Onze eerste dag in Trinidad. Om kwart over negen gaat de wekker. Wij hebben
als een blok geslapen. Het ontbijt alhier bestaat uit een broodje
met vlees, een flink stuk in stukjes gesneden papaya, meer gesneden
brood met boter, vruchtensap, koffie en warme melk. Wij speculeren
dat het de bedoeling is om die laatste twee gezamenlijk te drinken,
en doen dat dus maar. Na het eten neemt Manuel ons mee naar het
platte dak, waar een fraai terras met vier witte schommelstoelen
is, en druk gebouwd wordt aan een aantal nieuwe kamers met eigen
douche en toilet, en eigen opgang. Maar het duurt nog wel een
paar maanden voordat dat af is. Tegen die tijd neemt de familie
de hele benedenverdieping in gebruik.
Trinidad is een bijzonder
aardig koloniaal stadje met kinderkopjes in de straten en relatief
veel toeristen. We lopen over het Plaza Major, langs de kathedraal
en langs de plek waar eerst een mis werd gehouden alvorens de
stad werd gesticht. De stad was zo eind vorige eeuw een centrum
van de suikerproductie, maar toen de slavernij werd afgeschaft
ging het allemaal ineens een stuk minder en verlieten de inwoners
de stad. We kuieren over de toeristenmarkt en lopen langs het
gebouw dat destijds door de Spanjaarden als gevangenis werd gebruikt.
We constateren dat er, met name in Santa Clara, in vrijwel elk
huis wel een portret van Che Guevara hangt. En op veel plaatsen
een portret van de paus buiten. Dat vinden wij wel een komische
combinatie. Dan klauteren we omhoog naar Motel las Cuevas, vanwaar
je een mooi uitzicht hebt over de stad en de zee er achter.

Het is inmiddels drie uur geweest en we gaan naar huis om uit
te rusten en de hitte te ontvluchten. Van onze gastvrouw krijgen
we een paar glazen limoensap met suiker en gemalen ijs. Zeer verfrissend.
Onze kamer blijkt loeiheet, maar op het dakterras is het aangenaam
toeven. Als tegen half acht de duisternis invalt, floept het lampje
aan en geurt het avondeten ons al tegemoet. Niet veel later kunnen
we aanschuiven. Op het menu staat vanavond varkensvlees, met rijst
en zwarte bonen, kalebas en avocado, en verse druivensap. Het
smaakt prima.
Na het eten buiken we uit en gaan dan nog even naar het centrum.
Van Manuel krijgen we de sleutel mee. Op een straathoek onder de schaarse verlichting komen we twee toeristen tegen die ook
zwoegen met het plattegrondje uit de Lonely Planet. Het blijken
Andy en Fabriza, een Nederlander en een Italiaanse, allebei woonachtig
in, nota bene, Groningen. Ze werken in het scheikundegebouw, tegenover
het gebouw waar Marco werkt, en wonen een paar straten verderop.
Ze hebben gedurende twee weken een auto gehuurd, maar de NBBS
heeft ze daarbij vervolgens ook hotels aangesmeerd. Daar zijn
ze nu minder blij mee.
Gevieren gaan we daar het Casa de la Trova, de plek in Trinidad
waar oude Cubaanse muziek wordt gespeeld. De voorstelling begint
over een half uurtje, om tien uur, wordt ons verteld. En dat blijkt
nog te kloppen ook. Een achttal Cubaanse muzikanten begint te
spelen. Een oud mannetje opent de dans. Hij komt ook naar ons
tafeltje. Als blijkt dat Fabriza Italiaanse is, komt hij op de
proppen met de Italiaans-talige bijsluiter van een medicijn, voor
de vader van een vriendin. De man blijkt René, 82 jaar
oud, en dansleraar in Trinidad. Hij vraagt Fabriza ten dans.
Daarna mag Christa ook. Niet lang daarna komt René opdraven
met foto's van zijn zoon in Italië en Duitsland. René
heeft meer dan 90 foto's en kaarten van vrouwen van over de hele
wereld waar hij mee gedanst heeft. We mogen ze allemaal zien.
In een notitieboekje wordt genoteerd wie Fabriza was, ze wordt
om haar adres gevraagd, en er wordt aantekening gemaakt van het
feit dat er foto's van gemaakt zijn. René vraagt ze op
te sturen.
Rond middernacht verlaten wij het pand. Andy en Fabriza gaan
dinsdag ook naar Camagüey, dus waarschijnlijk kunnen we meerijden.
We spreken af om een uur of twee 's middags. Om half een zijn
we weer thuis. Manuel zit nog televisie te kijken. Wij gaan naar
bed.
Vandaag kunnen we eindelijk weer eens uitslapen. Tegen kwart over
elf komen we ons bed uit, en tegen lunchtijd zijn we toe aan ons
ontbijt. Vandaag drentelen we nog wat rond in Trinidad. Via wat
omwegen door het nieuwe gedeelte lopen we naar Parque Céspedes.
Dat nieuwe gedeelte van Trinidad heeft een redelijk fatsoenlijke
bestrating. Aan de voorkant van de huizen zit meestal een groot
ijzeren hek, waardoor je rechtstreeks de schamele woonkamer in
kijkt. En meestal zit er ook nog wel iemand voor dat hek vanuit
de woonkamer naar buiten te kijken. De meeste woonkamers bestaan
uit een kale vloer, wat aftandse rieten meubels, een tafeltje
en een televisie in de hoek. Af en toe staat er in de hoek van
de kamer nog een fiets, of een motor met zijspan geparkeerd.
Wij lopen langs de bibliotheek en mogen binnen een kijkje nemen.
Het staat stampvol met vergeelde boeken. Wij belanden bij de afdeling
economie, die louter bestaat uit politiek correcte boeken uit
de jaren '60 en '70, soms geschreven door Cubanen, maar meestal
vertaald uit het Russisch. Ook bij de romans zijn de Russische
auteurs zeer in trek.
In het parkje, het is eigenlijk meer een plein, overdekt een fraaie
bomenrij een wandelpaadje met veel bankjes. Op een rond pleintje
in het midden, ook beschut door groen, gaan wij op een van de
acht bankjes zitten. Dan vervolgen wij onze weg naar Plaza Santa
Ana, geen plein maar de voormalige Spaanse gevangenis, waar nu
een aantal winkeltjes voor toeristen zijn. Als we net binnen zijn
volgt er buiten een hoosbui. Wij kopen een aantal sigaren, een
pakje sap en kijken naar de andere prullaria die men hier aan
toeristen probeert te slijten. Door het oude stadsgedeelte lopen
we naar het Plaza Mayor.
