Zondag 20 september 1998


Dit jaar gaan we niet naar Iran. Na een lange voorbereiding bleek het een ruime maand voor vertrek toch niet mogelijk om een visum voor Iran te krijgen, tenzij we buiten Teheran gebruik maken van een van te voren te boeken auto met chauffeur. Dat vinden wij niet zo'n goed idee. Op het laatste moment moeten wij een andere bestemming verzinnen. Dat wordt Cuba. Binnen een week wordt er geboekt, en op zondagmiddag 20 september om twee uur zitten we in een Martinair-toestel richting Varadero, Cuba. Middels een wel zeer opmerkelijke speling van het lot staat bij de gate naast de onze een toestel van IranAir klaar voor vertrek. Wij realiseren ons dat dat precies het vliegtuig is waar we in zouden hebben gezeten als onze reis naar Iran niet geannuleerd was.

 Rond de officiële vertrektijd van kwart over twee meldt de gezagvoerder dat er op dit moment nog geen toestemming is om te vertrekken, maar dat die toestemming waarschijnlijk binnen 10 tot 15 minuten zal volgen. Twintig minuten later volgt dezelfde mededeling. Inmiddels is het snikheet in de cabine, maar nadat het uitstelritueel zich enkele malen herhaald heeft, wordt het koeler. We zijn inmiddels naar de startbaan getaxied, als de mededeling wordt gedaan dat er problemen met de computer zijn. Binnen 5 minuten zal blijken of er iets aan gedaan kan worden, zo wordt gemeld. Is dat niet het geval, dan wordt er een technicus bijgehaald. Ook die technicus blijkt niet te helpen, en rond vier uur volgt de mededeling dat we moeten overstappen op een ander vliegtuig. De hele operatie zal zo'n vijf kwartier in beslag nemen, zo wordt ons beloofd.

De gezagvoerder deelt mee dat er op ons volgende toestel een nieuwe crew zal zitten. Eerst wordt de proviand en de toiletrollen uit het vliegtuig verwijderd. Dat schijnt belangrijker te zijn dan de passagiers. Pas daarna wij er uit. Het is dan inmiddels twee uur later. Als we, inmiddels na zessen, weer terug zijn bij de gate, wordt de mededeling gedaan dat er nu dinerbonnen geprint gaan worden, die binnen twintig minuten onder de wachtenden worden verspreid. Waarom die bonnen niet al twee uur eerder konden worden geprint, en meteen bij het verlaten van het vliegtuig worden verspreid, is ons niet duidelijk. Ook wordt beloofd dat het vliegtuig om 8 uur zal vertrekken. Wij worden dan ook gesommeerd om onze dinerbonnen binnen een uur te verzilveren. Daar is de horeca van Schiphol niet echt op voorzien. En al helemaal niet als er ook nog een andere Boeing van Martinair wordt geconfisceerd, waar wij op over zullen stappen, zodat de inzittenden van die vlucht ook allemaal een dinerbon mogen.

Wij zijn er snel bij en weten nog net binnen de toegestane tijd in een bruin café een Amsterdamse saté, twee verse jus d'orange en een bittergarnituur naar binnen te werken. Die tegoedbon zullen we volledig uitputten ook, zo besluiten wij. Tegen beter weten eten lopen we om twintig voor acht weer terug naar de gate. De monitoren melden tot onze schrik dat het Martinair toestel naar Varadero reeds vertrokken is. Geschokt lopen we die kant op, en zien een Martinair toestel van de bewuste gate wegtaxiën. Iemand van de beveiliging stelt ons gerust. Het is niet ons vliegtuig dat daar ging. Het Martinair-personeel staat ergens in de verte, achter de douane, op veilige afstand van de wachtende passagiers.

Om acht uur wordt er weer iets omgeroepen. Zonder verdere toelichting en slechts in het Nederlands meldt men ons dat de Martinair-vlucht naar Varadero om 22:30 zal vertrekken. Wij stellen de buitenlanders gerust. Opnieuw is het Martinair-personeel in geen velden of wegen te bekennen. Bonnen om een kop koffie aan te schaffen worden evenmin verstrekt.

Om half elf lijkt het er dan toch van te komen, en wordt opnieuw begonnen met boarden. In de verte zien we al hoe iedereen die instapt, een blanco papier en een formuliertje overhandigd krijgt. Aha, denken wij in onze grenzenloze naïviteit, dat zal een brief met excuses zijn, plus instructies over hoe in een tegemoetkoming in de schade zal worden voorzien. Niets blijkt minder waar. Het papiertje bevat slechts de klinische mededeling dat ons vliegtuig 8,5 uur vertraging heeft opgelopen. Dat was ons inmiddels ook al opgevallen. Verbaasd lezen wij de brief nog eens over, want we schijnen de excuses over het hoofd te hebben gezien. Niets is minder waar. Die excuses staan er gewoon niet. Het andere formuliertje bevat een uitnodiging om met opmerkingen en suggesties te komen ten aanzien van hoe Martinair in de toekomst haar service verder zou kunnen verbeteren. We moeten er haast een beetje om lachen.

Eenmaal aan boord excuseert de gezagvoerder zich voor de opgedane vertraging, en voor de dag vakantie die ons dat gekost heeft. Als we in de lucht zijn zal hij uit de doeken doen wat er vanmiddag allemaal is misgegaan. Zowaar dreigt ons vertrouwen in de mensheid in het algemeen en het Martinair-personeel in het bijzonder, weer langzaam terug te keren. Geheel ten onrechte. Eenmaal in de lucht weet gezagvoerder van Dam niets meer te melden dan dat in het vliegtuig van vanmiddag de navigatiecomputer niet meer functioneerde. Enige toelichting of excuses voor het permanent aan het lijntje houden van de passagiers is er niet bij. Dan vertelt hij dat het toch nog gelukt is een crew bij elkaar te krijgen, zodat wij toch nog vandaag naar Cuba kunnen. En voegt er doodleuk dat we hen daarvoor wel heel dankbaar moeten zijn, want anders hadden we morgen pas kunnen vertrekken. En dat wij er toch maar rekening mee moeten houden dat de bemanning ook al "een hele zondag in privé-sfeer heeft doorgebracht". De zielen. Dat hadden wij ook wel gewild, zo'n zondag in privé-sfeer doorbrengen, in plaats van hier de hele dag in een vliegtuig en op Schiphol rond the hangen. Onze woede nadert inmiddels het kookpunt. Meneer schijnt echt te geloven dat hij ons kan laten denken dat wij Martinair zeer dankbaar moeten zijn omdat zij alles in het werk hebben gesteld opdat wij vandaag nog mogen vliegen, en dat dat helemaal niets te maken heeft met het feit dat Martinair anders zowel hier in Amsterdam als in Varadero een slordige 400 man een nacht in een hotel moet laten overnachten. Zo naïef zijn we nu ook weer niet.

