders schijnt te verkopen. Daar brengt iemand ons naar de chef, die weer naar de zijkant van het eerste gebouw wijst. Daar zijn twee kantoortjes, en een man neemt ons mee naar een aparte kamer, waar hij achter zij bureau gaat zitten, ons uitnodigt te gaan zitten en vragen wat wij willen. Morgenochtend om half tien naar Santiago de Cuba. Ach, jammer, helaas, die trein is vanochtend reeds vertrokken en gaat slechts eens per twee dagen. Goed, dan nemen we die van overmorgen wel. Het is ons bekend dat er om half een 's nachts ook een trein vertrekt? Dat is een luxe-trein met water aan boord en zo, en die rijdt ook veel sneller. De trein die wij willen is eigenlijk een trein voor arbeiders, stopt op elk station, en komt pas om half vijf aan. In die trein kun je ook geen plaatsen reserveren. Maar ja, het voordeel van die trein is natuurlijk wel dat je naar buiten kunt kijken, en dat kan in de nachttrein niet. En in de nachttrein kun je ook niet echt slapen. Aha. Natuurlijk. Uiteraard. Dan willen wij toch graag de ochtendtrein van overmorgen. Prima. Dan moeten wij ons die dag gewoon om half negen alhier melden.

Na dit staaltje Cubaanse klantvriendelijkheid lopen we weer verder het centrum in. Op een pleintje bewonderen we een kerk en een oud mannetje aldaar vertelt ons hoe de kerk heet, dat ie nu dicht is, maar vanmiddag om vier uur weer open gaat, en dat hij bovendien erg arm is en honger heeft. Voor deze nuttige informatie geven we de man een peso. Op het grote plein verderop genieten we een tijdje op een bankje in de schaduw van de mensen die voorbij gaan. Bij een grote dollarwinkel verderop verbazen we ons opnieuw over de absurde prijzen. Huishoudelijke artikelen en electronica kost hier al gauw ruwweg hetzelfde als in Nederland, maar dan wel in dollars. Het is vrij cynisch; de dollars die de bevolking waarschijnlijk vaak op illegale wijze verkrijgt, kunnen alleen maar worden uitgegeven in door de staat gerunde dollarwinkels, waar diezelfde staat de prijzen vervolgens op een stevig niveau zet. Naar het schijnt worden vrijwel alle goederen geïmporteerd uit een belastingvrije zone in Panama.

Wij kopen een pak perensap, dat wij zittend op de trottoirband opdrinken. Al snel worden we echter gewenkt door een mevrouw in een boekwinkel daar recht tegenover, waar we op twee stoeltjes aan een tafeltje wel verder mogen drinken. We krijgen ook nog een foldertje over de provincie. Wij snuffelen uitgebreid rond in de boekwinkel, en zien overwegend politiek-correcte boeken, weer een hele stapel boeken over Che Guevara, en ook nog wat Gabriel Garcia Marquez. De prijzen blijken toch in pesos, zodat de laatste slechts een gulden kost. Bij een dollarbakkerij kopen we een paar kleine gebakjes en wat brood.

We drentelen nog verder door de straten, nemen hier en daar wat foto's, bijvoorbeeld van een oud mannetje op een krukje voor zijn huis, die ons uitgebreid bedankt voor het maken van de foto. Dan lopen we weer richting huis. Onderweg kopen we een nieuwe telefoonkaart bij zijn hypermoderne en ultra-koele telefoonwinkel, al wordt de administratie nog steeds op kaartjes gedaan.

Rond drieën zijn we weer thuis. Van de werkster krijgen we een glaasje water. De rest van de middag brengen wij door in en rond het zwembadje. Ons toilet is druk in renovatie. Hij is verstopt omdat hij geen toiletpapier kan verwerken. Dat moeten wij in de afvalemmer naast het toilet gooien. Als wij allebei in het zwembadje liggen, komt de gastheer hoogstpersoonlijk een glaasje papayasap brengen. Op de muur, de grond en zelfs over onze spulletjes lopen aardig wat groene leguanen, kameleons, of wat het ook maar wezen mag, die op de vele muggen loeren en er af en toe zelfs eentje naar binnen weten te slaan. Onze ex-buurman blijkt inmiddels vertrokken. Wij mogen zijn veel grotere kamer wel overnemen, maar die kost 25 dollar. Dat vinden we wat te veel van het goede. We hebben trouwens nog niet eerder zo'n zakelijke huiseigenaar getroffen. Even na vijven gaan we weer weg en bellen eerst naar Nederland. Op de hoek eten we een softijsje. Erg lekker, dus nemen we er twee. Via Republica lopen we rechtstreeks het centrum in.

