Dit jaar gaan we niet naar
Iran. Na een lange voorbereiding bleek
het een ruime maand voor vertrek toch niet mogelijk om een visum
voor Iran te krijgen, tenzij we buiten Teheran gebruik maken van
een van te voren te boeken auto met chauffeur. Dat vinden wij
niet zo'n goed idee. Op het laatste moment moeten wij een andere
bestemming verzinnen. Dat wordt Cuba. Binnen een week wordt er
geboekt, en op zondagmiddag 20 september om twee uur zitten we
in een Martinair-toestel richting Varadero, Cuba. Middels een
wel zeer opmerkelijke speling van het lot staat bij de gate naast
de onze een toestel van IranAir klaar voor vertrek. Wij realiseren
ons dat dat precies het vliegtuig is waar we in zouden hebben
gezeten als onze reis naar Iran niet geannuleerd was.
Rond
de officiële vertrektijd van kwart over twee meldt de
gezagvoerder dat er op dit moment nog geen toestemming is om te
vertrekken, maar dat die toestemming waarschijnlijk binnen 10
tot 15 minuten zal volgen. Twintig minuten later volgt dezelfde
mededeling. Inmiddels is het snikheet in de cabine, maar nadat
het uitstelritueel zich enkele malen herhaald heeft, wordt het
koeler. We zijn inmiddels naar de startbaan getaxied, als de mededeling
wordt gedaan dat er problemen met de computer zijn. Binnen 5 minuten
zal blijken of er iets aan gedaan kan worden, zo wordt gemeld.
Is dat niet het geval, dan wordt er een technicus bijgehaald.
Ook die technicus blijkt niet te helpen, en rond vier uur volgt
de mededeling dat we moeten overstappen op een ander vliegtuig.
De hele operatie zal zo'n vijf kwartier in beslag nemen, zo wordt
ons beloofd.
De gezagvoerder deelt mee dat
er op ons volgende toestel een nieuwe
crew zal zitten. Eerst wordt de proviand en de toiletrollen uit
het vliegtuig verwijderd. Dat schijnt belangrijker te zijn dan
de passagiers. Pas daarna wij er uit. Het is dan inmiddels twee
uur later. Als we, inmiddels na zessen, weer terug zijn bij de
gate, wordt de mededeling gedaan dat er nu dinerbonnen geprint
gaan worden, die binnen twintig minuten onder de wachtenden worden
verspreid. Waarom die bonnen niet al twee uur eerder konden worden
geprint, en meteen bij het verlaten van het vliegtuig worden verspreid,
is ons niet duidelijk. Ook wordt beloofd dat het vliegtuig om
8 uur zal vertrekken. Wij worden dan ook gesommeerd om onze dinerbonnen
binnen een uur te verzilveren. Daar is de horeca van Schiphol
niet echt op voorzien. En al helemaal niet als er ook nog een
andere Boeing van Martinair wordt geconfisceerd, waar wij op over
zullen stappen, zodat de inzittenden van die vlucht ook allemaal
een dinerbon mogen.
Wij zijn er snel bij en weten nog net binnen de toegestane tijd in een bruin café een Amsterdamse saté, twee verse jus d'orange en een bittergarnituur naar binnen te werken. Die tegoedbon zullen we volledig uitputten ook, zo besluiten wij. Tegen beter weten eten lopen we om twintig voor acht weer terug naar de gate. De monitoren melden tot onze schrik dat het Martinair toestel naar Varadero reeds vertrokken is. Geschokt lopen we die kant op, en zien een Martinair toestel van de bewuste gate wegtaxiën. Iemand van de beveiliging stelt ons gerust. Het is niet ons vliegtuig dat daar ging. Het Martinair-personeel staat ergens in de verte, achter de douane, op veilige afstand van de wachtende passagiers.
Om acht uur wordt er weer iets
omgeroepen. Zonder verdere toelichting
en slechts in het Nederlands meldt men ons dat de Martinair-vlucht
naar Varadero om 22:30 zal vertrekken. Wij stellen de buitenlanders
gerust. Opnieuw is het Martinair-personeel in geen velden of wegen
te bekennen. Bonnen om een kop koffie aan te schaffen worden evenmin
verstrekt.
Om half elf lijkt het er dan
toch van te komen, en wordt opnieuw
begonnen met boarden. In de verte zien we al hoe iedereen die
instapt, een blanco papier en een formuliertje overhandigd krijgt.
Aha, denken wij in onze grenzenloze naïviteit, dat zal een
brief met excuses zijn, plus instructies over hoe in een tegemoetkoming
in de schade zal worden voorzien. Niets blijkt minder waar. Het
papiertje bevat slechts de klinische mededeling dat ons vliegtuig
8,5 uur vertraging heeft opgelopen. Dat was ons inmiddels ook
al opgevallen. Verbaasd lezen wij de brief nog eens over, want
we schijnen de excuses over het hoofd te hebben gezien. Niets
is minder waar. Die excuses staan er gewoon niet. Het andere
formuliertje
bevat een uitnodiging om met opmerkingen en suggesties te komen
ten aanzien van hoe Martinair in de toekomst haar service verder
zou kunnen verbeteren. We moeten er haast een beetje om lachen.
Eenmaal aan boord excuseert de
gezagvoerder zich voor de opgedane
vertraging, en voor de dag vakantie die ons dat gekost heeft.
Als we in de lucht zijn zal hij uit de doeken doen wat er vanmiddag
allemaal is misgegaan. Zowaar dreigt ons vertrouwen in de mensheid
in het algemeen en het Martinair-personeel in het bijzonder, weer
langzaam terug te keren. Geheel ten onrechte. Eenmaal in de lucht
weet gezagvoerder van Dam niets meer te melden dan dat in het
vliegtuig van vanmiddag de navigatiecomputer niet meer functioneerde.
