Donderdag 22 juli 1999


We kunnen langer slapen dan in de vorige trein. Marco wordt om half zeven wakker, Christa gaat er om zeven uur uit. Het lijkt wel alsof de trein steeds langzamer rijdt, bij elk station blijven we eindeloos lang wachten. We zien de eerste Miao, een Chinese minderheid die geconcentreerd is in deze omgeving. Ze zijn een stuk kleiner dan de Han-Chinezen, hebben een donkerder huidskleur, fraaie klederdracht, en proberen op het station kleurige kubusjes met franje te verkopen. Dat lukt niet erg. Overigens zijn de plateauzolen zelfs doorgedrongen tot dit deel van China, en blijken ze naadloos te passen in de Miao-klederdracht.

 Even na half negen zijn we in Kaili, onze eindbestemming. Voor het station staat een minibusjes naar het centrum, een paar kilometer naar het zuiden. Die zet ons af bij het busstation, op korte afstand van het Shiyou Guesthouse, dat men pakkend in het Engels heeft vertaald als Petroleum Guesthouse.

Een tweepersoons kamer in dit etablissement kost 68 yuan. Een van de dames achter de balie spreekt trots een paar woorden Engels, maar verder houden we het maar bij Chinees. De tweepersoons kamers blijken uitverkocht maar voor dezelfde prijs mogen we een driepersoons. Met nog douche en toilet op de kamer ook. Wel jammer dat de kamer op de vijfde etage is, en men hier geen lift heeft.

De kamer ziet er uit als in een doorsnee low-budget hotel. Op de vloer liggen tegeltjes, de muren zijn stemmig wit gehouden en een en ander is nogal sober. Bij binnenkomst is te linker zijde de badkamer, met een toilet dat ook al van het hurk-type is. Verder blijken wij hier te beschikken over koud en koud stromend water. Lopen wij verder, dan komen wij in het slaapgedeelte, waar drie eenpersoons bedden methodisch met steeds een halve meter tussenruimte staan opgesteld. Voor de ramen, overigens voorzien van horren, hangen de overblijfselen van gordijnen. Aan het plafond hangt een ventilator en er staat zelfs een kleuren-tv. Jammer dat-ie geen beeld heeft. Er zijn twee bedlampjes en twee TL-buizen, waarvan eentje het doet.

 Na een korte rust gaan we er op uit om de stad te verkennen. Het lijkt er inderdaad op als of we hier in een andere wereld verzeild zijn geraakt. Er lopen hier erg veel minderheden rond, in fraaie kleding. Sommige vrouwen hebben een kleurig rond plat hoedje op, en anderen hebben hun haar ingepakt in een overwegend witte doek, sommige oudere vrouwen in een zwarte. Weer anderen hebben hun haar opgestoken met een houten of plastic kam en dragen fraaie kleding daaronder. Zowel mannen als vrouwen lopen af en toe in van die karakteristieke Chinese grote ronde bamboe hoeden, met een donkere band. Overigens blijken die dingen aan de binnenkant nog een soort binnenrand te hebben, zodat de hoed keurig op het hoofd blijft zitten. Het is reuze praktisch trouwens, zo'n hoed. Zowel in de regen als in de felle zon heb je nergens last van.

Op straat is het een drukte van jewelste. Mannen trekken met veel moeite houten karren waar dozen hoog opgestapeld liggen bergopwaarts. Een ander populair transportmiddel is een juk, bestaand uit iets dat lijkt op een halve bamboe stok, gedragen op een schouder met de holle kant naar boven, waar aan weerszijden meestal een mand hangt, vaak gevuld met fruit of andere koopwaar. Ook op straat is het een behoorlijke drukte, al blijken hier vrijwel alleen maar vrachtwages, busjes en taxis rond te rijden, de laatsten bijna allemaal rood met een geel dak. Als je hier al een privé-auto ziet rijden, dan is het meestal meteen ook een vrij fors exemplaar.

We lopen een markt op ergens in een bergachtig zijstraatje. Wij kijken onze ogen uit, en de verkopers misschien nog wel meer. De huizen zijn hier vaak van hout en meestal in behoorlijk vervallen staat. Er is hier weinig levende waar te koop. Men beperkt zich vooral tot groente, fruit en stukken van dode beesten.

Terug bij de grote weg eten we bij een piepklein restaurantje waar baotze en jiaotze worden verkocht. Een baotze is een klein rond gestoomd broodje gevuld met wat vleesmengsel. Een jiaotze is bijna hetzelfde maar dan een deegflapje gevuld met een iets andere vulling. Ze worden verkocht per etage; een bamboe mandje met een gevlochten houten onderkant of een metalen onderkant met grote gaten, waar de stoom doorheen komt. Meestal staan er een flink aantal etages op het vuur te stomen. Elke nieuw geproduceerde etage komt weer onderop te staan om de meeste stoom te vangen.

We gaan zitten en krijgen een klein schaaltje met specerijen voorgeschoteld. Mevrouw laat zien wat we daar mee moeten. In de theepot die op tafel staat blijkt een sojasaus te zitten. Uit allerlei andere potjes die op tafel staan strooit ze ook wat op het schoteltje, even roeren, en klaar is de pikante baotze-saus.

Aan een belendend tafeltje zit een moeder met klein kind aandachtig naar ons te kijken. Het jongetje vindt ons aanvankelijk ook wel boeiend, maar op een gegeven moment zet hij het op een brullen. Verderop in de ruimte zitten twee mannen op een bank televisie te kijken. Buiten loopt een wazig zwerverachtig type in verschoten legerkleding met een kartonnen beker in zijn hand. Hij ziet ons en wil binnenkomen, maar de serveerster houdt hem tegen. Hij blijft buiten op ons staan wachten.

We gaan weer de straat op. De zwerver loopt achter ons aan, maar onderneemt verder geen actie. Af en toe zegt hij iets wat voor ons niet te volgen is en voor andere Chinezen blijkbaar ook niet. De man lijkt niet helemaal in orde. Nog ruim een uur loopt hij braaf achter ons aan. Dan weten we hem in een flinke regenbui af te schudden.

We lopen door kleine zijstraatjes waar ook weer veel winkeltjes zijn. Hier en daar zitten groepjes mensen te kaarten of Chinees te schaken. Ook een populaire tijdbesteding is het poolbiljart. We blijven staan kijken bij een groepje jongetjes dat buiten onder een afdakje aan het biljarten is. Als het spelletje afgelopen is, geven ze een oude man die achteraf staat een halve yuan, en beginnen ze weer overnieuw.

Op het busstation blijkt ook een klein winkelcentrumpje gevestigd, waar vooral kleding wordt verkocht. Nog steeds blijkt de middenstand wat moeite te hebben met het Engels, al vinden wij een er volstrekt desolaat en vergaan uitziend restaurant dat zichzelf aanprijst als "Restaubust" wel aardig gevonden.