Om zeven uur hebben we afgesproken voor La Campana de Toledo, voor een nieuwe poging om daar te gaan eten. We zijn aan de vroege kant, en gaan op de stoep zitten aan de rand van het rustige plein. Aan de overkant probeert een meisje wanhopig twee zwarte jongetjes en een klein meisje op te voeden. Het lukt niet erg. De jongens komen bij ons informeren of we ook kauwgum hebben. Dat is niet het geval. Ze hebben geen kauwgum, rapporteren ze aan het meisje.

Andy en Fabriza komen er aan lopen. Zij hebben ook geen kauwgum, maar wel ballonnen. We blazen een paar op, ronde en langwerpige. Een van de jongetjes loopt uitbundig en met hoge snelheid met de langwerpige ballon rond over het plein. Plotseling duiken uit allerlei hoekjes kleine kinderen op, die ook wel een ballon willen. Een Cubaanse mevrouw helpt blazen. Na een kind of tien houden we het weer voor gezien, en gaan we het restaurant in.

We eten buiten, onder een afdakje, onder het genot van een drietal heren op leeftijd met zang en gitaar, al houden die laatsten het nog voordat onze hoofdmaaltijd op tafel komt, al voor gezien. We bestellen een vlees, speciaal bereid met bacon, in zijn eigen sappen gekookt. Het smaakt wel aardig, de bijgeleverde frieten zijn een stuk minder. We nemen een ijsje toe. Bij Marco valt iets verkeerd, en hij brengt geruime tijd door op het toilet. We gaan dan ook maar meteen na het eten naar huis en slagen er in daar in één keer heen te rijden. Thuis blijkt de schade aan Marco's maag nogal mee te vallen.


Donderdag 8 oktober 1998


Uitslapen. Na tienen worden we wakker en uiteindelijk zitten we tegen half twaalf aan het ontbijt. Onze gastheer strikt ons voor het diner van vanavond. Hij heeft namelijk nog een zeer royale vis in de diepvries liggen en dit keer mogen we voor 7 dollar per persoon eten. Dat doen we. Na het ontbijt lopen we via Republica weer richting centrum. We belanden weer in een aantal boekwinkels, eerst een met nieuwe boeken, soortgelijk aan die waar we gisteren waren, en dan in een met tweedehands boeken. Bij de laatste ligt een buitengewoon fraaie serie Lands and Peoples. met beschrijvingen en kleurenfoto's van zo'n beetje elk land ter wereld. De complete serie kost dertig gulden, maar is van 1957, en het wordt wel een hele toer de 7 kloeke delen thuis te krijgen.

Ook in Camagüey hebben ze een Coppelia, en dit keer besluiten we daar eens volgens de Cubaanse methode heen te gaan, dus keurig in de rij wachtend. Aan de voorkant staat een ontzettende rij schoolkindertjes te wachten, en men vertelt ons dat het waarschijnlijk sneller gaat via de achteringang. Daar staat ook een flinke groep mensen te wachten. Cubanen hebben een op het eerste gezicht nogal chaotische, maar toch zeer gedisciplineerde manier om ergens in de rij te staan wachten. Als je ergens aankomt vraag je gewoon wie de laatste is, die persoon hou je in de gaten en dan kan je gewoon gaan, staan en zitten waar je maar wil. Ook deze Coppelia is ingedeeld in zones. Elke zone heeft zijn eigen ingang en als daar weer een tafeltje vrij is mogen de volgende zes mensen naar binnen.

Na drie kwartier wachten zijn wij aan de buurt. Bij de kassa geven we de bestelling door, rekenen we af en krijgen we kartonnetjes voor wat we bestellen. Er zijn hier twee mogelijkheden; een stuk gebak, of drie bollen ijs. We bestellen twee van elk, een voor Cubanen nogal ongewoon bescheiden bestelling. De jongen voor ons, die in zijn eentje is, bestelt zes ijs en vier gebak. Als we aan ons tafeltje zitten en de bestelling eindelijk gebracht wordt, verdwijnt het meeste daarvan in een van huis meegebracht bakje. De norse serveerster vindt het wel handig om de multi-bestellingen van de Cubanen gewoon in één bakje te brengen. Als blijkt dat wij beide 1 gebakje en 1 ijsje believen, wordt de bestelling weer mee terug genomen en toch in aparte bakjes opgediend. De ijsjes kosten 10 cent per stuk, de gebakjes 6.

