Ergens achter in een kamertje grenzend aan de binnenplaats, is een mevrouw bezig met de restauratie van een schilderij. Ze vertelt over familie in Spanje, die nogal een raar beeld heeft van Cuba. Alsof de kinderen hier hongerend op straat zouden liggen, en de orkaan alles vernietigd zou hebben. Ze had maar wat kranten gestuurd, want die Spanjaarden zijn zo slecht geïnformeerd. Zelf was ze ruim tien jaar geleden in het buitenland geweest, in Oost-Duitsland en Rusland. Daar kon je niet eens het kraanwater drinken. Ze vraagt of dat in Nederland ook het geval is. Dat ligt immers ook in Europa. Verder ontdekken wij dat in het Spaans van Gogh rijmt op mango.


Twee jonge zwarte Cubanen, die grote sigaren roken, zijn diep onder de indruk van de Siena van Marco. Een van hen komt eerst eens informeren wat het is. Een kleine computer. Aha. Marco geeft een kleine demonstratie. Wat of het kost. 150 dollar. Als we ons eten op hebben, komen ze allebei bij ons zitten. De ander, Felix, studeert informatica, vertelt hij, net als zijn zus, en spreekt behoorlijk Engels. Op Cuba betaal je ongeveer 100 dollar voor een computer. Dat moet dan wel een behoorlijk oude zijn. Maar zo'n kleintje lijkt hem wel handig. Die kennen ze op Cuba niet. Dus als we nog iemand in Nederland weten die er zo een wil verkopen, houdt hij zich aanbevolen. Het geld is waarschijnlijk wel even problematisch, maar te doen. Hij geeft ons zijn adres en telefoonnummer voor het geval dat. Ze willen weten wat onze eerste indruk van Cuba is. Mooi, houden wij ons wat op de vlakte. Vinden zij ook. En onze tweede indruk. Dat hier nergens groenten te vinden zijn. Vinden ze wel grappig. Jose geeft het adres van een restaurant waar ze, naar zijn zeggen, wel groente hebben. Wij moeten het nog zien. En de derde indruk. We zijn geland in Varadero, dus dat was onze indruk, antwoordt Marco veelzeggend. Jose is het roerend eens. Varadero is plastic, vindt hij. Dat is geen Cuba.


Een enigszins merkwaardige, nogal expressieve, kale, blanke Cubaan komt bij Marco zitten en knoopt een praatje aan. Het begint met gemeenplaatsen, maar als blijkt dat Christa beter Spaans begrijpt, volgen een aantal politiek minder correcte opmerkingen. Hij heeft vroeger op school Russisch geleerd, zo vertelt hij. In die tijd waren de Cubanen halve Russen. Nu zijn we nog steeds Russen, zo merkt hij op, maar we willen geen Russen meer zijn. Ook de relaties met andere landen liggen moeilijk. We zijn net Palestijnen; geen enkel land wil betrekkingen met ons. Het leven in Cuba valt niet mee. De commandant heeft alles, maar wij hebben niets. En voor zwarten valt het helemaal niet mee. De enige manier waarop zij nog iets van hun leven kunnen maken, is via muziek of sport. Cuba is het moeilijkste land ter wereld om in te leven.


Het is een hevige concurrentie, de kamer-business, zo wordt ons verteld. Mensen bij het busstation, en ook conducteurs, verzinnen de gekste dingen om toeristen mee naar hun huis te krijgen. Als je zegt dat je al een kamer hebt willen ze graag het kaartje zien, dat dan onmiddellijk verdwijnt onder het mom dat de bewoners vorige week overleden zijn. Of iets dergelijks. Buschauffeurs kunnen ook vaak wel iets regelen en zorgen er dan voor dat dat huis al voor het busstation is, zodat ze de mensen er daar uit kunnen laten en degenen die bij het busstation staan te wachten, op hun neus kijken.


De jongeman begint zelfs over politiek te praten. De Amerikanen, zo weet hij, proberen al een hele tijd Cuba binnen te vallen. Want de Amerikanen willen dat Cuba, net als de meeste andere landen, gewoon elk jaar een nieuwe president nemen, en niet een president hebben die al 32 jaar zit, zoals Fidel Castro. Maar de Cubanen zijn bereid hun land met hun eigen bloed te verdedigen, en daarom hebben de Amerikanen tot nu toe weinig succes. Nu proberen ze de Cubanen uit te hongeren, maar deze zullen niet zo maar opgeven.


