Woensdag 1 oktober 1997


 Om half zeven gaat de wekker. Om vijf voor zeven wordt er driftig op de deur geramd door ons erg zenuwachtig mannetje dat maar aandringt dat we op moeten schieten, omdat de bus anders vertrekt. En het is nog lang geen tien over zeven. Om een paar minuten over zeven komen we dan toch naar buiten. Hevig gebarend pratend met een mevrouw die ook meeloopt beent hij naar een paar bussen op een pleintje even verderop.

Er staat een klein busje waar we in gedropt worden. We gaan achterin zitten wachten op de dingen die komen gaan. Het busje rijdt wat heen en weer door de stad. Er stappen eens wat mensen in, maar sommigen stappen ook weer uit. Bij een stopplaats gaat de reisleider in hevige discussie met wat mensen die in willen stappen. Waar het over gaat is ons niet duidelijk, maar er komt nogal wat stemverheffing bij te pas.

Uiteindelijk is het half negen. Het busje is vol en het lijkt er op alsof we definitief Xian verlaten. We hebben nog geen idee waar we heengaan, alleen dat we graftombes van keizers zullen zien. De reisleider vertelt door zijn megafoon iets over de stadsmuur. Bij een tankstation hebben we het eerste contact met onze medereizigers. Er is een groepje van vijf jongeren mee. Een jongen heeft een jaar in Portsmouth gestudeerd. Een ander heeft een reis gemaakt door zeven landen in Europa. Allebei zijn ze in Amsterdam geweest. De chauffeur laat via hen weten dat hij overal Chinese prijzen voor ons zal regelen.

 Na een flinke rit komen we bij een museum. Het blijkt het Xianyang City Museum, met veel keramiek van een paar duizend jaar oud en vooral een in glazen vitrines opgesteld leger bestaand uit 3000 terracotta strijders en paarden van een halve meter hoog, opgegraven uit een graf van de Han-dynastie, dat China regeerde van 206 voor tot 220 na Christus. De beelden zijn veel minder gedetailleerd en gevarieerd dan die van gister, maar het is nog steeds een imposant geheel. We krijgen een rondleiding in het Chinees, die we maar zoveel mogelijk ontwijken, want het zijn er wel erg veel. Na de rondleiding hebben we nog tien minuten voordat we in het busje stappen voor de volgende attractie.

Dat blijkt een museum gewijd aan het Bijzondere Verhaal van keizerin Wu Zetian. Zij leefde ergens in de zevende eeuw en was aanvankelijk een concubine (lid van de harem) van keizer Tai Zong. Toen die overleed, moest zij het klooster in, maar de zoon van de keizer, Gao, zocht haar op, werd verliefd, en trouwde haar. Gao bleek nogal een slappe keizer, zodat Wu langzamerhand de macht in handen kreeg. Een jaar na zijn dood zette ze zijn officiële opvolger af en liet zich kronen tot volledig heerser en keizerin van China, de enige in de geschiedenis. Haar bewind schijnt nogal een bloedige bedoening geweest te zijn. In het museum zijn de belangrijkste scenes uit haar leven middels tafereeltjes met wassen beelden tot leven gebracht. Dat is wel geinig. In het midden van het terrein staat een reproduktie van haar graftombe.

 De volgende stop is de graftombe van prins Yi De, naar verluidt de zoon van keizerin Wu. Het ding bestaat uit een lange smalle gang die steil naar beneden leidt, naar het eigenlijke graf. Het ziet hier werkelijk zwart van de Chinezen. Er is amper door te komen. Het heeft wel iets ironisch, al die Chinezen die de stichting van de Volksrepubliek vieren door massaal de graven van de oude keizers op te zoeken. Ook hier is een lokale gids die ons met een megafoon precies uitlegt hoe het allemaal in elkaar zit. Waarschijnlijk. Bij de tombe is een museum dat aandacht besteed aan de vele keizerlijke tombes in de omgeving. Ook staan er weer een aantal fraaie beschildere Tang-strijders, vergelijkbaar met degene die we al in Lanzhou hebben gezien.

We rijden naar de volgende tombe, die van Wu Zetian en haar man. Het is al drie uur, dus we krijgen eerst een half uurtje om te lunchen. In het drukke restaurant prikken we twee dingen van de kaart. Dat is niet zo'n succes. We krijgen een schaaltje met gele sliertjes die ontstellend scherp zijn, en een bakje rijst erbij. Van het andere gerecht wordt te laat verteld dat het niet voorradig is. Uiteindelijk moeten we het daarom met haast alleen maar droge rijst doen. Want de thee komt ook al niet.

Dan maar naar de tombe zelf. Dat is een stuk beter. Een grote, brede, kilometers lange oprijlaan leidt naar de eigenlijke grafheuvel. Het laatste stuk van die oprijlaan, waar we nu zijn, is aan weerszijden voorzien van beelden van dieren die het zaakje beschermen. We hebben mooie uitzichten over het omringende berglandschap. Vooraan staan aan weerszijden in totaal 61 beelden van minderheden, en buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders die de ceremonie bijwoonden. Tijdens de culturele revolutie zijn ze vrijwel allemaal een kopje kleiner gemaakt. Aan elke kant staat een hoge stenen tablet, de ene met opschrift, de andere niet. Dat is, zo wil de legende, omdat de keizerin vond dat haar eindeloze macht niet in woorden is uit te drukken. Het is ook hier erg druk. Tot drie keer toe willen uitgelaten Chinezen een foto met ons er op.