We lopen naar het Plaza San Juan de Dios. Daarachter is namelijk een markt, vrij groot, in de open lucht. Er wordt louter agrarische waar verkocht, al is bij de meeste kraampjes niet al te veel koopwaar. In de eerste straat wordt alleen maar vlees verkocht. Even verderop drinken we een glaasje pure sinaasappelsap voor 1 peso. De schenkster is nogal verbaasd als we nog een glaasje willen. Daarvoor moet dan eerst door de uitbater een nieuwe voorraad worden geperst. We krijgen de jus hier zo maar zonder suiker. Normaal gesproken hebben de Cubanen de gewoonte ook in hun sapjes een flinke schep te doen.

We lopen terug richting Republica. Als we op een stoep wat water drinken, komt een klein jongetje koekjes verkopen. Er is wat onduidelijkheid over de prijs. Eén centavo per stuk, beweert-ie. Maar met één centavo blijkt hij er tien te bedoelen, en dan ook nog van die Amerikaanse. Dan wordt het wel wat erg prijzig. Uiteindelijk worden we het eens over twee koekjes voor tien dollarcent.

Rond vijf uur zijn we thuis en liggen we weer in het zwembadje. De zon is inmiddels al verdwenen. Het blijkt vandaag de 31e sterfdag van Che Guevara, en op de televisie is een reportage te zien van het Plaza de la Revolución in Havana, dat vol staat met zingende, en leuzen roepende kindertjes. Vrij eng allemaal.

Om half acht is onze vis gereed. We krijgen er rijst bij, papaya en ananas, wat nogal onsmakelijke groente en zelfs een glaasje persoonlijk gebrouwen papayawijn. De gefrituurde vis smaakt prima. 's Avonds hengelen we nog wat heen en weer tussen beide televisiezenders. Rond kwart voor elf begint Cine Europeenne, met vanavond aandacht voor de Nederlandse film. En voordat we het weten zitten we te kijken naar Oscarwinnaar Antonia, in het Nederlands, met Spaanse ondertiteling. De film is aangepast voor televisie, wordt van te voren gemeld. Een lesbische scene is weggeknipt. Overige sex blijkt geen bezwaar.


Vrijdag 9 oktober 1998


Vandaag om zeven uur op. Om half negen dienen we ons op het station te vervoegen om een kaartje te kopen voor de trein van vijf voor half tien naar Santiago de Cuba. Het ontbijt blijkt even na half acht nog niet gereed, want de werkster komt pas over vijf minuutjes, meldt onze huisbaas. Dat blijkt het geval. Als we even voor half negen weg gaan, krijgen we van hem nog het adres van een huis in Santiago, even buiten het centrum, maar een erg mooi huis, zegt hij. Nog mooier dan dat van mij.

Dezelfde vriendelijke meneer verkoopt ons de kaartjes. In de trein kan je geen water kopen, waarschuwt hij, dus neem genoeg mee. Een toilet is wel aan boord, stelt hij ons gerust. De trein wordt om vijf over negen verwacht. We voegen ons bij de rij wachtenden. Dit zijn welgestelde Cubanen. Dat kan je zien aan hun schoenen. Die verkeren in goede staat. Om negen uur woren de hekken geopend, en kunnen we op het perron gaan wachten, voor een nieuw hekje. De trein staat nog in Florida, wordt omgeroepen. Dat is 34 kilometer en een slordig uur rijden verderop. Er zijn wat probleempjes met de lokomotief.

 We gaan rustig zitten wachten. Rond half twaalf wordt er iets omgeroepen en komt de meute plotseling in beweging. Razendsnel nemen we onze plaats in de rij weer in. Maar er is nog geen trein in zicht, dus doen we onze rugzakken maar weer af. Ruim een uur later, om twintig voor een, ontstaat er opnieuw onrust en rijdt er zowaar een trein binnen. In hevig gedrang wurmen we ons door het poortje, teneinde nog een zitplaats te bemachtigen. Dat lukt. De mensen die uit willen stappen, worden haast weer teruggeduwd. We zitten opnieuw in de laatste wagon op harde, metalen banken, voorgevormd tot twee-aan-twee zitjes. Er is geen gangpad, maar het bagagerek is breed genoeg om onze rugzakken kwijt te kunnen. Er lijken toch genoeg zitplaatsen te zijn. Uit een tas even verderop kruipt een kip wiens poten zijn samengebonden.

