We worden afgezet en moeten twee keer zo veel betalen als de Chinezen, 22 yuan per persoon. Protesteren helpt niet. Later horen we dat we nog van geluk mogen spreken, want er zijn ook buitenlanders die 150 yuan in rekening is gebracht. Voordat we goed en wel Lanzhou uit zijn, zijn we al weer een uur verder. Een wegversmalling van drie banen naar één leidt tot een hevige file.
Onderweg is het verder reuze gezellig. De uitzichten zijn weer fraai, en soortgelijk aan die we uit de trein zagen. Een vrouw die in het gangpad zit krijgt lichte braakneigingen. Snel stopt de conducteur haar wat plastic boterhamzakjes toe. Die worden keurig gevuld. Even later mag de mevrouw bij het raam zitten. Ze legt een knoop in haar zakje en gooit hem resoluut het raam uit. Half uit het raam hangend zet ze haar werkzaamheden voort.
Toch nog onverwacht arriveren we om kwart over vier in Linxia, ooit een belangrijk knooppunt op de zijderoute, maar nu een beetje slaperig moslimstadje. Je stapt er wel een heel andere wereld in. Bijna alle mannen dragen hier zo'n wit petje. Een aantal vrouwen draagt een hoofddoek. In verschillende winkels zijn tapijten te koop.
We gaan op zoek naar een slaapplaats en komen uit bij het Linxia hotel. Zoals bij meer hotels in China hangen bij de receptie foto's van de verschillende soorten kamers, met daarbij de prijzen. Een tweepersoons kamer met bad staat aangekondigd voor 72 yuan. Het is een adequate kamer. Voor Chinese begrippen behoorlijk schoon haast zelfs. Volgens de staf kost de kamer echter72 per persoon, in plaats van voor de hele kamer. Tegenvaller. Gelukkig zijn er nog meer kamers. Nogal Spartaanse bedden op dito tweepersoonskamers doen 21 yuan. Dan die maar. Bij de receptie blijken die ineens 42. Resoluut staan we op om onze rugzakken weer van de kamer te halen. De receptioniste geeft op. Plotseling mogen we toch de luxe kamer voor 72. Gerechtigheid.
In de grote winkelstraat alhier koopt Christa een aardig theeservies voor een gulden of vijf. We zien opvallend veel kindertjes op straat. De regel dat men niet meer dan één kind mag hebben geldt niet voor minderheden. We eten in een restaurant met alleen grote ronde tafels, en krijgen al snel gezelschap van een moeder met dochter. Ze maken een praatje lepelen hun soep weg en zijn ook al weer verdwenen. Wat later komen drie andere Chinezen bij ons aan tafel. Ze lepelen hun soep weg en zijn weer verdwenen. Chinezen houden niet zo van natafelen. Ook schijnen ze een nog al nauw gedefinieerde etenstijd te hebben. Even voor zessen, als we het restaurant binnenkomen, zijn we praktisch de eersten. Vervolgens stroomt het restaurant vol, en om een uur of zeven is het al weer leeg.
In het hotel is het nogal rumoerig. Even na tienen nemen we maar eens polshoogte, en onze vermoedens worden bewaarheid. In een stemmig zaaltje met kleine tafeltjes, dansvloer en videoscherm is een Kalaoke gaande. Karaoke is overgewaaid uit Japan en door de Chinezen verbasterd tot twee karakters die uitgesproken worden als "kala", gevolgd door het Engelse "OK". Maar dit terzijde. De ongeveer 15 aanwezigen zijn zeer verguld met het bezoek van twee buitenlanders, en er wordt ons de rest van de avond nog weinig rust gegund. In onze schaarse pauzes hebben we ternauwernood tijd om aan onze blikjes amandelsap en tropische vruchtensap te nippen. Christa mag zelfs nog een liedje zingen, maar de karakters vliegen toch iets te vlot voorbij. Tegen twaalven gaan we weer naar boven.
Om 12 uur verlaten we de stad en slingeren we door dorpjes en over het platteland een weg naar boven. Op het land wordt druk gewerkt. Een paard of ezel om de ploeg te trekken is hier nog een luxe. Hier en daar gebeurt het met de hand. Op grote doeken ligt mais en andere gewassen te drogen. Hier en daar zwerft een kudde schapen rond. In de dorpjes zien we zo af en toe een levend schaap geslacht worden.