Een armoedig uitziende oude man, die moeilijk spreekt wegens weinig tanden, spreekt ons aan in het Engels. Hij, Hector, blijkt echter nog behoorlijk scherp. Hij is enthousiast als hij hoort dat we uit Nederland komen. Hij luistert regelmatig naar radio Nederland Wereldomroep in het Spaans, vertelt hij. Die hebben een erg mooi programma. Opmerkelijk, want hij is niet bepaald de eerste die ons dat vertelt. Hector heeft acht jaar in de Verenigde Staten gewoond, vertelt hij, tot zijn 18e. De man is inmiddels 70. Cuba was destijds misschien nog wel rijker dan de VS zelf. Voortdurend lijkt Hector van ons tafeltje weg te lopen maar komt dan toch weer terug om nog iets te vertellen. Hij had destijds zelf nog meegevochten in de slag om de Moncada-barakken, aan de kant van het leger. In Fidel Castro had hij nooit geloofd. Fidel is drie jaar ouder dan hij, en hij kende hem al voor die tijd, zo beweert hij. Fidel was buitengewoon slim, maar, ook in zijn studententijd, niet erg populair. En een echt vechtersbaasje. Maar hij heeft ontegenzeggelijk charisma. Zijn speeches zijn wel wat korter geworden. Ze duren nu nog maar een uurtje of zes, zeven. Als er in de jaren '60 een speech van Fidel op televisie was, maar het was al laat en je ging naar bed, dan kon je er donder op zeggen dat als je 's ochtends wakker werd en je zette je TV weer aan, dat Fidel nog steeds bezig was.

Vroeger, voordat Castro aan de macht kwam, was alles veel beter. Er was persvrijheid, vrijheid van meningsuiting, er waren meerdere politieke partijen. Sindsdien is het alleen maar bergafwaarts gegaan. Nu wordt alles gecontroleerd. Als je maar met je ogen beweegt, weten de buren het al. Zo af en toe haalt Hector weer een nieuw glaasje rum. Hij verdient nu een pensioen van 91 pesos, iets meer dan 9 gulden per maand, al had dat misschien wat meer kunnen zijn als hij zich politiek correcter had gedragen. Maar gelukkig stuurt familie in de VS af en toe nog iets. Het zal hier inderdaad niet makkelijk zijn, begrijpen wij. En je moet vooral oppassen, lijkt ons, als je kinderen hebt die op school voortdurend krijgen ingepeperd dat Cuba geweldig is en dat geen land ter wereld het zo goed getroffen heeft en gelukkig is... Leugens! buldert Hector. Fidel zal er ook niet zo blij mee zijn met wat hij hier allemaal aan ons vertelt, informeren wij voorzichtig. Nee, antwoordt Hector beslist, en spiedt eens rond. Maar er is hier niemand verdacht.

Na bijna twee uur gaan we toch maar weer eens verder. Hector vraagt een kadootje en we geven hem een dollar. Hij is erg dankbaar en wil ons graag nog eens ontmoeten. Helaas, morgenochtend moeten we weer weg. Geëmotioneerd neemt hij afscheid en vraagt ons adres. Houd je ogen en oren goed open, drukt hij ons op het hart.


De man vertelt van z'n bouwplannen. Het is nogal duur, zo'n verbouwing. Een zak cement kost officieel 4 peso, maar is dan niet verkrijgbaar. Op de zwarte markt betaal je 40 peso. En in de paar muurtjes die er nu staan, zijn toch 40 zakken gaan zitten, dus dan zit je op 80 dollar, een half jaarsalaris.


Bij de Coppelia zit naast ons een mevrouw op leeftijd die een praatje maakt. Ze vraagt of wij ook in de rij hebben gestaan. Zelf heeft ze een gehandicaptenkaart, dus hoeft ze hier nooit in de rij te staan, en in de bus ook niet. En ze krijgt ze ook meteen haar ijsje. Ze vraagt of we dat in Nederland ook kennen. We leggen uit dat dat voor mensen met een auto het geval is. Ze vraagt hoeveel ijs we in Nederland normaal bestellen, als we ons verbazen over de enorme porties van de Cubanen. Mevrouw is weduwe en heeft een huisje hier vlak in de buurt, met nog een stukje grond, dus als we willen kunnen we dat wel aanschaffen en ook hier komen wonen. Ze kan het haast niet geloven dat we 15 dollar per nacht moeten betalen voor een kamer in een huis. In eerste instantie denkt ze dat dat bedrag per maand is. Er komen hier steeds meer toeristen, weet ze, omdat die zo'n fan zijn van Fidel Castro en het systeem hier. Voorzichtig suggereren wij dat de kwaliteit van de stranden wellicht ook een rol kan spelen, maar mevrouw neemt dat niet echt serieus.


We worden aangehouden door een merkwaardig klein giechelend mannetje, dat ons in het Engels aanspreekt. Of we even naar hem willen luisteren, please. Dat willen we. Hij is Jorge, en herhaalt het nog eens nadrukkelijk, Jorge, en verkoopt zwart koraal en sigaren. Of wij ook Spaans spreken. Een beetje. Hij herhaalt het hele verhaal nog eens in het Spaans. Hij verkoopt zwart koraal afkomstig van het strand van Santa Lucia tegen lage prijzen. Veel lager dan in Santa Lucia. You understand, please? Dat komt, hij werkt voor een collectief, en de prijzen zijn maar half zo hoog als in Santa Lucia. You understand, please? My name is Jorge. Jorge. Ik woon hier in de straat en verkoop zwart koraal en sigaren. De man lijkt te denken dat we alles een stuk beter begrijpen als hij het zes keer herhaalt. En het liefst zowel in het Engels als in het Spaans. En hij heet Jorge. Jorge. We zeggen dat we dat zwarte koraal dan wel eens willen zien, maar het lijkt niet echt tot hem door te dringen. Hij gaat gewoon door met ons proberen te overtuigen. Uiteindelijk begrijpt hij het en neemt ons mee naar een huis in een zijstraat. De vrouw des huizes, een jonge spontane Cubaanse, spreekt een beetje Duits, maar haar Engels is een catastrofe, zegt ze zelf. We worden in de woonkamer, voor Cubaanse begrippen niet onaardig, geplant. Terwijl zij voorbereidingen treft, houdt Jorge ons aan de praat. In zijn vorige baan verdiende hij slechts 250 dollar per maand. Eeeh... pesos waarschijnlijk? Precies, pesos. Daarom werkt hij nu bij dit collectief, waar hij zwart koraal en sigaren verkoopt. Zijn Engels is niet zo goed, want hij heeft op de universiteit alleen technisch Engels, technisch, you understand, please?, geleerd, want hij werkte in de agricultuur.