Het duurt even voordat de trein in beweging komt. Om vijf over twee is het eindelijk zo ver. Maar na een paar meter stopt hij al weer. Buiten lopen mannen met gereedschap zenuwachtig heen en weer. Een lokomotief, die voor de trein was geplaatst, wordt uiteindelijk toch weer weggehaald. Om vijf voor half vier, met precies zes uur vertraging, vertrekt de trein dan toch.

Om vier uur bereiken we het eerste station. Er stapt een man in met een grote plastic emmer vol vruchtensap, een handvol bekers en een trechter. Zijn sap, voor 1 peso per beker, vindt gretig aftrek. Wij laten voor 2 pesos een van onze plastic flesjes volgieten. Even na hem komt een man met een doos vol pizzas. Later komt er nog een zak sinaasappelen voorbij.

Rond half zes zijn we in Las Tunas, het grootste station op de route. Wij lusten nu wel een pizza, maar nu komen ze natuurlijk weer niet. Wel lopen er massa's mannetjes met broodjes ham buiten de trein, maar die vertrouwen we niet helemaal. Een man, die zich later voorstelt als Oscar, gaat zelfs nog naar buiten om pizza's voor ons te zoeken, maar ook dat lukt niet.

Tegen zevenen barst buiten een hoosbui los. Razendsnel klappen overal de raampjes dicht. Het regenwater sijpelt over de vloer van de trein. Het is meteen ook een stuk donkerder buiten.  En wat wij al vreesden blijkt het geval; in de trein is geen verlichting. Hij is ooit wel als zodanig ontworpen, maar daar waar ooit de TL-buisjes hingen, zijn nu alleen nog maar gaten in het plafond. Al snel is het buiten behoorlijk donker. Het onweert vreselijk en bijna elke seconde is er ergens wel een bliksemflits te zien, soms twee, drie tegelijk. Dat gaat zo bijna een uur door, zodat de trein bij vlagen toch verlicht is.

Oscar komt een praatje maken. Hij heeft zes jaar in Oost-Duitsland, in Halle, gewoond, tot 1989, en spreekt behoorlijk Duits. Wij moeten erg voorzichtig zijn met onze bagage, vertrouwt hij ons toe, want er zijn goede Cubanen, maar ook slechte. Hij zal wel een oogje in het zeil houden, vooral nu we zo laat in Santiago aankomen. Later vraagt hij of we een hotel hebben. Zelf hebben we inmiddels al besloten niet naar het adres te gaan dat we in Camagüey hebben gekregen, want dat blijkt wel erg ver buiten het centrum. We vertellen Oscar dat we al een hotelletje uit het boekje hebben opgezocht. Hij is er toch nog niet gerust op, en gaat wel even mee met de taxi, zo biedt hij aan. Want ook bij het station zijn veel ongure taxichauffeurs. Wij danken hem.

In de trein kun je zo langzamerhand geen hand voor ogen meer zien. Er stappen steeds meer mensen uit, zodat we de ruimte hebben om een dutje te doen.  Om kwart voor elf bereiken we Santiago de Cuba. De vertraging is beperkt gebleven tot zes uur en een kwartier. Het station ziet er verdraaid modern uit. Dat geld hadden ze beter aan de treinen kunnen besteden, denken wij onmiddellijk. Oscar leidt ons naar de taxi-standplaats, waar alleen collectieve taxis blijken te zijn. We stappen in een brede, lange, blauwe Amerikaan, waar inmiddels al twee andere jongens met een flink aantal dozen zitten. Oscar zit bij het handschoenenkastje dat regelmatig openvalt, maar na wat morrelen en slaan van de chauffeur blijft ie dicht zitten. Ook het portier van de chauffeur zwabbert regelmatig open en wordt dan een paar keer met grof geweld weer dichtgeslagen.