Er wordt omgeroepen dat, als we van de geluidsinstallatie willen genieten, we bij de stewardessen een koptelefoontje kunnen aanschaffen voor tien gulden. De man schuin voor ons suggereert dat het wellicht, bij wijze van klein gebaar van begrip en tegemoetkoming, geen onaardige geste zou zijn als die koptelefoontjes vandaag gratis zouden worden verspreid. Maar dat zit er niet in. Er zijn maar 100 koptelefoons aan boord.


Maandag 21 september 1998


Rond kwart over twee bereiken we Varadero. Op vertoon van onze toeristenkaart en vliegticket terug levert de douane weinig problemen op. Op bankjes hangen wat toeristen die dus ook 8,5 uur vertraging hebben. Middels twee lopende banden komt de bagage-afhandeling traag op gang. Een absurd grote beauty case blijft uiteindelijk eenzaam achter. Buiten is het 24 graden. Een mevrouw van Holland International annex NBBS wijst ons naar de bus, die inmiddels al bijna vol toeristen zit en omstreeks 3:30 vertrekt. De bus rijdt eerst een flink stuk van de luchthaven naar Varadero en blijkt daar zo'n beetje elk toeristenhotel aan te doen. En dat zijn er nogal wat. We hebben nog geluk dat ons hotel vrij vlot aan de beurt is en checken om 4:20 in in hotel Dos Mares. Daar hebben we via NBBS de eerste twee nachten in Cuba geboekt, met als belangrijkste reden dat dat de eenvoudigste manier was om aan een toeristenkaart te komen. De jongeman achter de balie is verbaasd over onze late aankomst. Wij vertellen van onze vertraging. Een andere meneer brengt onze rugzakken naar kamer 216, en demonstreert de TV, de imposante airconditioning en de verlichting. Christa haalt meteen maar haar op Schiphol aangeschafte waterkoker tevoorschijn, die op twee voltages werkt. Dat is nog een probleem, want op Cuba schijnen sommige hotelkamers te beschikken over zowel stopcontacten waar 110 volt uitkomt, als stopcontacten met 220 volt. Wij drinken een kopje thee. Uiteindelijk is het 6 uur als we slapen.

Om 9 uur staan we alweer op. Anders missen we immers ons ontbijt, waar we per slot van rekening voor betaald hebben. Bovendien schijnt voedsel nogal schaars in Cuba, dus als het te halen valt, moet je er bij zijn. Het hotel wordt uitgebaat door de lokale hotelschool en blijkt een stemmig geheel, precies zoals je je een oud Zuid-Amerikaans landhuis voorstelt, ongeveer vierkant, met brede stenen gangen met veel haakse bochten.

Beneden in het restaurant blijken wij te mogen genieten van een 6-gangen ontbijt naar keuze. Onder de te kiezen gangen bevinden zich bijvoorbeeld een fruitsalade, wat geroosterd brood met jam, een kopje koffie en een eitje. Dat tikt lekker aan. Wij laten een en ander ons matig smaken en merken terug op onze hotelkamer dat er zelfs CNN op onze kabel zit. Deze maakt melding van orkaan Georges, die veel schade op Puerto Rico heeft aangericht, en volgens de laatste prognoses over enkele dagen dwars over Cuba dendert. Dat kan er ook nog wel bij. Wij douchen ons en gaan weer een paar uurtjes slapen.

 

Tegen drieën gaan we de straat op. Varadero is al sinds jaar en dag de belangrijkste strandbestemming op Cuba. Maar liefst een derde van de toeristen die naar Cuba gaat, gaat naar Varadero. Dat heeft vooral te maken met het feit dat het schiereiland beschikt over een 17 meter breed, hagelwit strand, met een lengte van zo'n 20 kilometer. En zelfs met zoveel toeristen ligt zo'n strand er nog vrijwel uitgestorven bij. Wij wisselen wat geld bij de Cadeca, een nauwelijks als zodanig te herkennen door de staat gerund wisselkantoortje waar je, merkwaardig genoeg, dollars kunt wisselen tegen de zwarte wisselkoers. Officieel staat 1 dollar gelijk aan 1 Cubaanse peso. Op de zwarte markt echter, en bij Cadeco, krijg je er 21. Zoveel heb je daar nu ook weer niet aan want toeristen moeten vrijwel alles, zeker in Varadero, gewoon in harde dollars betalen.

We lopen een flink stuk langs het strand. Het is vandaag loeiheet, maar de zeewind brengt wat verkoeling. Daarna gaan we weer landinwaarts, de doorgaande weg op. Bij een Caracol-winkel, een keten die de staat hier in Varadero speciaal voor rijke buitenlandse toeristen heeft bedacht, kopen we een paar liter drinken en een pak koekjes, die we buiten op een terrasje consumeren.