De lucht begint er dreigend uit te zien. Bij een winkeltje in een hoofdstraat kopen we weer ons rantsoen aan water, snoepjes en koekjes. Dan begint het behoorlijk te regenen. Van mevrouw krijgen we allebei een klein krukje aangeboden. Onze zwerver blijft plichtsgetrouw op de stoep onder een afdakje zitten wachten. Als het iets minder regent, hollen we snel naar ons hotel, dat hier gelukkig vlakbij. Onze achtervolger had deze manoeuvre duidelijk niet voorzien.

Het gaat steeds harder regenen. We wilden eigenlijk nog naar het busstation om te kijken wanneer bepaalde bussen rijden, maar gelukkig weten ze dat bij de receptie ook. Wij eten vanavond in het restaurant van het hotel, dat verder helemaal leeg is. Het blijkt spotgoedkoop, en nog erg goed ook. Voor drie gerechten betalen we met z'n tweeën 25 yuan. Onze serveerster komt eerst met een menukaart maar haalt al snel een schriftje op, waar nog veel meer, en goedkopere, gerechten in staan. Ze suggereert een aantal gerechten, wij vragen de prijs en vinden het dan wel prima.

Niet lang nadat wij begonnen zijn, gaat het hotelpersoneel aan tafel. Alle receptionistes en dames van de service-desks op de diverse etages, plus een paar heren komen tevoorschijn. Midden op tafel komt een grote kom soep waar iedereen met zijn stokjes allerlei dingen uitvist. Regelmatig loopt er weer iemand naar de keuken om zijn kommetje rijst bij te vullen. Wij vragen ons af of het niet handiger zou zijn de rijst ook gewoon op tafel te zetten.

Om een uur of acht lijkt de regen gestopt en gaan we nog even naar buiten. De alom tegenwoordige markt is ook aan het herstellen van de stortbui en binnen de kortste keren is het al weer net zo druk als overdag. Wij eten een ijsje. Als het weer wat begint te regenen vluchten we terug naar het hotel. Op onze kamer worden we bezig gehouden door een of andere machine die niet ver van ons raam staat te stampen. Het heeftt wel iets van een heipaal. Na tienen stopt die er eindelijk mee. Een schattig klein bruin muisje trippelt door onze kamer en schiet de badkamer in.


Vrijdag 23 juli 1999


Vroeg op. Te vroeg. Om 7 uur staan we op, om de bus te halen die om 9 uur vertrekt van het minderhedenmuseum, in het zuiden van Kaili, naar Chong'an, een dorpje een eindje naar het noordoosten, dat met name beroemd is vanwege zijn vrijdagmarkt. We nemen even na achten een taxi naar het museum. Als we nog maar net zitten volgt er een enorme wolkbreuk. Bij het museum is geen bus te zien. Volgens de taxichauffeur staat deze schuin achter het gebouw, maar eerst kopen we nog een tweede paraplu.

En ook bij het busstation vindt men het wel amusant, twee van die buitenlanders. Bij een loketje kopen we twee enkeltjes Chong'an, en ons minibusje vertrekt even na negen uur. Ondertussen lijkt het alsof het alleen nog maar harder gaat regenen. We rijden eerst nog een paar keer heen en weer door Kaili, in de hoop nog meer passagiers te ronselen. Om kwart voor tien zijn we eindelijk de stad uit.

Wij rijden over hobbelige, niet al te smalle bergwegen. Hier en daar staan gele niet-parkeerblokken om te voorkomen dat een auto in het ravijn rijdt. In de loop van de rit begint het eindelijk een beetje op te klaren, maar het blijft zachtjes regenen.

 Om kwart voor twaalf zijn we in Chong'an, en het is dan net even zo goed als droog. Volgens onze conductrice gaan er bussen terug om half vijf en half zes. Chong'an blijkt een zeer pittoresk stadje, met weer nieuwe bevolkingsgroepen. Hier lopen veel vrouwen met een vierkant doekje op hun hoofd waarvan de onderkanten naar achteren gevouwen zijn, zodat je een soort Zeeuws Meisje-effect krijgt. Als we twee van hen willen fotograferen, schieten ze meteen weg. Deze bevolkingsgroep blijkt nogal cameraschuw. Van een markt is hier echter maar weinig te bekennen.

Chong'an ligt aan een rivier, en we lopen naar de kade. Aan de overkant staat ook nog een rijtje huizen. Op de kade staan nog twee Chinezen. Een lange platte boot die door een man met één boomstam voortbewogen wordt, vaart onze kant op. De boot blijkt dienst te doen als veerpontje. Wij stappen de boot ook maar op en varen mee naar de overkant. Eerst vaart de man een flink stuk langs de oever, stroomopwaarts. Dan waagt hij de oversteek en komt net zo'n beetje recht tegenover onze opstapplaats weer uit.

Wij kuieren over het zandpad langs de huizen en hebben de indruk dat men hier niet overdreven vaak buitenlanders ziet. Een groep meisjes kijkt verbaasd naar ons en gluren alle vijf om het hoekje als we voorbij zijn. Hier en daar lopen wat beesten rond, zoals een soort van kip met merkwaardig hoge grijze poten, die wij herkennen als datgene wat er in Shanghai in onze soep dreef. Bij een klein winkeltje aan huis kopen we wat snoepjes voor de keel.

Tegen het einde van het straatje worden wij door een man, die al een tijdje achter ons aan loopt, uitgenodigd zijn huis binnen te gaan. Opa woont in een zijkamer en laat vol trots een soort stripboekje zien waarin een complete Chinese opera wordt uitgebeeld. Ook heeft hij een echte Chinese reclameposter voor cola. Wij vertellen dat we uit Nederland komen, wat hier weer volstrekt ander uitgesproken blijkt te worden, en laten onze ansichtkaarten zien. Erg mooi, vinden ze allemaal. Verder is het echter nogal lastig communiceren, en we lopen maar iets verder.

Even verderop zien we een brug waarmee je weer terug naar de overkant kunt. Dat lijkt ons een goede optie. We worden achterop gelopen door een jongen met een klein kindje op zijn schouders. Hij spreekt een beetje Engels. Eigenlijk hadden we hier gisteren moeten zijn, zegt hij, want toen was hier markt. Vroeger was die op vrijdag, maar nu is hij verplaatst naar de donderdag. Heel fijn. Om toeristen te pesten waarschijnlijk. Een paar dorpen verderop is vandaag wel markt. Wij blijven maar in Chong'an.

Via de brug komen we weer op de toegangsweg naar Chong'an, waar we ook met de bus overheen gekomen zijn. Bij een kraampje kopen we wat water en kokossap. We krijgen meteen een stoeltje om het op te drinken. Het begint weer zachtjes te regenen. We kuieren wat rond door het dorpje, waar hier en daar wat flarden van een markt zijn.

Ergens in een afgelegen zijstraatje worden we weer gewenkt en uitgenodigd om in de open woonkamer te gaan zitten. We krijgen meteen een flinke mok thee voorgezet. Meneer woont hier met zijn zoon, die later nog even langskomt. Verder heeft hij bezoek van de zus van zijn oudere broer, waar ze in het Chinees trouwens ook een apart woord voor hebben. En de buurvrouw is er ook, met haar dochtertje. Wij vertellen maar weer dat we uit Nederland komen, en laten onze ansichtkaarten zien. Onze kop thee wordt regelmatig bijgevuld en na een paar keer ververst.