Onze mede-passagiers worden afgezet en niet veel later worden wij afgezet voor Hotel Rex. We betalen de chauffeur 40 pesos, 10 per persoon en nog eens 10 om Oscar weer terug naar het station te krijgen. Als dank geven we hem nog een dollar. Het hotel ziet er acceptabel uit, wat minder dan de vorige hotels waar we verbleven, maar nog steeds met badkamer, airconditioning, TV en telefoon, en voor maar 18 dollar per nacht. De bijzonder vriendelijke receptioniste neemt onze personalia op en legt uit dat het kleine meisje dat daar ook rondloopt, een Sovjet-moeder heeft, en een Cubaanse vader.

Schuin tegenover het hotel is nog een huiskamerzaakje waar ze pizza's verkopen, boven op een balkon, zodat we eindelijk iets kunnen eten. We moeten eventjes vijf minuten wachten, zegt de ook al zeer sympathieke, rustige, al enigszins op leeftijd zijnde verkoper. Waar of we vandaan komen, vraagt hij. Uit Holland, antwoorden wij. Aha, reageert hij. God schiep de wereld, maar de Hollanders schiepen Holland. Inderdaad. Nogal ongebruikelijk citaat overigens, voor een pizza-bakker.

De pizza komt. Van het huis krijgen we er nog een glaasje ranja bij, normaal toch goed voor een peso. De vrouw des huizes komt ook naar buiten en maakt kennis. Waar we verblijven, vraagt ze. In hotel Rex. Wat dat kost. 18 dollar per nacht. Dat is niet duur, erkennen ze. Maar een vriendin van haar, een professor op de universiteit, verhuurt ook kamers, hier net om de hoek. Hebben we daar geen belangstelling voor? Ach, we zijn van plan hier 4 nachten te blijven, hebben 2 nachten hotel betaald, dus waarom niet. Mevrouw loopt die kant op. We blijven even wachten. Een paar minuten later is ze terug. We mogen wel even komen kijken.

We lopen met haar mee. Zelf doceert ze Russisch op de universiteit, vertelt ze. Al snel zijn we bij het huis. Een nogal forse, zwarte mevrouw doet open. We kijken rond in het vrij eenvoudige huisje. De kamers kunnen we helaas niet zien, want die zijn nu bewoond. Maar ze hebben wel airconditioning. Een en ander kost normaal gesproken 20 dollar, maar omdat wij het zijn slechts 15. Hebben wij even mazzel.

Mevrouw is inderdaad professor, wat hier trouwens ook gewoon docent kan betekenen. Economie. Wij reageren enthousiast en zeggen dat voor Marco hetzelfde geldt. Dat vindt ze wel wat jong. Ze legt uit dat ze bedrijfseconomie doet, van kapitalistische bedrijven zelfs, want de Cubaanse economie is nu in transitie naar een gemengde economie.

Komt dat even mooi uit, zegt onze begeleidster op de terugweg, mijn man is ook professor economie. Die van de pizza's!? Inderdaad. Vandaar dat de pizzeria pas om 8 uur 's avonds open is. Geeft onze prof de gelegenheid in de avonduren nog wat bij te verdienen. Terug bij de pizza's maken we nog een praatje met de man. Hij doet markteconomie en internationale economie. Ook al zo'n kapitalist dus. Wij zijn erg moe en gaan terug naar ons hotel. Om twintig voor een gaan we slapen.


Zaterdag 10 oktober 1998


Uitslapen. Om elf uur zijn we definitief wakker. De douche is nogal koud. We kijken op het plein vlak voor het hotel, het Plaza de Marte, een fraai plein met zuilenrijen, borstbeelden van martelaars en een hoog, ietwat merkwaardig monument in het midden. We worden meteen bedolven onder massa's Cubanen die allemaal wel ons vriendje willen zijn, en allemaal wel iemand kennen die in Amsterdam woont. En ze spreken nog allemaal redelijk Engels ook. Een jongen vertelt dat hij hier voor taxis zorgt en dat we het hem maar hoeven zeggen als we ergens heen willen. Dat zullen we doen.