Teruglopend langs de doorgaande weg komen we al heel wat Cubanen tegen die ons een partijtje sigaren voor een zacht prijsje van de hand wil doen. Je ziet ze veel dit jaar. Naast de vele hamburger en gebraden kip tentjes zien we tot onze verbazing een heus Chinees restaurantje, waar we enthousiast naar binnen gaan. De airconditioning staat loeihard aan, wat eerst prettig, maar kort daarna overdadig aandoet. Het zit wat onhandig, op lage poefjes bij dito tafeltjes, maar het eten is niet onaardig. De serveerster berekent per ongeluk 50 dollarcent te veel, maar Christa herstelt dat snel. Om zes uur zijn we weer thuis en vallen snel in slaap. Om half tien worden we weer wakker, kijken CNN, drinken een kopje thee, en vallen om 11 uur definitief in slaap.


Dinsdag 22 september 1998


Opnieuw staan we om 9 uur op om van ons 6-gangen ontbijt te genieten. Vandaag kiezen we voor de omelet met ham, en die is verrassend smakelijk bereid. De ochtend is gereserveerd om aan het strand te liggen, op amper 100 meter achter het hotel. We denken ons zorgvuldig in te smeren met waterproof zonnebrandcreme. De zon is weer loeiheet. We hebben zo'n 100 vierkante meter strand voor ons zelf en het water is zeer aangenaam. Een vriendelijke Cubaanse mevrouw komt langs om ons te vertellen van het restaurantje in de buurt waar we vanavond voor 10 dollar een buffet kunnen gebruiken en van Cubaanse folklore kunnen genieten, op vertoon van het door haar verspreid foldertje.

Om 1 uur zijn we terug in het hotel voor onze middagrust. Twee uur later maken we weer een wandeling door Varadero. We gaan richting Dupont Mansion, het voormalig huis van de Amerikaanse familie Dupont, bekend van het chemisch concern. De familie had ooit de helft van Varadero in bezit. Langs de hoofdweg passeren we een aangenaam koel postkantoor, dat er overigens verdraaid modern uitziet. Je kan er telefoonkaarten kopen voor de schaarse steden in Cuba met een kaarttelefoon. Verder verkoopt het postkantoor ansichtkaarten waarvan de porto al betaald is, en t-shirts met de afbeelding van Cubaanse postzegels.

Als we het postkantoor verlaten, slaat de hitte ons al weer tegemoet. De televisie voorspelde voor morgen voor Havana 97 graden Fahrenheit, dat is 37 graden Celcius. Langs de Autopista Sur lopen we verder in noord-oostelijke richting. We komen een bus tegen die verdacht veel lijkt op de ons bekende kanariegele Hollandse bussen. Groepsvervoer, meldt de voorkant. Aan de zijkant blijkt dat dit een NZH-bus is. We verlaten de snelweg en lopen langs een weg die blijkt voorzien van een eindeloze rij toeristenhotels, die trouwens allemaal verdraaid ruim zijn opgezet. Bij een toeristenwinkeltje slaan we weer wat proviand in. Buiten op de stoep, genietend van ons blikje perensap, bewonderen we de Cubaanse fauna. Er lopen hier nogal wat kleine gekleurde hagedisjes rond. Of kameleons, dat kan ook. We lopen verder en passeren een hele rits dure hotels te linkerzijde, en een golfbaan aan de rechterkant. Aan het eind van de weg, even voorbij hotel Bella Costa blijken we - in tegenstelling tot wat de Lonely Planet beweert - niet verder te kunnen, en eerst zeker een kilometer terug te moeten lopen voor we onze barre tocht naar Dupont Mansion kunnen hervatten. Marco is de uitputting nabij, hotel Bella Costa schenkt niet aan niet-gasten, en dus pakken we een taxi die ons met hoge snelheid voor twee dollar weer voor ons hotel aflevert. Daar vallen we opnieuw in slaap.

's Avonds om half acht gaan we er nog eens op uit om een pizza te eten in een restaurant dat volgens de Lonely Planet zo ongeveer de enige in Varadero is die aan te raden valt. De pizza is niet echt een pizza (brooddeeg met ketchup, kaas en stukjes ham), maar vult wel. Wij blijken inmiddels meedogenloos verbrand te zijn, Christa op haar rug en schouders, en Marco op zijn onderbenen, rechtervoet, en schouders. Met name Marco al er nog lang plezier van hebben. Om negen uur liggen wij weer te slapen.


Woensdag 23 september 1998


Uiteindelijk worden we om half acht wakker. Tijd om in te pakken, besluiten we, want we hebben het hier nu wel gezien, en orkaan Georges zit ons op de hielen. Volgens CNN is ie zo in de loop van donderdag à vrijdag in deze contreien. Georges beweegt voort met zo'n 25 kilometer per uur, waait tegen de 200 kilometer per uur en is 200 à 300 kilometer breed. Het ontbijt gebruiken we om negen uur, en de kok van gister was duidelijk beter dan die van vandaag. Om tien uur nemen we een taxi naar het busstation, in de hoop daar een bus naar Matanzas te vinden, een stad 42 kilometer naar het westen. Als we aan komen rijden, gaat er net een bus naar Matanzas weg. De mevrouw achter de balie meldt dat er geen bussen meer naar Matanzas gaan, wegens gebrek aan benzine. Wel is er om vier uur een bus rechtstreeks naar Havana, onze uiteindelijke bestemming voor vandaag. Inmiddels worden we ook beziggehouden door een taxichauffeur, die ons wel voor 25 dollar naar Matanzas wil brengen. Die prijs daalt uiteindelijk tot 15 dollar. Lager lijkt niet mogelijk. We gaan akkoord en worden overhandigd aan een lange Cubaan van rond de dertig met pokdalig gezicht, die ons vlot naar Matanzas rijdt. Anders dan wij verwachtten rijdt ook hij in een taxi met blauw nummerbord, wat betekent dat zijn taxi speciaal bedoeld is voor buitenlanders. Privé-autos en taxis voor Cubanen zijn voorzien van een geel nummerbord, en daar valt meestal ook wel mee te onderhandelen.