Enige toelichting of excuses voor het permanent aan het lijntje
houden van de passagiers is er niet bij. Dan vertelt hij dat het
toch nog gelukt is een crew bij elkaar te krijgen, zodat wij toch
nog vandaag naar Cuba kunnen. En voegt er doodleuk dat we hen
daarvoor wel heel dankbaar moeten zijn, want anders hadden we
morgen pas kunnen vertrekken. En dat wij er toch maar rekening
mee moeten houden dat de bemanning ook al "een hele zondag
in privé-sfeer heeft doorgebracht". De zielen. Dat
hadden wij ook wel gewild, zo'n zondag in privé-sfeer
doorbrengen,
in plaats van hier de hele dag in een vliegtuig en op Schiphol
rond the hangen. Onze woede nadert inmiddels het kookpunt. Meneer
schijnt echt te geloven dat hij ons kan laten denken dat wij Martinair
zeer dankbaar moeten zijn omdat zij alles in het werk hebben gesteld
opdat wij vandaag nog mogen vliegen, en dat dat helemaal niets
te maken heeft met het feit dat Martinair anders zowel hier in
Amsterdam als in Varadero een slordige 400 man een nacht in een
hotel moet laten overnachten. Zo naïef zijn we nu ook weer
niet.
Er wordt omgeroepen dat, als we
van de geluidsinstallatie willen
genieten, we bij de stewardessen een koptelefoontje kunnen aanschaffen
voor tien gulden. De man schuin voor ons suggereert dat het wellicht,
bij wijze van klein gebaar van begrip en tegemoetkoming, geen
onaardige geste zou zijn als die koptelefoontjes vandaag gratis
zouden worden verspreid. Maar dat zit er niet in. Er zijn maar
100 koptelefoons aan boord.
Rond kwart over twee bereiken
we Varadero. Op vertoon van onze
toeristenkaart en vliegticket terug levert de douane weinig problemen
op. Op bankjes hangen wat toeristen die dus ook 8,5 uur vertraging
hebben. Middels twee lopende banden komt de bagage-afhandeling
traag op gang. Een absurd grote beauty case blijft uiteindelijk
eenzaam achter. Buiten is het 24 graden. Een mevrouw van Holland
International annex NBBS wijst ons naar de bus, die inmiddels
al bijna vol toeristen zit en omstreeks 3:30 vertrekt. De bus
rijdt eerst een flink stuk van de luchthaven naar Varadero en
blijkt daar zo'n beetje elk toeristenhotel aan te doen. En dat
zijn er nogal wat. We hebben nog geluk dat ons hotel vrij vlot
aan de beurt is en checken om 4:20 in in hotel Dos Mares. Daar
hebben we via NBBS de eerste twee nachten in Cuba geboekt, met
als belangrijkste reden dat dat de eenvoudigste manier was om
aan een toeristenkaart te komen. De jongeman achter de balie is
verbaasd over onze late aankomst. Wij vertellen van onze vertraging.
Een andere meneer brengt onze rugzakken naar kamer 216, en demonstreert
de TV, de imposante airconditioning en de verlichting. Christa
haalt meteen maar haar op Schiphol aangeschafte waterkoker
tevoorschijn,
die op twee voltages werkt. Dat is nog een probleem, want op Cuba
schijnen sommige hotelkamers te beschikken over zowel stopcontacten
waar 110 volt uitkomt, als stopcontacten met 220 volt. Wij drinken
een kopje thee. Uiteindelijk is het 6 uur als we slapen.
Om 9 uur staan we alweer op.
Anders missen we immers ons ontbijt,
waar we per slot van rekening voor betaald hebben. Bovendien schijnt
voedsel nogal schaars in Cuba, dus als het te halen valt, moet
je er bij zijn. Het hotel wordt uitgebaat door de lokale hotelschool
en blijkt een stemmig geheel, precies zoals je je een oud
Zuid-Amerikaans
landhuis voorstelt, ongeveer vierkant, met brede stenen gangen
met veel haakse bochten.
Beneden in het restaurant
blijken wij te mogen genieten van een
6-gangen ontbijt naar keuze. Onder de te kiezen gangen bevinden
zich bijvoorbeeld een fruitsalade, wat geroosterd brood met jam,
een kopje koffie en een eitje. Dat tikt lekker aan. Wij laten
een en ander ons matig smaken en merken terug op onze hotelkamer
dat er zelfs CNN op onze kabel zit. Deze maakt melding van orkaan
Georges, die veel schade op Puerto Rico heeft aangericht, en volgens
de laatste prognoses over enkele dagen dwars over Cuba dendert.
Dat kan er ook nog wel bij. Wij douchen ons en gaan weer een paar
uurtjes slapen.
Tegen drieën
gaan we de straat op. Varadero is al sinds jaar
en dag de belangrijkste strandbestemming op Cuba. Maar liefst
een derde van de toeristen die naar Cuba gaat, gaat naar Varadero.
Dat heeft vooral te maken met het feit dat het schiereiland beschikt
over een 17 meter breed, hagelwit strand, met een lengte van zo'n
20 kilometer. En zelfs met zoveel toeristen ligt zo'n strand er
nog vrijwel uitgestorven bij. Wij wisselen wat geld bij de Cadeca,
een nauwelijks als zodanig te herkennen door de staat gerund
wisselkantoortje
waar je, merkwaardig genoeg, dollars kunt wisselen tegen de zwarte
wisselkoers. Officieel staat 1 dollar gelijk aan 1 Cubaanse peso.
Op de zwarte markt echter, en bij Cadeco, krijg je er 21. Zoveel
heb je daar nu ook weer niet aan want toeristen moeten vrijwel
alles, zeker in Varadero, gewoon in harde dollars betalen.
We lopen een flink stuk langs
het strand. Het is vandaag loeiheet,
maar de zeewind brengt wat verkoeling. Daarna gaan we weer
landinwaarts,
de doorgaande weg op. Bij een Caracol-winkel, een keten die de
staat hier in Varadero speciaal voor rijke buitenlandse toeristen
heeft bedacht, kopen we een paar liter drinken en een pak koekjes,
die we buiten op een terrasje consumeren.