 Om een uur of half vijf trekken wij weer het busje in, naar huis veronderstellen wij. Dat blijkt niet het geval. Na opnieuw een flinke rit komen we bij een volgende museum annex parkje waar een 12 etages hoge pagode middenin staat. Het blijkt de Famen Tempel. We worden een kelder ingedreven waar een grote groep Chinezen zich staat te vergapen bij een klein kappelletje. Daarbinnen ligt een heus vingerkootje van de allereerste Buddha.

 Recht tegenover de Famen Tempel staat een eindje verderop een gigantisch Buddhabeeld van zo'n veertig meter hoogte dat hoog boven het dorp uittorent. Aan alle vier de kanten is een Buddha afgebeeld. Onze zesde en laatste stop. Het ding ziet er erg indrukwekkend uit. Onder de Buddhas is een klein museumpje waar weer met beelden een aantal tafereeltjes is afgebeeld, die ons verder ontgaan. In de wanden zijn een groot aantal kleine Buddhaatjes gebeeldhouwd.

Nu gaan we toch wel terug naar Xi'an. Dat is nog zo'n 115 kilometer, grotendeels over een tolsnelweg. De andere bus die met ons meerijdt, heeft daarbij wat last van motorpech. We gaan aan de kant staan, en de bus wordt weer aan de praat geduwd. Onze reisleider maakt de rekening op, en komt tot de conclusie dat het totaal van de toegangsbiljetten 90 yuan bedraagt. We betalen 200 en krijgen 10 terug. De andere 10 volgt nog, zegt hij. Dat blijkt niet het geval. Om kwart voor elf zijn we dan toch weer terug in ons hotel.


Donderdag 2 oktober 1997


 Vandaag hebben we de tijd om Xian zelf nog eens te bekijken en, vooral, een treinkaartje zien te bemachtigen. Daarom moeten we toch nog op tijd op. Om kwart over negen staan we al weer op de buitenlandersbalie van het station. We zijn niet de enige. Een gigantische rij die nog een paar keer de hoek om draait staat voor ons. Ook met veel Chinezen, want het loket is er ook voor alle soft sleepers en kaartjes naar Hongkong, Taiwan en Macao. Wij worden wat zenuwachtig omdat de officiële openingstijden 9:30-11:30 zijn, en vanmiddag is het loket dicht. Gelukkig werkt men de hele rij weg en om 10:45 zijn we aan de beurt.

Op elke trein naar Beijing voor vandaag blijken de hard sleepers al uitverkocht te zijn. We kiezen dus maar voor de soft sleeper. We krijgen een bonnetje op vertoon waarvan we bij loket 2 onze kaartjes mogen aanschaffen. Het gaat er hier nog ouderwets bureaucratisch aan toe. Wij melden ons bij loket 2. Het lijkt niet al te lang te hoeven duren. Helaas denkt de man voor ons daar anders over. Hij bestelt zo'n 30 verschillende kaartjes, waar de lokettiste toch al gauw een uur mee bezig is. Tegen kwart voor twaalf ontstaat er een probleem. Het is onduidelijk hoe lang alles nog gaat duren en voor twaalf uur moeten we uitchecken uit ons hotel. Marco gaat daarom terug om in te pakken, terwijl Christa in de rij blijft staan. Als Marco om kwart over twaalf weer terug is, en alle bagage bij de receptie in het hotel heeft achtergelaten, krijgt Christa net haar kaartjes, na twee keer anderhalf uur in de rij.

Inmiddels hebben we in de rij kennis gemaakt met een Duitse jongen, die in Hamburg Chinees en economie studeert. Tien jaar geleden heeft hij al eens 3 jaar in Beijing gewoond. Op dit moment woont zijn moeder in Beijing, zijn vader in Taiwan, terwijl zijn zus stage loopt in Hongkong. We gaan gedrieën lunchen in dezelfde tent waar we eergisteren ook gegeten hebben. We bestellen 60 Xiaotze, van die geinige flapjes die iedereen hier gisteren ook al aan het eten was. Eerst wordt er een handvol schaaltjes met groente gebracht. Dat is bij de prijs inbegrepen, wordt ons verteld. Vervolgens wordt duidelijk dat men ons alleen 180 flapjes wil brengen, dus 60 per persoon, terwijl we toch erg duidelijk 20 flapjes de man hebben aangevraagd. Wij vragen ons hardop af of iedereen hier 60 flapjes besteld, wat duidelijk niet het geval is. Uiteindelijk is men toch bereid ons toch 60 flapjes te brengen, maar dan wel voor 80 yuan. Dat is belachelijk duur, en meer een prijs voor de zeker drie keer zo grote Baotzes. Onze Chinees-sprekende Duitser gaat nog eens in discussie met het serverend personeel. Dat helpt niet, dus uiteindelijk lopen we maar weg.

We zoeken naar een ander restaurant, dat er ook nog eens gastvrijer uitziet. De helft van de kaart blijkt niet verkrijgbaar. Uiteindelijk slagen we er toch in vier gerechten te bestellen. Lange slierten aardappel, die er niet als zodanig uitzien, een schaal groente, een koud rundvlees- en een kipgerecht. Best wel Hollands dus. Bij de maaltijd wordt lange-afstandsthee geserveerd die door een jonge medewerker stoïcijns uit een ketel met zeer lange tuit van meer dan een meter afstand precies in het kopje belandt. De kip blijkt een gehele te zijn die, in tegenstelling tot die in Xiahe, stevig in het vlees zit en nog lekker is ook. De totale schade bedraagt 75 yuan.

