Zondag 27 september 1998


Marco's maag verkeert nog in precaire toestand, maar zijn temperatuur neemt weer normalere vormen aan. Hij blijft vandaag de hele dag in en rond bed. Wij speculeren over de oorzaak. Het kan te maken hebben met toch een tekort aan vocht. Elke keer als hij nu naar de WC is geweest drinkt hij zich helemaal ongans. We hebben ook Oral Rehydration Salt, een mengsel van glucose en zouten, op te lossen in water, bij ons, wat bedoeld is om bij groot vochtverlies uitdroging te voorkomen. Voor alle zekerheid neemt Marco een paar keer een glaasje. Ook adviseert de Lonely Planet met water verdunde frisdrank en gezouten crackers. Dat komt mooi uit, want die hebben we al in huis. Alleen krijgt Marco ze amper naar binnen. En de satelliet ligt er vandaag ook nog uit.

's Ochtends gaat Christa even naar de Caracol om wat meer water, crackers en yoghurt te kopen. Dat laatste gaat wel naar binnen. De schoonmaakster komt informeren of we nog weg gaan, zodat ze de kamer schoon kan maken. Wij antwoorden ontkennend. Maar ze wil toch wel even de lakens verwisselen.

's Middags gaat Christa nog een keer de deur uit om nog meer water en yoghurt te halen. Marco dreigt weer wat te herstellen en eet een broodje van gisteren. Aan het begin van de avond doet de televisie het ook weer. 's Nachts zweet Marco als een otter, zodat we tot twee keer toe het laken onder hem verwisselen.


Maandag 28 september 1998


Marco voelt zich bij vlagen weer iets beter. 's Ochtends blijft hij nog binnen maar even na de middag wagen we het er op. Het Museo de la Revolución blijkt opnieuw dicht, maar dat komt omdat het vandaag maandag is. We wagen ons even op Obispo, maar gaan dan snel weer terug.

In het hotel nemen we een bordje spaghetti, maar dan zonder de zes plakjes ham. Dat valt goed. Om 4 uur wagen we een nieuwe poging. We kopen postzegels bij het postkantoor en wat broodjes bij de bakker op Obispo, en drinken voor anderhalve dollar per stuk een flesje water op het terras op het plein voor de kathedraal. Via de route in de Lonely Planet lopen we verder door Habana Vieja. In een straatje is een groep jongetjes aan het basketballen met een aan de muur bevestigd wiel van een fiets als net. Via een kerkje komen we op het Plaza Vieja, het oude plein, dat zijn naam voorwaar eer aan doet. Zelfs voor Havaanse begrippen is dit oude en vergane glorie. Maar er wordt hard aan gewerkt. Op een hoekje van het plein is fraai te zien hoe een restauratie de zaak opknapt.

We lopen door naar het station. Buitenlanders dienen zich aan de achterzijde te vervoegen, waar treinkaartjes voor harde dollars kunnen worden aangeschaft. Wij informeren naar de trein naar Santa Clara. Die vertrekt dagelijks, om 1:25 en om 4:25. Om een uur of 7 zijn we terug in het hotel. Om acht uur wagen we ons wegens groot succes weer aan een bordje spaghetti. Om een uur of half tien gaan we weer naar boven.


Dinsdag 29 september 1998


Tegen half een gaan we naar het Museo de Revolución. In deze derde poging lukt het dan toch om binnen te komen. Het museum bestaat uit drie verdiepingen vol geschiedenis van Cuba, beginnend met de onafhankelijkheid even voor 1900.