De vrouw des huizes verlost ons met een tafeltje met stemmig rood vilt en een aantal sieraden. Net zo iets als we vaak op de markt zien, maar dit is echt en dat op de markt is plastic. Het ziet er inderdaad echt uit, met subtiele kleurverschillen in plaats van grove krassen, zoals op de markt vaak het geval was. En je kan zien dat het echt is door er een aansteker onder te houden, wordt ons verteld. Plastic smelt dan, maar met echt koraal gebeurt niets. Ze geeft een demonstratie. Het nadeel is alleen dat er dan met het koraal weliswaar niets gebeurt, maar met je vingers wel. Jorge giechelt uitbundig. Christa laat haar oog vallen op twee visjes, een witte en een zwarte. Ze kosten 9 dollar per stuk. Christa vraagt wat het kost als ze twee koopt. Dan is het 17, antwoordt de vrouw des huizes. Dat is niet veel minder, maar ze zijn een collectief, en iedereen moet er iets aan verdienen. Zie je wel, zie je wel, kraait Jorge. Ik zei het toch al. Wij zijn een collectief. We rekenen af, en Jorge vraagt of we hier in de stad nog iets nodig hebben, tegen lage prijzen. Wij antwoorden ontkennend. Als er iets is, moeten wij het maar zeggen, dan kan hij het wel regelen, want zijn naam is Jorge. Jorge.


Op een gegeven moment komt een jonge Cubaan naast ons zitten, en knoopt een praatje aan. Hij heet Carlos, zo blijkt, en spreekt behoorlijk goed Engels. Dat heeft hij half op school geleerd, zo vertelt hij, en half door te luisteren naar de BBC World Service. Carlos blijkt op de hoogte van wat er allemaal in de Lonely Planet staat. Hij is het niet helemaal eens met geschiedenis van Cuba, zoals die in het boekje wordt weergegeven. Het is veel te Castro-vriendelijk. Er wordt beweerd dat er nadat Castro staatshoofd is geworden, veel Cubanen naar de VS zijn gegaan, omdat hun politieke ideeën niet overeen kwamen met die van Castro. Dat is onzin, zegt hij, die mensen werden gewoon vervolgd.

Vroeger moest iedereen in Cuba op school Russisch leren. Dat was grote onzin, vindt Carlos, want Cuba had historisch en cultureel gezien verder helemaal niets met de Sovjetunie te maken, het werd gewoon van bovenaf opgedrongen. Vrijwel niemand in Cuba heeft er iets aan om Russisch te kunnen spreken. Carlos schrikt er niet voor terug om hier in het openbaar een behoorlijk uitgesproken mening te ventileren, zo constateren wij. Dat komt omdat hij nu Engels spreekt, legt hij uit. En dat begrijpt het overgrote gedeelte van de Cubanen toch niet. Maar hij begrijpt onze zorg, en trekt een vergelijking met het boek van George Orwell. Cuba, zegt hij, dat is net 1984, maar dan in de Caribbean.

Eigenlijk is het niet eerlijk dat wij zo makkelijk aan buskaartjes kunnen komen, zo constateert hij. Cubanen moeten voor deze bus officieel 7 dagen van te voren reserveren. Maar ja, wij betalen dan ook 21 keer zo veel. Voor de bus naar Havana moet je er al tien dagen van te voren bij zijn. Zelf gaat hij een weekendje op bezoek bij vrienden. Hij heeft niet gereserveerd, maar hoopt, tegen forse meerprijs, bij de chauffeur nog wat te kunnen ritselen. Meestal lukt dat wel.

Carlos weet inderdaad een plekje te bemachtigen. We vragen hem waar hij denkt dat de armoede in Cuba door veroorzaakt wordt, door het bewind of door het Amerikaanse embargo. Allebei, besluit hij. Belangrijkste oorzaak blijft natuurlijk het bewind, maar het embargo maakt het er niet bepaald makkelijker op. In Cuba heerst apartheid, zo vindt hij, maar dan ten gunste van toeristen. Dat levert nogal wat haat op bij de Cubanen. Toeristen krijgen altijd voorrang en mogen overal in Cuba komen. Dat geldt niet voor Cubanen. Bij bepaalde hotels mag je als Cubaan niet komen, behalve als je er werkt. En in vrijwel heel Varadero mag je als Cubaan ook niet komen.