Er rijdt een klein busje voorbij waar een paar buitenlanders in blijken te zitten. Ze vragen waar wij heen gaan. Zij zijn op weg naar een textieldorp even verderop.

We lopen verder. Op een brug proberen we een foto te maken van vier marktvrouwen in fraaie klederdracht, maar op het moment dat we aanstalten maken om de camera te pakken, schieten ze alweer opzij. Zo langzamerhand wordt het tijd onze telelens in de strijd te gooien.

Op de weg richting Kaili gaat Christa weer naar het openbaar toilet. Marco gaat in een donker hoekje langs de openbare weg zitten in de hoop nog wat autochtone bevolking te fotograferen. Dat lukt. Samen blijven we nog even op het stoepje zitten. Het loopt inmiddels tegen half vier. Vanuit een minibusje worden wij toegeroepen. Naar Kaili?, vragen wij hoopvol. Dat blijkt het geval. Wij hollen naar de bus en stappen in.

De reis verloopt voorspoedig totdat we niet ver voor Kaili te maken krijgen met een blokkade. Voor ons heeft zo'n grote blauwe pick-up een klapband gekregen en vervolgens is de pick-up er achter daar vrij serieus opgeklapt. Verwoede pogingen de twee wagens uit elkaar te trekken mislukken. Als snel ontstaat er aan beide kanten een kleine file van bussen, busjes en vrachtwagens. Dan besluit men de pogingen te staken en eerst het verkeer weg te werken. Dat blijkt een hele klus. De meeste voertuigen zijn te breed om over de weg te passeren. Met de helft van hun wielen moeten ze van de weg af, op een smalle strook beton die zo'n 25 cm lager ligt, waardoor ze gevaarlijk overhellen boven een riviertje. Na een half uur rijden we weer.

Als we terug zijn in Kaili is het bijna zes uur. We stappen uit in de buurt van het minderhedenmuseum. Via een hoofdstraat lopen we eerst een stuk terug richting hotel. Bij de rotonde nemen we een taxi. Taxis hebben geen meter in Kaili, maar er schijnt weinig onenigheid te zijn over de prijs van een ritje. Vanochtend vond de chauffeur dat het vijf yuan kostte, nu, iets dichter bij de eindbestemming, betalen we vier.

Wegens groot succes eten we vanavond weer in het hotel. Wij slagen er nu zelfs in om drie gerechten te bestellen voor 20 yuan. En het is nog lekker ook. Na het eten gaan we naar boven. We zijn inmiddels dodelijk vermoeid en vallen al voor acht uur in slaap.


Zaterdag 24 juli 1999


Vandaag besluiten we maar eens tot een rustdag. Omdat we zo vroeg sliepen zijn we nog redelijk vroeg, om negen uur wakker. Het grootste gedeelte van de ochtend besteden we aan het proberen te plannen van de rest van onze route. Dat valt niet mee. We waren van plan om ook nog naar Kunming te gaan, in het zuidwesten van China, maar we kiezen er toch maar voor het rustig aan te doen, en dat gedeelte van de reis af te snijden. We komen vast nog wel eens in China. Verder zitten we lang te puzzelen op wat verder de handigste route is. Het ontcijferen van het spoorboekje kost ook nogal wat moeite.

Rond de middag gaan we er op uit. Bij de receptie ontmoeten we twee Amerikanen, een vrij jonge en een veel oudere, die op het eiland Hainan werken. Ze geven advies aan hotels die willen upgraden en zijn nu zelf op reis door de provincie Guizhou. Ze gaan echter nu weer terug naar Hainan, want senior heeft een huidziekte opgelopen. Vanochtend heeft hij hier bij de Bank of China nog twee andere Nederlanders ontmoet, zo vertelt hij.

Buiten is het prachtig en warm weer. We lopen naar het noorden, richting station, en kopen onderweg een gestoomd broodje dat gevuld blijkt met iets van suikerwater. Verder naar het noorden raken we langzaam uit de bewoonde wereld en klimmen we op de openbare weg langzaam omhoog. Onderweg zien we weer iets wat waarschijnlijk een grafheuvel is, iets wat we gisteren ook al zagen op weg naar Chong'an. Af en toe lopen we langs een bedrijfsterrein. We krijgen het gevoel dat we ergens een verkeerde afslag hebben genomen en dat dit niet de weg naar het station is. Een motorrijder bevestigt ons vermoeden. Met de eerstvolgende bus rijden we weer terug naar het centrum.

Chinese jongetjes zijn dol op T-shirts van hoofdzakelijk Europese voetbalteams, en je ziet ze dan ook vaak met eentje lopen, zonder twijfel allemaal namaak. Verreweg het populairst is die van het Braziliaanse elftal, maar dat van Bayern München zien we ook opvallend vaak. In de bus zit zowaar weer een jongen met een t-shirt van het Nederlands elftal, compleet met KNVB-logo.

Bij het busstation stappen we weer uit. Een vrouw in fraaie klederdracht probeert ons ook wat tasjes en lapjes te verkopen, maar wij bedanken vriendelijk. Met minibusje lijn 1 rijden we naar het station. Daar proberen we voor morgenochtend twee enkeltjes aan te schaffen naar Guiyang, hoofdstad van deze provincie. Op het station hangt een uitgebreide poster waarvan de nummers en tijden suggereren dat er 's ochtends om half negen een extra trein is, nummer 529, die die kant opgaat. We bestellen twee kaartjes voor die trein. Dat kan niet, zegt de lokettiste, nadat ze iets op haar computer heeft ingetikt. Waarom niet blijft onduidelijk. Dan proberen we het gewoon bij het volgende loket. Ook daar kan het niet. Maar er zijn wel kaartjes voor trein 635, die om 8 uur vertrekt, zegt ze. Hé. Wat handig. Iets nieuws. Een zelfdenkende lokettiste. Dankbaar kopen wij twee kaartjes.

Met een minibus gaan we terug naar het centrum. Wij hebben honger en proberen een plaats te vinden waar we baotze en/of jiaotze kunnen eten. Dat valt niet mee. En de lucht betrekt al weer. Binnen de korste keren barst een flinke bui los. We vluchten onder een afdakje, met aan de ene kant een verkoper van drinken en snoep, en aan de andere kant een verkoper van VCDs. Deze zet een Amerikaanse film met Chinese ondertiteling op en biedt ons twee stoeltjes aan. We kijken tot het droog is.

Uiteindelijk vinden we het restaurantje waar we eergisteren ook al baotzes en jiaotzes aten, en bestellen van elk een etage. Dan, het is inmiddels praktisch droog, lopen we terug naar het hotel voor weer een welverdiende rust.