 Op de begane grond beginnen we met een expositie over Ernesto Che Guevara, en zijn campagne in Bolivia. Che geldt, vooral in Bolivia, nog steeds als de allergrootste revolutionaire held ooit. In Argentinië, zijn geboorteland, studeerde hij medicijnen, maar na afloop daarvan besloot dat hij de mensheid beter kon dienen door guerilla-strijder te worden en Zuid-Amerika te bevrijden van de dictators. Hij raakte in Mexico verzeild en kwam daar in kontakt met de groep die Fidel Castro aan het vormen was om Cuba te bevrijden van Batista. Che werd een van de leiders van het kleine guerilla-legertje, en na het slagen van de revolutie door Fidel benoemd tot Cubaans staatsburger, minister en president van de centrale bank. Na een jaar of vijf legde hij al zijn posities neer en werd weer revolutionair, tot hij in 1967 door de CIA in de Boliviaanse jungle werd vermoord. Voorwaar een heldhaftige dood. Pas vorig jaar zijn, na veel internationaal diplomatiek getrouwtrek, de stoffelijke resten van Che, of wat daarvoor door moet gaan, plus die van een aantal van zijn medestrijders in Bolivia, teruggevlogen naar Cuba. Op de expositie zien we bijzonder veel gebruiksvoorwerpen die een relikwie-status hebben bereikt omdat ze toebehoorden aan één van de mannen (of aan die ene vrouw) die met Che vochten in Bolivia. Ook is er een video van de militaire parade ter ondersteuning van de terugkeer van Che's resten in Cuba.

Op de eerste etage van het museum beginnen we met de Cubaanse geschiedenis. In tegenstelling tot het grootste gedeelte van Latijns-Amerika kwam Cuba pas tegen het einde van de vorige eeuw in opstand tegen de Spaanse overheerser. Toen de vrijheidsstrijd de Spanjaarden al behoorlijk verzwakt had, begonnen de Amerikanen ook interesse te krijgen, planden een invasie en versloegen de Spanjaarden. Dat was in 1898. Vanaf dat moment hadden de Amerikanen een flinke vinger in de pap.

In het museum worden de Amerikanen dan ook voortdurend aangeduid als de "Yanqui" imperialisten. Men is ook niet vies van andere ouderwets communistische proza. Batista, de dictator ten tijde van de revolutie, wordt consequent aangeduid als El Tirano, de tiran. Hij kwam voor het eerst aan de macht in 1933, toen hij de macht greep nadat de toenmalige leider na nationale stakingen was afgetreden. Batista deed het in eerste instantie niet slecht, kwam op voor mensenrechten, installeerde een grondwet en schreef vrije verkiezingen uit. De eerste verkiezingen won hij, de twee volgende gingen naar anderen, die er opnieuw een zootje van maakten. Batista besloot terug te keren in de politiek, probeerde dat in eerste instantie via de democratische weg, maar pleegde niet lang voor de verkiezingen van 1952 opnieuw een staatsgreep. Hij schreef nog twee maal verkiezingen uit die allebei, zo wordt beweerd, niet bepaald eerlijk verliepen.

De eerste poging tot revolutie was al in 1953, een paar maanden na de staatsgreep toen een aantal revolutionairen, onder leiding van Fidel Castro, een mislukte aanslag deed op militaire barakken in Santiago de Cuba. Een flink aantal revolutionairen kwam om het leven, Castro werd gevangen gezet, kreeg gratie, vluchtte naar Mexico, om daar een nieuwe groep revolutionairen te vormen, waaronder Che Guevara, die een paar jaar later met de Granma terug naar Cuba gingen en daar de Revolutie en de Bevrijding brachten. Omdat die eerste aanslag plaats vond op 26 juli, gingen de revolutionairen verder door het leven als de Beweging van de 26e juli, of kortweg M-26-7. Overigens was de revolutie in eerste instantie alleen gericht tegen Batista, en verder niet voorzien van een ideologisch labeltje. Pas in 1962, nadat de Verenigde Staten zich heftig tegen het bewind van Castro hebben verzet, besluit deze om er maar een Communistische Revolutie van te maken, omdat dat internationaal politiek gezien wel handig uitkomt. Zelfs in het museum wordt dat ruiterlijk toegegeven. Na het omarmen van het communisme krijgt Cuba volop steun van de Sovjet-Unie.

In het museum is ook veel aandacht voor het Schandelijke Embargo van de Verenigde Staten tegen Cuba. Na de revolutie besluiten de VS dat Amerikaanse olie-maatschappijen op Cuba geen olie van communistisch grondgebied mogen raffineren, besluit Cuba dan maar tot nationalisatie van die oliemaatschappijen, wat uiteindelijk leidt tot een algeheel Amerikaans embargo tegen Cuba. In het museum wordt haarfijn uitgerekend wat dat embargo de Cubaanse economie gekost heeft. Cuba ligt nog steeds zeer gevoelig in de VS, waar een tijdje geleden dan ook de Helms/Burton wet aanvaardde, een wet die Amerikaanse bedrijven wiens bezittingen in Cuba zijn genationaliseerd, het recht geeft buitenlandse bedrijven voor de Amerikaanse rechter te slepen indien zij, bij hun investeringen in Cuba, op een of andere manier gebruik maken van die voormalige Amerikaanse bezittingen. Ook dat wordt in het museum uitgebreid uitgemeten. We zien zalen vol enthousiaste verhalen en triviale bezittingen van Cubaanse vrijheidsstrijders.