Teruglopend langs de doorgaande
weg komen we al heel wat Cubanen
tegen die ons een partijtje sigaren voor een zacht prijsje van
de hand wil doen. Je ziet ze veel dit jaar. Naast de vele hamburger
en gebraden kip tentjes zien we tot onze verbazing een heus Chinees
restaurantje, waar we enthousiast naar binnen gaan. De airconditioning
staat loeihard aan, wat eerst prettig, maar kort daarna overdadig
aandoet. Het zit wat onhandig, op lage poefjes bij dito tafeltjes,
maar het eten is niet onaardig. De serveerster berekent per ongeluk
50 dollarcent te veel, maar Christa herstelt dat snel. Om zes
uur zijn we weer thuis en vallen snel in slaap. Om half tien worden
we weer wakker, kijken CNN, drinken een kopje thee, en vallen
om 11 uur definitief in slaap.
Opnieuw staan we om 9 uur op om
van ons 6-gangen ontbijt te genieten.
Vandaag kiezen we voor de omelet met ham, en die is verrassend
smakelijk bereid. De ochtend is gereserveerd om aan het strand
te liggen, op amper 100 meter achter het hotel. We denken ons
zorgvuldig in te smeren met waterproof zonnebrandcreme. De zon
is weer loeiheet. We hebben zo'n 100 vierkante meter strand voor
ons zelf en het water is zeer aangenaam. Een vriendelijke Cubaanse
mevrouw komt langs om ons te vertellen van het restaurantje in
de buurt waar we vanavond voor 10 dollar een buffet kunnen gebruiken
en van Cubaanse folklore kunnen genieten, op vertoon van het door
haar verspreid foldertje.
Om 1 uur zijn we terug in het
hotel voor onze middagrust. Twee
uur later maken we weer een wandeling door Varadero. We gaan richting
Dupont Mansion, het voormalig huis van de Amerikaanse familie
Dupont, bekend van het chemisch concern. De familie had ooit de
helft van Varadero in bezit. Langs de hoofdweg passeren we een
aangenaam koel postkantoor, dat er overigens verdraaid modern
uitziet. Je kan er telefoonkaarten kopen voor de schaarse steden
in Cuba met een kaarttelefoon. Verder verkoopt het postkantoor
ansichtkaarten waarvan de porto al betaald is, en t-shirts met
de afbeelding van Cubaanse postzegels.
Als we het postkantoor
verlaten, slaat de hitte ons al weer tegemoet. De televisie voorspelde
voor morgen voor Havana 97 graden Fahrenheit, dat is 37 graden Celcius.
Langs de Autopista Sur lopen we verder in noord-oostelijke richting. We
komen een bus tegen die verdacht veel lijkt op de
ons bekende kanariegele Hollandse bussen. Groepsvervoer, meldt
de voorkant. Aan de zijkant blijkt dat dit een NZH-bus is. We
verlaten de snelweg en lopen langs een weg die blijkt voorzien
van een eindeloze rij toeristenhotels, die trouwens allemaal verdraaid
ruim zijn opgezet. Bij een toeristenwinkeltje slaan we weer wat
proviand in.
Buiten op de stoep, genietend van
ons
blikje perensap,
bewonderen we de Cubaanse fauna. Er lopen hier nogal wat kleine
gekleurde hagedisjes rond. Of kameleons, dat kan ook. We lopen
verder en passeren een hele rits dure hotels te linkerzijde, en
een golfbaan aan de rechterkant. Aan het eind van de weg, even
voorbij hotel Bella Costa blijken we - in tegenstelling tot wat
de Lonely Planet beweert - niet verder te kunnen, en eerst zeker
een kilometer terug te moeten lopen voor we onze barre tocht naar
Dupont Mansion kunnen hervatten. Marco is de uitputting nabij,
hotel Bella Costa schenkt niet aan niet-gasten, en dus pakken
we een taxi die ons met hoge snelheid voor twee dollar weer voor
ons hotel aflevert. Daar vallen we opnieuw in slaap.
's Avonds om half acht gaan we
er nog eens op uit om een pizza
te eten in een restaurant dat volgens de Lonely Planet zo ongeveer
de enige in Varadero is die aan te raden valt. De pizza is niet
echt een pizza (brooddeeg met ketchup, kaas en stukjes ham), maar
vult wel. Wij blijken inmiddels meedogenloos verbrand te zijn,
Christa op haar rug en schouders, en Marco op zijn onderbenen,
rechtervoet, en schouders. Met name Marco al er nog lang plezier
van hebben. Om negen uur liggen wij weer te slapen.
Uiteindelijk worden we om half
acht wakker. Tijd om in te pakken,
besluiten we, want we hebben het hier nu wel gezien, en orkaan
Georges zit ons op de hielen. Volgens CNN is ie zo in de loop
van donderdag à vrijdag in deze contreien. Georges beweegt
voort met zo'n 25 kilometer per uur, waait tegen de 200 kilometer
per uur en is 200 à 300 kilometer breed. Het ontbijt
gebruiken
we om negen uur, en de kok van gister was duidelijk beter dan
die van vandaag. Om tien uur nemen we een taxi naar het busstation,
in de hoop daar een bus naar Matanzas te vinden, een stad 42 kilometer
naar het westen. Als we aan komen rijden, gaat er net een bus
naar Matanzas weg. De mevrouw achter de balie meldt dat er geen
bussen meer naar Matanzas gaan, wegens gebrek aan benzine. Wel
is er om vier uur een bus rechtstreeks naar Havana, onze uiteindelijke
bestemming voor vandaag. Inmiddels worden we ook beziggehouden
door een taxichauffeur, die ons wel voor 25 dollar naar Matanzas
wil brengen. Die prijs daalt uiteindelijk tot 15 dollar. Lager
lijkt niet mogelijk. We gaan akkoord en worden overhandigd aan
een lange Cubaan van rond de dertig met pokdalig gezicht, die
ons vlot naar Matanzas rijdt. Anders dan wij verwachtten rijdt
ook hij in een taxi met blauw nummerbord, wat betekent dat zijn
taxi speciaal bedoeld is voor buitenlanders. Privé-autos
en taxis voor Cubanen zijn voorzien van een geel nummerbord, en
daar valt meestal ook wel mee te onderhandelen.