Om een uur of zes klopt de mevrouw van onze service-desk opgewonden op onze deur. Telefoon! Telefoon? Hoe kan dat nou? Geen mens weet dat we hier zitten. We lopen met haar mee en Christa neemt aan. Het blijkt de vader van de jonge Amerikaan die we vanochtend ontmoetten. De vader spreekt niet veel Chinees en heeft alleen gevraagd naar de "twee buitenlanders". Christa legt het uit aan onze servicedame en in allerijl wordt de jongen van beneden gehaald.

Wij lopen meteen door naar het restaurant. Vijf van de zes grote tafels blijken vanavond keurig gedekt, samen voor zo'n man of vijftig. We komen nogal ongelegen, want ze gaan net beginnen alle gerechten op die tafels klaar te zetten. Maar we kunnen wel even wachten. Na een tijdje komen de eerste gasten binnen, gaan zitten en gaan eten. Het personeel is nog druk bezig gerechten op te dienen. Langzamerhand komen nog meer mensen binnendruppelen, maar twee tafels blijven onaangeroerd, en de vele gerechten die daar op staan dus ook.

Als wij al bijna klaar zijn, komen ook de Amerikanen het restaurant binnen. Voor hen is alleen nog plaats in een kamer die op het restaurant uitkomt en waar precies een tafel in past. Wij geven wat tips ten aanzien van de kaart, rekenen af, en gaan naar buiten.

Wij lopen naar het postkantoor om naar Nederland te bellen. In dezelfde straat is de avondmarkt aan de gang. Het bellen lukt niet, we kunnen geen verbinding krijgen, dus nemen we maar een kijkje op de markt. Het is een gigantische drukte. Het lijkt hier de Bijenkorf op zaterdagmiddag wel. Op het eerste gedeelte worden met name niet-etenswaren verkocht. Even verderop zijn alle kraampjes stemmig verlicht met een lantaarn. Als we verder lopen komen we bij de voedselafdeling, maar dan wel de reeds bereide waar. Dit gedeelte van de markt vindt midden op straat plaats en af en toe probeert er dan ook luid toeterend een auto of motor doorheen te komen. Het is hier een stuk minder boeiend, en ook een stuk donkerder, en we lopen weer terug naar het hotel.


Zondag 25 juli 1999


Om zes uur op. Voor de laatste keer koud douchen, inpakken, een soepje eten en dan met de minibus naar het station. Daar zien we net onze twee Amerikanen uit een taxi stappen. Zij gaan met dezelfde trein mee.

In de wachtruimte wordt onze trein, de 635, niet aangegeven. De toegang blijkt via de buitenkant van het station te zijn. Bij de eerste wagon laten we ons kaartje zien maar de steward wuift gedecideerd zijn rechter hand heen en weer en stuurt ons verder. Bij het einde van de trein vinden ze dat we 30 yuan extra moeten betalen, omdat daar bedden zijn, en dat we 5 extra moeten betalen als we in de voorgaande wagon willen, wat gewoon hard seats zijn, maar wel met een keurig hoesje er omheen. De jonge Amerikaan, die goed Chinees spreekt, protesteert heftig. Wij hebben al een kaartje betaalt, zegt hij. Wij lopen weer een eindje terug, naar de echte hard seats. De steward daar doet niet moeilijk.

De reis naar Guiyang duurt 5 uur en dat is ook wel zo ongeveer het maximum wat uit te houden is op een hard seat. Na die periode stuit men op steeds serieuzere zere-bips en -rug problemen. Aanvankelijk is de trein nog niet zo vol, maar naarmate we meer stationnetjes aandoen staat ook het middenpad steeds voller. Ook in deze trein lopen weer een paar railtenders rond. Een van hen verkoopt, zo lijkt het, vooral koud vlees, met als speciale traktatie vier kippenvoetjes aan een satéstokje. Smullen.

Om een uur bereiken we Guiyang. Bij het verlaten van de kaartcontrole horen wij naast ons Nederlands praten. Wij groeten vriendelijk. Het blijken Rutger, uit Utrecht en Susan, uit Breda, die elkaar in de bibliotheek van Hong Kong ontmoet hebben. We zoeken wanhopig naar het stationsgebouw, en dat is ook geen wonder, want het blijkt met de grond gelijk gemaakt te zijn. De kaartverkoop vindt tijdelijk plaats bij een rij loketten onder een golfplaten dak, een eindje verderop.

Rutger en Susan willen vandaag nog met de trein door naar Kunming, wij willen voor over drie dagen twee kaartjes voor de nachttrein naar Chongqing. Toch lukt het hen wel, en ons niet om kaartjes te bemachtigen. Die kaartjes van ons gaan pas morgen in de verkoop, weet een man in legeruniform te melden. Een behulpzame student die wat Engels spreekt helpt ons verder. Na hier en daar wat informeren blijkt dat bij een loket in de soft seat wachtruimte de kaartjes nu al te koop zijn. Helaas blijkt daar nu niemand te zijn. Maar als we terugkomen, kunnen we onze kaartjes hier kopen, verzekert de student ons. Een mevrouw in treinuniform bevestigt dat. En dit loket is dagelijks van negen tot zes geopend, laat zij nog weten. Waarom het dan op dit moment gesloten is, blijft onduidelijk.

Gevieren lunchen we op een terrasje aan de stationsstraat. Susan is in Hong Kong begonnen om in haar eentje twee maanden door China te reizen. Rutger begon ook in Hong Kong, en wil een jaar door Azië reizen. Vanaf Hong Kong hebben ze een nog zuidelijker route dan wij genomen, eerst met z'n drieën, nu nog met z'n tweeën. We wisselen onze ervaringen uit.

Tegen vieren wordt het tijd om verder te reizen. We nemen afscheid en zoeken een minibus op naar Anshun. De eerste is nog helemaal leeg en vraagt 80 yuan. Dat is belachelijk. Verderop staat een busje dat waar al wat mensen in zitten en waar op de voorruit een prijs van 10 yuan staat vermeld. We stappen in.

Als het busje staat te wachten op meer passagiers, is het een komen en gaan van mensen die ons iets willen verkopen. Op een gegeven moment zitten er zelfs drie verkopers van tijdschriften in de bus. Het feit dat wij geen flauw benul hebben waar die tijdschriften over gaan, vinden zij geen enkel bezwaar om er toch eentje aan te schaffen. Een mevrouw buiten die ons een 0,6-literfles water wil verkopen is pas overtuigd dat wij niet hoeven als wij haar onze anderhalve-liter fles laten zien.

 De weg tussen Guiyang en Anshun is de enige snelweg in deze provincie. Daarom is het ook handiger om hier de bus te nemen in plaats van de trein. Al na twee uur zijn we op de plaats van bestemming. Als we over het brede trottoir lopen, op zoek naar het Xi Xiu Shan hotel, meent Marco plotseling een ander hotel te zien. Internationale hotels in China zijn namelijk te herkennen aan het feit dat boven de receptie meestal vijf klokken hangen, die de juiste tijd geven in Beijing plus nog vier andere wereldsteden.