Op de hoek van het plein doen we inkopen bij een dollarbakker. Dan lopen we verder naar het volgende plein, het Plaza Dolores. Onderweg roept een oud mannetje Holanda! Holanda! naar ons. Hoe weet hij dat nu weer? De man houdt een verhaal over hoe aardig Nederlanders zijn. Uit een stapeltje boeken dat hij onder zijn arm heeft haalt hij een fraai gebonden Engels boekje te voorschijn, uitgegeven ter ere van de 20ste verjaardag van de revolutie, compleet met fraaie kleurenfoto's. Dat wil hij ons graag geven, zegt hij, als we hem kunnen helpen met de aanschaf van een fles olie voor zijn vrouw, om mee te koken. Wij vinden het prima. Hij schrijft nog een fraaie tekst voor in het boekje, en meldt dat zo'n fles olie 2 dollar 20 kost. Wij geven het hem.

Als we op het Plaza Dolores op een bankje gaan zitten, knopen opnieuw een man of drie, vier een praatje aan. Ze kennen wel goede restaurants, verkopen schilderijen en willen allemaal wel hun Engels oefenen. Vinden wij niet zo'n goed idee. Bij een naburig cafeetje staat een man met een gitaar die ons enthousiast wenkt als hij ziet dat Marco naar binnen kijkt. We gaan naar binnen, krijgen de kaart in handen geduwt en bestellen allebei een lokale cola, de Tukola. De man komt bij ons aan tafel en vertelt dat hij troubadour is, trovadero, en de straten en kroegen afschuimt om aan de kost te komen. Zijn eerste liedje voor ons is Guajito Guantanamera. Dan vertelt hij dat hij leeft en eet en drinkt van wat de mensen hem geven. Hij heet Enrique en is getrouwd en heeft een kind. Zijn volgende liedje is een ballade over Che Guevara. Een violist komt binnen en onze gitarist maant hem dat hij hier eerder was en de ander zich dus stil moet houden. De violist schikt zich in zijn rol en probeert aan ons een bandje met muziek gewijd aan Che Guevara te slijten. Van Enrique krijgen we een korte bijles over Cubaanse muziek en met de Lonely Planet in de hand kunnen we prima volgen waar en over wie hij het heeft. Hij speelt en zingt nog een paar liedjes voor ons en zegt dat hij ons wel mee wil nemen naar het Casa de la Trova en ons ook wel wil gidsen door Santiago. Wij bedanken beleefd, geven de man een dollar en lopen verder.

We komen bij het Parque Cespedes, het belangrijkste plein van Santiago. Rond het plein staan een aantal prachtige en vooral ook flink gerenoveerde gebouwen, zoals de kathedraal en het huis van Diego Velazquez. Wij besluiten dat we Santiago eigenlijk veel mooier vinden dan Havana, omdat de koloniale gebouwen hier in veel betere staat zijn en vooral omdat de stad veel afwisselender is dan Havana, met zijn eindeloze straten die allemaal op elkaar lijken.

We maken een flinke afdaling en lopen richting zee, door een wat normalere woonwijk, waar de huizen weer vertrouwd vervallen zijn. Hier wordt je een stuk minder lastig gevallen en als je al aangesproken wordt, is het meestal niet omdat men iets van je wil. Als we een vervallen gebouw op de foto zetten, zegt een mevrouw dat er in Santiago toch een stuk mooiere gebouwen te fotograferen zijn. We lopen verder naar beneden en zijn dan vlak bij het station. Hoewel, het gebouw dat geafficheerd wordt als het station, blijkt niet het werkelijke station, want dat is een stuk verder. We lopen langs een eindeloze muur die volstaat met, om en om, revolutionaire plaatjes en dito leuzen. Nergens in Cuba zijn er zoveel leuzen op muren en borden geschilderd als in Santiago, dat er prat op gaat de bakermat van de revolutie te zijn.

We komen bij het futuristische station en na wat navraag bereiken we de informatiebalie. Een zwarte man op leeftijd met zonnebril wenkt ons naar binnen en vertelt in keurig Engels dat de trein naar Holguin om de dag vertrekt om 9 uur 's ochtends, ook op dinsdag, dat je kaartjes moet kopen in de trein, maar wel op het station kunnen reserveren, maar dat als we ons om acht uur melden, hij er persoonlijk voor zal zorgen dat het allemaal goed komt, en als we dan tevreden zijn met zijn service, mogen we hem wel een fooi geven, maar als we dat niet doen, is het ook geen probleem. En hij weet ook nog wel een adresje in Holguin.

Boven in het restaurant drinken we een glaasje. Dan puffen we wat uit in de rijkelijk van ventilatoren voorziene wachtruimte. Ons mannetje komt melden dat hij voor een zacht prijsje ook nog wel twee fotorolletjes van de hand wil doen, maar wij bedanken hartelijk voor de eer.