De twee dollar tol is bij de
prijs inbegrepen. De taximeter tikt
een stuk langzamer dan we gewend zijn. In Matanzas blijkt wat
de truc is; als de meter bijna op 11 dollar staat, wordt-ie afgezet,
zodat de taxi officieel vrij rondrijdt. Er zijn twee stations
in Matanzas; een van de reguliere spoorwegen, en eentje van de
Hershey Electric Rail Company, die het enige elektrische lijntje
in Cuba exploiteert, dat loopt tussen Matanzas en Havana. Dat
lijntje werd ooit neergelegd door Amerikaans chocoladefabrikant
Hershey, die het gebruikte om zijn waar heen en weer te pendelen.
De taxichauffeur, die
uitstekend Engels blijkt te spreken, brengt
ons prompt naar het verkeerde station. Na veel navraag bereiken
we om twaalf uur het juiste. De trein van 1:08 blijkt geannuleerd.
Om 4:23 vertrekt de volgende. Een vriendelijk uitziende zwarte
jongeman, spreekt ons aan. Hij heet Alfonso en vertelt van de
geannuleerde trein. Hij vraagt waar we vandaan komen, waar we
heen gaan, of we getrouwd zijn en of we kinderen hebben. Hij heeft
er zelf eentje. Hier in de buurt is wel een winkeltje waar we
water kunnen kopen, vertelt hij. Alfonso is zeer verguld als hij
met Christa op de foto mag.
Na een uurtje hebben we het wel
gezien in de wachtruimte en trekken
er, met rugzak en al, op uit. Alfonso vergezelt ons naar de naburige
kathedraal. Hij spreekt alleen Spaans, maar dat is nog wel te
volgen. Het Spaans van veel Cubanen is een voor ons nogal
onbegrijpelijke
verbastering van het Spaans dat wij geleerd hebben, een soort
Spaanse variant op het Vlaams, waarbij de uitspraak van veel dingen
nogal versoepeld wordt, en de meeste s-en worden overgeslagen.
Met als gevolg dat veel Cubanen denken dat Marco Marcos heet.
Bij de kathedraal vindt Alfonso toch ook dat het wel erg warm
is. Hij wil naar huis om een korte broek aan te trekken en nodigt
ons uit mee te gaan.
De
straten in Matanzas zijn breed. Verkeer zie je haast niet,
en de auto's die je ziet zijn meestal stokoude, gigantische Amerikanen,
nog van voor de revolutie. De huizen zijn oud en hoog, bijna vervallen,
en met hoge deuren. In een van die huizen woont Alfonso. We komen
binnen in een huiskamertje van amper twee meter breed, met een
vervallen tweezitsbank, twee dito fauteuils, een tafeltje en een
oude stereo als interieur. De kamer is een meter of vijf lang.
Daarachter is een kleiner kamertje, met een groot en een klein
bed, en daar weer achter een klein keukentje. Via een klein
binnenplaatsje,
of eigenlijk een onoverdekte gang, kom je in een gebouwtje met
een WC en een provisorische douche.
Alfonso's zus komt van achteren
tevoorschijn. Ze biedt haar wang
aan bij wijze van begroeting. In dit huis woont nog een andere
zus, wiens trouwfoto op tafel staat, maar die nu in bed ligt,
en de moeder, die aan het werk is. Zij is gescheiden. Alfonso
geeft ons een glaasje koel water. We vertellen waar we vandaan
komen en laten een paar ansichtkaarten zien. De zus is erg onder
de indruk.
Als snel gaan we weer verder
naar dollarcafeteria El Rápido,
om een paar flessen water te kopen. Alfonso belooft ons naar een goed
peso-restaurant
te brengen, dus zeulen we onze rugzakken weer verder. Het restaurant
blijkt vol. Er is nog wel een andere, negen blokken verderop,
waar we ook met de bus heen kunnen. We laten het er maar bij zitten
en gaan terug naar de dollarcafetaria, waar we voor anderhalve
dollar de man alledrie een stuk pizza, of wat daar voor door moet
gaan, met ham en kaas nuttigen. Een fles bronwater erbij en het
feest is compleet.
Alfonso vertelt opnieuw dat hij
een vriend heeft met een huis
in het centrum van Havana, waar we wel kunnen overnachten. Want
we moeten erg voorzichtig zijn in Havana en niet zomaar met iedereen
meegaan. Hij wil ons er zelfs wel heen brengen. Wij antwoorden
dat dat niet nodig is. Om het onderwerp te veranderen duikelt
Marco een visitekaartje op en geeft Alfonso ons adres. Hij is
verguld, en geeft zijn adres. Wij moeten zeker schrijven.
We
rekenen af. De serveerster berekent per ongeluk 1 dollar te
veel, maar Christa herstelt dat snel. Alfonso heeft al vast kaartjes
voor ons gekocht voor de trein naar Havana, voor 4 dollar per stuk,
terwijl op
de kaartjes 3,25 staat. Wij vinden het wel prima. Bij de trein nemen we
afscheid van een nog steeds erg enthousiaste Alfonso.
Vanaf
1943 liet een Spaanse maatschappij een passagierstrein op
Hershey's spoorlijntje rijden. Dat zelfde treintje rijdt er nu
nog steeds, zonder toiletten en met een open overstap tussen de
wagons. Op onze gereserveerde plaatsen in wagon B zitten al mensen,
maar er is nog plaats genoeg. Deze trein schijnt een van de weinige
openbaar vervoer voorzieningen op Cuba te zijn waar het geen probleem
is om een kaartje te krijgen, waarschijnlijk vooral omdat het
ding een kleine vier uur, en soms zelfs langer, doet over een
afstand van een kleine 80 kilometer. Ook hier worden wij met
interesse bekeken.
Een zwarte meneer spreekt
Christa aan, terwijl
Marco op het balkon naar frisse lucht hapt. De man is sportleraar
en een persoonlijke vriend, zo beweert hij, van hoogspringer Javier
Sotomayor. De man glimt van trots als Marco een paar beroemde
Cubaanse sportlieden noemt. In het groene, licht glooiende landschap
dat vooral bestaat uit suikerriet, wijst hij op een suikerfabriek,
waar ook karton wordt geproduceerd. Middels zijn krant worden
we op de hoogte gesteld van de laatste daden van Georges. De prognoses
worden voor ons steeds gunstiger. Volgens de laatste berekeningen
blijft de orkaan nog verder oostelijk van Havana dan waar in eerste
instantie al sprake van was. Op het balkon poogt Marco te converseren
met een meute Cubaanse schoolkindertjes. Voor elke stop, en dat
zijn er nogal wat, stroomt iedereen die er uit wil naar de voorste
wagon, omdat dat de enige is die bij de miniscule perronetjes
uitkomt. Bij een wat groter station wordt onze wagon bestormd
door 13 pubers plus een wat oudere mevrouw, die al snel luid zingend
de wagon op z'n kop zetten. Mevrouw nodigt ons uit voor een feest
in Havana begin oktober, maar dan zijn we de stad al weer uit.