De Zegeningen van de Revolutie zijn ook een dankbaar expositie-onderwerp. Eindeloze grafieken en tabellen over hoe de gezondheidszorg en het onderwijs er onder Castro op vooruit zijn gegaan, trekken aan ons voorbij. Maar ook die fouten die gemaakt zijn worden uitgebreid uitgemeten. Onze kennis van Spaanstalig Communistisch Jargon schiet tekort om daar al te veel van te begrijpen. Ook aan de buitengewone sportieve prestaties van de Cubanen is een zaaltje gewijd. Met onder anderen de originele bokshandschoenen waarmee een beroemde Cubaanse bokser een gouden medaille won op de Olympische Spelen.

Beneden staan drie grote karikaturen van Batista, Reagan en Bush die hen op cynische wijze bedanken voor het respectievelijk mogelijk maken, in stand houden en versterken van de revolutie. Buiten, ook op het terrein van het museum, staan een aantal voertuigen met een revolutionaire geschiedenis opgesteld. Met als topstuk natuurlijk de originele Granma, streng bewaakt en beveiligd.

We eten vanavond in de lobby-bar van het hotel. Daar beloven ze namelijk een tonijn-met-groente-salade, en zo langzamerhand smachten we naar groente. Bij binnenkomst blijkt de groente in kwestie een koude aardappel te zijn. Dat is groente, vindt de ober. Verder smaakt de salade wel prima. Christa bestelt er wegens groot succes nog een, terwijl Marco het moet doen met een overheerlijke kip als hoofdgerecht. Na het eten doet Christa boodschapjes bij de Caracol, en brengen we de rest van de avond in onze hotelkamer door.


Woensdag 30 september 1998


De laatste dag in Havana, dus de hoogste tijd om alles wat we nog willen zien, bij langs te lopen. Om twaalf uur gaan we de deur uit, richting Avenida de Italia, lokaal beter bekend als Guliano, en de belangrijkste winkelstraat voor Cubanen. Het eerste gedeelte van de Avenida is nog weinig boeiend. Bij een nogal duistere hamburgerketen staat Christa een flinke tijd in de rij om twee pakjes sap te bemachtigen. Er staan 5 man achter de balie, waarvan er 2 echt actief zijn. Biljetten groter dan 10 dollar worden eerst aan een uitgebreid onderzoek onderworpen, en de personalia van degene die ze besteedt, opgenomen. Volgens het bord kost ons sapje 60 cent per pakje, maar de man achter de balie vindt dat we 80 moeten betalen. Christa is het daar niet mee eens. Uiteindelijk betalen we 70.

Het is loeiwarm binnen, dus gaan we snel verder. Schuin tegenover het restaurant is La Epoca, een groot, fris en goed gevuld warenhuis, waar ongetwijfeld in dollars afgerekend wordt. Een flink aantal mensen verdringt zich bij de ingang, maar de deur lijkt gesloten. We nemen polshoogte. Binnen is wel leven en lopen wat klanten rond. Er blijkt geen elektriciteit te zijn, en de bewaking durft het niet aan nieuwe klanten binnen te laten.

 Verderop zijn wat winkels waar je in pesos mag betalen. Die zien er een stuk minder flitsend uit. In grote glazen vitrines ligt hier en daar eens wat, en verlichting is er niet. Wel weet Christa nog een nieuw riemtasje op de kop te tikken. Sommige winkels hebben haast nog meer verkopers dan produkten.