Het oude Trinidad wordt beschermd door Unesco. De straten zijn
geplaveid met kinderkopjes en hier en daar zijn wat huizen zelfs
opgeschilderd in fraaie kleuren. Ook zijn er hier opvallend veel
souvenirwinkeltjes. Bij het Plaza Mayor worden we aangesproken
door een jonge vrouw. Als duidelijk is dat we al een casa particular
hebben, en ook geen behoefte hebben aan een restaurant, vraagt
ze ons of we ook een stukje zeep hebben, en zo niet, dat voor
haar willen kopen. Even later stelt iemand anders dezelfde vraag.
Als we al weer terug zijn in onze eigen straat, vertelt een man
op een fiets dat hij wel een casa particular voor ons heeft. Die
hebben we al, antwoorden we. Mijn huis is in deze straat, gaat
hij onverstoorbaar verder. Dat van ons ook, antwoordt Christa.
In mijn huis kun je uitgebreid eten voor 6 dollar, probeert de
man nog eens. In ons huis voor 5, antwoordt Christa.
Even na vieren zijn we weer thuis. Wij genieten van de enigszins
bewolkte lucht op ons dakterras en Manuel brengt ons sinaasappelsap
met ijs. Hij vertelt dat je in Cuba in gewone huizen geen computer mag hebben. Alle vormen van communicatie blijken wat problematisch. Mobiele telefoons zijn er ook niet. Maar hun huis staat wel op Internet. Dat heeft
een Belg daar opgezet. Een hoosbui drijft ons weer de keuken in.
Daar vertelt Lucia dat haar twee zonen weer terug zijn naar de
stad, waar ze allebei studeren. Eens in de twee weken komen ze
thuis. De staat financiert verder hun huisvesting en eten. Zelf
doceerde ze tot vorig jaar geschiedenis op de middelbare school.
Even na half acht staat het eten weer voor ons opgediend. Vandaag
eten we kip, en rijst met zwarte bonen, wat sperzieboontjes, tomaatjes,
sinaasappel, druivensap en een aantal groenten die we niet thuis
kunnen brengen. Een lijkt op en smaakt als schijfjes gebakken
aardappel, maar is zoeter. Een ander lijkt op iets als flinke
groene pepers, maar is het niet. Later leren we dat dat in het
Nederlands okra heet.
Na het eten trekken wij weer naar het balkon. Het is flink afgekoeld
na beide buien, en er schijnt een volle maan. We lezen wat en
dan komt Manuel weer een praatje maken. Het schijnt dat Italiaanse toeristen een erg slechte naam hebben
in Cuba. Ze komen alleen maar voor de vrouwen, of prostituees,
en komen dan ook vaak in de problemen. In zijn huis wil hij om
die reden dan ook geen Cubanen. Ten eerste omdat hij een fatsoenlijk
huis heeft, en ten tweede omdat er dan een goeie kans is dat ze
de toeristen beroven, terwijl hij daar verantwoordelijk voor is.
Als er Cubanen in zijn huis willen, betalen ze maar gewoon.
Inpakken. We eten ons ontbijt, dit keer met veel sinaasappel,
rekenen af, geven een paar klompjes, en zijn na elven klaar om
nog even Trinidad in te gaan. Ergens in een straatje staan 6 Cubanen,
Los Pinos, te spelen.
Wij blijven een tijdje zitten luisteren.
Even later zien we Andy en Fabriza er ook. We spreken af om een
uurtje eerder naar Camagüey te gaan. We hebben nog net even
tijd om op de markt te kijken, en naar het Museo Histórico
Municipal te gaan. Dat is een huis waar vroeger een rijke Duitser
woonde, maar dat nu is ingericht ter meerdere eer en glorie van
de rijke historie van Trinidad. Er zijn zelfs bijschriften in
het Engels, al zijn die wel erg koddig en vrijwel letterlijk vertaald.
Er zijn wat foutjes in de Engelse tekst, erkent een van de suppoosten,
maar degene die het vertaald heeft, sprak nog niet zo goed Engels.
Ze maakt meteen van de gelegenheid gebruik om te informeren of
we wellicht geïnteresseerd zijn in een aantal originele Cubaanse
bankbiljetten.
Trinidad, zo leren wij, is een van de zeven steden die in 1514
door Diego Velazquez op Cuba gesticht zijn. De suikerindustrie
was erg belangrijk, met name ten tijde van de slavernij. Toen
dat systeem echter aan zijn eigen sociaal-economische tegenstellingen
ten onder ging, ging het een stuk minder. Het leukste aan het
museum is eigenlijk nog wel het torentje vanwaar je, na het beklimmen
van een aantal verdraaid smalle trappetjes, een fraai uitzicht
over Trinidad hebt. Op de weg terug naar huis nemen we een foto
van een schoolklas die een middagdutje doet.
Om klokslag een uur zijn we weer thuis. We krijgen een adres in
Camagüey, en meteen maar een brief mee die we aldaar kunnen
afleveren. Niet lang daarna staat onze auto met chauffeur klaar.
Wij laten nog even onze casa zien en dan gaan we op naar Camagüey.
De hele familie zwaait ons uit. Onderweg is er weinig verkeer.
Af en toe zien we een gerecycled plaatsnaambordje, waarvan de
achterkant al eens eerder voor een andere plaats is gebruikt.
De weg is prima. In de loop van de middag komen we weer aan in
Sancti Spiritus, en passeren we ons geliefde busstation. In het
centrum van de stad kijken we een uurtje rond. We zetten de auto
op het plein en kijken in een klein museumpje.
We lopen langs een schooltje en een stukje door het oude, met
kinderkopjes geplaveide gedeelte van de stad. Dat stelt niet zo
veel voor. Op de weg terug passeren we een economische school,
bij navraag blijkt het een soort MEAO, waar op dit moment typeles
wordt genoten. Er zitten zo'n 600 leerlingen op deze school, zo
wordt ons verteld. Een van de vakken die op het programma staan,
is "Marketing, mode of noodzaak?".