De twee dollar tol is bij de prijs inbegrepen. De taximeter tikt een stuk langzamer dan we gewend zijn. In Matanzas blijkt wat de truc is; als de meter bijna op 11 dollar staat, wordt-ie afgezet, zodat de taxi officieel vrij rondrijdt. Er zijn twee stations in Matanzas; een van de reguliere spoorwegen, en eentje van de Hershey Electric Rail Company, die het enige elektrische lijntje in Cuba exploiteert, dat loopt tussen Matanzas en Havana. Dat lijntje werd ooit neergelegd door Amerikaans chocoladefabrikant Hershey, die het gebruikte om zijn waar heen en weer te pendelen.

De taxichauffeur, die uitstekend Engels blijkt te spreken, brengt ons prompt naar het verkeerde station. Na veel navraag bereiken we om twaalf uur het juiste. De trein van 1:08 blijkt geannuleerd. Om 4:23 vertrekt de volgende. Een vriendelijk uitziende zwarte jongeman, spreekt ons aan. Hij heet Alfonso en vertelt van de geannuleerde trein. Hij vraagt waar we vandaan komen, waar we heen gaan, of we getrouwd zijn en of we kinderen hebben. Hij heeft er zelf eentje. Hier in de buurt is wel een winkeltje waar we water kunnen kopen, vertelt hij. Alfonso is zeer verguld als hij met Christa op de foto mag.

Na een uurtje hebben we het wel gezien in de wachtruimte en trekken er, met rugzak en al, op uit. Alfonso vergezelt ons naar de naburige kathedraal. Hij spreekt alleen Spaans, maar dat is nog wel te volgen. Het Spaans van veel Cubanen is een voor ons nogal onbegrijpelijke verbastering van het Spaans dat wij geleerd hebben, een soort Spaanse variant op het Vlaams, waarbij de uitspraak van veel dingen nogal versoepeld wordt, en de meeste s-en worden overgeslagen. Met als gevolg dat veel Cubanen denken dat Marco Marcos heet. Bij de kathedraal vindt Alfonso toch ook dat het wel erg warm is. Hij wil naar huis om een korte broek aan te trekken en nodigt ons uit mee te gaan.

 De straten in Matanzas zijn breed. Verkeer zie je haast niet, en de auto's die je ziet zijn meestal stokoude, gigantische Amerikanen, nog van voor de revolutie. De huizen zijn oud en hoog, bijna vervallen, en met hoge deuren. In een van die huizen woont Alfonso. We komen binnen in een huiskamertje van amper twee meter breed, met een vervallen tweezitsbank, twee dito fauteuils, een tafeltje en een oude stereo als interieur. De kamer is een meter of vijf lang. Daarachter is een kleiner kamertje, met een groot en een klein bed, en daar weer achter een klein keukentje. Via een klein binnenplaatsje, of eigenlijk een onoverdekte gang, kom je in een gebouwtje met een WC en een provisorische douche.

Alfonso's zus komt van achteren tevoorschijn. Ze biedt haar wang aan bij wijze van begroeting. In dit huis woont nog een andere zus, wiens trouwfoto op tafel staat, maar die nu in bed ligt, en de moeder, die aan het werk is. Zij is gescheiden. Alfonso geeft ons een glaasje koel water. We vertellen waar we vandaan komen en laten een paar ansichtkaarten zien. De zus is erg onder de indruk.

Als snel gaan we weer verder naar dollarcafeteria El Rápido, om een paar flessen water te kopen. Alfonso belooft ons naar een goed peso-restaurant te brengen, dus zeulen we onze rugzakken weer verder. Het restaurant blijkt vol. Er is nog wel een andere, negen blokken verderop, waar we ook met de bus heen kunnen. We laten het er maar bij zitten en gaan terug naar de dollarcafetaria, waar we voor anderhalve dollar de man alledrie een stuk pizza, of wat daar voor door moet gaan, met ham en kaas nuttigen. Een fles bronwater erbij en het feest is compleet.

Alfonso vertelt opnieuw dat hij een vriend heeft met een huis in het centrum van Havana, waar we wel kunnen overnachten. Want we moeten erg voorzichtig zijn in Havana en niet zomaar met iedereen meegaan. Hij wil ons er zelfs wel heen brengen. Wij antwoorden dat dat niet nodig is. Om het onderwerp te veranderen duikelt Marco een visitekaartje op en geeft Alfonso ons adres. Hij is verguld, en geeft zijn adres. Wij moeten zeker schrijven.

We rekenen af. De serveerster berekent per ongeluk 1 dollar te veel, maar Christa herstelt dat snel. Alfonso heeft al vast kaartjes voor ons gekocht voor de trein naar Havana, voor 4 dollar per stuk, terwijl op de kaartjes 3,25 staat. Wij vinden het wel prima. Bij de trein nemen we afscheid van een nog steeds erg enthousiaste Alfonso.

 Vanaf 1943 liet een Spaanse maatschappij een passagierstrein op Hershey's spoorlijntje rijden. Dat zelfde treintje rijdt er nu nog steeds, zonder toiletten en met een open overstap tussen de wagons. Op onze gereserveerde plaatsen in wagon B zitten al mensen, maar er is nog plaats genoeg. Deze trein schijnt een van de weinige openbaar vervoer voorzieningen op Cuba te zijn waar het geen probleem is om een kaartje te krijgen, waarschijnlijk vooral omdat het ding een kleine vier uur, en soms zelfs langer, doet over een afstand van een kleine 80 kilometer. Ook hier worden wij met interesse bekeken.