Onze Duitser vertelt over 1989 toen hij in Beijing woonde en de demonstraties op het Tian-An-Men plaatsvonden. Hij had zelfs nog meegeholpen de barricades helpen opbouwen. Toen hij op een avond thuis kwam, vertelde zijn vader dat het leger het plein had schoongeveegd. Oorspronkelijk was het helemaal niet zo nadrukkelijk een betoging voor meer democratie, beweert hij. De bijeenkomsten waren oorspronkelijk ter nagedachtenis van een studentenleider die om het leven was gekomen. Westerse media doopte het echter om tot democratiseringsbeweging, zodat de zaak, ook voor de Chinese machthebbers, uiteindelijk te hoog opliep.

Uit wat wij allemaal horen, zien en opvangen hebben we de indruk dat het eigenlijk pas de laatste jaren echt snel is gegaan in China, en dat wat dat betreft het Tiananmen-incident de zaken eerder versneld dan teruggeworpen heeft. Onze Duitser is het geheel met die visie eens. Tiananmen was vooral een vreselijke fout van de machthebbers, een paniekreactie die wellicht ook binnen niet al te lange tijd door de partij als zodanig erkend zal worden. Laten we het hopen. De Duitser heeft ook stage gelopen bij een Duitse krant in China. Daardoor heeft hij bepaald geen hoge pet op over de berichtgeving over China in de westerse media. Ze schrijven klakkeloos dingen van elkaar en uit de Chinese kranten over. Alleen The Economist heeft fatsoenlijke berichtgeving. Wij zijn het roerend eens.

Na het eten lopen we door de stad. Het is miezerig weer. We komen door een straat met een absurde hoeveelheid winkels met alle benodigdheden voor uw kapperszaak. Wij gaan richting centrum en nemen afscheid van onze Duitser. Wij doen een best wel behoorlijke CD-winkel aan. Vrijwel alleen maar video-CD's natuurlijk. Het lijkt hier zowaar wel een heuse Westerse winkelstraat. We drinken een glaasje en eten een gebakje bij Bob & Betteys, een lokale fastfood keten. De Friendship Store, vroeger een speciale winkel waar buitenlanders hun vreemde valuta en Foreign Exchange Certificates konden stukslaan, blijkt hier al omgedoopt tot zeer uitgebreid warenhuis annex supermarkt. We kopen weer andere puddinkjes en twee blikjes exotisch vruchtensap. Buiten begint het nu serieus te regenen. Wij halen ons hart op bij de Foreign Language Bookstore, een flinke boekhandel met ook Engelse boeken, stapels Engelse cursussen voor Chineestaligen, maar ook andersom, en, nog het meest boeiend, Chinese boeken vertaald in het Engels. Met een taxi rijden we terug naar het hotel. Taxiprijzen grenzen hier al helemaal aan het belachelijke. Voor het ritje zijn we 5 yuan kwijt.

Bij het hotel hebben we nog even tijd. In de lobby lezen we ons Engelstalige Chinese krantje. Dan pakken we onze bagage en lopen naar het station, slaan wat proviand in en weten de juiste wachtkamer te vinden. Een uitermate vage man vindt dat we boven op onze trein moeten wachten, neemt ons mee daar naar toe, naar een andere man en vindt dat we 10 yuan moeten betalen. Wij trappen daar niet in en gaan terug naar de juiste wachtruimte.

 De trein vertrekt om 19:20. Omdat we in de vorige steden wat langer zijn gebleven dan gepland, we vanochtend de hele ochtend in de rij moesten staan en het vanmiddag slecht weer was, hebben we uiteindelijk weinig van Xi'an gezien. Zelfs de bekendste attractie, de klokketoren, is aan ons voorbij gegaan. Eigenlijk komt dat allemaal wel mooi uit. Wij heb-ben namelijk besloten dat Xi'an Absoluut Niet Leuk is. Hier hebben we eindelijk kennis kunnen maken met de bureaucratische, vervelende, aggressieve, asociale en afzettende Chinezen die ons al door alles en iedereen beloofd waren. Alleen vandaag al hebben we hier meer Negatieve Ervaringen opgedaan dan tot nu toe op de hele reis. Het terracotta-leger is erg indrukwekkend, maar daardoor zien ze in de stad waarschijnlijk toch iets te veel toeristen.

In onze slaapcoupé zitten we aanvankelijk gezellig met z'n tweetjes, maar uiteindelijk krijgen we toch gezelschap van een Chinees echtpaar waarvan de man best wel heel belangrijk in het leger is, getuige de vier sterren op de schouder van zijn uniform. Erg handig is hij niet, want hij stoot een volle kop thee om die volledig over Marco en zijn spullen heengaat. De man stamelt iets wat waarschijnlijk neer zal komen op duizendmaal excuses. Om half elf gaan we slapen.


Vrijdag 3 oktober 1997


Om half acht worden we wakker. We maken een babbeltje met onze coupégenoten die er nu pas achterkomen dat Christa Mandarijn spreekt. Manlief zit bij de luchtmacht, zo blijkt, en komt uit een gezin van negen kinderen. Bij mevrouw thuis hadden ze er maar twee. Christa weet in het Mandarijn duidelijk te maken waar zij werkt, en ook wat Marco doet. Een docent economie, dat vindt men hier prachtig.