De auto staat nog veilig op het plein, en we rijden verder naar
Camagüey, alwaar we om half zeven aankomen. Andy en Fabriza
hebben inmiddels besloten om ook maar eens naar een casa particular
te gaan, en gaan mee naar ons adres. Zwaaiend met de brief en
vragend aan veel argeloze voorbijgangers weten we uiteindelijk
onze casa te bereiken, in een buitenwijk net voorbij het station.
Christa belt aan en de rondbuikige eigenaar komt ons tegemoet.
Hij heeft momenteel nog maar één tweepersoons kamer
vrij, maar de anderen kan hij wel bij de buren kwijt.
Onze nieuwe huis is buitengewoon smakeloos ingericht met een overdaad
aan kitscherige prullaria. Dit is waarschijnlijk een rijke familie.
Een twintig dagen oud baby'tje rust uit op de schouder van zijn/haar
moeder. De kamer alhier kost twintig dollar, maar dan heb je wel
airconditioning, televisie, een koelkast, en twee kitscherige
schemerlampjes op twee dito tafeltjes op een eveneens dito tegelvloer.
Bovendien is er in het achtertuintje een zwembadje. De twee met
schattige franje afgezette kussentjes zijn al net zo kogelrond
als de buik van de uitbater. De badkamer verschaft tevens toegang
tot de kamer van de andere gasten die hier ook verblijven, en
vice versa. Vanaf de buitenkant kan je onze badkamerdeur wel met
een sleuteltje op slot draaien, maar die kan je dan vanaf de binnenkant
net zo hard weer opendraaien. Wij vinden dat niet zo'n goed idee
en zetten 's avonds ons eigen slotje op de buitenkant van de deur.
Onze personalia worden genoteerd, we hadden verteld dat we twee
á drie nachten zouden blijven, en de eigenaar vraagt ons
om die twee nachten maar alvast vooruit te betalen. Tja, want
met Nederlanders en Duitsers heeft hij nooit problemen, maar Italianen
weigeren nogal eens te betalen, of zijn zo ineens verdwenen. Het
ontbijt kost hier 3 dollar per persoon, het avondeten 8. Vanavond
gaan we maar in het centrum eten.
Tegen achten rijden we gevieren weer naar het centrum. Wij hebben
besloten te gaan eten in restaurant La Campana de Toledo, op het
Plaza San Juan de Dios. Dat valt nog niet mee. Camagüey heeft
een volstrekt onbegrijpelijk stratenplan, dat oorspronkelijk ook
ontworpen schijnt om mogelijke aanvallers in verwarring te brengen.
Bij ons lukt dat in elk geval. Wij zetten de auto op een donker
pleintje waarvan we hopen dat het het juiste is, of op z'n minst
daar in de buurt. Twee jongens op fiets die daar rondhangen vertellen
ons dat het restaurant waar wij heen willen veel te duur is en
bovendien gesloten. Maar zij weten wel iets beters, waar je voor
zes dollar all-in kunt eten. Maar eerst weten ze wel een betere
plek om de auto te parkeren.
Wij laten ons mee leiden naar een ander plein waar inderdaad een
wacht staat om op de auto te passen en zelfs op een verdraaid
imposant klembord de gegevens van de chauffeur noteert. De service
kost 1 dollar, die achteraf betaald mag worden. De jongens brengen
ons naar een willekeurig uitziend woonhuis, waar we eerst de trap
op moeten, maar daar staat toch inderdaad restaurant op de muur
geverfd. Half in de openlucht staan daar drie keukentafeltjes
met vier stoelen, precies het toegestane aantal van 12 zitplaatsen
dus. Een mevrouw geeft het menu door. We hebben varken met rijst
en salade voor 6 dollar, vis met hetzelfde voor 8, en garnalen
en kreeft zijn allebei 10. Wij nemen twee varkens en twee vissen.
Het eten smaakt. Bij wijze van toetje gebruiken wij een grote
schaal met verschillende soorten fruit en tenslotte een kopje
Cubaanse koffie; beresterk met veel suiker. Na het eten is het
de bedoeling nog even in de stad rond te kijken, maar we raken
het spoor totaal bijster. Er zijn nogal veel pleinen en pleintjes
in Camagüey die verdraaid veel op elkaar lijken en middels
kronkelige straatjes met elkaar zijn verbonden. We lopen een keer
of drie door dezelfde dure winkelstraat en vinden uiteindelijk
na een paar keer vragen het pleintje waar we eigenlijk heen wilden,
maar daar valt ook weinig te beleven. We zoeken de auto maar weer
op en dat lukt, met wat moeite. Eenmaal in de auto rijden we straal
de verkeerde kant op, passeren eenrichtingsbruggen van de verkeerde
kant, nog wat andere wegen op dezelfde manier, fietsers vliegen
alle kanten op en dan hebben de Cubanen er genoeg van. Ongeveer
tegelijkertijd vragen een oud mannetje en een jongen op een fiets
waar we heen willen. Naar het station, antwoorden wij. Rij maar
achter mij aan, zegt de fietser. Met hoge snelheid crosst hij
feilloos door alle eenrichtingsweggetjes naar het station. Hij
krijgt een dollar, maar wil ons nog wel verder brengen. Wij zeggen
dat dat niet nodig is, maar hij achtervolgt ons toch tot ons huis.
Om half een liggen we in bed.
De wekker gaat om negen uur, maar we zijn een half uurtje eerder
al wakker. We spelen nog een paar keer met ons ene schemerlampje;
hij kan drie lichtsterktes afgeven, en elke keer als je het metaal
aanraakt, schijnt-ie wat feller en gaat vervolgens uit. De douche
levert weinig tot geen warm water. Als we ons tegen half tien
melden aan het ontbijt, zitten Andy en Fabriza al te eten. Om
onduidelijke redenen kunnen zij het ontbijt niet in hun eigen
huis gebruiken. Het ontbijt bestaat uit een omelet, ham, wat
brood, ananas en papaya, koffie met warme melk, en een vrij zuinig
glaasje papayasap.