Met Carlos praten we over Internet, en leggen uit hoe dat zo'n beetje in z'n werk gaat. Ook praten we over muziek. Hij ziet onze Economist. Zoiets heeft hij nog nooit gezien, zegt hij. Als er in Cuba al buitenlandse tijdschriften te krijgen zijn, dan zijn het hooguit Spaanse roddelblaadjes. Maar opiniebladen of bladen als deze komen het land niet in. We hebben nog wel een oude Economist over en geven die aan Carlos. Hij is ons erg dankbaar.


E-mail communiceert een stuk eenvoudiger en sneller dan de post, die er vaak maanden over doet. E-mail is er vaak al na 24 uur. Alles gaat namelijk via Havana, want daar zit iemand die alles controleert. Geldt dat ook voor normale post? Die wordt vaak ook wel even tegen het licht gehouden. Alles in Cuba wordt gecontroleerd, gaat hij op gedempte toon verder. Als je kritiek levert, is er een goeie kans dat je wordt aangegeven. Onbewust ga ik nu ook al weer op gedempte toon praten, constateert hij. En wat gebeurt er als je wordt aangegeven? Hij omklemt zijn pols met zijn andere hand, en beweegt die opzij. Dan wordt je weggevoerd. Op samenzweerderige toon gaat hij verder. Hij zat eens in de bus, toen hij een glaasje rum had gedronken. De bus ging weer eens kapot. Niets doet het ook in dit land, had hij uitgeroepen. En er is ook niets. De chauffeur had de bus verlaten om te telefoneren, en niet veel later was de politie gekomen en had hem meegenomen naar het bureau. Hij kreeg een boete van 30 pesos, wegens verstoring van de openbare orde. Worden er ook wel eens mensen wegens kritiek opgesloten?, vragen wij. Nauwelijks, antwoordt hij cynisch. Als ze een boete geven, levert het geld op. En als ze je opsluiten, moeten ze je nog eten geven ook.


Carla vertelt over de zegeningen van het Cubaanse systeem, het gratis onderwijs en gezondheidszorg. Ze vraagt hoe dat in Nederland zit. Ook in Nederland hoef je, met name voor lager en middelbaar onderwijs, weinig tot niets te betalen, zo vertellen wij. Ze vraagt naar het gemiddeld salaris in Nederland en naar de kosten van levensonderhoud. Carla is onder de indruk van het nationaal inkomen van Nederland. Dan gaat zij koken, terwijl we verder praten met haar man.


Wij raken verzeild bij een Engelse docent. Vader, al behoorlijk op leeftijd en met slechte ogen, zit buiten op de stoep. Hij roept zijn zoon die met ontbloot bovenlichaam van achter komt. Wij worden voorgesteld en Rafael, de leraar, reageert uitbundig. Wij moeten snel binnen komen zitten, krijgen een klapstoeltje aangereikt en een glaasje water, geleend bij de buren, want die hebben een koelkast. Rafael reageert euforisch als hij een paar dollarsigaretten krijgt. De gever is een rijk man, als hij met zulke sigaretten rondloopt. Aan de muur hangt een schoolbord waar nog wat Engelse zinnetjes op staan. Rafael schiet naar achter om een overhemd aan te trekken.

Rafael wil alles weten en is erg enthousiast. Vroeger werkte hij als tolk voor de staat, en reisde naar een flink aantal, uiteraard communistische, landen. Ook in een aantal Westerse steden is hij geweest, London, Parijs, New York, maar steeds niet meer dan een paar uur op het vliegveld. Acht jaar geleden gingen er een aantal dingen mis in zijn leven en raakte hij aan lager wal. Hij heeft een kind, en is gescheiden. Nu verdient hij de kost door aan 10 leerlingen Engelse les te geven. Iedereen wil tegenwoordig Engels leren, vanwege het toerisme. Met dat les geven verdient hij 200 dollar per jaar. Zijn vader krijgt nog eens eenzelfde bedrag. Het is een armoedige boel in Cuba, vertelt hij, maar de mensen zijn geestelijk rijk. Het grootste probleem is eten. In oude, gescheurde kleren kan je wel leven, wijst hij op zijn eigen overhemd, maar zonder eten wordt het wat lastiger. Volgens een lokaal grapje heeft Cuba drie grote problemen; ontbijt, lunch en diner.

Rafael vraagt waar we allemaal al naar toe gereisd zijn, en is erg onder de indruk. Hij kijkt eens in onze Lonely Planet, en komt tot de conclusie dat het een erg goede gids is. De volgende vraag is waarom we op zo'n krakkemikkege manier, met het openbaar vervoer, reizen. Wij leggen uit dat dat ook wel anders kan, met toeristenbussen en dergelijke, maar dat het zo een stuk goedkoper en, vooral, veel leuker is, omdat je zo ook echte Cubanen tegenkomt. Onze gastheer knikt ijverig. Zouden we ons dat duurdere vervoer wel kunnen veroorloven? Als het echt zou moeten wel. Voor Nederlandse begrippen zijn we dus niet echt rijk? Inderdaad. Ze vertellen ons hier altijd dat we het hier zo goed hebben, en dat de mensen in het westen zoveel slechter af zijn, constateert Rafael, maar als ik jullie hier zo zie zitten, en hoor hoe makkelijk jullie overal heen kunnen reizen, dan heb ik daar toch m'n twijfels over.