 Om 11 uur komt de trein aan in Beijing. Na flink rondlopen vinden we op de drukke doorgaande weg bij het station eindelijk een plaats waar we een taxi kunnen nemen. Een van de chauffeurs doet nog een nutteloze poging om ons af te zetten. Met een taxi die wel bereid is de meter te gebruiken, rijden we weer terug naar ons vertrouwde hotel. We douchen ons en nemen een bus naar het centrum. De komende dagen hebben we nog een druk programma voor de boeg, want we moeten alle belangrijke bezienswaardigheden van Beijing nog afhollen, plus nog flink wat inkopen doen. De toerist uithangen dus. De bus brengt ons niet helemaal waar we heen willen, en het laatste stuk lopen we naar de Tempel of Heaven.

Bij de ingang nuttigen we eerst 8 baotzes op een druk, geimproviseerd terrasje. Bij de hoofdingang kopen we twee fraaie toegangskaartjes. Buitenlanders betalen hier ruwweg het dubbele van wat Chinezen in rekening wordt gebracht. We komen in een groot park waar hier en daar wat keizerlijke gebouwen en optrekjes staan. De Temple of Heaven werd door de keizers gebouwd ter verering van de Zonnegod, en het geheel had dan ook een zwaar religieuze functie. De eerste attractie die wij tegenkomen is een tweecirkelige pagode niet ver links van de ingang. We hebben er stralend weer bij. Bij een zijtempel worden verwoede pogingen gedaan om ons in authentieke, keizerlijke kleding voor een dito achtergrond te laten fotograferen. Wij blijven hardnekkig weigeren. Het is vrij toeristisch hier, al zijn die toeristen wel voor het overgrote deel Chinezen. Christa mag op de foto met een witte olifant.
 
De top-attractie is de Gebedshal voor Goede Oogsten, een prachtig bouwwerk, gebouwd in 1420, afgebrand in 1889, een jaar later weer herbouwd en inmiddels uitgegroeid tot een van de belangrijkste symbolen van Beijing. Het geheel is geheel uit hout opgetrokken en gebouwd zonder gebruik te maken van spijkers, cement of enig ander constructiemateriaal, terwijl het ding toch 38 meter hoog is en een diameter heeft van 30 meter. Inmiddels ziet het hier werkelijk zwart van de Chinezen. Af en toe steekt nog een buitenlandse tourgroep, met vooral wat oudere deelnemers, de kop op. We drinken een flesje water en eten onze puddinkjes. Bij de vele souvenirwinkeltjes op het terrein lukt het ons eindelijk om ansichtkaartjes te kopen, blijkbaar niet zo gebruikelijk in China.

De wat gewonere gebouwen tussen de attracties hebben ook allemaal de karakeristieke Chinese bouw, met hoeken van het dak die omhoog krullen. De Chinezen geloofden dat de hoek van het dak het meest gevoelig is voor blikseminslag. Daarom zetten ze op zo’n hoek altijd een rij draken ter bescherming. Een prins die niet wilde deugen is ooit aan zo’n dakpunt opgehangen. Ter afschrikking werd sindsdien de rij figuurtes op zo’n dakhoekje afgesloten met een poppetje dat die prins voorstelt, gezeten op een hen. Aan de andere kant zijn nog meer attracties, waar wij hutje-mutje langs schuifelen. Daar is een wat eenvoudig rond bouwwerk, het Ronde Altaar, gebouwd op een marmer terras. De bovenste etage daarvan heeft negen stenen. Oneven getallen waren heilig volgens de Chinezen, en negen was het grootste oneven getal met een cijfer. Een etage lager liggen achttien stenen waar er, inderdaad, 81 liggen. Ten noorden van het altaar is een echomuur, waar je momenteel overstemd wordt door de Chinezen, en nog een laatste rond gebouw, waar we omsingeld door nog meer Chinezen, langstrekken.

Weer buiten doen we verwoede pogingen een bus te pakken te krijgen. Er zijn nogal wat Chinezen die daar net zo over denken. Het is nogal onoverzichtelijk allemaal. Een flink aantal mensen druppelt in een klaarstaande bus, dan gebeurt er iets onduidelijks en stroomt iedereen weer naar buiten naar een andere bus, die net is aan komen rijden. Uiteindelijk belanden we in een luxe touringcar die ons, tegen geringe meerprijs naar Wangfujing Dajie rijdt, de meest sjieke winkelstraat van Beijing. Het lijkt hier haast wel een heuse Westerse winkelstraat, al heeft de McDonalds door gewijzigde bestemmingsplannen alweer het veld moeten ruimen. We lopen naar de belangrijkste bestemming voor vanavond, de English Book-store, naar verluidt de grootste van Beijing. We brengen flinke tijd door in de vele etages tellende shop, waar ook CD's verkocht worden. Een belangrijk gedeelte van het assortiment bestaat uit Engelstalige klassiekers al dan niet geheel of gedeeltelijk vertaald in het Chinees. Chinese boeken vertaald naar het Engels zijn er gelukkig ook. Christa brengt een flinke tijd door op de afdeling Chinees-voor-Niet-Chineestaligen. We kopen allebei wat boekjes.

We bekijken nog een paar winkels, tot ze om half tien toch allemaal gesloten zijn, en lopen dan naar het naburige TianAnMen-plein. Het plein staat stampvol. De versieringen die een paar weken geleden al opgebouwd werden, staan er nu in volle glorie bij. Laserstralen schijnen hoog over het plein en verlichten de gigantische fruitmanden. Een paar duizend Chinezen vermaken zich door jassen en kledingstukken omhoog in de laserstralen te gooien. Midden op het plein staat, recht tegenover dat van Mao, een gigantisch portret van een ons onbekende man. Bij navraag van omstanders en raadpleging van ons zojuist aangeschafte Beknopte Geschiedenis van de Chinese Volksrepubliek, blijkt het te gaan om de eerste vice-voorzitter van het land. Hordes enthousiaste Chinezen komen zwaaiend met hun fototoestel op ons af, en willen met ons op de foto.