Wij lopen naar het station om uit te zoeken hoe laat de treinen
naar Santiago de Cuba gaan. Het station bestaat uit twee langgerekte
gebouwen. In het een mogen Cubanen hun kaartje kopen. Daar hangt
ook een dienstregeling, waarvan wij ook de indruk krijgen dat
naast de ons reeds bekende trein die om een uur of half een 's
nachts vertrekt en vervolgens rond vijven in Santiago de Cuba
aankomt, er ook een trein is die om half tien 's ochtends vertrekt.
We worden naar het andere gebouw gestuurd waar men kaartjes voor
buitenlanders schijnt te verkopen. Daar brengt iemand ons naar
de chef, die weer naar de zijkant van het eerste gebouw wijst.
Daar zijn twee kantoortjes, en een man neemt ons mee naar een
aparte kamer, waar hij achter zij bureau gaat zitten, ons uitnodigt
te gaan zitten en vragen wat wij willen. Morgenochtend om half
tien naar Santiago de Cuba. Ach, jammer, helaas, die trein is
vanochtend reeds vertrokken en gaat slechts eens per twee dagen.
Goed, dan nemen we die van overmorgen wel. Het is ons bekend
dat er om half een 's nachts ook een trein vertrekt? Dat is een
luxe-trein met water aan boord en zo, en die rijdt ook veel sneller.
De trein die wij willen is eigenlijk een trein voor arbeiders,
stopt op elk station, en komt pas om half vijf aan. In die trein
kun je ook geen plaatsen reserveren. Maar ja, het voordeel van
die trein is natuurlijk wel dat je naar buiten kunt kijken, en
dat kan in de nachttrein niet. En in de nachttrein kun je ook
niet echt slapen. Aha. Natuurlijk. Uiteraard. Dan willen wij toch
graag de ochtendtrein van overmorgen. Prima. Dan moeten wij ons
die dag gewoon om half negen alhier melden.
Na dit staaltje Cubaanse klantvriendelijkheid lopen we weer verder
het centrum in. Op een pleintje bewonderen we een kerk en een
oud mannetje aldaar vertelt ons hoe de kerk heet, dat ie nu dicht
is, maar vanmiddag om vier uur weer open gaat, en dat hij bovendien
erg arm is en honger heeft. Voor deze nuttige informatie geven
we de man een peso. Op het grote plein verderop genieten we een
tijdje op een bankje in de schaduw van de mensen die voorbij gaan.
Bij een grote dollarwinkel verderop verbazen we ons opnieuw over
de absurde prijzen. Huishoudelijke artikelen en electronica kost
hier al gauw ruwweg hetzelfde als in Nederland, maar dan wel in
dollars. Het is vrij cynisch; de dollars die de bevolking waarschijnlijk
vaak op illegale wijze verkrijgt, kunnen alleen maar worden uitgegeven
in door de staat gerunde dollarwinkels, waar diezelfde staat de
prijzen vervolgens op een stevig niveau zet. Naar het schijnt
worden vrijwel alle goederen geïmporteerd uit een belastingvrije
zone in Panama.
Wij kopen een pak perensap, dat wij zittend op de trottoirband
opdrinken. Al snel worden we echter gewenkt door een mevrouw in
een boekwinkel daar recht tegenover, waar we op twee stoeltjes
aan een tafeltje wel verder mogen drinken. We krijgen ook nog
een foldertje over de provincie. Wij snuffelen uitgebreid rond
in de boekwinkel, en zien overwegend politiek-correcte boeken,
weer een hele stapel boeken over Che Guevara, en ook nog wat Gabriel
Garcia Marquez. De prijzen blijken toch in pesos, zodat de laatste
slechts een gulden kost. Bij een dollarbakkerij kopen we een paar
kleine gebakjes en wat brood.
We drentelen nog verder door de straten, nemen hier en daar wat
foto's, bijvoorbeeld van een oud mannetje op een krukje voor zijn
huis, die ons uitgebreid bedankt voor het maken van de foto. Dan
lopen we weer richting huis. Onderweg kopen we een nieuwe telefoonkaart
bij zijn hypermoderne en ultra-koele telefoonwinkel, al wordt
de administratie nog steeds op kaartjes gedaan.
Rond drieën zijn we weer thuis. Van de werkster krijgen we
een glaasje water. De rest van de middag brengen wij door in en
rond het zwembadje. Ons toilet is druk in renovatie. Hij is verstopt
omdat hij geen toiletpapier kan verwerken. Dat moeten wij in de
afvalemmer naast het toilet gooien. Als wij allebei in het zwembadje
liggen, komt de gastheer hoogstpersoonlijk een glaasje papayasap
brengen. Op de muur, de grond en zelfs over onze spulletjes lopen
aardig wat groene leguanen, kameleons, of wat het ook maar wezen
mag, die op de vele muggen loeren en er af en toe zelfs eentje
naar binnen weten te slaan. Onze ex-buurman blijkt inmiddels vertrokken.
Wij mogen zijn veel grotere kamer wel overnemen, maar die kost
25 dollar. Dat vinden we wat te veel van het goede. We hebben
trouwens nog niet eerder zo'n zakelijke huiseigenaar getroffen.
Even na vijven gaan we weer weg en bellen eerst naar Nederland.
Op de hoek eten we een softijsje. Erg lekker, dus nemen we er
twee. Via Republica lopen we rechtstreeks het centrum in.
Om zeven uur hebben we afgesproken voor La Campana de Toledo, voor een nieuwe poging om daar te gaan eten. We zijn aan de vroege kant, en gaan op de stoep zitten aan de rand van het rustige plein. Aan de overkant
probeert een meisje wanhopig twee zwarte jongetjes en een klein
meisje op te voeden. Het lukt niet erg. De jongens komen bij ons
informeren of we ook kauwgum hebben. Dat is niet het geval. Ze
hebben geen kauwgum, rapporteren ze aan het meisje.
Andy en Fabriza komen er aan lopen. Zij hebben ook geen kauwgum,
maar wel ballonnen. We blazen een paar op, ronde en langwerpige.
Een van de jongetjes loopt uitbundig en met hoge snelheid met
de langwerpige ballon rond over het plein. Plotseling duiken uit
allerlei hoekjes kleine kinderen op, die ook wel een ballon willen.
Een Cubaanse mevrouw helpt blazen. Na een kind of tien houden
we het weer voor gezien, en gaan we het restaurant in.