Zo tegen achten, net nadat de
duisternis is ingevallen, en zelfs
zonder de gebruikelijke vertraging, rijden we Casablanca binnen,
een wijk van Havana net aan de overkant van het centrum. De
vriendelijke
conducteur vertelt ons nog eens dat we na aankomst een pontje
moeten nemen dat ons naar het centrum van Havana zal brengen.
Hij brengt ons zelfs naar de aanlegplaats toe, waar we tegen betaling
van tien centavos per persoon een plaatsje in de nogal warme boot
krijgen.
Uit de Lonely Planet hebben we
inmiddels hotel Caribbean uitgezocht.
We lopen een eindje in de goede richting en gaan dan voor twee
dollar met een taxi verder. De chauffeur noemt consequent een
andere straat en ook bij aankomst lijkt een en ander niet te kloppen.
Het klopt wel. De Caribbean is inmiddels stevig gerenoveerd en
kost nu 43 dollar voor een tweepersoons kamer in plaats van 25.
We boeken eerst voor een nacht.
De kamer is aangenaam fris
geschilderd, en weer voorzien van een
flinke airconditioning, televisie en badkamer. Links naast de
deur is een kluisje, dat we met onze eigen code kunnen gebruiken.
De enige luiken in de kamer leiden naar het trappenhuis. We pakken
wat dingen uit en gaan snel slapen.
De
eerste dag in Havana. Om kwart over acht worden we wakker.
In dit hotel is het ontbijt niet inbegrepen, maar het is wel mogelijk
het te gebruiken in de bar naast/in het hotel. Dat blijkt nog
redelijk prijzig en ronduit belabberd. De omelet van 1 dollar
baadt in het zout.
Dan maar er op uit. Vlakbij het
hotel blijkt het Museum van de
Revolutie gehuisvest, in een monumentaal gebouw dat vroeger het
presidentieel paleis was. Daarnaast staat, onder een merkwaardige
metalen koepel, de Granma opgesteld, het schip waarin Fidel Castro
en de zijnen destijds de revolutie naar Cuba brachten. Er rijden
hier ook bijzonder komische rose bussen rond, die eerder opleggers
zijn voortgetrokken door een vrachtwagen, en waarvan het middelste
gedeelte beduidend lager is dan de voor- en achterkant. Ze worden
dan ook kameelbussen genoemd.
We
slenteren wat verder door de straten van het centrum van Havana.
Regelmatig worden we aangesproken door Cubanen, die wel willen
weten waar wij vandaan komen, in welk hotel wij zitten, en, vooral,
of wij wel sigaren willen kopen. Op een wat spontanere wijze raken
wij in gesprek met een zwarte radioloog en zijn vrouw, die ons
wel een stuk van Havana willen laten zien.
We lopen eerst nog een stuk
door de straten van Havana Centrum,
die ook al weer worden gekenmerkt door hoge huizen, die vrijwel
vervallen zijn, met daarvoor oude Amerikaanse automobielen in
soortgelijke staat. Aan veel bouwvallen is nog te zien dat het
ooit prachtige gebouwen moeten zijn geweest. Als ooit de uitdrukking
Vergane Glorie van toepassing is geweest, dan is het wel op Havana.
Onze gidsen vertellen
ondertussen over zichzelf en over Cuba.
Zij werkt in een sigarenfabriek, voor 148 pesos, zo'n 15 gulden,
per maand. Ze hebben een kind, maar wonen allebei nog bij hun
ouders. Het valt niet mee woonruimte te vinden, en te betalen,
in Havana. Veel gebouwen zijn in deplorabele staat, door een tekort
aan bouwmateriaal. Elk jaar storten in Havana zo'n 300 gebouwen
spontaan in.
We komen in Chinatown, over
liever gezegd een straat met een hoekje
met wat Chinese restaurants. Maar wel restaurants waar je in Cubaanse
pesos ('moneda nacional') kunt betalen. Even verderop staat een
enorm gebouw dat er uit ziet als een kantoor, maar waar het
belangrijkste
ziekenhuis van Havana blijkt gehuisvest. Vroeger zat hier de centrale
bank. Ergens anders lopen we langs een nogal duistere, marktachtige
ruimte, die echter vooral leeg is. Het blijkt de plaats waar de
rantsoenen onder de bevolking verdeeld worden. Naast de ingang
staat aangegeven waar eenieder recht op heeft. Even verderop is
een echte markt, waar je ook al niet echt vrolijk wordt van het
aanbod. Varkensvlees doet hier 24 pesos per kilo, zo'n f 2,40,
een stuk goedkoper dan bij ons, maar voor Cubanen nog steeds een
half weekloon.
Onze
gidsen brengen ons naar een steegje waar een bekende Afro-Cubaanse
kunstenaar, ene Salvador, muurschilderingen heeft aangebracht.
De man zelf zit momenteel op een expositie in New York, maar zijn
assistent is gaarne bereid ons een en ander aan te prijzen. Binnen
in een kleine expositieruimte is het een beetje donker, maar buiten
laat hij een aantal originele werken op papier zien. Het ziet
er allemaal wel geinig uit, kleurig, beetje Picasso, en Afrikaanse
invloeden. Wij zeggen geen belangstelling te hebben. Een een ander
zou zo'n 150 tot 200 dollar per stuk kosten, vertelt de assistent.
Onze vrouwelijke gids heeft inmiddels afscheid genomen. Zij moet
haar zoontje van school halen. De man blijft bij ons. Hij moet
vaak 24 uur aan een stuk werken, en is daarna weer een paar dagen
vrij.