Door de drukte is het ook vrijwel onmogelijk een bus of taxi te vinden. Uiteindelijk belanden we in een duurdere taxi. Taxi’s zijn er in Beijing in verschillende prijsklassen. Op het rechter achterraampje van elke taxi zit een sticker, waarop de prijs van de taxi staat aangegeven. Deze taxichauffeur weet niet waar ons hotel is, maar inmiddels weten we al zelf de weg. Bij de McDonald's laten we ons afzetten, want het is er nog niet van gekomen om te eten. Daarna lopen we terug naar het hotel.


Zaterdag 4 oktober 1997


 Vandaag gaan we naar het Zomerpaleis, het zomeroptrekje van de keizers, een kilometer of tien ten noorden van het centrum van Beijing, en nogal slecht te bereiken met het openbaar vervoer. Niet ver van onze jeugdherberg nemen wij bus 343 naar het zuiden van het centrum. De behulpzame conductrice verwijst ons door naar bus 105. Deze bus blijkt vol, fout en traag. De bus staat meer stil dan hij rijdt. Na een half uur is hij een paar straathoeken opgeschoten. We stappen weer uit en proberen het maar eens met de metro. We stappen uit bij de halte dierentuin. Daar lopen we een eindje op zoek naar de minibusjes die hier volgens de Lonely Planet zouden moeten rijden. Ze blijken vrij prijzig, voor 5 yuan per persoon, maar dat lijkt ook de prijs die de Chinezen betalen. De conductrice maakt zich erg vrolijk over een Zeer Lange Buitenlander die moet staan, en zelfs als hij zijn hoofd er af zou hakken, nog zou moeten bukken om niet met zijn schouders tegen het dak van de minibus te komen.

En uiteindelijk, na een barre rit van twee-en-een-half uur, bereiken we het zomerpaleis. De eerste attractie is een net nieuw schattig oud-Chinees winkelstraatje langs het water, waar allerlei souvenir- en andersoortige winkeltjes argeloze toeristen hun yuan proberen afhandig te maken.

Een oudere man is ijverig Chinese karakters aan het tekenen. Na ons rondje door het straatje klauteren we omhoog en komen in een hal met 3 boeddha beelden aan weerszijden en een rij erg mooie beelden aan weerszijden. Het is een flink geklauter langs alle voormalige paleizen, tempels en fraaie pagodes. Hier en daar zitten we om te genieten van de fraaie gebouwen, dito uitzichten over en het ook al dito weer. Op de top van de heuvel hebben we uitzicht over het Grote Meer, dat zo’n twee-derde van de oppervlakte van het gebied uitmaakt. We worden door twee vriendelijk glimlachende Chineze mevrouwen een forse souvenirwinkel binnengelokt, waar Christa, nog steeds onder persoonlijke aandacht, flink afdingt op een paar oorbellen. De winkel wordt inmiddels bedolven onder een horde Duitse toeristen.

We beginnen de afdeling naar het meer. Vlak voor het meer is de Lange Gang, een door pilaren ondersteund afdakje waar over een lengte van 700 meter plafondschilderingen van allerlei mythische en keizerlijke tafereeltjes zijn aangebracht. Op het meer huren wij een waterfiets. Daarmee fietsen we naar een bekende boogbrug, en om een eilandje weer terug, waar we een fraai uitzicht hebben op de gebouwen die tegen de heuvel staan aangeplakt. Er varen hier ook een flink aantal behoorlijk kitsche rondvaartboten in het rond, die er uitzien als Chineze Vikingschepen. Aan het einde van het park, bij wat voor ons de uitgang is, blijken ook nog wat paleizen en bezienswaardigheden te zien, plus de eigenlijke ingang. Maar we lopen tegen sluitingstijd, dus we benen er vlot langs. We nemen een pannekoekje en een busje richting dierentuin, en willen dan naar de metro lopen.

Onderweg doen we nog verwoede pogingen om dingen in warenhuizen te kopen, maar ze staan allemaal op sluiten. Het duurde ook nogal even voordat ons busje vertrok. Na wat omzwervingen komen we toch nog bij de metro-halte. Het is de hoogste tijd voor wat Turbo-Shopping bij de Friendship Store, waar we nog een klein uurtje de tijd voor hebben. We stormen langs de afdelingen schrijfsets-voor-Christa, vliegers-voor-zussen en pandaberen-voor-neefjes-en-nichtjes en staan binnen de kortste keren met handen vol plastic tassen al weer buiten. Dan kijken we nog even bij het SciTech Center, een imposant en uitermate glimmend en sjiek warenhuis, dat ook nog knetterduur is. Veel buitenlanders hier. En mooie aquaria.