We eten buiten, onder een afdakje, onder het genot van een drietal
heren op leeftijd met zang en gitaar, al houden die laatsten het
nog voordat onze hoofdmaaltijd op tafel komt, al voor gezien.
We bestellen een vlees, speciaal bereid met bacon, in zijn eigen
sappen gekookt. Het smaakt wel aardig, de bijgeleverde frieten
zijn een stuk minder. We nemen een ijsje toe. Bij Marco valt iets
verkeerd, en hij brengt geruime tijd door op het toilet. We gaan
dan ook maar meteen na het eten naar huis en slagen er in daar
in één keer heen te rijden. Thuis blijkt de schade
aan Marco's maag nogal mee te vallen.
Uitslapen. Na tienen worden we wakker en uiteindelijk zitten we
tegen half twaalf aan het ontbijt. Onze gastheer strikt ons voor
het diner van vanavond. Hij heeft namelijk nog een zeer royale
vis in de diepvries liggen en dit keer mogen we voor 7 dollar
per persoon eten. Dat doen we. Na het ontbijt lopen we via Republica
weer richting centrum. We belanden weer in een aantal boekwinkels,
eerst een met nieuwe boeken, soortgelijk aan die waar we gisteren
waren, en dan in een met tweedehands boeken. Bij de laatste ligt
een buitengewoon fraaie serie Lands and Peoples. met beschrijvingen
en kleurenfoto's van zo'n beetje elk land ter wereld. De complete
serie kost dertig gulden, maar is van 1957, en het wordt wel een
hele toer de 7 kloeke delen thuis te krijgen.
Ook in Camagüey hebben ze een Coppelia, en dit keer besluiten
we daar eens volgens de Cubaanse methode heen te gaan, dus keurig
in de rij wachtend. Aan de voorkant staat een ontzettende rij
schoolkindertjes te wachten, en men vertelt ons dat het waarschijnlijk
sneller gaat via de achteringang. Daar staat ook een flinke groep
mensen te wachten. Cubanen hebben een op het eerste gezicht nogal
chaotische, maar toch zeer gedisciplineerde manier om ergens in
de rij te staan wachten. Als je ergens aankomt vraag je gewoon
wie de laatste is, die persoon hou je in de gaten en dan kan je
gewoon gaan, staan en zitten waar je maar wil. Ook deze Coppelia
is ingedeeld in zones. Elke zone heeft zijn eigen ingang en als
daar weer een tafeltje vrij is mogen de volgende zes mensen naar
binnen.
Na drie kwartier wachten zijn wij aan de buurt. Bij de kassa geven
we de bestelling door, rekenen we af en krijgen we kartonnetjes
voor wat we bestellen. Er zijn hier twee mogelijkheden; een stuk
gebak, of drie bollen ijs. We bestellen twee van elk, een voor
Cubanen nogal ongewoon bescheiden bestelling. De jongen voor ons,
die in zijn eentje is, bestelt zes ijs en vier gebak. Als we aan
ons tafeltje zitten en de bestelling eindelijk gebracht wordt,
verdwijnt het meeste daarvan in een van huis meegebracht bakje.
De norse serveerster vindt het wel handig om de multi-bestellingen
van de Cubanen gewoon in één bakje te brengen. Als
blijkt dat wij beide 1 gebakje en 1 ijsje believen, wordt de bestelling
weer mee terug genomen en toch in aparte bakjes opgediend. De
ijsjes kosten 10 cent per stuk, de gebakjes 6.
We lopen naar het Plaza San Juan de Dios. Daarachter is namelijk
een markt, vrij groot, in de open lucht. Er wordt louter agrarische
waar verkocht, al is bij de meeste kraampjes niet al te veel koopwaar.
In de eerste straat wordt alleen maar vlees verkocht. Even verderop
drinken we een glaasje pure sinaasappelsap voor 1 peso. De schenkster
is nogal verbaasd als we nog een glaasje willen. Daarvoor moet
dan eerst door de uitbater een nieuwe voorraad worden geperst.
We krijgen de jus hier zo maar zonder suiker. Normaal gesproken
hebben de Cubanen de gewoonte ook in hun sapjes een flinke schep
te doen.
We lopen terug richting Republica. Als we op een stoep wat water
drinken, komt een klein jongetje koekjes verkopen. Er is wat onduidelijkheid
over de prijs. Eén centavo per stuk, beweert-ie. Maar met
één centavo blijkt hij er tien te bedoelen, en dan
ook nog van die Amerikaanse. Dan wordt het wel wat erg prijzig.
Uiteindelijk worden we het eens over twee koekjes voor tien dollarcent.
Rond vijf uur zijn we thuis en liggen we weer in het zwembadje.
De zon is inmiddels al verdwenen. Het blijkt vandaag de 31e sterfdag
van Che Guevara, en op de televisie is een reportage te zien van
het Plaza de la Revolución in Havana, dat vol staat met
zingende, en leuzen roepende kindertjes. Vrij eng allemaal.
Om half acht is onze vis gereed. We krijgen er rijst bij, papaya
en ananas, wat nogal onsmakelijke groente en zelfs een glaasje
persoonlijk gebrouwen papayawijn. De gefrituurde vis smaakt prima.
's Avonds hengelen we nog wat heen en weer tussen beide televisiezenders.
Rond kwart voor elf begint Cine Europeenne, met vanavond aandacht
voor de Nederlandse film. En voordat we het weten zitten we te
kijken naar Oscarwinnaar Antonia, in het Nederlands, met Spaanse
ondertiteling. De film is aangepast voor televisie, wordt van
te voren gemeld. Een lesbische scene is weggeknipt. Overige sex
blijkt geen bezwaar.
Vandaag om zeven uur op. Om half negen dienen we ons op het station
te vervoegen om een kaartje te kopen voor de trein van vijf voor
half tien naar Santiago de Cuba. Het ontbijt blijkt even na half
acht nog niet gereed, want de werkster komt pas over vijf minuutjes,
meldt onze huisbaas. Dat blijkt het geval. Als we even voor half
negen weg gaan, krijgen we van hem nog het adres van een huis
in Santiago, even buiten het centrum, maar een erg mooi huis,
zegt hij. Nog mooier dan dat van mij.
Dezelfde vriendelijke meneer verkoopt ons de kaartjes. In de trein
kan je geen water kopen, waarschuwt hij, dus neem genoeg mee.