Een zwarte meneer spreekt Christa aan, terwijl Marco op het balkon naar frisse lucht hapt. De man is sportleraar en een persoonlijke vriend, zo beweert hij, van hoogspringer Javier Sotomayor. De man glimt van trots als Marco een paar beroemde Cubaanse sportlieden noemt. In het groene, licht glooiende landschap dat vooral bestaat uit suikerriet, wijst hij op een suikerfabriek, waar ook karton wordt geproduceerd. Middels zijn krant worden we op de hoogte gesteld van de laatste daden van Georges. De prognoses worden voor ons steeds gunstiger. Volgens de laatste berekeningen blijft de orkaan nog verder oostelijk van Havana dan waar in eerste instantie al sprake van was. Op het balkon poogt Marco te converseren met een meute Cubaanse schoolkindertjes. Voor elke stop, en dat zijn er nogal wat, stroomt iedereen die er uit wil naar de voorste wagon, omdat dat de enige is die bij de miniscule perronetjes uitkomt. Bij een wat groter station wordt onze wagon bestormd door 13 pubers plus een wat oudere mevrouw, die al snel luid zingend de wagon op z'n kop zetten. Mevrouw nodigt ons uit voor een feest in Havana begin oktober, maar dan zijn we de stad al weer uit.

Zo tegen achten, net nadat de duisternis is ingevallen, en zelfs zonder de gebruikelijke vertraging, rijden we Casablanca binnen, een wijk van Havana net aan de overkant van het centrum. De vriendelijke conducteur vertelt ons nog eens dat we na aankomst een pontje moeten nemen dat ons naar het centrum van Havana zal brengen. Hij brengt ons zelfs naar de aanlegplaats toe, waar we tegen betaling van tien centavos per persoon een plaatsje in de nogal warme boot krijgen.

Uit de Lonely Planet hebben we inmiddels hotel Caribbean uitgezocht. We lopen een eindje in de goede richting en gaan dan voor twee dollar met een taxi verder. De chauffeur noemt consequent een andere straat en ook bij aankomst lijkt een en ander niet te kloppen. Het klopt wel. De Caribbean is inmiddels stevig gerenoveerd en kost nu 43 dollar voor een tweepersoons kamer in plaats van 25. We boeken eerst voor een nacht.

De kamer is aangenaam fris geschilderd, en weer voorzien van een flinke airconditioning, televisie en badkamer. Links naast de deur is een kluisje, dat we met onze eigen code kunnen gebruiken. De enige luiken in de kamer leiden naar het trappenhuis. We pakken wat dingen uit en gaan snel slapen.


Donderdag 24 september 1998


 De eerste dag in Havana. Om kwart over acht worden we wakker. In dit hotel is het ontbijt niet inbegrepen, maar het is wel mogelijk het te gebruiken in de bar naast/in het hotel. Dat blijkt nog redelijk prijzig en ronduit belabberd. De omelet van 1 dollar baadt in het zout.

Dan maar er op uit. Vlakbij het hotel blijkt het Museum van de Revolutie gehuisvest, in een monumentaal gebouw dat vroeger het presidentieel paleis was. Daarnaast staat, onder een merkwaardige metalen koepel, de Granma opgesteld, het schip waarin Fidel Castro en de zijnen destijds de revolutie naar Cuba brachten. Er rijden hier ook bijzonder komische rose bussen rond, die eerder opleggers zijn voortgetrokken door een vrachtwagen, en waarvan het middelste gedeelte beduidend lager is dan de voor- en achterkant. Ze worden dan ook kameelbussen genoemd.

We slenteren wat verder door de straten van het centrum van Havana. Regelmatig worden we aangesproken door Cubanen, die wel willen weten waar wij vandaan komen, in welk hotel wij zitten, en, vooral, of wij wel sigaren willen kopen. Op een wat spontanere wijze raken wij in gesprek met een zwarte radioloog en zijn vrouw, die ons wel een stuk van Havana willen laten zien.

We lopen eerst nog een stuk door de straten van Havana Centrum, die ook al weer worden gekenmerkt door hoge huizen, die vrijwel vervallen zijn, met daarvoor oude Amerikaanse automobielen in soortgelijke staat. Aan veel bouwvallen is nog te zien dat het ooit prachtige gebouwen moeten zijn geweest. Als ooit de uitdrukking Vergane Glorie van toepassing is geweest, dan is het wel op Havana.

Onze gidsen vertellen ondertussen over zichzelf en over Cuba. Zij werkt in een sigarenfabriek, voor 148 pesos, zo'n 15 gulden, per maand. Ze hebben een kind, maar wonen allebei nog bij hun ouders. Het valt niet mee woonruimte te vinden, en te betalen, in Havana. Veel gebouwen zijn in deplorabele staat, door een tekort aan bouwmateriaal. Elk jaar storten in Havana zo'n 300 gebouwen spontaan in.

We komen in Chinatown, over liever gezegd een straat met een hoekje met wat Chinese restaurants. Maar wel restaurants waar je in Cubaanse pesos ('moneda nacional') kunt betalen. Even verderop staat een enorm gebouw dat er uit ziet als een kantoor, maar waar het belangrijkste ziekenhuis van Havana blijkt gehuisvest. Vroeger zat hier de centrale bank. Ergens anders lopen we langs een nogal duistere, marktachtige ruimte, die echter vooral leeg is. Het blijkt de plaats waar de rantsoenen onder de bevolking verdeeld worden. Naast de ingang staat aangegeven waar eenieder recht op heeft. Even verderop is een echte markt, waar je ook al niet echt vrolijk wordt van het aanbod. Varkensvlees doet hier 24 pesos per kilo, zo'n f 2,40, een stuk goedkoper dan bij ons, maar voor Cubanen nog steeds een half weekloon.

Onze gidsen brengen ons naar een steegje waar een bekende Afro-Cubaanse kunstenaar, ene Salvador, muurschilderingen heeft aangebracht. De man zelf zit momenteel op een expositie in New York, maar zijn assistent is gaarne bereid ons een en ander aan te prijzen. Binnen in een kleine expositieruimte is het een beetje donker, maar buiten laat hij een aantal originele werken op papier zien. Het ziet er allemaal wel geinig uit, kleurig, beetje Picasso, en Afrikaanse invloeden. Wij zeggen geen belangstelling te hebben. Een een ander zou zo'n 150 tot 200 dollar per stuk kosten, vertelt de assistent. Onze vrouwelijke gids heeft inmiddels afscheid genomen. Zij moet haar zoontje van school halen. De man blijft bij ons. Hij moet vaak 24 uur aan een stuk werken, en is daarna weer een paar dagen vrij.