We lopen in de richting van het station, ook op zoek naar een restaurant. In een achterafstraatje komen we terecht in een vrij aftandse gelegenheid waar vooral Mongolian Hotpot wordt geserveerd. Daarbij krijg je een ronde fonduepan met gat in het midden voor je, en een paar borden vol ragfijn gesneden vlees dat binnen een paar seconden gaar is. De mevrouw van het restaurant komt bijzonder humeurig over, maar blijkt buitengewoon grappig. Ze mag ons wel, vooral als blijkt dat we een van de weinige toeristen hier zijn die nog wat Chinees kunnen voortbrengen, en ze imiteert Christa’s uitspraak. Als Christa naar de WC moet, gaat mevrouw ook even, vooral voor een praatje. De gebruikelijke vragen over leeftijd, kinderen en huwelijk worden weer gesteld. Bij het station kopen we een kaartje voor de trein morgen richting muur. Een taxi rijdt ons weer terug naar het hotel


Zondag 5 oktober 1997


Vanochtend moeten we om half zeven op en om kwart over zeven zitten we al weer in de immense ontbijtzaal. Een half uur later gaan we de straat op en rijden we met een taxibusje, die nog goedkoper zijn dan gewone taxi’s, naar het station. Hij doet er nogal lang over. We moeten met een boemel naar Badaling, dus het is even zoeken naar waar de trein nu precies vandaan vertrekt. Om tien voor negen mogen we het perron op. We hebben een plaatsje in wagon 3. Bij elk treinstel staat een mevrouw van de spoorwegen met fraaie schouderband klaar om de passagiers op te wachten. De conductrice van wagon 4, waar we langslopen, groet ons enthousiast in het Engels. Voor deze reis hebben we een plaatsje hard seat aangeschaft. Dat is een knusse bedoening, al is de trein lang niet zo smerig als we verwacht hadden. Vriendelijk knikken wij naar alle omzittende passagiers, die niet gewend lijken aan toeristen in een hard seat in een boemel.

Het duurt niet lang of de stralende conductrice van wagon 4 komt naar ons toe. Ze zag ons al van een afstand aankomen en hoopte maar dat we bij haar in de wagon zouden komen. Dan zou ze mooi haar Engels kunnen oefenen, wat ze nu sinds een jaar aan het leren is. Maar als ze gewoon bij ons mag komen zitten, dan kan dat natuurlijk ook. Het mag. Ze straalt zo uitbundig dat ze aanvankelijk amper te verstaan is. Uit haar eigen wagon haalt ze een prehistorisch leerboekje tevoorschijn en een beduimeld papiertje waar de belangrijkste treinzinnen in het Engels op vermeld staan. De trein naar Qinglongqiao vertrekt van spoor 4, oefent ze. Haar Engels is al een stuk beter dan veel andere Chinezen die we hier gehoord hebben. Bij elk station rent de conductrice weer even weg om de deuren open en dicht te doen. We mogen wel uit haar jampotje thee drinken.

Om twintig voor elf rijden we voor het eerst langs de muur. Mevrouw rijdt deze route blijkbaar wel vaker, want dit heuglijke feit wordt al ruim vantevoren, met exacte tijdsaanduiding aangekondigd. Zoals gebruikelijk komt het Nederlandse geld weer ter sprake. Ook onze laatste voorraad muntjes is stevig in trek en de passagiers in onze direkte omgeving storten zich op ons. De muntjes gaan opnieuw grif tegen kostprijs van de hand. Rond elf uur komen we aan op station Qinlongqiao. De conductrice weet ons duidelijk te maken dat we vanaf een ander station hier weer vandaan moeten, en wijst de richting. Op het perron worden we opgewacht door een opdringerige taxi-chauffeur die er op staat ons naar de muur te rijden. Wij blijven hardnekkig weigeren, en hebben ook weinig zin met een toeristenlokker in onderhandeling te treden. Bovendien is het maar een kwartiertje lopen, al vindt de taxi-chauffeur dat het zeker drie keer zo ver is. Zelfs in zijn taxibusje blijft hij ons achtervolgen. In het zicht van de achteruitkijkspiegel tegen de achterkant van de bus duwen is eindelijk genoeg om hem kwijt te raken.

 

Aan de voet van de muur staat een rij eettentjes, waar we vroeg lunchen. Even verderop begint een onafzienbare rij souvenirkraampjes, waar vooral de I Climbed The Great Wall t-shirts het goed doen. Boven, na de rij kraampjes slaan we rechtsaf en komen we bij een nog onafzienbaardere rij souvenirkraampjes. In de buurt van de ingang wordt een en ander afgewisseld door een rij souvenirshops, en vervolgens nog meer souvenirshops. Er valt hier behoorlijk af te dingen. We kopen een petje en twee zijden sjaaltjes, die met een hoge prijs beginnen, dan heel langzaam dalen, en vervolgens spectaculair kelderen, als duidelijk wordt dat Christa toch niet omhoog gaat.

We kopen een kaartje en gaan de muur op. In tegenstelling tot de meeste toergroepen gaan we niet rechts-, maar linksaf. Die kant is eerst wat steiler, maar ook mooier. Op de groene heuvels in de omtrek zien we de muur rondslingeren. De paar kilometer waar we nu op lopen zijn speciaal voor de gelegenheid gerestaureerd, de stukken in de omtrek zijn al flink afgebrokkeld. Sommige stukken van de muur zijn helemaal verdwenen, omdat men, met name in de hoogtijdagen van Mao, flink gestimuleerd werd om de kostbare stenen van de nutteloze muur te gebruiken om huizen te metselen. Oorspronkelijk was het ding zo’n 2400 kilometer lang, en gemiddeld een meter of zes dik. In eerste instantie was de muur gebouwd om de Mongolen tegen te houden, maar dat is toch niet helemaal gelukt. Het grootste gedeelte werd gebouw zo rond 200 voor Christus, toen de eerste keizer van Groot-China besloot om de hier en daar verspreid staande muurtjes van de koninkrijkjes waaruit China voorheen bestond, samen te voegen tot een groot geheel.