Veel bewoners van Guliano met hun voordeur naar de straat, maken van de gelegenheid gebruik om de deuren open te gooien en vanuit de woonkamer het een een ander te verkopen. Bij een echtpaar dat ook frisdrank verkoopt, kopen we twee notenreepjes. Aan het eind van Guliano slaan we af. We eten een hotdog in een fastfoodrestaurant dat wel air-conditioning heeft. Aan een tafeltje zit een oud mannetje geconcentreerd alles in de gaten te houden. Telkens als ergens iemand weg gaat, schiet hij overeind en ruimt de boel op. Als wij aanstalten maken om onze eigen troep op te ruimen, maant hij ons haast beledigd om dat niet te doen. Het restaurant blijkt verbonden aan een flink, hypermodern, overdekt winkelcentrum dat, zonder trappen, spiraalvormig omhoog loopt en waar uiteraard wordt afgerekend in dollars.
 

We lopen verder, en zijn inmiddels in een buitenwijk verzeild geraakt, en lopen langs een snelweg en vrijstaande huizen. De volgende attractie is het Plaza de la Revolución, een plein speciaal bedoeld voor grote volksbijeenkomsten volgens goed communistisch gebruik. In het midden van een plein staat een hoge, stervormige zuil, opgericht ter nagedachtenis van Jose Martí, dichter en volksheld, en na Che de door de staat meest bejubelde dode Cubaan. Che zelf heeft een plaatsje gevonden op de muur van het gebouw tegenover het monument, waar zijn profiel in metaal tegen de muur is geplakt. Het gebouw huist het ministerie van Binnenlandse Zaken. Achter het monument is nog net een gedeelte te zien van het stevig bewaakte gebouw waar zich onder meer het kantoor van Fidel Castro bevindt.

We lopen verder en worden aangesproken door een jongen die dezelfde kant op moet. Hij verbaast zich over het aantal mannen dat ons een taxi aanbiedt. Hier in Havana denken ze ook alleen maar aan dollars, dollars en dollars, vindt hij. Zelf komt hij uit Santiago de Cuba, en dat is veel leuker, relaxeder en minder dollar-gericht. Hij gaat ook naar de begraafplaats, vertelt hij, om zijn moeder op te zoeken. Buitenlanders moeten een dollar betalen om de begraafplaats te bezoeken, zo weet hij. Typisch Havana, laat hij er op volgen. Zelfs als ze dood zijn, willen ze nog dollars. Als we gewoon met hem meelopen, hoeven we niet te betalen, denkt hij. Maar we drinken toch liever eerst nog even iets op het terras voor de begraafplaats. Het drinken blijkt duurder dan het lijkt. De prijzen op de pakken zijn geen prijzen, maar codes, zo vertelt de mevrouw achter de kassa.

De Christoffel Columbus Begraafplaats is de grootste van Havana, en herbergt zo'n 800,000 zielen. Met name op de hoofdweg zijn de graven voorzien van prachtige grafstenen, en beelden, alles in het wit. Toch haalt hij het bij lange na niet bij de begraafplaats in La Paz, Bolivia vinden wij, verwend als we zijn. Na een goed half uur staan we dan ook al weer buiten, en kopen nog een pak ananassap aan de overkant. Door Vedado lopen we weer terug, rechtstreeks naar Coppelia. Het is spitsuur en we zien hoe mensen in een volle bus worden gestampt. Even verderop staat ook een lange rij mensen, van wie het niet helemaal duidelijk is of ze nu in de rij staan voor Coppelia, of voor de bus. We gaan er maar van uit dat het laatste het geval is, lopen binnen in zone B en nemen een ijsje.

Wij willen een taxi naar huis, en vlak voor hotel Habana Libre krijgen we een ritje aangeboden in zo'n kamerbrede Amerikaan. Onder protest gaat de eigenaar akkoord met een prijs van twee dollar. Terug in het hotel bestellen we weer twee tonijnsalades, die er ook dit keer weer anders uitzien dan de vorige keren. Wij begrijpen nu ook waarom de ober gister in de keuken moest informeren toen wij vroegen wat er in zo'n salade zit. Dat is namelijk elke keer anders. Wij snakken naar echte vitamines.


Donderdag 1 oktober 1998


We staan om half tien op en pakken onze spullen in. Om half elf hebben we nog net tijd om naar Obispo te lopen, om daar broodjes te kopen en kaartjes te posten. Uiteraard is het ook vandaag weer snikheet. Terug in het hotel eten we een laatste bordje spaghetti, die vandaag opvallend goed is en zelfs heet.