We klimmen tot 2800 meter hoogte, waar we om drie uur aankomen in Xiahe (spreek uit Sjagge), thuis van het een op na grootste Tibetaanse klooster. Marco's paarsrode sweater trekt onmiddellijk de aandacht van drie monniken op het busstation, die traditiegetrouw in dezelfde kleuren gekleed gaan. Xiahe is een van de belangrijkste toeristische attracties van China, en dat is te merken. Direct na aankomst worden we bedolven onder de fietstaxichauffeurs die ons naar elk gewenst hotel willen brengen. Gratis zelfs, beweren ze. Sommigen zijn wel erg vasthoudend. Wij weigeren steeds onbeleefder.
Het eerste hotel dat we tegenkomen is het Friendship Hotel. Dat kost 80 yuan en ziet er acceptabel uit, dus blijven we maar. Het is hier wel stervenskoud, met nachtvorst en een tochtige kamer. De warme kraan doet het momenteel niet.
We lopen de hoofdstraat van Xiahe af. Er lopen hier veel Tibetaanse monniken, gewikkeld in paarse en rode doeken. Monniken hoeven hier niet met een vroom gezicht rond te lopen. Sommigen roepen net zo hard hello, anderen zitten achter elkaar aan te vangen en weer anderen zijn aan het voetballen met een lege Sprite-fles. Maar er lopen hier nog veel meer culturen rond. We beginnen in het moslimdeel van de stad, waar de mensen en kleren lijken op die van Linxia. Maar we zien tot onze verbazing ook vrouwen met gekleurde rokken, twee vlechten en een bolhoedje die er uitzien alsof ze rechtstreeks uit Bolivia komen. En mannen in groene kleding, die er ook al uitzien alsof ze uit Bolivia komen, maar dan van de Quechua, een andere indianenstam. In de buurt van ons hotel zijn een aantal restaurants die op grote borden in een koddig spatieloos Engels laten weten dat vriendenvanuitdehelewereldwelkomzijntegenietenvantibetaansespecialiteitenmaarookvanchineseenwestersekeukenerglekkertegenredelijkeprijzenenalsuechtwiltkuntunogfietsenhurenook, soms eindigend in steeds kleinere lettertjes omdat het bordje bijna vol is.
Na het moslimdeel van de stad komen we in het Tibetaanse deel, waar het klooster is gevestigd. Alle huizen zijn hoog ommuurd, zodat daar vanaf de straat minder van te zien valt. We dwalen linksaf de wijk in en zien in de verte de gouden top van een pagode. Aan de buitenmuur van de stad hangt een eindeloze rij gebedsmolens, rijk beschilderde hoge ronde dingen die rond kunnen draaien en waar veel monniken en pelgrims langslopen, een slinger gevend aan alle molens. Het schijnt symbool te staan voor het Wiel des Levens, en als je maar lang genoeg blijft slingeren krijg je een langer leven. De molens hier maken deel uit van een pelgrimsroute van drie kilometer, om het klooster heen.
Voorbij die route komen we weer in een normaal bewoond gedeelte van de stad, waar we rondzwerven in de straatjes De kindertjes hier zijn al net zo nieuwsgierig als dat vaak voor volwassen Chinezen geldt. Als Christa even in haar Lonely Planet kijkt, wordt ze bestormd door drie kleine meisjes die enthousiast "Can! Can!" (kijken) roepen. Binnen de kortste keren staan een stuk of tien kindertjes met hun neus in het boek. Marco pakt zijn fototoestel en word zo het volgende slachtoffer. De eerste drie meisjes komen op hem afgerend "Can! Can!". Met de camera buiten handbereik mogen ze even door de zoeker kijken en zijn ze weer rustig. Totdat ze de fotorolletjes zien. "Can! Can!". Marco toont ze boven hun hoofd.
Bij een kraampje kopen we wat peertjes kopen. Dan gaan we wat eten in een van de restaurants op het rijtje. Door een vriendelijke, Engels-sprekende meneer worden we ontvangen. Hij komt hier vandaan, dus we kunnen hem gerust alles vragen. De thee is hier uitermate interessant. Er drijft nogal wat in. Een vijg, een flinke homp suiker en een lychee, al ziet die er meer uit als het eerste kievitsei.