Christa koopt in een dollar-supermarkt een fles water, een fles frisdrank en een blikje cola voor onze gids. De verkoopster brengt per ongeluk te veel in rekening, maar Christa herstelt dat snel. Onze gids brengt ons naar de Universiteit van Havana, gemarkeerd door een imposante trap. Er zijn hier zo'n 30,000 studenten. Boven aan de trappen zijn een aantal imposante gebouwen die er, voor Cubaanse begrippen ook nog fraai uit zien. De economische faculteit blijkt verhuisd naar elders. Onze gids brengt ons er heen.

We lopen door Vedado, de, zo te zien, rijkere buurt van Havana. De straten zijn hier breed, de huizen staan los van elkaar en zien er een stuk beter uit dan die in het centrum. Hier is ook het hotel Habana Libre, het grootste hotel van Havana, met 579 kamers, en ooit onderdeel van Hilton. Een ander hoog flatgebouw is de economische faculteit. We gaan naar binnen, en worden aangehouden door de portier. Marco laat zijn visitekaartje zien en de portier zal kijken of de prof tijd heeft. Er wordt druk naar boven gebeld. Onze gids is wel bereid om buiten te blijven wachten. We zeggen dat het wel prima is zo, en dat we hierna toch weer terug gaan naar ons hotel. We geven hem 4 dollar voor de moeite. Later besluiten we dat dat wat aan de hoge kant was.

Na wat heen en weer gebel komt een andere portier ons melden dat in verband met het op handen zijnde congres, de prof het helaas te druk heeft om ons nu of de komende dagen te woord te staan.

 Tegenover de faculteit is een park waar een ruimteschip lijkt te zijn geland. Het is het Coppelia-restaurant waar je buiten in vier a vijf zones op het terras ijs kan eten. Binnen zijn lange halfronde bars waaraan je een ijsje kunt eten. En boven zijn een aantal zalen waar je ongetwijfeld ook ijs kunt eten. Als we het terrein op lopen, worden we door een geüniformeerde meneer tegengehouden. Wat of we komen doen, vraagt hij. Een ijsje eten, is ons voor de hand liggende antwoord. Dan is het goed. Hij wijst ons een tafeltje in zone B. Een mevrouw komt met een kaart waarop aangegeven staat dat van de lange rij mogelijke smaken er vandaag nog vier beschikbaar zijn. We nemen een Ensalada Especial, een metalen bakje met vijf flinke bollen ijs voor 5 pesos, twee kwartjes dus. En dan krijg je er nog een glaasje water en koekkruimels bij ook. De serveersters lopen af en aan. Er moet hier een gigantische hoeveelheid ijs worden omgezet. Als we ons ijsje op hebben worden we vriendelijk verzocht ons weer te verwijderen.

Achter Havana Libre is een klein marktje waar men ons zelfgemaakte souvenirs probeert aan te smeren, zoals een Cubaans huisje-boompje-beestje waarvan het palmboompje alle kanten op kan buigen. Alvast voorbereid op de orkaan, merkt de verkoopster droog op.

We lopen terug richting hotel. In een zijstraat zien we tot onze sensatie maar liefst twee GADO-bussen gebroederlijk achter elkaar staan. Terug in het centrum van Havana worden we aangesproken door een jongeman die wel een restaurant voor ons weet. Dat is misschien niet zo'n gek idee. In Cuba is het tegenwoordig toegestaan om een klein privé-restaurantje uit te baten, een zogenaamde paladar, zolang er maar plaats is voor maximaal 12 gasten. Die paladares zijn alleen vaak nogal moeilijk te vinden. De jongen brengt ons een restaurantje binnen en claimt dat we er erg goedkoop kreeft of kip kunnen eten. Hoe goedkoop, vragen wij. Tien dollar, antwoordt hij. Wij barsten haast in lachen uit. Dan is de lobby-bar van ons luxueuze hotel nog goedkoper. Nog voordat de jongeman naar 8 dollar is gedaald, zijn wij al opgestaan. Tegenover het hotel maken wij gebruik van onze in Varadero op de kop getikte telefoonkaart. Bellen naar Europa schijnt hier tegen de 6 dollar per minuut te kosten, maar gelukkig wordt er per paar seconden afgerekend.

Even na vieren zijn we terug in ons hotel. Tijd voor rust, en een soepje dat we al uit Nederland hadden meegenomen. Om acht uur gaan we weer de straat op om echt te gaan eten. We willen wel naar Chinatown, en Marco weet nog dat dat in San Nicolas was. Die straat begint niet al te ver van ons hotel.  Het is behoorlijk donker buiten, want straatverlichting zit er hier niet echt in. Met zelfbewuste pas lopen wij verder. Het is even zoeken naar de juiste straat. Bij de derde zijstraat proberen wij te ontcijferen wat het straatnaambordje zegt. Terwijl wij daar mee bezig zijn, voelt Christa plotseling hoe het kleine tasje dat aan haar broekriem hangt, afscheurt. Een jongeman met geel t-shirt gaat er mee aan de haal. Marco zet de achtervolging in, en wint terrein, totdat de jongen achterop een fiets springt. De inhoud van het tasje; een zakmes, Christa's huissleutels, vier tampons, wat aspirientjes, een paar kwartjes, een pen, een paar visitekaartjes, en onze adressen uit Matanzas. De schade is dus beperkt.

De juiste straat bleken we al voorbij gelopen. En we blijken nog aan de verkeerde kant er in gelopen te zijn ook. We lopen San Nicolas door en komen weer in Chinatown uit. We eten op een terrasje elk een hoofdgerecht van een gulden of vijf; zoetzuur varkensvlees en een flinke plak ham, allebei gelardeerd met een soort nasi en een "salade", bestaand uit een dun schijfje avocado en een paar plakjes komkommer. Niet lang nadat wij onder de brede parasol hebben plaatsgenomen, volgt een wolkbreuk. Waarschijnlijk een voorbode van Georges, de orkaan die elders op Cuba al voor behoorlijk wat ellende heeft gezorgd en morgen in Havana wordt verwacht. Het weer klaart al snel weer op. Het eten is prima.