We lopen met onze rugzakken om naar buiten. Een jongen vraagt of wij een taxi willen. Ja, antwoorden wij, naar het station. Dat kost drie dollar, zegt hij. Dat kost twee dollar, antwoorden wij. Oei, twee dollar, dat wordt lastig. Of we even een minuutje kunnen wachten. Op een drafje loopt hij naar de overkant en gaat bij wat auto's langs. Uiteindelijk roept hij ons van onze kant van de straat, even verderop. Wij lopen die kant op en gooien onze rugzakken achterin de particuliere auto, en stappen in. Voordat we wegrijden betaalt de chauffeur een dollar aan onze regelneef.

Op het station kopen wij voor harde dollars en op vertoon van ons paspoort in een apart kantoortje twee kaartjes naar Santa Clara. Hebben we al een hotel, vraagt de mevrouw die ons binnenliet. Wij antwoorden ontkennend. Aha, dat komt dan mooi uit, want ze heeft een vriend in Santa Clara en laat die nou net kamers verhuren. In het centrum nog wel, voor 15 dollar per nacht. Ze goochelt een kaartje tevoorschijn. Als we willen, kan ze hem wel even opbellen, en dan komt hij ons van de trein halen. Dat willen wij wel. Wij worden opgehaald door Jose, die onze namen zal kennen.

Als we onze kaartjes bemachtigd hebben,voor 10 dollar per stuk, Cubanen betalen 10 pesos, bellen we vlak voor het station naar Nederland. Op vertoon van ons kaartje mogen we de stationshal in en daar wachten we op de dingen die komen gaan. Om 1 uur gaan de hekken los die toegang verschaffen tot het perron. Wij dringen naar binnen. Bij binnenkomt wordt iedereen nog eens gecontroleerd. Wij blijken een gereserveerde plaats te hebben in de allereerste wagon. De banken staan allemaal in dezelfde richting, met verrassend veel beenruimte. Het is loeiheet in de trein. Tot overmaat van ramp vertrekken we ook nog een half uur te laat. Als we bijna geen zweet meer over hebben zet de trein zich eindelijk in beweging en blaast een fris windje door de openstaande raampjes.

Voor nog meer frisse lucht staat ook de achterdeur van de wagon open. Dat levert een buitengewoon fraai uitzicht over hoe de spoorlijnen onder ons wegglijden in een groen landschap met veel suikerriet.  Tegen zevenen, een kleine twee uur te laat, komen we aan in Santa Clara. Al in de trein worden wij opgehaald door een man met snor van in de 40. Blijkbaar zijn ook onze gereserveerde plaatsen doorgegeven. Jose?, vraagt Marco. De man antwoordt bevestigend. Als we buiten lopen spreekt ook een ouder mannetje ons aan. Hij komt ons afhalen, zegt hij, en haalt een kaartje tevoorschijn dat identiek is aan degene die we in Havana hebben gekregen. Aha, dus dit is onze man. Wij gaan met hem mee. De snor protesteert heftig. Er dreigt een handgemeen. Deze man heeft het kaartje dat wij ook hebben, vertellen wij snor, dus met deze man gaan wij mee. Het oude mannetje laat het kaartje nog eens zien, dat door snor bijkans uit zijn handen wordt gegrist. Wat zijn onze namen?, vragen wij, maar daar weten ze geen van beide een overtuigend antwoord op te geven. Het mannetje leidt ons naar een wachtende auto, maar snor blijft hevige stennis maken en kruipt vóór ons de auto in. Dat wordt ons te gek. Snor is naar onze smaak iets te agressief en we maken duidelijk dat we absoluut met hem niet meegaan. Snor blijft aandringen en zegt dat zijn huis het enige echte is en op loopafstand hier vandaan. Goed punt. Waarom zouden we met de auto moeten als het toch in het centrum is? Ook haalt snor plotseling een kaartje tevoorschijn dat ook al identiek is aan het onze. Nu weten we het helemaal niet meer. Aan de omstanders laten we ons kaartje zien en vragen van wie van deze heren het is. Unaniem wijzen zij naar de snor. Wij kiezen dan ook definitief voor snor.