Christa koopt in een
dollar-supermarkt een fles water, een fles
frisdrank en een blikje cola voor onze gids. De verkoopster brengt
per ongeluk te veel in rekening, maar Christa herstelt dat snel.
Onze gids brengt ons naar de Universiteit van Havana, gemarkeerd
door een imposante trap. Er zijn hier zo'n 30,000 studenten. Boven
aan de trappen zijn een aantal imposante gebouwen die er, voor
Cubaanse begrippen ook nog fraai uit zien. De economische faculteit
blijkt verhuisd naar elders. Onze gids brengt ons er heen.
We lopen door Vedado, de, zo te
zien, rijkere buurt van Havana.
De straten zijn hier breed, de huizen staan los van elkaar en
zien er een stuk beter uit dan die in het centrum. Hier is ook
het hotel Habana Libre, het grootste hotel van Havana, met 579
kamers, en ooit onderdeel van Hilton. Een ander hoog flatgebouw
is de economische faculteit. We gaan naar binnen, en worden aangehouden
door de portier. Marco laat zijn visitekaartje zien en de portier
zal kijken of de prof tijd heeft. Er wordt druk naar boven gebeld.
Onze gids is wel bereid om buiten te blijven wachten. We zeggen
dat het wel prima is zo, en dat we hierna toch weer terug gaan
naar ons hotel. We geven hem 4 dollar voor de moeite. Later besluiten
we dat dat wat aan de hoge kant was.
Na wat heen en weer gebel komt
een andere portier ons melden dat
in verband met het op handen zijnde congres, de prof het helaas
te druk heeft om ons nu of de komende dagen te woord te staan.
Tegenover
de faculteit is een park waar een ruimteschip lijkt
te zijn geland. Het is het Coppelia-restaurant waar je buiten
in vier a vijf zones op het terras ijs kan eten. Binnen zijn lange
halfronde bars waaraan je een ijsje kunt eten. En boven zijn een
aantal zalen waar je ongetwijfeld ook ijs kunt eten. Als we het
terrein op lopen, worden we door een geüniformeerde meneer
tegengehouden. Wat of we komen doen, vraagt hij. Een ijsje eten,
is ons voor de hand liggende antwoord. Dan is het goed. Hij wijst
ons een tafeltje in zone B. Een mevrouw komt met een kaart waarop
aangegeven staat dat van de lange rij mogelijke smaken er vandaag
nog vier beschikbaar zijn. We nemen een Ensalada Especial, een
metalen bakje met vijf flinke bollen ijs voor 5 pesos, twee kwartjes
dus. En dan krijg je er nog een glaasje water en koekkruimels
bij ook. De serveersters lopen af en aan. Er moet hier een gigantische
hoeveelheid ijs worden omgezet. Als we ons ijsje op hebben worden
we vriendelijk verzocht ons weer te verwijderen.
Achter Havana Libre is een
klein marktje waar men ons zelfgemaakte
souvenirs probeert aan te smeren, zoals een Cubaans
huisje-boompje-beestje
waarvan het palmboompje alle kanten op kan buigen. Alvast voorbereid
op de orkaan, merkt de verkoopster droog op.
We lopen terug richting hotel.
In een zijstraat zien we tot onze
sensatie maar liefst twee GADO-bussen gebroederlijk achter elkaar
staan. Terug in het centrum van Havana worden we aangesproken
door een jongeman die wel een restaurant voor ons weet. Dat is
misschien niet zo'n gek idee. In Cuba is het tegenwoordig toegestaan
om een klein privé-restaurantje uit te baten, een zogenaamde
paladar, zolang er maar plaats is voor maximaal 12 gasten. Die
paladares zijn alleen vaak nogal moeilijk te vinden. De jongen
brengt ons een restaurantje binnen en claimt dat we er erg goedkoop
kreeft of kip kunnen eten. Hoe goedkoop, vragen wij. Tien dollar,
antwoordt hij. Wij barsten haast in lachen uit. Dan is de lobby-bar
van ons luxueuze hotel nog goedkoper. Nog voordat de jongeman
naar 8 dollar is gedaald, zijn wij al opgestaan. Tegenover het
hotel maken wij gebruik van onze in Varadero op de kop getikte
telefoonkaart. Bellen naar Europa schijnt hier tegen de 6 dollar
per minuut te kosten, maar gelukkig wordt er per paar seconden
afgerekend.
Even na vieren zijn we terug in
ons hotel. Tijd voor rust, en
een soepje dat we al uit Nederland hadden meegenomen. Om acht
uur gaan we weer de straat op om echt te gaan eten. We willen
wel naar Chinatown, en Marco weet nog dat dat in San Nicolas was.
Die straat begint niet al te ver van ons hotel. Het
is behoorlijk
donker buiten, want straatverlichting zit er hier niet echt in.
Met zelfbewuste pas lopen wij verder. Het is even zoeken naar
de juiste straat. Bij de derde zijstraat proberen wij te ontcijferen
wat het straatnaambordje zegt. Terwijl wij daar mee bezig zijn,
voelt Christa plotseling hoe het kleine tasje dat aan haar broekriem
hangt, afscheurt. Een jongeman met geel t-shirt gaat er mee aan
de haal. Marco zet de achtervolging in, en wint terrein, totdat
de jongen achterop een fiets springt. De inhoud van het tasje;
een zakmes, Christa's huissleutels, vier tampons, wat aspirientjes,
een paar kwartjes, een pen, een paar visitekaartjes, en onze adressen
uit Matanzas. De schade is dus beperkt.
De juiste straat bleken we al
voorbij gelopen. En we blijken nog
aan de verkeerde kant er in gelopen te zijn ook. We lopen San
Nicolas door en komen weer in Chinatown uit. We eten op een terrasje
elk een hoofdgerecht van een gulden of vijf; zoetzuur varkensvlees
en een flinke plak ham, allebei gelardeerd met een soort nasi
en een "salade", bestaand uit een dun schijfje avocado
en een paar plakjes komkommer. Niet lang nadat wij onder de brede
parasol hebben plaatsgenomen, volgt een wolkbreuk. Waarschijnlijk
een voorbode van Georges, de orkaan die elders op Cuba al voor
behoorlijk wat ellende heeft gezorgd en morgen in Havana wordt
verwacht. Het weer klaart al snel weer op. Het eten is prima.