Een Engelstalige menukaart komt tevoorschijn. Wij willen wel iets Tibetaans, en vragen onze gastheer om raad. Waar Xiahe met name om beroemd is, vertelt hij met enige trots, is zijn kip. Chinezen komen hier van heinde en verre, in eerste instantie voor het klooster, maar in tweede instantie voor de Lokale Kip. De Lokale Kip is overheerlijk en komt compleet met groente. Wij vinden het prima. Lamakomen, die kip. Verder hoeven wij er geen gerechten bij?, vraagt hij nog. Dat lijkt ons toch niet. Een hele kip is meer dan voldoende.
Even later is de gastheer er weer. The Chicken Is Coming, verklaart hij plechtig. En zie, daar komt de ober met een schaal vol kip. En als ze hier een hele kip zeggen, dan bedoelen ze ook een hele kip. Zielig op haar rug, met het koppie scheef en de rest van het lichaam kuis bedekt met een gebakken ei, staart ze ons aan. Alleen de voetjes komen er nog onder uit. De kip ziet er uit als een die in een tekenfilm rugwaarts in een afgrond is gekwakt, nog gevolgd door haar eitje. Onwillekeurig moeten wij denken aan de Zweedse kok van de Muppet-show.
En een verrekte magere kip is het ook. Onder het eitje blijkt toch een stuk minder te vinden dan wij verwachtten. En als er al ergens vlees is, dan is dat volkomen kapot gefrituurd. Zoals de hele kip. En het ei ook, dat daardoor buitengewoon onsmakelijk is. Verder vangen wij met name bot. De groente blijkt te bestaan uit koude spinazie gedrenkt in yak-boter. We bestellen nog maar twee bordjes noedels. Krijgen we toch nog iets binnen.
Het toetje, yoghurt met honing is overheerlijk. De totale schade bedraagt 90 yuan. Het valt ons op dat hoe duurder het eten, des te smeriger het is. Op tijd zijn we weer terug in het hotel. Daar is het bitter koud.
Rond half negen wordt er geklopt. Er is warm water!, wordt enthousiast gemeld. Dankbaar gaan we naar de badkamer. Het blijkt niet mogelijk de waterleiding er van te overtuigen het warme water via de douche, en niet via de badkraan te laten lopen. We nemen dus maar een loeiheet bad, waarbij de Odorex fungeert als badstop. We laten het bad vol heet water staan in een ijdele poging de kamer nog wat te verwarmen. Flink ingepakt gaan we slapen.
Vandaag gaan we naar het klooster. Om half elf zijn we er al, maar we moeten eerst een tijd wachten op meer mense om een toergroep compleet te maken. Je mag namelijk alleen met een gids naar binnen. Tegen elven komen er meer buitenlanders, een groepje bestaand uit, zoals later zal blijken, 1 Engelsman, 2 Australiërs, en 2 Nederlanders. We worden rondgeleid door een vrije jonge monnik die alleen Chinees spreekt, wat weinig informatief is.
We beginnen in een klein gebouwtje dat stikvol hangt met kleden en een met goud afgezette Buddha. In een volgend zaaltje zijn wat culturele uitspattingen van de monniken onder gebracht. We zien een horizontaal zandschilderij, gemaakt van gekleurd zand. De kleurtjes zijn ook apart opgesteld. In de hoek hangt een plattegrond van de stad. Aan de andere kant een kleurig wandkleed met een grote Buddha die je aan blijft kijken als je er langs loopt. In een volgende, vrij donkere opslagruimte staan grote maskers en nog een aantal attributen die bij optochten gebruikt worden.
Verreweg het meest indrukwekkend is een bezoek aan de gebedsruimte. In een grote, kerkachtige ruimte, zitten in lange rijen op kussens honderden monniken te bidden en mediteren. Dat doen ze door ontstellend laag voor zich uit te wauwelen, wat een indrukwekkende sfeer oplevert. Langs de zijkanten van de ruimte staat een aantal grote beelden, afgewerkt met bladgoud. Aan de uiteinden liggen, als in een grote letterkast met honderden houten vakjes, met stof afgewerkte boeken. In een zijzaaltje staan een aantal met overtollig goud afgewerkte doodskisten. In de volgende zijzaal staat een gigantisch gouden Buddhabeeld aan weerszijden geflankeers door vier identieke staande gouden beelden, die via hun handen met een lange sjaal met elkaar verbonden zijn. Van een monnik die aan de kant zit, krijgt een pelgrim vocht in zijn handen geschonken, dat hij deels opdrinkt en deels in zijn haren strijkt. Christa kijkt gebiologeerd toe, wordt door de monnik gewenkt en krijgt ook wat water in haar handen.