We kijken eens of dit hotel ook buitenlanders toelaat. Dat is het geval. Dit blijkt zelfs een uitstekende keuze. Kamers met badkamer, keurig schoon, zij het nogal aan de kleine kant, doen hier maar 98 yuan. En daar krijgen we zelfs een ontbijt voor. Tot onze verbazing zien we ineens dat dit het Xi Xiu Shan hotel is. Merkwaardig, want de Lonely Planet heeft het over matige kamers voor 120 yuan, waarbij je twee keer zo veel betaald als de Chinezen zelf. Dat laatste is ook niet meer het geval. Blijkbaar is hier gerenoveerd. En buitenlandervriendelijk geworden. Wij checken in.

We doen maar weer een poging om naar Nederland te bellen. Het postkantoor is vlakbij het hotel. Volgens de meneer achter de balie kunnen we hier geen collect call plaatsen. Wat is dat nu weer voor onzin? Dat kan toch overal? Wij hoeven alleen maar een gratis nummer te draaien. We krijgen een telefoon om het te proberen. Het lukt niet. Meneer draait nog eens een nummer en vraagt iets, maar het helpt niet. Wat nu? We kunnen een gewoon internationaal gesprek nemen, maar dat kost sowieso 15 gulden en dat is een beetje lullig als je een antwoordapparaat krijgt. Bovendien is de enige cel waarin dat schijnt te kunnen nu al 20 minuten door een jongeman bezet die er zeer relaxed uitziet.

We gaan maar terug naar het hotel. Bij een kraampje bij de markt eten we drie etages jiaotze. Terug in het hotel proberen we toch eens of we ook vanuit onze hotelkamer collect kunnen bellen. Dat blijkt nog te kunnen ook. Wij krijgen contact. Het lijkt alsof buiten, pal onder onze hotelkamer, een bandje staat te spelen. Het maakt een behoorlijk lawaai tenminste. Gelukkig slapen wij toch wel.


Maandag 26 juli 1999


Vandaag hebben we gereserveerd om Anshun te bekijken. Maar eerst gaan we op zoek naar ons ontbijt. Dat blijkt geserveerd te worden in een apart gebouwtje, waarvoor we eerst ons hotel via de achteringang moeten verlaten. We komen in een ongezellige, grote zaal, grotendeels leeg, met plakkerig plastic en resten van vorige ontbijten op tafel. We leveren onze bonnetjes in en krijgen een smakeloze rijstsoep, twee dito broodjes, een schaaltje met een of andere stevige groente met sterke smaak, een schaaltje met twee kleine blokjes die er uit zien als hondenbrokken en vreselijk heet zijn, en twee grote zoete broodjes. Het is weer smullen.

In Anshun en omgeving hebben ze een aardige variant bedacht op het concept fietstaxi. Er rijden hier en in Guiyang overdekte brommertjes rond met achter een paar zitplaatsen. Wij gaan te voet.

Ergens op een hoekje is een kindje bezig een nog kleiner kindje op de motorkap van een auto te zetten. Moederlief spoort ons aan er een foto van te maken. Dat doen we gedwee. De eigenaar van de auto vindt het allemaal minder amusant.

We raken verzeild in kleine straatjes waar verrukt wordt opgezien van ons bezoek. Toch reageert men overal weer net iets anders op onze komst. Hier lijkt men haast vereerd. In een klein gebouwtje is een balletjuf bezig met het geven van Chinese balletles aan een klasje met kleutertjes in mooie rode jurkjes, compleet met waaier. Een aantal mensen kijkt toe door de openstaande deur, en dat worden er alleen nog maar meer als wij ook komen kijken.

De eerste officiële attractie waar we tegenaan lopen is de Donglin tempel, een operationele Buddhistische tempel die tegen de rivier aanligt. Ook dit complex bestaat eigenlijk uit twee tempels die achter elkaar staan. In de eerste tempel huist een beeld van een Big Happy Buddha, aan beide kanten geflankeerd door twee immense gekleurde en levensechte beelden van iets wat lijkt op krijgers die de Buddha beschermen.

Als we deze ruimte willen verlaten worden we teruggewenkt door een oudere vrouw in schort. Zij toont ons hoe voor deze Buddha te bidden, handpalmen tegenover elkaar en licht voorover buigen, en wat daarbij gepreveld dient te worden. Ze duikelt twee rode lintjes met elk vier witte karakters op uit haar schort en knoopt die om onze pols. Wij geven haar een yuan. De tweede tempel is nog indrukwekkender. Tegenover de ingang staan drie grote, bijna identieke Buddha-beelden naast elkaar, zoals gebruikelijk van links naar rechts de vorige, huidige en toekomstige Buddha. De huidige Buddha wordt geflankeerd door twee wachters. Aan weerszijden van de tempel staan negen goudkleurige figuren, allemaal verschillends, zelfs een vrouw, met verschillende houdingen en gezichtsuitdrukkingen. Die langs de rechterwand lijken haast beroepen uit te beelden.

Tegenover de tempel gluren we naar binnen bij iets wat lijkt op een weeshuis dan wel peuterspeelzaal. De kindertjes worden net gevoed en door een deur zien we bedjes staan. De leiding stelt het niet op prijs dat wij ons gezicht laten zien.

In de kronkelige straatjes wijzen een aantal mensen ons al behulpzaam de weg naar de Wen tempel, die geldt als de belangrijkste toeristische attractie van Anshun. Een man met een lege mand aan zijn juk, die ons voortdurend gefascineerd loopt aan te kijken, brengt ons zelfs naar de ingang.

De Wen-tempel blijkt in eerste instantie nogal een misser. Hij is waarschijnlijk ooit wel erg mooi geweest, gebouwd tijdens de Ming-dynastie (late middeleeuwen) en gerestaureerd in 1644, meldt ons boekje. En dat was waarschijnlijk ook de laatste keer dat er iets aan gedaan is. Het hele complex valt van ellende bijna uit elkaar.

Het complex is grofweg opgebouwd volgens hetzelfde principe als de verboden stad, maar dan stukken kleiner: een noord-zuid oriëntatie, aan het begin drie witte bruggetjes waarvan de middelste de grootste is, dan een binnenpleintje en daarachter het belangrijkste gebouw. Op het eerste pleintje staat een groot aantal kuipstoeltjes en strandstoelen waarin een aantal oude mannetjes een kopje thee zit te drinken. In het achterste gebouw is een tentoonstelling die met name lijkt te gaan over de minderheden in deze regio die onder andere bekend zijn van hun batik-techniek, met een aantal ontzettend gedateerde foto's en een paar echte gebatikte kledingstukken achter glas. Wel fraai zijn de pilaren voor dit gebouw, die bestaan uit gebeeldhouwde draken en slangen.

 We gaan terug naar de theetuin, pakken ook een strandstoel en bestellen een kopje thee. Het is prachtig weer en we zitten onder een van zeil gespannen afdakje. Langzamerhand druppelen meer oude mannetjes de tuin binnen. Ze hebben allemaal een kooi mee met een flinke vogel erin, die wordt opgehangen aan speciaal daarvoor neergehangen bamboestokken. Die vogels, zo lijkt het, worden speciaal gekweekt op luidruchtigheid. Bijna alle mannetjes roken, sommigen gewoon een sigaret, maar ook vaak met een lange pijp, waar in het uiteinde een sigaar of sigaret rechtop staat. Een man heeft een wat kleiner pijpje dat een bocht maakt van 180 graden, zodat hij tegen z'n eigen as zit aan te kijken.