Cuba is een volstrekt absurd
land, zo mijmeren wij. Je hebt hier
twee werelden, die volledig langs elkaar heen lijken te leven.
Aan de ene kant is er het arme Cuba, waar een tekort is aan alles
en waar in pesos afgerekend wordt. Als er al iets af te rekenen
valt. In het andere Cuba heeft men de beschikking over dollars,
waardoor alles een stuk makkelijker beschikbaar wordt, en er ook
in andere winkels gekocht wordt. En als je van beide werelden
gebruik maakt ontstaan er vrij absurde situaties. Het flesje
mineraalwater,
een typisch dollargoed, dat we bij onze maaltijd nuttigen, is
half zo duur als de volledige maaltijd zelf, net als het in zout
gedrenkte eitje van vanochtend. En voor de prijs van datzelfde
flesje bronwater kun je bij Coppelia 20 flinke bollen ijs aanschaffen.
Het is duidelijk wie in Cuba de haves
en wie de have-nots
zijn; zij die respectievelijk wel en geen toegang tot dollars
hebben.
Bij het presenteren van de
rekening vergist de ober zich in de
omrekenkoers en brengt een dollar teveel in rekening. Maar Christa
doorziet dat snel. De ober herstelt zijn fout maar voegt daar
aan toe dat de $5,50 exclusief fooi is. Dat is wel degelijk inclusief
fooi, besluiten wij.
Als we tegenover de Chinees met
het boekje in de hand proberen
uit te vogelen hoe we weer thuiskomen, worden we aangesproken
door een meisje met de Santa Biblia in haar hand. Wij zeggen waar
we heen moeten, en ze wil ons wel brengen, want ze moet toch die
kant op. Wij aarzelen, want zijn momenteel zeer wantrouwend jegens
Cubanen, maar haar Heilige Bijbel geeft de doorslag. Het is erg
gevaarlijk om in het donker door Havana te lopen als je de weg
niet kent, weet ze. Wij beamen dat van harte, en vertellen wat
er gebeurd is. Tja, er lopen veel goede maar ook slechte mensen
rond in Havana, berust ze. Maar uiteindelijk zullen ze hun straf
niet ontlopen. Zo is het maar net.
Het meisje nodigt ons nog uit
om ons morgen iets van de stad te
laten zien, of om zondag mee te gaan naar de kerk. We houden het
maar af, want we zijn momenteel even een beetje moe van al die
Cubanen. Ze geeft ons haar adres en telefoonnummer, voor het geval
we nog op andere gedachten mochten komen. Tegen half elf zijn
we weer terug in ons hotel.
Vandaag
komt Georges langs. Als we 's ochtends wakker worden,
regent het al behoorlijk. Een goede gelegenheid om de hele dag
in het hotel te blijven hangen. Onze TV is rijkelijk voorzien
met satellietkanalen, zoals CNN, en muziekzender VH1, dus komen
we de dag wel door. Wij starten de dag met soep en brood. In de
loop van de ochtend blijkt het droog, en wagen we ons naar buiten.
Het waait behoorlijk, en het is echt weer voor het Museo de la
Revolución, vinden wij, maar dat blijkt vandaag om vrij
onduidelijke redenen niet toegankelijk. Er wordt iets gemompeld
over schoonmaken. Een eindje verderop kopen we bij een oud mannetje
een exemplaar van Granma, Cuba's nationale dagblad. We raken verzeild
in een overdekt dollarwinkelstraatje, met zelfs, jawel, daar is-ie
weer, een Caracol-winkel. Dankbaar slaan wij in. Veel meer hebben
wij hier buiten in dit spookachtige weer ook niet te zoeken. Het
begint alweer te regenen, dus gaan we terug naar ons hotel, en
vermaken ons daar met lezen in de lobby. Granma vertelt dat Georges
voor meer dan 250 doden heeft gezorgd in Haïti en de
Dominicaanse
republiek, en dat Cuba met name te kampen heeft met zware regenval
en overstromingen. Op een plaats is 280 mm regen gevallen. Het
oog van de orkaan is even ten noorden van het eiland gepasseerd.
Ook in Havana begint het steeds
harder te regenen. Op de staatsTV
houdt een schele weerman alles nauwlettend in de gaten, en wordt
daarin op een gegeven moment zelfs gesteund door Fidel Castro
zelf. Op diezelfde TV verschijnen opeens beelden uit Havana, vanaf
het einde van de Paseo del Prado, en vanaf Colón. Allebei
zo'n beetje bij ons om de hoek dus. Op een van die plekken staat
de reporter zo ongeveer tot zijn knieën in het water. Wij
blijven nog maar even binnen.
We gaan terug naar onze
hotelkamer om daar TV kijken. Om 5 uur
gaan we zelf naar buiten om polshoogte te nemen. We lopen de Paseo
de Prado af richting zee, naar Malecon, de lange boulevard langs
het water. De zee is nog onrustig. Langs de kade en op straat
liggen flinke brokstukken die door de zee uit de kademuur zijn
weggeslagen. Als we op het hoekje staan, worden we zoals te doen
gebruikelijk aangesproken door nu twee Cubanen die wel sigaren,
restaurants en privé-overnachtingen voor ons kunnen regelen.
Er staat ook nog een Engels sprekende Spanjaard bij, die we maar
aanspreken, zodat we van beide Cubanen verlost zijn. De Spanjaard
hoopt morgen weer terug te vliegen, als de luchthaven dan tenminste
weer open is. Hij is ergens 's avonds na een bezoek aan een discotheek
beroofd van geld, paspoort en schoenen. Vanmiddag, zo weet men
te melden, stond het hier inderdaad in de straten en van drie
hotels aan de Malecon zijn de toeristen tijdelijk geëvacueerd.