Cuba is een volstrekt absurd land, zo mijmeren wij. Je hebt hier twee werelden, die volledig langs elkaar heen lijken te leven. Aan de ene kant is er het arme Cuba, waar een tekort is aan alles en waar in pesos afgerekend wordt. Als er al iets af te rekenen valt. In het andere Cuba heeft men de beschikking over dollars, waardoor alles een stuk makkelijker beschikbaar wordt, en er ook in andere winkels gekocht wordt. En als je van beide werelden gebruik maakt ontstaan er vrij absurde situaties. Het flesje mineraalwater, een typisch dollargoed, dat we bij onze maaltijd nuttigen, is half zo duur als de volledige maaltijd zelf, net als het in zout gedrenkte eitje van vanochtend. En voor de prijs van datzelfde flesje bronwater kun je bij Coppelia 20 flinke bollen ijs aanschaffen. Het is duidelijk wie in Cuba de haves en wie de have-nots zijn; zij die respectievelijk wel en geen toegang tot dollars hebben.

Bij het presenteren van de rekening vergist de ober zich in de omrekenkoers en brengt een dollar teveel in rekening. Maar Christa doorziet dat snel. De ober herstelt zijn fout maar voegt daar aan toe dat de $5,50 exclusief fooi is. Dat is wel degelijk inclusief fooi, besluiten wij.

Als we tegenover de Chinees met het boekje in de hand proberen uit te vogelen hoe we weer thuiskomen, worden we aangesproken door een meisje met de Santa Biblia in haar hand. Wij zeggen waar we heen moeten, en ze wil ons wel brengen, want ze moet toch die kant op. Wij aarzelen, want zijn momenteel zeer wantrouwend jegens Cubanen, maar haar Heilige Bijbel geeft de doorslag. Het is erg gevaarlijk om in het donker door Havana te lopen als je de weg niet kent, weet ze. Wij beamen dat van harte, en vertellen wat er gebeurd is. Tja, er lopen veel goede maar ook slechte mensen rond in Havana, berust ze. Maar uiteindelijk zullen ze hun straf niet ontlopen. Zo is het maar net.

Het meisje nodigt ons nog uit om ons morgen iets van de stad te laten zien, of om zondag mee te gaan naar de kerk. We houden het maar af, want we zijn momenteel even een beetje moe van al die Cubanen. Ze geeft ons haar adres en telefoonnummer, voor het geval we nog op andere gedachten mochten komen. Tegen half elf zijn we weer terug in ons hotel.


Vrijdag 25 september 1998


 Vandaag komt Georges langs. Als we 's ochtends wakker worden, regent het al behoorlijk. Een goede gelegenheid om de hele dag in het hotel te blijven hangen. Onze TV is rijkelijk voorzien met satellietkanalen, zoals CNN, en muziekzender VH1, dus komen we de dag wel door. Wij starten de dag met soep en brood. In de loop van de ochtend blijkt het droog, en wagen we ons naar buiten. Het waait behoorlijk, en het is echt weer voor het Museo de la Revolución, vinden wij, maar dat blijkt vandaag om vrij onduidelijke redenen niet toegankelijk. Er wordt iets gemompeld over schoonmaken. Een eindje verderop kopen we bij een oud mannetje een exemplaar van Granma, Cuba's nationale dagblad. We raken verzeild in een overdekt dollarwinkelstraatje, met zelfs, jawel, daar is-ie weer, een Caracol-winkel. Dankbaar slaan wij in. Veel meer hebben wij hier buiten in dit spookachtige weer ook niet te zoeken. Het begint alweer te regenen, dus gaan we terug naar ons hotel, en vermaken ons daar met lezen in de lobby. Granma vertelt dat Georges voor meer dan 250 doden heeft gezorgd in Haïti en de Dominicaanse republiek, en dat Cuba met name te kampen heeft met zware regenval en overstromingen. Op een plaats is 280 mm regen gevallen. Het oog van de orkaan is even ten noorden van het eiland gepasseerd.

Ook in Havana begint het steeds harder te regenen. Op de staatsTV houdt een schele weerman alles nauwlettend in de gaten, en wordt daarin op een gegeven moment zelfs gesteund door Fidel Castro zelf. Op diezelfde TV verschijnen opeens beelden uit Havana, vanaf het einde van de Paseo del Prado, en vanaf Colón. Allebei zo'n beetje bij ons om de hoek dus. Op een van die plekken staat de reporter zo ongeveer tot zijn knieën in het water. Wij blijven nog maar even binnen.

We gaan terug naar onze hotelkamer om daar TV kijken. Om 5 uur gaan we zelf naar buiten om polshoogte te nemen. We lopen de Paseo de Prado af richting zee, naar Malecon, de lange boulevard langs het water. De zee is nog onrustig. Langs de kade en op straat liggen flinke brokstukken die door de zee uit de kademuur zijn weggeslagen. Als we op het hoekje staan, worden we zoals te doen gebruikelijk aangesproken door nu twee Cubanen die wel sigaren, restaurants en privé-overnachtingen voor ons kunnen regelen. Er staat ook nog een Engels sprekende Spanjaard bij, die we maar aanspreken, zodat we van beide Cubanen verlost zijn. De Spanjaard hoopt morgen weer terug te vliegen, als de luchthaven dan tenminste weer open is. Hij is ergens 's avonds na een bezoek aan een discotheek beroofd van geld, paspoort en schoenen. Vanmiddag, zo weet men te melden, stond het hier inderdaad in de straten en van drie hotels aan de Malecon zijn de toeristen tijdelijk geëvacueerd.