Op een aantal tafels staan van die Giroblauw-koffertjes, waar echter een complete Mahjongg-set in blijkt te zitten, bestaand uit 136 Mahjongg-stenen, twee dobbelstenen en een aantal speelkaarten. Een aantal mannetjes nodigt ons uit om mee te komen doen. Wij weten niet hoe dat moet, gebaren wij. Geen punt, ze leggen het wel uit. Christa gaat aan een tafeltje zitten.

Mahjongg blijkt een soort jokeren, maar dan anders. Hoe anders, daar zijn we nog niet helemaal uit. Het wordt gespeeld met vier spelers. Gelukkig heeft Christa een uitstekende secondant, die tips geeft met betrekking tot wat ze moet spelen. "Oh, ik geloof dat ik nu gewonnen heb", klinkt het plotseling van achter de tafel. Marco gaat nu ook meedoen, en doet ook maar wat. Een man blijft zitten en vertelt ons uitgebreid wat allemaal mag en niet mag. Het blijft lastig, vooral met uitleg in het Chinees en ook nog stenen met Chinese karakters. Maar het meest lastig is dat zo ongeveer alles lijkt te mogen, behalve als wij het doen.

Er komen steeds meer mannetjes de tuin binnen, allemaal met hun eigen vogelkooi. Op een gegeven moment telt Christa er wel 50. Verderop zit een rijtje mannen Chinees te schaken. Er komen zelfs wat jongeren, maar die gaan kaarten. Een van de mannen vindt ons wel erg boeiend, en neemt Marco mee terug naar de achterste tempel en maakt een paar foto's van hem. Hij vindt het wel interessant, dat fototoestel. Terug in de tuin vult hij Marco's thee bij, en haalt twee stukken watermeloen voor ons.

Het begint te regenen, en al snel te plenzen. Iedereen schuift zijn stoel onder ons afdakje, waar het een krappe bedoening wordt. Een paar vogels worden in veiligheid gebracht, hun kooi bedekt onder een zwarte doek, en ook onder het afdakje gezet. Als het weer opklaart komen er twee mannen met een brede kooi, waar, in aparte vakjes, tien vogels in zitten. De vogelverkopers.

Ons mannetje maakt nog een foto van ons samen met zijn vogel, en dan vinden we het wel weer genoeg. Wij verlaten de Wen tempel en lopen verder in noordelijke richting. Daar is een meer, waar een aantal Chinese kindertjes in liggen te zwemmen.

We lopen in de richting van waar ongeveer ons hotel moet zijn. Ons boekje roemt Anshun om zijn pittoreske straatjes met houten huizen. Daar merken we vrij weinig van. Als snel wordt duidelijk waarom. We lopen door een straat waar aan weerszijden alle bebouwing met de grond gelijk is gemaakt. Er ligt veel hout tussen de puinhopen. Ook Anshun ontkomt niet aan de vooruitgang.

Op een hoofdstraat zien we weer veel mensen, soms met metalen prikkers, door het huisvuil rondstruinen. Sommigen hebben een mand op hun rug waar ze dingen ingooien die ze nog de moeite waard vinden. Een paar oude vrouwtjes scharrelen door wat afvalbakken. Het staat voortdurend op het punt te gaan regenen. Via wat hoofdstraten weten we uiteindelijk ons hotel nog redelijk droog weer terug te vinden.

Het restaurant van het hotel blijkt zich te bevinden naast de zaal waar ons ontbijt geserveerd werd. Hier staan maar vier grote ronde tafels, en het is wel zo smaakvol aangekleed. Vanavond laten wij ons verleiden tot een soepje, die in China gewoon bij de maaltijd geserveerd wordt. We krijgen een flinke bak met kippenbouillon, gevuld met gebakken ei en ijsbergsla. Het eten is verbazend lekker. Zo goed hebben we dit jaar in China nog niet gegeten.

's Avonds op onze hotelkamer genieten we weer van ons huisbandje. Tegen tien uur gaan we slapen.


Dinsdag 27 juli 1999


Vandaag staat op het programma een bezoek aan de Huangguoshu watervallen, met hun 74 meter de hoogste van China. Ons hotel staat praktisch naast het busstation waar conducteurs van minibusjes hun uiterste best doen hun laatste plekjes gevuld te krijgen. We hebben geluk. Een busje dat naar Huangguoshu wil, is nog net niet vol, en als wij er in zitten, vertrekt hij direct.

 De watervallen zijn 43 kilometer van Anshun, maar een busje doet er toch nog anderhalf uur over. Dat is ook geen wonder, want met name het eerste gedeelte is de weg erbarmelijk. Gelukkig is de weg door de eerste dorpjes erg breed, zodat de chauffeur al slalommend de allergrootste hindernissen kan ontwijken. Regelmatig wordt er weer gestopt om mensen in en uit te laten en na inderdaad zo'n anderhalf uur lijken we het eindpunt te hebben bereikt. Er is nog geen waterval te zien, maar behulpzame voorbijgangers wijzen ons naar de ingang waar we tegen betaling van 30 yuan het terrein mogen betreden.

Volgens het boekje is de waterval op z'n mooist een dag of vier na hevige regenval, dus dat treffen we weer. Meteen na de ingang lopen we langs de eerste kraampjes met dezelfde souvenirtjes en dingen die we nog de hele dag zullen zien; gebatikte kleding, kleine ronde poppetjes, ronde schijven waarmee je je sterrenbeeld kunt bepalen en nep-fossielen van salamanders die, om elke schijn van echtheid te voorkomen, er allemaal volstrekt identiek uitzien. Die souvenirs zijn vooral gericht op de Chinese toeristen die hier in grote getale rondstruinen. Andere buitenlanders komen we de hele dag niet tegen.

We moeten aardig wat trappen af om uiteindelijk beneden op het niveau van de voet van de waterval te komen, maar dat realiseren we ons eigenlijk pas als we aan het eind van de dag weer terug gaan. Als Christa van helemaal bovenaan nog een foto maakt van de waterval, zit Marco twee trappen lager zijn ijsje te eten. Als snel komen er een paar kleine kindertjes aan die proberen rieten schoentjes, voor onder je eigen schoen zodat je niet uitglijdt bij de waterval, en gekleurde lapjes te verkopen. Marco weigert beleefd, maar ze zijn nogal hardnekkig, en er komen er ook steeds meer bij. Hij haalt de Lonely Planet maar te voorschijn en laat ze alle plaatjes zien, voorzien van deskundig commentaar. Binnen de kortste keren is hij omsingeld door ruim 25 kindertjes die zo'n buitenlander eigenlijk veel boeiender vinden dan hun eigen koopwaar. Als Christa probeert een foto te maken, schieten ze meteen alle kanten op. Maar uiteindelijk wint hun nieuwsgierigheid het toch van hun camera-angst.