De snor, die door het leven blijkt te gaan als Jesus, verontschuldigt zich voor de scene. Het is maar goed dat we niet met oud mannetje zijn meegegaan, vindt hij, wat die had ons naar een huis gebracht dat ver buiten het centrum is, en nog illegaal ook. Zijn huis is strikt legaal. Om het allemaal nog ingewikkelder te maken brengt hij ons naar een huis dat een ander adres heeft dan dat wat op ons kaartje staat, maar het lijkt toch te kloppen. Op de hoek van de straat staat onze huiseigenaar te wachten, die ons naar een bovenwoning brengt, vlakbij het Parque Vidal, het grootste plein van Santa Clara. Jesus gaat mee.

Men laat ons de kamer zien, een vrij kleine met groot tweepersoons bed en airconditioning. De douche is er naast en wordt gedeeld met de bewoners van de andere kamer. Wij vinden het prima. Wij kunnen hier ook het avondeten gebruiken, zo wordt verteld, voor 6 dollar per persoon. Wij bestellen meteen.

We nemen een douchen en schuiven aan. Het eten is overheerlijk, met vlees, rijst, bananenchips, avocado, bananen, en veel echte sinaasappelsap. We hebben in ruim een week niet zo goed gegeten. De gegevens uit onze paspoorten worden nauwgezet overgenomen, want dit is een legaal huis, zo wordt ons uitgelegd. Voor de woonkamer is een groot balkon met twee witte schommelstoelen. Ook daar mogen we gebruik van maken.


Vrijdag 2 oktober 1998


Om een uur of tien ontbijten we vorstelijk, met een omelet met bacon, brood, mango, mangosap, sinaasappel, banaan, melk, koffie, en thee. Wij maken ons zorgen of ons lichaam een zo plotselinge overdosis vitaminen wel kan verwerken. Onze gastvrouw, Rosa, doet alles wat ze maar kan om het ons naar de zin te maken. En dat lukt behoorlijk.

We gaan naar buiten. De straat vlakbij ons huis afficheert zich zelf als de boulevard en is de belangrijkste winkelstraat van Santa Clara. De gebouwen zien er hier een stuk beter uit dan in Havana, zijn overwegend wit, alles gaat er hier een stuk relaxeder aan toe en wij wanen ons dan ook in een Zuid-Europese badplaats. Af en toe komt er een door een paard getrokken kar voorbij. Die doen hier dienst als openbaar vervoer en onze gastheer heeft ons al op het hart gedrukt er niet meer dan een peso per persoon voor te betalen, want dat is de officiële prijs.

 Wij lopen naar het Plaza de la Revolución, een flink stuk van het centrum en tegelijkertijd de belangrijkste toeristische attractie van Santa Clara. Op het plein is namelijk een enorm en imposant monument voor Che Guevara opgericht, dat bestaat uit een enorm standbeeld, een wit relief met revolutionaire taferelen, en ook nog eens een flink wit tablet met de integrale tekst van de afscheidsbrief van Che aan Fidel. Het bij het monument horende museum blijkt gesloten, wegens werkzaamheden. Later horen wij dat de stoffelijke resten van twaalf van Che's medestrijders in Bolivia, zojuist zijn gearriveerd en nu in het museum worden bijgezet. De resten van Che zelf zijn hier vorig jaar al gebracht.

Via een landweggetje steken we door naar het busstation, dat hier niet ver vandaan is. Langs het weggetje staan weer de vertrouwde bouwvallen. Een jongen met fiets knoopt een praatje met ons aan en neemt ons mee naar het busstation. Daar kopen we al vast een kaartje voor morgen naar Trinidad. Dat gaat volgens de inmiddels bekende procedure. Naar een apart kantoortje, paspoort laten zien, in dollars betalen, en iemand die vraagt of we al een hotel hebben in Trinidad, een kaartje geeft met een adres en er voor zal zorgen dat iemand ons afhaalt.

Buiten staat onze jonge begeleider nog steeds op ons te wachten. Hij krijgt een dollarkwartje voor de moeite, maar zo makkelijk zijn we niet van hem af. Met paard en wagen, 1 peso per persoon, rijden we terug naar het centrum, op de voet gevolgd door onze jongen op de fiets. Wij besluiten dat we het vandaag ook wel makkelijk vinden zo'n gids.