Vlak voor ons vertrek maken we nog even gebruik van het toilet. Als Marco als laatste gaat, neemt Rafael hem terzijde. Zijn vader heeft een prothese nodig, maar in de lokale kliniek kost dat 10 dollar. Of we bij kunnen springen. Marco neemt het op met Christa. Dilemma. Het is in het algemeen, vinden wij, niet zo verstandig om in dit soort landen al te veel de Westerse Weldoener uit te gaan hangen, al was het alleen maar omdat succesvol gebedel nog meer gebedel uitlokt, en ten onrechte de indruk wekt dat bedelen een productievere bezigheid is dan werken voor de kost. Wij doneren 2 dollar voor het goede doel, en nemen afscheid.


Per maand moet er per kamer die te huur is in een prive-huis 130 dollar aan de staat worden afgedragen, ongeacht of de kamers nu verhuurd worden of niet. Wij vinden dat eigenlijk wel slim bekeken van de staat. Per huis mogen maximaal twee kamers worden verhuurd. Ons echtpaar blijkt nog maar twee maanden bezig met de kamerverhuur. Hij doceerde hiervoor sport, scherpschieten om precies te zijn. Zij was technisch tekenaar. Maar toerisme brengt aanzienlijk meer op, want hun salarissen lagen ergens tussen de 10 en 15 dollar per maand.

We laten onze ansichtkaartjes van Nederland zien, en ze zijn erg onder de indruk. Vooral de grachtenpanden in Amsterdam zijn van een fraaie koloniale architectuur, vindt Juan. Op een of andere manier hebben wij het gevoel dat er in die redenering iets niet klopt, maar we laten het er maar bij. Ze vragen ons naar de gemiddelde inkomens in Nederland. Het topinkomen in Cuba, zo vertellen ze, ligt rond de 20 dollar per maand. Maar dat geldt dan wel voor de hoger opgeleiden, zoals medici. Er zijn erg veel problemen in Cuba, zo weten ook zij. En tegenwoordig mag je dat zelfs hardop zeggen, zodat je het maar binnenskamers houdt. Het is minder verstandig om het in het openbaar, op straat te zeggen. Voor het grootste gedeelte zijn die problemen veroorzaakt door het Amerikaanse embargo, zo is ook hen wijsgemaakt. Wij zijn het daarmee eens, houden we het maar op. Tot op zekere hoogte is dat natuurlijk ook wel het geval, maar het is ook wel een erg makkelijke zondebok voor het regime.

Maria wil graag weten wat nu eigenlijk het verschil is tussen katholiek en protestant. Zo goed en zo kwaad als het gaat proberen we dat uit te leggen. Ze wekken de indruk er op zijn minst iets van te begrijpen. Vorig jaar was de paus in Cuba, zo vertellen ze, en sindsdien is het erg populair om katholiek te zijn. Dat zijn ze zelf ook.


Hoe sturen die Amerikaanse Cubanen eigenlijk geld naar Cuba, vraagt Marco zich af. Per post lijkt hem niet zo'n goed idee. Daar is Carlos het roerend mee eens. Het wordt vaak overgemaakt via een Canadese bank. Of aan iemand meegegeven die naar Cuba gaat, tegen 20% provisie.

Als we even op een muurtje zitten, komt een man van het hotel naar ons toe en praat met Carlos. Deze reageert gefrustreerd en wanhopig en vertaalt het gesprek. Of hij Cubaans is, was de vraag. 100% antwoordt Carlos. Dan weet de man niet of hij hier eigenlijk wel mag komen. Maar ik ben niet van hier, antwoordt Carlos, ik weet niet wat hier wel en niet mag. De man moet eigenlijk eens even naar zijn superieuren bellen, maar voor deze keer maakt hij maar een uitzondering, omdat Carlos twee buitenlanders bij zich heeft. Het is niet eerlijk, zegt Carlos tegen ons. Niet eerlijk. Ik ben Cubaan, dus waarom zou ik hier niet mogen komen? Dit is mijn land. Waarom wordt ik dan als slaaf behandeld? En als hij zwart was geweest, was hij sowieso weer terug gestuurd. Is er racisme in Cuba?, vragen wij. Dat is zeker het geval. Volgens de officiële lezing zijn de Cubanen één volk, maar in de praktijk moeten de blanken niet zo veel hebben van de zwarten. Wij stellen voor om verder naar boven te lopen, naar het terras. Ach ja, verzucht hij, waarom niet. De slaaf heeft toestemming.

Boven nemen we een tafeltje in de schaduw en Christa haalt iets te drinken. Het terras is verder uitgestorven. Wij vragen of het nu in Cuba moeilijker is dan een jaar of tien, vijftien geleden, bijvoorbeeld om te studeren. Dat is het geval, vermoedt hij. Toen Rusland Cuba nog steunde, was alles nog een stuk eenvoudiger. Destijds exporteerde Cuba ook de revolutie, naar overig Latijns-Amerika, maar vooral naar Afrika; Angola en Ethiopië. De Sovjetunie leverde het geld en de wapens, Cuba de soldaten. Het was volstrekt belachelijk dat Cuba dat deed. Hij vraagt of het in Nederland mogelijk is om te studeren wat je wil. Wij leggen een en ander uit en vertellen ook dat het studeren aan de Amerikaanse topuniversiteiten zo'n $25000 per jaar kost. Daar schrikt hij nogal van.