Bij elke foto willen ze weten hoe iets in het Engels heet. De foto's van minderheden in hun eigen traditionele kleding wekken nogal wat hilariteit. Als we het boekje hebben afgewerkt halen we onze ansichtkaarten tevoorschijn, waar nog meer fraaie plaatjes op staan. De kindertjes kijken ook vol verbazing naar het blonde haar op Marco's armen. Als hij zijn petje af doet om te laten zien dat daar nog meer onder zit, gaat er een bewonderend gezoem op.

Wij nemen afscheid van de verkopertjes, verzekeren hen er van dat we toch echt niets willen kopen en dalen verder af. Een redelijk Engels sprekende mevrouw vraagt namens haar dochtertje of ze met ons op de foto mag. Dat mag.

Even verderop zijn er al weer drie jongetjes die ons hun sandalen willen verkopen. Marco vertelt overduidelijk dat hij ze niet wil, maar dat helpt niet erg. Vervolgens leeft hij zich uit door zijn complete kennis van het Chinees te spuien, maar de bestelling voor drie pikante kip met noten kunnen de jongens niet geheel plaatsen. Na de opmerkingen dat China goed is, Nederland erg goed, en de VS niet zo goed, een bod van nul komma drie yuan op de sandaaltjes en de mededeling dat we ze morgen wel willen kopen, zijn ze helemaal het spoor bijster.

Ongeveer halverwege de afdaling gaan we op een bankje zitten, eten een kolfje mais en genieten van het uitzicht. Het wemelt hier van de Chinese fotografen die tegen een gering bedrag hun landgenoten op de foto zetten met de waterval op de achtergrond, eventueel een truc-foto waarbij het onderlichaam aan de ene kant van de foto zweeft en het onderlichaam aan de andere kant, en desgewenst met een Chinese schone in authentieke klederdracht aan hun zijde. Steeds meer Chinezen geven er echter de voorkeur aan om niet met de dame in klederdracht op de foto te komen, maar met ons. Ook verschillende mensen met een eigen toestel willen graag met ons gefotografeerd worden. Wij stemmen gedwee toe en glimlachen vriendelijk. Een mevrouw wil wel een keer of drie, vier met ons op de foto, knoopt een praatje aan en vindt dat wij er toch zo mooi uitzien. Ze belooft een foto naar ons te sturen.

Via een hangbrug komen we aan de overkant vanwaar we tot onderaan de waterval kunnen lopen. De lucht wordt hier steeds vochtiger. Niet ver van de waterval is een rots waar je op kunt klimmen en je zo met de waterval op de achtergrond kunt laten vereeuwigen. Wij gaan bovenop de rots zitten en kijken geamuseerd toe naar het komen en gaan van Chinezen. Ook wij zelf zijn weer een dankbaar object om mee gefotografeerd te worden.

We lopen terug en ploeteren de vele trappen weer op. Als we bijna boven een ijsje eten krijgen we een foto van ons zelf en een Chinees in onze handen geduwd. Een kadootje. Met dank voor de hoge omzet.

We verlaten het terrein en gaan op zoek naar al die minderhedendorpjes in de buurt waar de Lonely Planet zo lyrisch over is. Dat lukt niet. Eerst lopen we per abuis het terrein van een hotel op en als we daarna in de rijrichting van de busjes de berg afdalen, komen we wel in een dorpje, maar daar zijn weinig minderheden te bekennen. Aan het eind van een straatje kopen we wat water en koekjes, die we op de stoep opeten. Langzamerhand komen er steeds meer kindertjes naar buiten en voor ons op straat spelen.

We geloven het verder wel en lopen terug richting waterval op zoek naar een busje. Dat lukt al snel. In de eerstvolgende grotere plaats blijken we te moeten overstappen, maar dat gaat zonder verdere problemen of bijbetaling. Van de conducteur van het nieuwe busje krijgen we allebei iets wat er uit ziet als een grote ui, maar makkelijk te pellen is, waarna er iets overblijft wat wit is en smaakt als een appel maar dan met minder smaak. De rest van de bus kijkt geamuseerd toe.

Terug in het hotel eten we weer in het daaraan gelieerde restaurant. Dat is echter een stuk minder dan gisteren. Zelfs dezelfde soep die we gisteren ook hadden is nu veel minder lekker dan toen. Maar het smaakt allemaal nog wel aardig. Terug op onze kamer genieten we voor de laatste keer van alweer dezelfde deuntjes van ons huisbandje.


Woensdag 28 juli 1999


We hebben een lange reis voor de boeg, en hoe we er zullen komen is op voorhand nog niet helemaal duidelijk. We willen naar Chengdu, en om daar te komen moeten we eerst met de bus naar Guiyang, vanaf daar met de trein rechtstreeks naar Chengdu of Chongqing, en in het laatste geval met de bus weer verder naar Chengdu.

Het ontbijt ziet er vanochtend opnieuw weer geheel anders uit, maar is in ieder geval beter dan dat van gisteren, toen er helemaal niets was dat substantieel en eetbaar was. Vandaag hebben we zelfs nog een bonussoepje, al lijkt dat wel weer op nog een rijstepap, maar dan een waar de rijst weer uitgehaald is. Het zou ook een meelpapje kunnen zijn.

Om half tien melden we ons op het busstation voor de eerste etappe. Daar staat al een relatief luxe bus klaar die wel bereid is om ons voor 20 yuan per persoon naar Guiyang te brengen. Dat geloven we graag. Een andere grote bus staat even verderop al op de openbare weg en doet het voor 8. Dat vinden we beter. Onze rugzakken kunnen voor in het bagagerek.

Om kwart voor twaalf zijn we bij het station van Guiyang, voor onze grootste taak van vandaag: het kopen van een treinkaartje. Allereerst moeten we maar eens zien in welke trein überhaupt plaats is. Het handigste zou zijn de trein die om vier uur vanmiddag vertrekt en morgenochtend om een uur of elf in Chengdu is. Onze tweede keus is een trein die om kwart over acht vanavond vertrekt en morgenochtend om zeven uur in Chongqing is. Ook die trein gaat door naar Chengdu, maar is daar pas om zes uur 's avonds.

We proberen eerst weer de soft-seat wachtruimte, die waar je van negen tot zes uur kaartjes zou kunnen kopen, maar daar mogen we het gebouw niet eens in. Bij de reguliere loketten pakken we weer een willekeurige rij, doen een poging op beide treinen twee hard sleepers te bemachtigen, maar vangen bot. Een politieman schiet te hulp. We laten hem maar weer de briefjes zien waar Christa op geschreven heeft welke kaartjes we willen. Hij brengt ons naar een andere rij, duwt de hele rij opzij, en bestelt onze kaartjes. Dat schiet mooi op. Bij het kopen van treinkaartjes in China is alles geoorloofd. De trein van vier uur blijkt echt vol, maar voor die van acht uur zijn nog hard seats verkrijgbaar. Op dit station kunnen we voor die trein geen hard sleepers (meer?) kopen, maar in de trein kunnen we ons kaartje upgraden. We kopen twee hard seats.