Ondertussen klauteren we flink verder en krijgen we steeds mooiere en weidsere uitzichten over de rest van de muur. In toenemende mate ook worden we lastig gevallen door ondernemende Chineesjes die ons boeken, certificaten, t-shirts en ansichtkaarten van de muur willen aansmeren. Zo af en toe lijkt het haast noodzakelijk te worden met fysiek geweld te dreigen. Uiteindelijk lopen we door tot daar waar de muur voor ons toeristen eindigt en het niet gerenoveerde gedeelte begint. Het blijkt niet mogelijk daar te komen. We eten onze lunch, genieten van het uitzicht en beginnen weer aan de afdaling. Beneden, bij de ingang, kijken we in de winkeltjes. Christa pingelt zwaar op een persoonlijke, ter plekke gegraveerde stempel ter ondertekening van een stukje calligrafie, die mooi past bij haar gister aangeschafte schrijfset.

De winkels beginnen te sluiten, dus wordt het tijd om naar huis te gaan. Bus 380 rijdt in-middels niet meer, en de mini-busjes die op de parkeerplaats klaar staan brengen volstrekt absurde prijzen in rekening. We gaan derhalve op zoek naar het treinstation. Van twee naburige taxichauffeurs worden we ook niet echt wijzer. Ze zwaaien vaag een kant op, waar we dan maar heen lopen. We hebben zelfs geen benul in welke richting we het moeten zoe-ken. Uiteindelijk besluiten we terug te lopen richting het station waar we vandaan zijn gekomen. Daar zal men ons op z’n minst toch ook moeten kunnen vertellen hoe we weer terug kunnen komen naar Beijing.

Onderweg komen we een meisje tegen dat ons de kant van het aan de andere kant van de weg gelegen fabrieksterrein opzwaait. Als we daar wat rondstruinen komt er een man op ons afgelopen. Ook hem vragen we de weg naar het station. Hij zwaait wat moeilijk alle kanten op en zegt dan dat hij ons zelf wel even wil brengen. Voor de zekerheid vragen we wat dat kost, maar die vraag wordt lachend weggewoven. Over een smal bospaadje benen wij een heuvel op. We lopen een eind pal langs de spoorlijn en komen onder een hoge brug door, waar nog druk aan gebouwd en gelast wordt en waar net op dat moment een regen van vuurspetters naar beneden komt zetten. De man duikt met zijn hoofd in zijn armen, maant ons hetzelfde te doen, en we hollen verder langs de spoorlijn. Uiteindelijk zien we in de verte een stationnetje liggen. Het schijnt dat dit ook de enige manier is om het station te bereiken, want aan wat de voorkant van het station zou moeten zijn, blijkt een bos aan de voet van een heuvel, zonder iets wat ook maar op een weg of zelfs zandpaadje lijkt. Een trein vertrekt net. We bedanken de man uitbundig en gaan in het station op onderzoek uit.

De trein die we net weg zagen gaan, bleek de vertraagde sneltrein naar Beijing. De eerstvolgende trein vertrekt pas om 19:11 uur. Dat duurt nog een paar uur. Het station ligt er verder verlaten bij. Er staan wel wat verkoopkarretjes, maar die zijn nu afgesloten en er is ook niemand in de omtrek die ons iets zou kunnen verkopen. In een hoekje van de wachtkamer blijkt een miniscuul loketje verscholen, waar nog iemand achter zit ook. We kopen twee enkeltjes Beijing, voor f 1,50 per persoon.

Intussen hebben we honger. Ons brood is al op, er is hier niets te koop, en het duurt nog wel even voordat de trein vertrekt. We trekken dus de bossen in, op zoek naar iets eetbaars. We lopen verder langs de spoorlijn in de richting van iets waar meer mensen rondlopen. Het lijkt een miniscuul dorpje. Als we nog even verder doorlopen, zien we plotseling een rij staan om eten te krijgen. Ze krijgen allemaal een flink gestoomd broodje en een kwak warm eten in hun bakje. We gaan ook in de rij staan. Wat of de broodjes kosten, vragen we als we eenmaal aan de beurt zijn. De meneer en mevrouw achter het raampje vinden het wel grappig. Een yuan, verzinnen ze ter plekke. Wij nemen allebei een broodje. Die blijken alleen uit deeg te bestaan, wat een kleine tegenvaller is. Inmiddels trekken we steeds meer bekijks. Een meneer vraagt ons of wij geen bonen willen. Wij antwoorden dat dat niet kan, omdat wij geen metalen bakje hebben. Hij holt naar achteren en komt al gauw met een grote kom aangezet. Voor 4 yuan krijgen we daarin een flinke schep tuinbonen met spek en hier en daar zelfs een miniscuul stukje vlees.

Niet lang daarna komen de verkopers met een klein opklapstoeltje en tafeltje aangezet. Het wordt nog comfortabel. De verkopers komen ons, voor weer een yuan, nog een extra broodje brengen, en van mevrouw nog een kwak tuinbonen. Dat kost niks. Blijkbaar vindt ze dat ze ons inmiddels wel genoeg afgeperst hebben. En zo zitten wij in de open lucht, met uitzicht op de muur, voor f 1,75 ons diner te genieten. Met de trein komen we terug naar Beijing.