Carlos mijmert hardop wat er gebeurt als Onze Eerste Leider overlijdt. De beoogde opvolger is zijn broer, Raul, maar die heeft lang niet het charisma, en is lang niet zo briljant als Fidel. Er kan dus van alles gebeuren. Het valt ons op dat Cubanen lang niet zulke Amerika-haters zijn als je zou verwachten, gegeven wat de Amerikanen allemaal op hun geweten hebben en waarvan ze worden beschuldigd. Dat klopt, zegt Carlos. Maar dat komt ook omdat vrijwel elke Cubaan wel een familielid in de VS heeft.

Carlos blijkt goed op de hoogte van de toestand in de wereld. Die informatie komt vooral van buitenlandse radiozenders; van de officiële Cubaanse media wordt je niet veel wijzer. Wij vragen naar de officiële mening van de staat over Europa. Europa is niet bepaald een beschaafd werelddeel, leert men hier. Er is veel werkloosheid, oorlog in Joegoslavië, onrust in Noord-Ierland en Spanje, stakingen, skinheads... In Cuba heeft iedereen een baan, en heerst vrede. Maar hier is geen vrijheid, voegt hij er zelf aan toe.

In het begin van de jaren '60 waren er nog veel anti-Castro guerillabewegingen, ook hier in de heuvels. Daar had de overheid een eenvoudige oplossing voor. Die guerillas konden alleen overleven als ze gesteund werden door de boeren, dus werden de boeren van wie men die steun vermoedde,gedwongen verhuisd naar Sandino of San Cristóbal, allebei in de provincie Pinar del Rio in het uiterste westen van Cuba, met een overeenkomstige aantekening op hun identiteitskaart. Eens per jaar mocht men vervolgens familie bezoeken. Een speciale bus bracht hen dan naar hier en haalde hen een week erna weer op. Dit duurde tot circa 1990. Veel mensen in Cuba weten dat niet eens, zo vertelt hij.

Hij vraagt naar wat er destijds in onze media over Oost-Europa geschreven werd, en hoe men nu ten opzichte van de VS staat. Wij leggen een en ander uit. Sommige Cubanen proberen het land te ontvluchten, vertelt Carlos, maar dat is gevaarlijk. Naar het noorden kan je het proberen naar Florida, maar als de kustwacht je al buiten Amerikaanse wateren onderschept, brengen ze je weer terug naar Cuba. Zet je eenmaal voet in de VS, dan mag je blijven. Vanaf de zuidkust proberen veel mensen het naar de Kaaimaneilanden, Brits grondgebied, waarvoor ongeveer hetzelfde geldt als voor de VS. De Bahamas, naar het noordoosten, zijn geen optie. Als je daar voet aan wal zet wordt je eerst een maand in de gevangenis gezet, en vervolgens alsnog teruggestuurd naar Cuba. Voor Jamaica, in het zuiden, geldt hetzelfde. En via Haïti kom je ook niet veel verder. Carlos zou zelf ook graag het eiland verlaten. Maar het is erg moeilijk, en het probleem is, dat Cuba een eiland is.

Wij vragen wat er zou gebeuren als we dit gesprek in het Spaans zouden voeren, en iemand anders het zou horen. Waarschijnlijk zou de geheime politie hem opwachten en aanspreken op het moment dat wij weg zijn. Hij zou zeker niet worden vermoord, en ook niet opgesloten worden. Wel zou hij waarschijnlijk ergens op een zwarte lijst komen en in zijn paspoort een aantekening krijgen waardoor bijvoorbeeld op zijn werk bepaalde dingen lastiger worden. Hij is het eens met de claim van de Lonely Planet dat er in Cuba niet meer zo maar mensen verdwijnen. Als je je uitspreekt tegen het systeem loop je wel de kans in de gevangenis te belanden, maar daar wordt je, voorzover bekend, niet gemarteld. Hooguit gehersenspoeld. Mensenrechtenorganisaties zijn in Cuba verboden, maar ze zijn er wel. Het zijn vaak de plekken bij uitstek waar politieke dissidenten zich verenigen.

Als hij nu in het openbaar zou zeggen dat Onze Eerste Leider een grote klootzak is, zou hem dat op twee jaar gevangenis kunnen komen te staan. Carlos vraagt hoe dat in Nederland in z'n werk gaat. Wij leggen uit dat je dan hooguit kunt worden aangeklaagd wegens smaad. Het is dus geen probleem om in het openbaar te zeggen dat het systeem niet deugt, vraagt hij licht ongelovig. Wij beamen dat. Ook vraagt hij naar racisme in Nederland, en tot op welke hoogte je mensen mag beledigen. Wij leggen uit dat met name alles wat met de tweede wereldoorlog te maken heeft, nogal gevoelig ligt.

Carlos legt het verschil uit tussen een linkse en een rechtse dictatuur. In een rechtse dictatuur, zoals de gewoonte was in de rest van Latijns-Amerika, is het het leger waar je voor op moet passen. In een linkse dictatuur, zoals Cuba, kiest het leger uiteindelijk vaak de kant van het volk, maar moet je oppassen voor de geheime politie.