Een toilet is wel aan boord, stelt hij ons gerust. De trein wordt
om vijf over negen verwacht. We voegen ons bij de rij wachtenden.
Dit zijn welgestelde Cubanen. Dat kan je zien aan hun schoenen.
Die verkeren in goede staat. Om negen uur woren de hekken geopend,
en kunnen we op het perron gaan wachten, voor een nieuw hekje.
De trein staat nog in Florida, wordt omgeroepen. Dat is 34 kilometer
en een slordig uur rijden verderop. Er zijn wat probleempjes met
de lokomotief.
We gaan rustig zitten wachten. Rond half twaalf wordt er iets
omgeroepen en komt de meute plotseling in beweging. Razendsnel
nemen we onze plaats in de rij weer in. Maar er is nog geen trein
in zicht, dus doen we onze rugzakken maar weer af. Ruim een uur
later, om twintig voor een, ontstaat er opnieuw onrust en rijdt
er zowaar een trein binnen. In hevig gedrang wurmen we ons door
het poortje, teneinde nog een zitplaats te bemachtigen. Dat lukt.
De mensen die uit willen stappen, worden haast weer teruggeduwd.
We zitten opnieuw in de laatste wagon op harde, metalen banken,
voorgevormd tot twee-aan-twee zitjes. Er is geen gangpad, maar
het bagagerek is breed genoeg om onze rugzakken kwijt te kunnen.
Er lijken toch genoeg zitplaatsen te zijn. Uit een tas even verderop
kruipt een kip wiens poten zijn samengebonden.
Het duurt even voordat de trein in beweging komt. Om vijf over
twee is het eindelijk zo ver. Maar na een paar meter stopt hij
al weer. Buiten lopen mannen met gereedschap zenuwachtig heen
en weer. Een lokomotief, die voor de trein was geplaatst, wordt
uiteindelijk toch weer weggehaald. Om vijf voor half vier, met
precies zes uur vertraging, vertrekt de trein dan toch.
Om vier uur bereiken we het eerste station. Er stapt een man in
met een grote plastic emmer vol vruchtensap, een handvol bekers
en een trechter. Zijn sap, voor 1 peso per beker, vindt gretig
aftrek. Wij laten voor 2 pesos een van onze plastic flesjes volgieten.
Even na hem komt een man met een doos vol pizzas. Later komt er
nog een zak sinaasappelen voorbij.
Rond half zes zijn we in Las Tunas, het grootste station op de
route. Wij lusten nu wel een pizza, maar nu komen ze natuurlijk
weer niet. Wel lopen er massa's mannetjes met broodjes ham buiten
de trein, maar die vertrouwen we niet helemaal. Een man, die zich
later voorstelt als Oscar, gaat zelfs nog naar buiten om pizza's
voor ons te zoeken, maar ook dat lukt niet.
Tegen zevenen barst buiten een hoosbui los. Razendsnel klappen
overal de raampjes dicht. Het regenwater sijpelt over de vloer
van de trein. Het is meteen ook een stuk donkerder buiten. En
wat wij al vreesden blijkt het geval; in de trein is geen verlichting.
Hij is ooit wel als zodanig ontworpen, maar daar waar ooit de
TL-buisjes hingen, zijn nu alleen nog maar gaten in het plafond.
Al snel is het buiten behoorlijk donker. Het onweert vreselijk
en bijna elke seconde is er ergens wel een bliksemflits te zien,
soms twee, drie tegelijk. Dat gaat zo bijna een uur door, zodat
de trein bij vlagen toch verlicht is.
Oscar komt een praatje maken. Hij heeft zes jaar in Oost-Duitsland,
in Halle, gewoond, tot 1989, en spreekt behoorlijk Duits. Wij
moeten erg voorzichtig zijn met onze bagage, vertrouwt hij ons
toe, want er zijn goede Cubanen, maar ook slechte. Hij zal wel
een oogje in het zeil houden, vooral nu we zo laat in Santiago
aankomen. Later vraagt hij of we een hotel hebben. Zelf hebben
we inmiddels al besloten niet naar het adres te gaan dat we in
Camagüey hebben gekregen, want dat blijkt wel erg ver buiten
het centrum. We vertellen Oscar dat we al een hotelletje uit het
boekje hebben opgezocht. Hij is er toch nog niet gerust op, en
gaat wel even mee met de taxi, zo biedt hij aan. Want ook bij
het station zijn veel ongure taxichauffeurs. Wij danken hem.
In de trein kun je zo langzamerhand geen hand voor ogen meer zien.
Er stappen steeds meer mensen uit, zodat we de ruimte hebben om
een dutje te doen. Om kwart voor elf bereiken we Santiago de Cuba.
De vertraging is beperkt gebleven tot zes uur en een kwartier.
Het station ziet er verdraaid modern uit. Dat geld hadden ze beter
aan de treinen kunnen besteden, denken wij onmiddellijk. Oscar
leidt ons naar de taxi-standplaats, waar alleen collectieve taxis
blijken te zijn. We stappen in een brede, lange, blauwe Amerikaan,
waar inmiddels al twee andere jongens met een flink aantal dozen
zitten. Oscar zit bij het handschoenenkastje dat regelmatig openvalt,
maar na wat morrelen en slaan van de chauffeur blijft ie dicht
zitten. Ook het portier van de chauffeur zwabbert regelmatig open
en wordt dan een paar keer met grof geweld weer dichtgeslagen.
Onze mede-passagiers worden afgezet en niet veel later worden
wij afgezet voor Hotel Rex. We betalen de chauffeur 40 pesos,
10 per persoon en nog eens 10 om Oscar weer terug naar het station
te krijgen. Als dank geven we hem nog een dollar. Het hotel ziet
er acceptabel uit, wat minder dan de vorige hotels waar we verbleven,
maar nog steeds met badkamer, airconditioning, TV en telefoon,
en voor maar 18 dollar per nacht. De bijzonder vriendelijke receptioniste
neemt onze personalia op en legt uit dat het kleine meisje dat
daar ook rondloopt, een Sovjet-moeder heeft, en een Cubaanse vader.