Maandag 6 oktober 1997


Onze laatste volledige dag in China. Hoog tijd dus om onze kaartjes te schrijven. Daarna, en na het ontbijt, trekken we weer de stad in op weg naar de  Verboden Stad. Dat was het onderkomen van de keizer van China, van de middeleeuwen tot de omverwerping van het keizerrijk, begin deze eeuw. Gedurende 500 jaar was het complex dan ook streng verboden gebied voor iedereen die er niets te maken had. Eerst eten we nog een ijsje, op het TianAn Men. Naarmate we de ingang van de Stad naderen, worden door steeds meer straatverkopers belaagd, die ons fraaie ansichten en boeken tegen vriendenprijsjes aanbieden. Op een gegeven moment vindt Marco het welletjes, graait zijn gister bij de muur gekochte petje van zijn hoofd, begint die uitgebreid aan te prijzen, en aan de verkoper aan te bieden voor het absolute vriendenprijsje van 40 yuan. De straatverkoper blijft verbouwereerd achter.

Bij de ingang kopen we een kaartje en huren we een walkman met bandje waarop Roger Moore ons hoogstpersoonlijk uitlegt hoe het allemaal in elkaar zit. Hij vertelt ons dat de stad op geheel Yin en Yang verantwoorde wijze is opgezet, met de grote pompeuze gebouwen aan de zuidkant en de fijnere, kleinere en gedetailleerdere dingen aan de noordkant.

De hele stad is opgetrokken uit hout dat rood geschilderd is, en voorzien van gele daken. Vlak na de ingang zijn er vijf bruggen, waar alleen de keizer over de middelste brug de stad in mocht. Die middelste brug leidt ook over de Keizerlijke Weg, een weg die langs en door alle belangrijke gebouwen over de middenas van het comples leidt en, inderdaad, alleen voor de keizer toegankelijk was. Aan weerszijden waren nog behoorlijke woonwijken opgetrokken voor het gewonere volk. Wij bewonderen de troon van de keizer. Veel Chinezen willen weer graag met ons op de foto. Wij besteden ons laatste kiekje aan een passend uitgedost Chinees jongetje dat over de schouder van zijn militaire papa de vele indrukken verwerkt.

We hebben nog net tijd om wat laatste dingen in Beijing te regelen. We nemen een taxi en vragen die naar de zijde-markt te rijden, waar Christa nog wat bloesjes op de kop wil tikken. Het gaat tergend langzaam. Het is spitsuur in Beijing. We moeten onze ansichten ook nog posten, op het postkantoor vlakbij de zijdemarkt, en laten ons uiteindelijk daar eerst maar heenrijden. Anders is-ie straks dicht. De taxichauffeur begrijpt er nog maar weinig van. Het postkantoor is licht verwarrend. Het blijkt dat we niet zelf onze postzegels op de kaarten hoeven te plakken, maar dat weet de mevrouw achter de balie pas later duidelijk te maken. Als we in de rij staan en blijkt dat we niet precies weten wat we willen, schuift er zo’n irritant Chineesje tussendoor die vindt dat hij zijn pakje wel eerst mag afleveren. Hij wordt door Marco op weinig subtiele wijze tegen de balie geplet. Chinezen zijn niet erg goed in het ordentelijk in de rij staan en hun beurt afwachten. Bij elk loketje in het land zie je wel Chinezen zich verdringen voor het raampje, terwijl de mensen daarachter op alle mogelijke manieren proberen er tussen te komen.

Eindelijk kunnen we naar de zijdemarkt. De duisternis begint al in te vallen, en de mevrouw bij het kraampje moet een lamp er bij halen om de kleurtjes zichtbaar te maken. Door Christa wordt opnieuw flink gepingeld. Vooral als blijkt dat we interesse hebben in meerdere exemplaren, valt er over de prijs wel te praten. De kleuren die buiten hangen komen niet altijd overeen met de exemplaren die in het kraampje opgeslagen liggen, maar uiteindelijk worden we het toch eens.

De markt begint te sluiten. Vlot banen we een weg naar het begin van de markt waar we gelukkig toch nog, zoals Marco als vurig hopen, worden aangesproken door Chinezen die op samenzweerderige toon informeren of we interesse hebben in muziek-CD’s dan wel CD ROMs. Marco knikt gretig. We worden meegenomen naar een bushalte waar nog licht is en waar we discreet uit het zicht staan. Uit zijn jas haalt de man een flink pak CD’s in plastic zakjes met keurig nagemaakt hoesje. Marco flapt er vlotjes doorheen. De man blijkt nog een paar van dergelijke pakken te hebben, ook met CD ROMs. Een andere meneer en mevrouw met verse koopwaar zijn inmiddels ook meegekomen. Marco koopt een paar CD ROMs voor een paar gulden per stuk.

Bij een verrassend leuk, goed en zelfs betaalbaar restaurant in de buurt van de markt gebruiken wij ons laatste avondmaal. Dan keren we ook al voor de laatste keer terug naar het LiHua Hotel, dat overigens een uitermate koddige manier heeft om zich zelf in het Engels aan te prijzen.


Dinsdag 7 oktober 1997


Ons vertrek. We ontbijten en pakken in. Christa slaagt er, een uur voor vetrek, nog net in haar enkel te verstuiken, als ze in haar eentje op pad is naar de naburige supermarkt om een wok te kopen. Strompelend vervolgt ze haar weg, maar later gaat het alweer beter. Met de wok en al onze andere bagage nemen we een taxibusje die ons naar het vliegveld brengt. Daar blijkt het lopen toch moeizaam te gaan. We bereiken de gate en betalen onze luchthavenbelasting. In het vliegveld krijgt Christa van de stewardess een flinke doek met ijs, die regelmatig ververst daar een uur of negen tegen haar enkel blijft. Dat was heel verstandig, zegt de dokter de volgende dag.