Zo langzamerhand moet Carlos weer terug. Wij lopen met hem mee, en geven hem nog een Economist. Op de weg terug komen we een op de muur geschilderde leus van de CDR tegen. Carlos vraagt of we weten wat dat is. Het Comité voor de Verdediging van de Revolutie, antwoordt Marco. Inderdaad. Die zorgt er voor dat wij ons goed gedragen. Is dat de geheime politie? Een verlengstuk ervan. We nemen afscheid en Carlos is ons zeer dankbaar voor de Economists en de door ons verstrekte informatie. Voor ons geldt hetzelfde.


Wij laten onze ansichtkaarten van Nederland zien. Hij is erg geïnteresseerd en vraagt honderduit. Wij vertellen over de oorspronkelijke rol van de grachtenpanden en hoe de grachten in de 17e eeuw gebruikt werden voor bevoorrading. Hij vraagt naar de huidige economische situatie in Nederland. Wij vertellen dat het nu prima gaat, en de werkloosheid vrij laag is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland, waar er met name in de voormalige DDR behoorlijke werkloosheid is. Aha, dat komt natuurlijk door de overgang naar het kapitalisme, begrijpt hij. Als je bent opgegroeid in het socialisme, heb je geen arbeidsmoraal. Net als de mensen hier in Cuba. Omdat dingen als gezondheidszorg en onderwijs gratis zijn, hebben de mensen geen benul van wat de waarde van dingen is. Het socialisme maakt de mensen lui. Als er in het kapitalisme ergens een probleem is, en je hebt geen oplossing, dan lig je er uit. Als er in het socialisme een probleem is, en je hebt geen oplossing, dan gebeurt er niets. Het socialisme is niet efficient.


Ook onze gastvrouw vertelt hoe moeilijk het hier is. Voedsel is het grootste probleem. En daarna vervoer. Veel dingen zijn buiten de dollarwinkels vaak gewoon niet verkrijgbaar. Azijn was vorig jaar maar op twee dagen beschikbaar; 26 juli en 31 december. Waspoeder en zeep is er momenteel al drie maanden niet. Voor haar is het makkelijker, nu ze kamers verhuurt. Maar het valt nog steeds niet mee. Per kamer moet per maand $130 aan de staat worden afgedragen. Als er een keer een maand helemaal niets verhuurt wordt, is het mogelijk om gedurende drie maanden de verhuur stop te zetten, maar als je dan opnieuw wilt beginnen, moet je eerst weer $100 betalen voor de aanschaf van een vergunning. Juli en december zijn goede maanden, maar daarbuiten is het vaak een stuk minder. In september was er maar éen gast.


De twee jongens die achter ons liepen. gaan ook naar binnen. Waar we vandaan komen, vraagt iemand anders. Uit Nederland, antwoorden we, Christa woont in Amsterdam en Marco in Groningen. Mijn vriend is in Groningen geweest, beweert een van beide jongens. Ja ja, denken wij, ze willen ons nu wel hele onwaarschijnlijke dingen laten geloven. Deze vriend, houdt de jongen vol, en wijst op de jongen die naast hem zit. En verdraaid, het verhaal blijkt nog te kloppen ook.

De jongen spreekt ons aan in gebroken Nederlands, en gaat dan over op Engels. Eind 1996 is hij een week in Groningen geweest, om mee te doen aan een internationaal jeugdschaaktoernooi, als enige Cubaan. Het was de eerste keer dat hij buiten Cuba was, maar in eerste instantie vroeg hij zich af of hij niet op Mars geland was. Nog nooit had hij zoveel auto's gezien, en zoveel auto's die hij nog nooit eerder had gezien. En die snelheid van die auto's was hem ook iets teveel van het goede. Hij had verbleven bij het Martini Ziekenhuis. Nog nooit had hij zoveel soorten bier bij elkaar gezien, en dat terwijl ze niet eens rum hadden. Dat iedereen eigenlijk alleen maar thuis kwam om te eten en te slapen, dat vond hij ook een beetje merkwaardig. En mensen op straat lopen vreselijk hard, zo hard dat ze elkaar niet eens zien. Nederlanders zijn gek, was zijn onvermijdelijke conclusie. Nog niet zo gek als Amerikanen, maar toch behoorlijk gek.


De man, Felipe, blijkt werkzaam bij twee economische instituten. Hij doet af en toe ook studies voor buitenlandse bedrijven. Zo heeft hij bemiddeld bij de komst van de Aida, een cruiseschip met veel Nederlandse, Franse en Duitse toeristen, dat overwoog om op zijn Caribische cruises ook Cuba aan te doen, en hem hadden ingehuurd om de mogelijkheden daartoe te onderzoeken. In eerste instantie wilde de Cubaanse overheid alleen toestemming geven als tenminste 30% van de gasten langere tijd in Cuba zou blijven, een eis waar de Duitse reder uiteraard niet aan kon voldoen. Hij laat ons de Engelstalige brief zien. Maar vanwege de orkaan moest de route verlegd worden, de Cubaanse overheid liet de eis vallen, en op 27 november zal de boot, met 1200 toeristen, hier ter stede aanleggen.