Om precies 12 uur, als het klooster officieel voor toeristen sluit, is onze rondleiding ook ten einde. Dat heeft onze monnik mooi uitgekiend. Wij weten de monnik af te schudden en blijven rondhangen bij de gebedsruimte. We raken aan de praat met de twee Nederlanders uit onze groep. Ze komen uit Den Haag, werken bij de overheid, zijn van onze leeftijd en hebben allebei een jaar onbetaald verlof genomen. Dat jaar is bijna afgelopen. In die tijd hebben ze gereisd vanaf Turkije, via Iran, door heel Zuidoost-Azië, inclusief Philipijnen. Vanaf Beijing gaan ze per trein naar Moskou, en daar vliegen ze terug naar Nederland.
Een grote groep monniken stroomt uit de gebedsruimte en verspreid zich over de woongedeelten van het dorp. Even later zien we dat zich op de trappen van het gebouw achter de gebedsruimte een groep monniken in rode capes verzamelt. Plotseling laten ze allemaal hun schoenen en laarzen achter en stromen naar binnen. Niet veel later holt een jonge monnik weer naar buiten, naar een zijkamertje om daar een grote kan met een of andere vloeistof te halen. Een stuk of tien andere jonge monniken volgen hem.
We lopen wat verder en zien een aantal monniken in de weer met een paar grote toeters. De dingen worden uitgeschoven en blijken een paar meter lang te zijn. Ze klinken als een scheepshoorn. Twee andere monniken hebben een kleine jachthoorn. Geïntrigeerd kijken wij toe, en Christa raakt met een paar monniken aan de praat. Natuurlijk willen ze weten waar we vandaan komen en waar Nederland ligt, zodat onze Chinese mini-atlas uitkomt biedt. Het is best wel moeilijk zo'n toeter te bespelen, vertelt de monnik. Met de muziekgroep oefenen ze twee keer per dag, en er zijn ook dansers bij. Marco is inmiddels een eindje verderop gelopen, waar een flinke groep jolige monniken de scheepshoorns beantwoordt met een collectief gehuil, ondertussen hun armen boven hun hoofd van de ene naar de andere kant bewegend. Een soort Tibetaanse Wave.
Op een binnenplaatsje even verderop stellen de vier scheepshoorns en twee jachthoorns zich op. In een andere hoek staat de drumband paraat, een man of tien met heuse Tibetaanse klankschalen, een soort bekkens maar dan met een bolhoedje in het midden. Tien tot vijtien andere monniken hebben zich in een circel opgesteld. De toeters enn drumband beginnen ritmisch te spelen, waarbij de drumband tegelijkertijd weer het extreem lage gemurmel laat horen. De andere monniken laten Tibetaanse dansen zien, die vooral bestaan uit veel armgezwaai. We zijn de enige toeristen die het schouwspel gadeslaan.
Het begint zachtjes te regenen. We kijken nog even toe en lopen verder. Toiletvoorzieningen zijn ruimschoots voorhanden. Zowel aan de heren als aan de dameskant zijn ongeveer 85 met tegeltjes afgezette cellen van een meter hoog, met een gat in de grond. We lopen rond in het monnikdorp, met saaie uit een stuk opgetrokken huizen waar een gegraven sloot voorlangs loopt. Er zijn veel jonge monniken, sommigen zelfs nog kleine jongetjes. Totaal zijn hier ergens tussen de 1000 en 2000 monniken. Daarover lopen de bronnen nogal uiteen.
Tegen drieeën gaan we een klein restaurantje binnen, niet ver van de ingang van het klooster. Eten kan vandaag niet, laat de eigenaar weten, maar we kunnen wel een kopje thee drinken. Dat was ook precies de bedoeling. We nemen en groene thee, zo eentje die eindeloos gratis wordt bijgevuld, en proberen de typisch Tibetaanse yakboterthee, die minder smerig is dan hij op het eerste gezicht blijkt. Wegens groot succes doen we er nog twee yoghurt met honing bij.