Via een andere weg lopen we terug naar het centrum. Een aantal domino-ende heren, je ziet ze veel hier, gebaart enthousiast dat we wel een foto mogen maken. Dat doen we. Een vriendelijke man die een klein eindje met ons meeloopt, zegt met lachend gezicht en zachte stem "todo que veis... todo es repressión". Alles wat je hier ziet, is repressie.

Even verderop kopen we een flesje cola, op straat, vanuit een emmer met ijs, voor 1 peso per stuk. We nemen er nog een. De man er naast vraagt of we toch niet alsjeblieft wat dollars in Cubaanse pesos willen wisselen. Wij antwoorden dat wij al genoeg pesos hebben voor de rest van onze reis. De man blijft aandringen. Hij heeft twee bloedjes van kinderen en voor hen wil hij zo graag een kleurentelevisie kopen, maar daarvoor heeft hij dollars nodig. Al zijn het er maar vijf, zegt zijn buurman. Wij wisselen vijf dollar voor honderd pesos. De man valt ons bijkans in de armen.

We lopen door en slaan rechtsaf op de Avenida de Libertadores, de Bevrijderslaan. De laan is gelardeerd met borstbeelden van Bevrijders, plus een zuil met hun naam en één tot drie sterren. Waar dat aantal sterren op is gebaseerd, is ons niet helemaal duidelijk. In de dollarwinkel onder het hotel kopen wij een liter aardbeienyoghurt en wat drinken. Het kraanwater in Santiago schijnt niet drinkbaar. Terug in het hotel blijkt een van de redenen waarom dat het geval is. De waterleiding is op. Bij navraag later op de avond blijkt men van het probleem op de hoogte. Wanneer er weer stromend water is, vragen wij. Later, is het geruststellende antwoord.

Na een korte eindemiddagsrust gaan we weer de straat op en nemen een kijkje in het Historisch Park Abel Santamaria, genoemd naar de leider van het peloton dat destijds een mislukte aanval op een militaire barak alhier uitvoerde, bij welke gelegenheid ook Fidel Castro gearresteerd werd. De duisternis valt in, we gaan nog even bij ons hotel langs, waar nog steeds geen water is, en dan op zoek naar een eetgelegenheid. En je zult het ook altijd zien, net als je die jongens op straat nodig hebt, dan zijn ze er niet. We worden pas aangesproken als we op het Plaza de Dolores demonstratief onder een lantaarnpaal in ons boekje kijken, Een jongen spreek ons aan in het Frans en wij vertellen dat we naar een paladar willen. Hij brengt ons er heen, een paar straten verderop, er is zelfs een uithangbordje. Als we aanbellen gaat de deur open via een touwtje en als we twee trappen oplopen zijn we binnen. We bestellen kip. Aan het tafeltje naast ons blijken twee Amsterdammers te zitten, waarvan er een twee jaar geleden uit Spanje is gekomen. Ze zijn nog niet zo lang in Cuba en willen graag onze ervaringen horen. We gaan er bij zitten. Deze paladar blijkt zelfs in de Lonely Planet te staan. Het eten is matig. De kip is niet bijzonder en de gebakken banaan en rijst zijn lauw. Wel wordt er nog avocado en komkommer bijgeleverd.

Na het eten willen we nog wel even naar het Casa de la Trova, niet ver van het Parque Céspedes. In het park is het ontstellend druk, en richting Casa de la Trova nog veel drukker. Ernaast blijkt een disco met daarbuiten een ontstellende mensenmassa. Als er ook nog een vrachtwagen met passagiers, ze fungeren hier vooral als stadsbus, doorheen wil, is het helemaal dringen. Wij willen er weer vandoor, want in het Casa de la Trova zal het nu ook niet echt prettig zijn, met zo'n stampende disco er naast. Marco denkt vingers richting zijn portemonnee te voelen en geeft een flinke opdoffer. Veilig bereiken we weer het park.

We lopen terug naar het Plaza de Marte, waar het ook behoorlijk druk is, eten een ijsje en gaan op bezoek bij onze pizzabakker. Vanavond blijken ze gesloten, en het echtpaar zit rustig op het dakterras. Er worden stoelen bijgehaald en we komen er bij zitten. Rond half twaalf terug naar ons hotel. Daar is weer water.