Schuin tegenover het hotel is nog een huiskamerzaakje waar ze
pizza's verkopen, boven op een balkon, zodat we eindelijk iets
kunnen eten. We moeten eventjes vijf minuten wachten, zegt de
ook al zeer sympathieke, rustige, al enigszins op leeftijd zijnde
verkoper. Waar of we vandaan komen, vraagt hij. Uit Holland, antwoorden
wij. Aha, reageert hij. God schiep de wereld, maar de Hollanders
schiepen Holland. Inderdaad. Nogal ongebruikelijk citaat overigens,
voor een pizza-bakker.
De pizza komt. Van het huis krijgen we er nog een glaasje ranja
bij, normaal toch goed voor een peso. De vrouw des huizes komt
ook naar buiten en maakt kennis. Waar we verblijven, vraagt ze.
In hotel Rex. Wat dat kost. 18 dollar per nacht. Dat is niet duur,
erkennen ze. Maar een vriendin van haar, een professor op de universiteit,
verhuurt ook kamers, hier net om de hoek. Hebben we daar geen
belangstelling voor? Ach, we zijn van plan hier 4 nachten te blijven,
hebben 2 nachten hotel betaald, dus waarom niet. Mevrouw loopt
die kant op. We blijven even wachten. Een paar minuten later is
ze terug. We mogen wel even komen kijken.
We lopen met haar mee. Zelf doceert ze Russisch op de universiteit,
vertelt ze. Al snel zijn we bij het huis. Een nogal forse, zwarte
mevrouw doet open. We kijken rond in het vrij eenvoudige huisje.
De kamers kunnen we helaas niet zien, want die zijn nu bewoond.
Maar ze hebben wel airconditioning. Een en ander kost normaal
gesproken 20 dollar, maar omdat wij het zijn slechts 15. Hebben
wij even mazzel.
Mevrouw is inderdaad professor, wat hier trouwens ook gewoon docent
kan betekenen. Economie. Wij reageren enthousiast en zeggen dat
voor Marco hetzelfde geldt. Dat vindt ze wel wat jong. Ze legt
uit dat ze bedrijfseconomie doet, van kapitalistische bedrijven
zelfs, want de Cubaanse economie is nu in transitie naar een gemengde
economie.
Komt dat even mooi uit, zegt onze begeleidster op de terugweg,
mijn man is ook professor economie. Die van de pizza's!? Inderdaad.
Vandaar dat de pizzeria pas om 8 uur 's avonds open is. Geeft
onze prof de gelegenheid in de avonduren nog wat bij te verdienen.
Terug bij de pizza's maken we nog een praatje met de man. Hij
doet markteconomie en internationale economie. Ook al zo'n kapitalist
dus. Wij zijn erg moe en gaan terug naar ons hotel. Om twintig
voor een gaan we slapen.
Uitslapen. Om elf uur zijn we definitief wakker. De douche is
nogal koud. We kijken op het plein vlak voor het hotel, het Plaza
de Marte, een fraai plein met zuilenrijen, borstbeelden van martelaars
en een hoog, ietwat merkwaardig monument in het midden. We worden
meteen bedolven onder massa's Cubanen die allemaal wel ons vriendje
willen zijn, en allemaal wel iemand kennen die in Amsterdam woont.
En ze spreken nog allemaal redelijk Engels ook. Een jongen vertelt
dat hij hier voor taxis zorgt en dat we het hem maar hoeven zeggen
als we ergens heen willen. Dat zullen we doen.
Op de hoek van het plein doen we inkopen bij een dollarbakker.
Dan lopen we verder naar het volgende plein, het Plaza Dolores.
Onderweg roept een oud mannetje Holanda! Holanda! naar ons. Hoe
weet hij dat nu weer? De man houdt een verhaal over hoe aardig
Nederlanders zijn. Uit een stapeltje boeken dat hij onder zijn
arm heeft haalt hij een fraai gebonden Engels boekje te voorschijn,
uitgegeven ter ere van de 20ste verjaardag van de revolutie, compleet
met fraaie kleurenfoto's. Dat wil hij ons graag geven, zegt hij,
als we hem kunnen helpen met de aanschaf van een fles olie voor
zijn vrouw, om mee te koken. Wij vinden het prima. Hij schrijft
nog een fraaie tekst voor in het boekje, en meldt dat zo'n fles
olie 2 dollar 20 kost. Wij geven het hem.
Als we op het Plaza Dolores op een bankje gaan zitten, knopen
opnieuw een man of drie, vier een praatje aan. Ze kennen wel goede
restaurants, verkopen schilderijen en willen allemaal wel hun
Engels oefenen. Vinden wij niet zo'n goed idee. Bij een naburig
cafeetje staat een man met een gitaar die ons enthousiast wenkt
als hij ziet dat Marco naar binnen kijkt. We gaan naar binnen,
krijgen de kaart in handen geduwt en bestellen allebei een lokale
cola, de Tukola. De man komt bij ons aan tafel en vertelt dat
hij troubadour is, trovadero, en de straten en kroegen afschuimt
om aan de kost te komen. Zijn eerste liedje voor ons is Guajito
Guantanamera. Dan vertelt hij dat hij leeft en eet en drinkt van
wat de mensen hem geven. Hij heet Enrique en is getrouwd en heeft
een kind. Zijn volgende liedje is een ballade over Che Guevara.
Een violist komt binnen en onze gitarist maant hem dat hij hier
eerder was en de ander zich dus stil moet houden. De violist schikt
zich in zijn rol en probeert aan ons een bandje met muziek gewijd
aan Che Guevara te slijten. Van Enrique krijgen we een korte bijles
over Cubaanse muziek en met de Lonely Planet in de hand kunnen
we prima volgen waar en over wie hij het heeft. Hij speelt en
zingt nog een paar liedjes voor ons en zegt dat hij ons wel mee
wil nemen naar het Casa de la Trova en ons ook wel wil gidsen
door Santiago. Wij bedanken beleefd, geven de man een dollar en
lopen verder.
We komen bij het Parque Cespedes, het belangrijkste plein van
Santiago. Rond het plein staan een aantal prachtige en vooral
ook flink gerenoveerde gebouwen, zoals de kathedraal en het huis
van Diego Velazquez. Wij besluiten dat we Santiago eigenlijk veel
mooier vinden dan Havana, omdat de koloniale gebouwen hier in
veel betere staat zijn en vooral omdat de stad veel afwisselender
is dan Havana, met zijn eindeloze straten die allemaal op elkaar
lijken.