Felipe vertelt ook dat er hier wel degelijk uitwisselingsprogramma's met universiteiten in Europa zijn. Laatst zijn nog twintig studenten uit Barcelona hier twee weken geweest om de trainingsmethoden van Cubaanse boxers en atletiek te bestuderen. Binnenkort brengen Cubaanse studenten een tegenbezoek. Ook bij economie worden zo af en toe wel studenten en docenten uitgewisseld.

Sinds 8 jaar is het voor buitenlandse bedrijven mogelijk in Cuba te investeren, onder gunstige fiscale voorwaarden en zonder verdere beperkingen. Tegenwoordig hoeft dat zelfs niet meer als joint-venture. Hoewel de overheid wellicht binnenkort onder bepaalde omstandigheden toch de voorkeur gaat geven aan bedrijven waar ze al goede ervaringen mee heeft. Felipe kent maar erg weinig Nederlandse bedrijven die in Cuba investeren.

Ze vragen ons wat onze wensen zijn voor de toekomst. Ach, wij hebben niet zo veel wensen. Door kunnen blijven gaan met het doen van werk dat wij leuk vinden en flink over de wereld blijven reizen. Zij willen graag hun studenten goed opleiden en wensen dat de "veranderingen die in Cuba noodzakelijk zijn op een goede en patriotische manier zullen plaatsvinden". Een nogal kryptisch antwoord. Het is sowieso opvallend dat deze mensen nauwelijks tot kritische opmerkingen uit te lokken zijn. Daarvoor hebben ze in dit land waarschijnlijk een iets te goede positie.

Ze leggen uit dat hun salaris net genoeg is om van te leven en te eten, maar dat als je iets meer wil, je toch wat moet bijverdienen. Maar dat is tegenwoordig allemaal toegestaan, zo lang het maar kleinschalig blijft.

We vertellen over Marco's proefschrift. Dat lijkt Felipe wel wat. Vooral dat van de deregulering van de taxi-markt. In Havana is men op het moment bezig met het opzetten van een veiling voor de verkoop van taxi-licenties. Maar daar zijn momenteel alleen maar computer-experts mee bezig, geen economen. Als Marco zijn proefschrift hier naar de Akademie van Wetenschappen stuurt, is het niet ondenkbeeldig dat die hem uitnodigen voor een conferentie alhier. Marco weet niet helemaal zeker of hij wel bereid is zich in dienst te stellen van de Cubaanse overheid.


Wij vragen of Cubanen vrij hun pesos mogen inwisselen voor dollars. Ja, dat mag. Dan begrijpen we het nog steeds niet. Waarom wil iedereen hier op straat dan zo graag geld met ons wisselen, en gaan ze niet gewoon naar de Cadeca, het officiele staatswisselkantoor, die dezelfde koers betaalt? Aha. Als je naar Cadeca gaat, wordt aangetekend hoeveel je hebt gewisseld. En dan moet je dus ook verantwoording afleggen over waar dat geld vandaan komt. En als je dat niet kunt, omdat je het geld op de zwarte markt verdiend hebt, dan wordt het geconfisceerd. Als je je zwart verdiende geld daarentegen ook weer op de zwarte markt in dollars kunt wisselen, dan kan je het vrij besteden in de dollarwinkels, want daar hoef je geen verantwoording af te leggen over de herkomst van het geld. Wij begrijpen het.

Als je in Cuba wat grotere gebruiksvoorwerpen koopt, zo gaat hij verder, zoals televisies, ventilatoren, en dat soort dingen, krijg je daar altijd een officieel eigendomsdocument bij. Als de politie op bezoek komt en je kunt van een bepaald iets geen eigendomsbewijs overleggen, dan wordt dat geconfisceerd en krijg je een boete. Maar ja, zo berust hij. Zo gaat het natuurlijk overal op de wereld. Wij verzekeren hem dat dat niet het geval is. Hij loopt naar de voorkamer. Hij wijst op een voorwerp in zijn huis. Dat heeft hij op de zwarte markt gekocht voor 69 dollar. Vervolgens heeft familie in Miami een officieel document gestuurd waarin ze verklaren dat ze het gordijn hebben geschonken. Daarmee heeft het nu een legale status.


Marco is al weer terug op de kamer, als Christa met de huisbaas praat. Of we het erg vinden als we vanavond in plaats van varkensvlees rundvlees eten. Dat komt, de markt bleek vandaag gesloten, dus konden ze vandaag geen varkensvlees kopen. Ja maar, en het rundvlees dan? Ah. Connecties. De zwarte markt. Officieel mag je in Cuba geen koe doden. Koeien zijn namelijk nuttig, want ze geven melk en dat is belangrijk. Voor het wederrechtelijk doden van een koe staat een gevangenisstraf die kan oplopen tot 20 jaar. Voor het doden van een mens staat 8 tot 10 jaar. Ook het kopen van rundvlees is illegaal.

Aan de bevolking worden maandelijks tegen lage prijzen rantsoenen verschaft. Zo heeft men maandelijks recht op 5 pond rijst en 6 pond suiker. Hij laat zijn identiteitsbewijs zien, waarop die aantallen per maand keurig staan afgetekend. Vlees moet gewoon op de markt worden gekocht en is voor veel Cubanen dan ook een onbereikbare luxe.