We lopen verder langs de
Malecon, naar een gedeelte waar het nog
spectaculairder toeven is. Met grof geweld slaat het water tegen
de kademuur, waardoor er golven ontstaan van een meter of tien
hoogte, die ook over de straat heen spoelen. Na een tijdje lopen
we weer terug. Het regent behoorlijk en we worden vrij nat. In
het hotel eten we een spaghetti met kaas en tomatensaus en 6 plakjes
ham, voor 2 dollar per persoon. Het smaakt best wel aardig. Weinig
is het wel. Wij bestellen ieder nog een portie Papas Fritas toe.
Of dat op één bordje mag, vraagt de ober. Dat
mag.
De frietjes zien er wat merkwaardig uit, maar smaken prima, zij
het meer naar gebakken aardappel. Het afrekenen levert dit keer
helemaal een merkwaardig ritueel op. Het is 6 dollar, vindt de
ober. Da's wat merkwaardig. Hij blijkt 20ct te veel voor het water
te hebben gerekend en beweert dat we maar één
portie
Papas hebben gehad. Wij nemen dat voor kennisgeving aan en betalen
$5,80. Vlak voor vertrek schiet hij ons aan met de mededeling
dat het toch twee porties waren. Wij betalen nog een dollar.
Op onze hotelkamer zien wij op
de staatsTV hoe vandaag het congres
van de CDR, het Comité ter Verdediging van de Revolutie,
is begonnen. Fidel Castro spreekt een zaal vol afgevaardigden
toe in het Museo de la Revolución. Dat verklaart meteen
waarom wij er niet in mochten.
Georges is weer vertrokken, en
we kunnen eindelijk in het oude
centrum, La Habana Vieja, kijken. Onderweg worden we weer regelmatig
aangesproken door Cubanen, maar we merken dat een gedecideerd
No Gracias, gevolgd door een volstrekt negeren, een zowel correcte
als effectieve methode is om ze kwijt te raken. Niet ver van ons
hotel lopen we Obispo in, een lange, oude winkelstraat met relatief
veel toeristen. Op nummer 161 zit een broodjeszaak, alwaar we
12 bolletjes plus 4 gebakjes kopen die we aan de overkant oppeuzelen.
Af en toe komt er een bedelaar of sigarenverkoper voorbij. Aan
een oud vrouwtje dat zegt dat ze zo'n honger heeft en naar geld
vraagt, geven we een bolletje. Dankbaar stopt ze hem in haar witte
handtasje.
Vlakbij de bakkerij is de
kathedraal, een twee eeuwen oude stenen
constructie met twee ongelijke torens. Op hetzelfde plein staan
nog meer fraaie oude gebouwen. Aan de voet van de kathedraal is
een peperduur terras, waar een bandje stemmig Cubaanse deuntjes
speelt. De toeristenmarkt is inmiddels verbannen naar achter de
kathedraal, want die is enigszins uit zijn voegen gegroeid. Wij
lopen langs eindeloze rijen kraampjes die allemaal zo ongeveer
dezelfde handgemaakte handelswaar aanbieden. En sigaren.
Aan de oever van de Baai van
Havana zitten wij op een bankje gade
te slaan wat allemaal voorbij komt. Aan de overkant van het water
zien wij de Fortaleza de San Carlos de la Cabaña, een van
de oudste forten van Cuba. Daar over heen zien wij de rook van
de naburige olieraffinaderij. Te rechterzijde zien wij het Castillo
Real de la Fuerza, een fraaie vesting en het oudste fort op Cuba.
Vlak voor ons scheuren de brede Amerikanen, Lada's, fietsen en
fietstaxi's voorbij. Wij lopen nog een eindje langs het water,
en kopen op een pleintje twee setjes met ansichtkaarten.
Op het Plaza de Armas, onder
toeziend oog van het standbeeld van Carlos
Manuel de Céspedes, is een tweedehands boekenmarkt. Wij
lopen verder door Havana Vieja en door de inmiddels vertrouwde
straatbeelden naar de kerk Santo Cristo del Buen Viaje, die van
de goede reizen dus. Vlak voor die kerk is een grote dollarwinkel,
waar onder meer brood en TV's verkocht worden. Wij kopen wat water.
Even verderop lopen wij zo maar tegen een restaurantje op, Hanoi,
een Vietnamees restaurant met als specialiteit, uiteraard, Creoolse
gerechten. De prijzen zijn in dollars, maar op peso-hoogte. Wij
kiezen voor een menu met stoofvlees, rijst, bonen en papas fritas,
en doen daar nog een salade bij. Die salade bestaat ook dit keer
uit komkommer en avocado. Maar het eten is prima en, vooral,
ruimschoots
voldoende. Voor onze neus begint zelfs een viertal oudere mannen
muziek te maken. De ober brengt per ongeluk een dollar te veel
in rekening, maar Christa herstelt dat snel. En zo zijn we met
z'n tweeën toch voor een gulden of vijftien klaar.
We lopen door naar het hotel.
's Avonds trekken we er weer op
uit voor een wandeling langs Malecon, de boulevard langs de straat
van Florida, en een belangrijke uitgaansgelegenheid voor Havanen.
Er hangt hier veel volk rond, lopend, of zittend op de stenen
kademuur. Als het begint te schemeren zoeken we een fietstaxi
die ons voor een schappelijk prijsje terug kan brengen. Bij de
eerste is dat duidelijk niet het geval. Zijn vijf tot zeven dollar
is lichtelijk belachelijk. Bij de tweede gegadigde worden we het
eens over twee dollar. Hij waarschuwt om onze rugzak niet op
grijpafstand
van het overige verkeer te houden, en zet ons keurig voor het
hotel af.
De schoonmaakster blijkt bij
terugkomst onze nieuwe handdoeken
in hartvorm gevouwen te hebben, en een briefje te hebben neergelegd
waarin ze ons welkom heet in haar land en het hotel. Wij hebben
nog steeds weinig honger, na onze copieuze maaltijd van vanmiddag.
In de loop van de avond begint Marco plotseling te klappertanden
van de kou. Zijn verbrande bovenarmen, waarop zich eerder deze
week al blaasjes vormden, voelen nu gloeiend heet aan. Ook wordt
hij geplaagd door hevige diarree. Verkleumd zoekt hij onder een
laken en een deken naar wat warmte en gaat 's nachts zo ongeveer
elk uur naar de WC.