Een oud mannetje dat Engels spreekt begroet ons enthousiast en zegt dat zelfs in de Lonely Planet staat dat hij zo behulpzaam is. Waar, dat wordt niet helemaal duidelijk. Hij wijst ons de bagageruimte waar we onze rugzakken tot vanavond kwijt kunnen. Ook vertelt hij van de leuke plekjes in Guiyang die leuk zijn om te bezichtigen.

Eerst gebruiken we de lunch op hetzelfde terrasje waar we dat een paar dagen geleden ook gedaan hebben. Dan lopen we langs de brede stationsstraat richting centrum. In het volkspark staat uiteraard weer een flink standbeeld van Mao. De markt blijkt hier een medische markt te zijn. Bij veel kraampjes zien we afbeeldingen van (delen van) het menselijk lichaam waar allerlei dingen bij geschreven zijn, en er ligt een eindeloze hoeveelheid zakken gevuld met poedertjes en gedroogde planten en lichaamsdelen van bedreigde diersoorten. Waarschijnlijk. Tot wederzijdse verbazing komen we een buitenlander tegen.

Bij een klein kantoortje van de Bank of China konden we onze travelers cheques niet wisselen, maar men verwees ons door naar het hoofdkantoor, op Dusi Lu, midden in het flitsende centrum van Guiyang. Daar is inderdaad een veel groter kantoor, dat met name lijkt te worden gebruikt om mensen heen en weer te sturen. Bij de infobalie weet men ons te vertellen dat we voor travelers cheques naar balie 5 moeten. Daar moeten we even wachten tot mevrouw het er ook aan toe heeft, ze neemt de cheques in ontvangst, bekijkt ons paspoort, geeft ze door aan een meneer naast haar en vertelt ons dat we ons geld kunnen halen bij balie 19, waar we ook even moeten wachten en vervolgens inderdaad ons geld krijgen uitgekeerd.

 Ook Guiyang gaat mee in de vaart der volkeren en is druk bezig meer wolkenkrabbers te bouwen. Het is een nogal onwerkelijke stad. Er zijn brede drukke en luxe winkelstraten, maar op het moment dat je de hoek omgaat, sta je al weer midden in een armoedige straat met bouwvallige huizen en oude vrouwtjes die proberen een paar perziken te verkopen. In zo'n straatje weet Christa een originele Mahjongg-set op de kop te tikken.

Om aan de andere kant van een drukke straat te komen, moet je vaak door een tunneltje, waar ook weer een boel winkels zijn. En ook veel winkels waar ze CDs en VCDs verkopen. Vooral die laatste, want dat is nog steeds de standaard in China. Die CDs blijken onwaarschijnlijk goedkoop, meestal 10 yuan, een rijksdaalder, per stuk en waarschijnlijk ook niet op geheel legale wijze verkregen. Maar we, en vooral Christa, doen er toch maar ons voordeel mee.

Via veel grote winkelstraten komen we uiteindelijk in de Foreign Language Bookstore, een boekwinkel die vooral gericht is op Chinezen die Engels willen leren, maar ook een redelijke collectie Engelse boeken heeft. Christa koopt een paar Agatha Christies voor twee gulden per stuk, en een woordenboekje.

Met een taxi rijden we weer terug naar het station. In een straatje een niveau lager is allerlei eten te koop, maar niet de baotzes waar wij naar op zoek zijn. en in de stationsstraat ook niet. Uiteindelijk vinden we ze vlak bij het station, de versie gevuld met suikerwater.

Een zwerfjongetje loopt al een tijdje met ons mee en speelt, als wij een plastic drinkbeker en wat thee kopen voor onderweg, achter ons met nog een paar andere jongens. Er wordt hier gebouwd en het jongetje gooit per ongeluk een tegel kapot. Dat zint de opzichter niet bepaald. Hij grijpt het jongetje bij zijn onderarmen en begint hem af te tuigen. Het jongetje protesteert heftig en bijt letterlijk van zich af. De man bloedt uit zijn rechteroor en wordt nog agressiever. Omstanders beginnen zich er mee te bemoeien. Wij gaan naar onze trein.

Zonder problemen krijgen we onze rugzakken weer terug en gaan we zitten in de wachtruimte met eindeloze rijen blauwe kuipstoeltjes. Het gaat er hier nogal chaotisch aan toe. Normaal gesproken is er voor elke trein gewoon twee rijen stoeltjes met aan het eind een poortje met een mevrouw. Maar als hier de trein van een uur of half acht aankomt levert dat een zodanige ontstellende drukte en gedrang op, dat zo'n beetje alle poortjes gelijktijdig open gaan. Maar nog steeds staan een paar gangpaden stampvol met dringende Chinezen. Marco maakt een paar foto's. Enkele zittende Chinezen steken grijnzend hun duim omhoog.

Ondertussen zitten wij rustig op onze stoeltjes te wachten op onze trein. Bij elke aankondiging schieten we overeind, maar telkens is het vals alarm. Inmiddels zitten we bij een groepje mensen waarvan het ons duidelijk is geworden dat ze met dezelfde trein moeten. De lichtkrant boven ons poortje meldt dat de trein 40 minuten vertraging heeft. Dat blijken er 70 te worden.

Marco loopt maar eens rond en oogst veel bewondering. Het blonde haar op zijn arm blijft boeien. Christa knoopt een praatje aan met onze poortwachter. Zij denkt dat wij onze kaartjes kunnen upgraden in wagon 6.

Als de trein eindelijk binnenkomt snellen wij door de tunnel er naar toe. Een paar keer vragen wij naar de upgradeplaats en even zo veel keren worden we weer de andere kant opgestuurd, zodat we een paar keer langs de trein heen en weer hollen. Uiteindelijk convergeren we naar wagon 10. Bij de balie in de soft-seat wagon staan al een paar mensen te wachten.

Het duurt eindeloos voordat de conducteur het de moeite waard vindt om onze upgrades af te handelen. In de tussentijd komen er onwaarschijnlijk veel railtenders langs, nu zelfs met speelgoed. Er vormt zich zelfs een vrij net rijtje, maar als het moment daar is, probeert er natuurlijk weer een Chinees voor te dringen. Marco weet dat soepel te pareren door een hak op zijn rechterteen gecombineerd met een linker elleboog tegen zijn borstkas. De man die in de wachtruimte een paar stoelen verderop zat, zit ook in deze wagon, en zit ons nog steeds voortdurend grijnzend aan te kijken. Hij brengt daarmee het Chinees record buitenlander staren op een slordige twee uur.

Na drie kwartier krijgen we dan toch ons eigen plekje toegewezen in de hard sleepers. Daarvoor moeten wel eerst twee Chinezen worden weggejaagd, Hoe die hier beland zijn is onduidelijk. Ze hebben tenminste niet het officiële plastic labeltje met bed-identificatie dat je krijgt ter inruil van je treinkaartje als je de trein instapt. De Chinezen rondom ons kijken zo'n beetje met open mond toe. We nemen nog een kop thee en na een paar schijnbewegingen gaat het licht definitief uit. Verrassend genoeg slapen we uitstekend.