Niet ver van het Parque Vidal stappen wij uit. Onze gids parkeert zijn fiets in een van de vele privaat uitgebate bewaakte fietsenstallingen die deze stad rijk is. Wij lopen naar het Parque Vidal, een fraai plein, met standbeelden en een muziekkoepeltje er op, en opmerkelijk goed onderhouden mooie gebouwen er omheen.

De volgende stop is het Museo del Tren Blindado. Voorwaar een historische plaats. Hier leverden de rebellen een belangrijke slag in hun guerilla-strijd eind jaren vijftig, onder de bezielende leiding van Che Guevara. Een vrouwelijke gids legt het hele verhaal uit. De trein was door Batista gestuurd om de regeringstroepen in het zuiden te ondersteunen. Uiteraard was de trein geheel geblindeerd, zodat niemand kon zien wat er in zat. Revolutionairen in Havana hadden er echter lucht van gekregen, en hun collega's in Santa Clara gewaarschuwd. Zij wachten de trein op, en onderschepten hem. Omdat de trein geblindeerd was, hadden de soldaten binnen er geen flauw benul van dat er buiten eigenlijk maar een paar revolutionairen stonden. Bovendien waren de soldaten veel minder gemotiveerd, want, zo weet mevrouw het plastisch uit te drukken, zij vochten niet voor hun idealen, doch voor 12 pesos per maand.

We laten ons door onze gids weer terug naar huis brengen. We hebben geen sleutel en er blijkt niemand thuis. Maar al snel is Enrique er weer, die even een boodschapje had gedaan. Wij rusten in onze ge-airconditionede kamer. Om half vijf gaan we weer naar buiten voor een ommetje. Midden in het Parque Vidal staat het hotel Santa Clara Libre, die ergens op de achtste etage een bar heeft vanwaar je een fraai uitzicht op de stad hebt, zo vertellen onze Lonely Planet en onze gastheer. Als we naar binnen lopen vraagt iemand wat wij willen. Naar de bar. Dan moeten we eerst betalen, vindt hij. Wij worden doorverwezen naar de man bij de winkel bij de ingang. Wij moeten één dollar betalen om naar boven te mogen, improviseert hij. Dat weigeren we. Dan eten we maar een guayabe ijsje bij een kraampje op de hoek.

Wij snuffelen rond in een dollarwinkel. Zoals altijd is die flink duur. Voor een blikje cola betaal je 1 gulden 20. Ze hebben hier ook nog andere absurd dure dingen. Een blikje ananas doet ongeveer 9 gulden. Dat is nogal absurd, aangezien Santa Clara midden in het gebied is waar in Cuba de ananassen worden verbouwd. Waarom iemand dan ook vrijwillig 9 gulden zou betalen voor die krengen in blik is ons volstrekt onduidelijk.

Na nog wat rondgekeuvel gaan we weer terug naar huis. Daar eten we kip, die ook erg lekker is. Er is zelfs groente bij, al is die ons niet altijd even bekend. We praten met Rosa en Enrique. In de andere kamer die verhuurd wordt, zit een Spanjaard. Maar hij is verliefd geworden op een Cubaans meisje. Oorspronkelijk zou hij maar een paar dagen blijven, maar inmiddels zit hij hier al drie weken.

Om een huur of half elf gaan we nog even naar buiten, naar het Parque Vidal. Dat is hier volstrekt veilig, verzekert Enrique ons. Op het plein is het een gezellige drukte. Wij vinden eindelijk weer de Coppelia, maar er staat een flinke rij te wachten. De man aan het einde van de rij, die merkt dat wij buitenlanders zijn, gebaart heftig dat wij zo naar binnen mogen lopen. Enigszins verbaasd doen we dat dan maar. Niemand kijkt er verder van op. In Cuba, zo wordt ons later verteld, is het niet ongebruikelijk dat buitenlanders overal voorrang krijgen. Zo krijgen zij namelijk een positief beeld van Cuba. Een wat merkwaardige redenering. Het ijs is hier helemaal belachelijk goedkoop. Voor 3 bollen betalen we 0,9 peso, negen cent dus. De Cubanen bestellen dan ook weer gigantische hoeveelheden. Tegen middernacht zijn we weer thuis.