We maken een flinke afdaling en lopen richting zee, door een wat
normalere woonwijk, waar de huizen weer vertrouwd vervallen zijn.
Hier wordt je een stuk minder lastig gevallen en als je al aangesproken
wordt, is het meestal niet omdat men iets van je wil. Als we een
vervallen gebouw op de foto zetten, zegt een mevrouw dat er in
Santiago toch een stuk mooiere gebouwen te fotograferen zijn.
We lopen verder naar beneden en zijn dan vlak bij het station.
Hoewel, het gebouw dat geafficheerd wordt als het station, blijkt
niet het werkelijke station, want dat is een stuk verder.
We lopen
langs een eindeloze muur die volstaat met, om en om, revolutionaire
plaatjes en dito leuzen. Nergens in Cuba zijn er zoveel leuzen
op muren en borden geschilderd als in Santiago, dat er prat op
gaat de bakermat van de revolutie te zijn.
We komen bij het futuristische station en na wat navraag bereiken
we de informatiebalie. Een zwarte man op leeftijd met zonnebril
wenkt ons naar binnen en vertelt in keurig Engels dat de trein
naar Holguin om de dag vertrekt om 9 uur 's ochtends, ook op dinsdag,
dat je kaartjes moet kopen in de trein, maar wel op het station
kunnen reserveren, maar dat als we ons om acht uur melden, hij
er persoonlijk voor zal zorgen dat het allemaal goed komt, en
als we dan tevreden zijn met zijn service, mogen we hem wel een
fooi geven, maar als we dat niet doen, is het ook geen probleem.
En hij weet ook nog wel een adresje in Holguin.
Boven in het restaurant drinken we een glaasje. Dan puffen we
wat uit in de rijkelijk van ventilatoren voorziene wachtruimte.
Ons mannetje komt melden dat hij voor een zacht prijsje ook nog
wel twee fotorolletjes van de hand wil doen, maar wij bedanken
hartelijk voor de eer.
Via een andere weg lopen we terug naar het centrum. Een aantal
domino-ende heren, je ziet ze veel hier, gebaart enthousiast dat
we wel een foto mogen maken. Dat doen we. Een vriendelijke man
die een klein eindje met ons meeloopt, zegt met lachend gezicht
en zachte stem "todo que veis... todo es repressión".
Alles wat je hier ziet, is repressie.
Even verderop kopen we een flesje cola, op straat, vanuit een
emmer met ijs, voor 1 peso per stuk. We nemen er nog een. De man
er naast vraagt of we toch niet alsjeblieft wat dollars in Cubaanse
pesos willen wisselen. Wij antwoorden dat wij al genoeg pesos
hebben voor de rest van onze reis. De man blijft aandringen. Hij
heeft twee bloedjes van kinderen en voor hen wil hij zo graag
een kleurentelevisie kopen, maar daarvoor heeft hij dollars nodig.
Al zijn het er maar vijf, zegt zijn buurman. Wij wisselen vijf
dollar voor honderd pesos. De man valt ons bijkans in de armen.
We lopen door en slaan rechtsaf op de Avenida de Libertadores,
de Bevrijderslaan. De laan is gelardeerd met borstbeelden van
Bevrijders, plus een zuil met hun naam en één tot
drie sterren. Waar dat aantal sterren op is gebaseerd, is ons
niet helemaal duidelijk. In de dollarwinkel onder het hotel kopen
wij een liter aardbeienyoghurt en wat drinken. Het kraanwater
in Santiago schijnt niet drinkbaar. Terug in het hotel blijkt
een van de redenen waarom dat het geval is. De waterleiding is
op. Bij navraag later op de avond blijkt men van het probleem
op de hoogte. Wanneer er weer stromend water is, vragen wij. Later,
is het geruststellende antwoord.
Na een korte eindemiddagsrust gaan we weer de straat op en nemen
een kijkje in het Historisch Park Abel Santamaria, genoemd naar
de leider van het peloton dat destijds een mislukte aanval op
een militaire barak alhier uitvoerde, bij welke gelegenheid ook
Fidel Castro gearresteerd werd. De duisternis valt in, we gaan
nog even bij ons hotel langs, waar nog steeds geen water is, en
dan op zoek naar een eetgelegenheid. En je zult het ook altijd
zien, net als je die jongens op straat nodig hebt, dan zijn ze
er niet. We worden pas aangesproken als we op het Plaza de Dolores
demonstratief onder een lantaarnpaal in ons boekje kijken, Een
jongen spreek ons aan in het Frans en wij vertellen dat we naar
een paladar willen. Hij brengt ons er heen, een paar straten verderop,
er is zelfs een uithangbordje. Als we aanbellen gaat de deur open
via een touwtje en als we twee trappen oplopen zijn we binnen.
We bestellen kip. Aan het tafeltje naast ons blijken twee Amsterdammers
te zitten, waarvan er een twee jaar geleden uit Spanje is gekomen.
Ze zijn nog niet zo lang in Cuba en willen graag onze ervaringen
horen. We gaan er bij zitten. Deze paladar blijkt zelfs in de
Lonely Planet te staan. Het eten is matig. De kip is niet bijzonder
en de gebakken banaan en rijst zijn lauw. Wel wordt er nog avocado
en komkommer bijgeleverd.
Na het eten willen we nog wel even naar het Casa de la Trova,
niet ver van het Parque Céspedes. In het park is het ontstellend
druk, en richting Casa de la Trova nog veel drukker. Ernaast blijkt
een disco met daarbuiten een ontstellende mensenmassa. Als er
ook nog een vrachtwagen met passagiers, ze fungeren hier vooral
als stadsbus, doorheen wil, is het helemaal dringen. Wij willen
er weer vandoor, want in het Casa de la Trova zal het nu ook niet
echt prettig zijn, met zo'n stampende disco er naast. Marco denkt
vingers richting zijn portemonnee te voelen en geeft een flinke
opdoffer. Veilig bereiken we weer het park.
We lopen terug naar het Plaza de Marte, waar het ook behoorlijk
druk is, eten een ijsje en gaan op bezoek bij onze pizzabakker.
Vanavond blijken ze gesloten, en het echtpaar zit rustig op het
dakterras. Er worden stoelen bijgehaald en we komen er bij zitten.
Rond half twaalf terug naar ons hotel. Daar is weer water.