We lopen verder langs de Malecon, naar een gedeelte waar het nog spectaculairder toeven is. Met grof geweld slaat het water tegen de kademuur, waardoor er golven ontstaan van een meter of tien hoogte, die ook over de straat heen spoelen. Na een tijdje lopen we weer terug. Het regent behoorlijk en we worden vrij nat. In het hotel eten we een spaghetti met kaas en tomatensaus en 6 plakjes ham, voor 2 dollar per persoon. Het smaakt best wel aardig. Weinig is het wel. Wij bestellen ieder nog een portie Papas Fritas toe. Of dat op één bordje mag, vraagt de ober. Dat mag. De frietjes zien er wat merkwaardig uit, maar smaken prima, zij het meer naar gebakken aardappel. Het afrekenen levert dit keer helemaal een merkwaardig ritueel op. Het is 6 dollar, vindt de ober. Da's wat merkwaardig. Hij blijkt 20ct te veel voor het water te hebben gerekend en beweert dat we maar één portie Papas hebben gehad. Wij nemen dat voor kennisgeving aan en betalen $5,80. Vlak voor vertrek schiet hij ons aan met de mededeling dat het toch twee porties waren. Wij betalen nog een dollar.

Op onze hotelkamer zien wij op de staatsTV hoe vandaag het congres van de CDR, het Comité ter Verdediging van de Revolutie, is begonnen. Fidel Castro spreekt een zaal vol afgevaardigden toe in het Museo de la Revolución. Dat verklaart meteen waarom wij er niet in mochten.


Zaterdag 26 september 1998


Georges is weer vertrokken, en we kunnen eindelijk in het oude centrum, La Habana Vieja, kijken. Onderweg worden we weer regelmatig aangesproken door Cubanen, maar we merken dat een gedecideerd No Gracias, gevolgd door een volstrekt negeren, een zowel correcte als effectieve methode is om ze kwijt te raken. Niet ver van ons hotel lopen we Obispo in, een lange, oude winkelstraat met relatief veel toeristen. Op nummer 161 zit een broodjeszaak, alwaar we 12 bolletjes plus 4 gebakjes kopen die we aan de overkant oppeuzelen. Af en toe komt er een bedelaar of sigarenverkoper voorbij. Aan een oud vrouwtje dat zegt dat ze zo'n honger heeft en naar geld vraagt, geven we een bolletje. Dankbaar stopt ze hem in haar witte handtasje.

Vlakbij de bakkerij is de kathedraal, een twee eeuwen oude stenen constructie met twee ongelijke torens. Op hetzelfde plein staan nog meer fraaie oude gebouwen. Aan de voet van de kathedraal is een peperduur terras, waar een bandje stemmig Cubaanse deuntjes speelt. De toeristenmarkt is inmiddels verbannen naar achter de kathedraal, want die is enigszins uit zijn voegen gegroeid. Wij lopen langs eindeloze rijen kraampjes die allemaal zo ongeveer dezelfde handgemaakte handelswaar aanbieden. En sigaren.

Aan de oever van de Baai van Havana zitten wij op een bankje gade te slaan wat allemaal voorbij komt. Aan de overkant van het water zien wij de Fortaleza de San Carlos de la Cabaña, een van de oudste forten van Cuba. Daar over heen zien wij de rook van de naburige olieraffinaderij. Te rechterzijde zien wij het Castillo Real de la Fuerza, een fraaie vesting en het oudste fort op Cuba. Vlak voor ons scheuren de brede Amerikanen, Lada's, fietsen en fietstaxi's voorbij. Wij lopen nog een eindje langs het water, en kopen op een pleintje twee setjes met ansichtkaarten.

Op het Plaza de Armas, onder toeziend oog van het standbeeld van Carlos Manuel de Céspedes, is een tweedehands boekenmarkt. Wij lopen verder door Havana Vieja en door de inmiddels vertrouwde straatbeelden naar de kerk Santo Cristo del Buen Viaje, die van de goede reizen dus. Vlak voor die kerk is een grote dollarwinkel, waar onder meer brood en TV's verkocht worden. Wij kopen wat water. Even verderop lopen wij zo maar tegen een restaurantje op, Hanoi, een Vietnamees restaurant met als specialiteit, uiteraard, Creoolse gerechten. De prijzen zijn in dollars, maar op peso-hoogte. Wij kiezen voor een menu met stoofvlees, rijst, bonen en papas fritas, en doen daar nog een salade bij. Die salade bestaat ook dit keer uit komkommer en avocado. Maar het eten is prima en, vooral, ruimschoots voldoende. Voor onze neus begint zelfs een viertal oudere mannen muziek te maken. De ober brengt per ongeluk een dollar te veel in rekening, maar Christa herstelt dat snel. En zo zijn we met z'n tweeën toch voor een gulden of vijftien klaar.

We lopen door naar het hotel. 's Avonds trekken we er weer op uit voor een wandeling langs Malecon, de boulevard langs de straat van Florida, en een belangrijke uitgaansgelegenheid voor Havanen. Er hangt hier veel volk rond, lopend, of zittend op de stenen kademuur. Als het begint te schemeren zoeken we een fietstaxi die ons voor een schappelijk prijsje terug kan brengen. Bij de eerste is dat duidelijk niet het geval. Zijn vijf tot zeven dollar is lichtelijk belachelijk. Bij de tweede gegadigde worden we het eens over twee dollar. Hij waarschuwt om onze rugzak niet op grijpafstand van het overige verkeer te houden, en zet ons keurig voor het hotel af.

De schoonmaakster blijkt bij terugkomst onze nieuwe handdoeken in hartvorm gevouwen te hebben, en een briefje te hebben neergelegd waarin ze ons welkom heet in haar land en het hotel. Wij hebben nog steeds weinig honger, na onze copieuze maaltijd van vanmiddag. In de loop van de avond begint Marco plotseling te klappertanden van de kou. Zijn verbrande bovenarmen, waarop zich eerder deze week al blaasjes vormden, voelen nu gloeiend heet aan. Ook wordt hij geplaagd door hevige diarree. Verkleumd zoekt hij onder een laken en een deken naar wat warmte en gaat 's nachts zo ongeveer elk uur naar de WC.