Zaterdag 3 oktober 1998


De wekker gaat om kwart over negen. Dan hebben wij nog ruim de tijd om in te pakken. Bji het ontbijt hebben we nu guayabe. Jesus, ook wel bekend als De Snor, komt nog eens langs om te kijken of alles naar wens was, en met een visitekaartje voor een huis in Trinidad. En hij kan ook wel zorgen dat we daar worden afgehaald, zo vertelt hij er bij. We besluiten om toch maar de voorkeur te geven voor dit huis boven degene die we bij het busstation hadden opgeduikeld. Met Rosa rekenen we af. De totale schade bedraagt 64 dollar.

Om kwart over twaalf nemen we afscheid en lopen we met onze bagage terug naar het plein. Een wat merkwaardige man ziet ons met onze rugzakken zeulen en heet ons van harte welkom in Santa Clara. Wij moeten hem teleurstellen en zeggen dat we de stad al weer gaan verlaten. Maakt niet uit, hij wijst ons graag de weg naar de paardenkar die naar het busstation gaat. De chauffeur blijkt dezelfde als die we gisteren hadden. Eenmaal op het busstation wachten we een tijdje in de verkeerde wachtruimte en worden dan naar de juiste gewezen.

De bus komt later, zo horen wij, want hij is op dit moment stuk. Een uurtje te laat arriveert de bus. Onze rugzakken mogen tegen betaling van 1 peso onderin het bagageruim. Die ene peso is zeker niet standaard, zo verzekeren andere passagiers ons, maar iedereen die bagage onderin gooit betaalt het, dus zit er voor ons ook weinig anders op. De conducteur vraagt ons nog maar eens of we in Trinidad al een kamer hebben. Volgens ons is het eigenlijk wel een vrij lucratief baantje, conducteur of buschauffeur zijn.

Tot onze verbazing komen we om 4 uur aan in Sancti Spiritus. Dat lijkt nogal een omweg. De afstand van Santa Clara naar Trinidad is ongeveer even groot als die van Sancti Spiritus naar Trinidad. We mogen even uitstappen. Er zijn nog wat probleempjes met de bus, meldt de conducteur, maar over vijf minuutjes is alles weer in orde. Wij gaan wachten in het busstation. Het kan nog wel even gaan duren.

Bij de balie informeren we maar alvast naar de bussen naar Camaguey, waar we over een paar dagen heen willen. De reguliere bus naar Camaguey gaat om de dag, 's ochtends vroeg, zo wordt ons verteld. Maar die kunnen we beter niet nemen, want die is niet "gegarandeerd". Wat we beter kunnen doen is de toeristenbus nemen, die twee keer per week rijdt, van Havana naar Santiago de Cuba. Die bus komt 's avonds rond een uur of negen aan in Santa Clara, en is tegen enen in Camaguey. De bus kost tien dollar per persoon.

Het begint donker te worden. En weg kunnen we ook niet, want onze bus is naar de garage en daar zitten onze rugzakken nog in. Om half acht komt eindelijk een official zich melden. Hij verontschuldigt zich voor het lange wachten, maar het probleem was, er was nog een andere kapotte bus, en die moesten ze bij de garage eerst aan de praat krijgen. Maar ze gaan nu echt aan onze bus beginnen. Als het helemaal niks wordt, mogen we met de luxe bus.

Al om acht uur is onze bus reeds in gereedheid. Vol vertrouwen gaan wij weer verder. Twintig minuten later is het echter al weer prijs. De bus begeeft het opnieuw. We parkeren voor een klein winkeltje waar ook water wordt verkocht. Er schijnt iets mis te zijn met een as. Of iets dergelijks. Er wordt iemand op uit gestuurd om naar de basis te bellen zodat die een nieuwe bus kunnen sturen. Wat later komt dan toch de luxe bus opdraven en mogen we daarmee verder.

 Uiteindelijk komen we om kwart voor elf, ruim zes uur te laat, dan toch in Trinidad aan. Onze nieuwe gastheer staat ons zowaar nog op te wachten. Al snel zijn wij in onze ruime nieuwe woning, waar keurig een bordje met Hostal Lucia boven de deur hangt. We worden volgegooid met papayasap en maken een praatje met onze nieuwe gastheren. Zij zijn vorig jaar begonnen met het verhuren van kamers, zo vertellen ze. We krijgen het gastenboek te zien. Niet lang daarna gaan we maar naar bed.