Er loopt een zwerversachtig type binnen, met rode muts en grote baard, teleurgesteld dat de keuken dicht is. Wij bevelen de yoghurt aan. De man vraagt waar wij vandaan komen, en reageert verheugd. Het blijkt een Limburger, Johan Rongen, uit Leunen bij Venray. Hij is al 23 jaar op reis, waarvan de laatste 4 jaar permanent. In Nederland was hij timmerman en freelance fotograaf. In 1974, toen hij op de filmacademie zat, had hij overal genoeg van, en besloot te gaan reizen. Daarna kwam hij nog regelmatig terug naar Nederland en hield op scholen lezingen over zijn reizen. Vier jaar geleden besloot hij definitief te vertrekken, en hij denkt niet nog terug te gaan naar Nederland. De afgelopen tijd heeft hij twee keer een jaar in Nieuw-Zeeland gewoond, een jaar in Australië, en een half jaar in Beijing. Nu wil hij terug naar de natuur, en een pelgrimstocht maken naar Lhasa, de hoofdstad van Tibet. Johan is een levensgenieter, zegt hij, maakt van elke dag een feestdag, en gaat waar zijn hart hem ingeeft.
We praten een paar uur met Johan, dan is het tijd om te gaan eten. De ober adviseert het Labrang restaurant, schuin tegenover deze. Daar blijkt onze toergroep van vanochtend ook al te zitten, gezellig op stoeltjes rond de stoof. Er zijn nog wat Nederlanders, die we nog niet gezien hebben, en een Israeliër, die alleen reist. Op krukjes krijgen we onze bestelling opgediend. We beginnen met een tsampa, een Tibetaans gerecht, dat neerkomt op een soort volkorenbrooddeeg met noten. Ook bestellen we een paar momo's, de Tibetaanse versie van wat Chinezen baotze noemen, een soort broodje bapao, maar dan kleiner, en gevuld met groente. We sluiten af met een schaap- en een varkengerecht, en yoghurt met honing na. Johan heeft een flinke zak doppinda's meegenomen. Hij blijkt ook disc-jockey geweest te zijn, en thuis 1760 LP's en 1000 singles te hebben achtergelaten. Marco en hij nemen zingend de popgeschiedenis door.
Tegen elven gaan we naar ons hotel. Het is daar, zoals gebruikelijk, bitter koud. En het warm water is ook al weer op.
De attributen voor processies en andere feestelijkheden in het volgende zaaltje, blijken geheel gemaakt van yak-boter, of eigenlijk gewoon koeieboter, want yaks zijn per definitie mannelijk, dus daar komt weinig boter uit. In de gebedsruimte is het vandaag opmerkelijk rustig. De monniken blijken een rustdag te hebben. Dat hebben ze zo eens in de paar maanden. Geen ceremonies dus. Het klooster is nu toe aan zijn zesde leider. De vijf doodskisten in een zijzaal van de gebedsruimte blijken toe te behoren aan de 5 vorige leiders. Sommigen zijn gecremeerd, anderen liggen opgebaard. Aan de zijkant van de gebedsruimte staan zes gouden beelden van alle leiders.
In 1985 was er een grote brand in deze ruimte. De elektriciteit was een beetje verkeerd aangesloten, en dat veroorzaakte kortsluiting. Daarvoor was het hele klooster gedurende de culturele revolutie natuurlijk al grotendeels verwoest.
Het klooster herbergt 6 colleges. De belangrijkste daarvan, Filosofie en Religie, onderwijst hier in de gebedsruimte. Er worden drie verschillende graden uitgedeeld. De hoogste is vergelijkbaar met een post-doc. Die opleiding duurt totaal 15 jaar. Als je hem hebt, mag je onderwijzen op andere kloosters.
De pagode waar we de eerste dag al hebben rondgelopen, blijkt te behoren tot de drie beroemdste ter wereld. De andere twee staan in Nepal en India. We kunnen hem ook beklimmen, wordt ons verteld. Dat doen we dus maar. Het ding bestaat uit een aantal etages waar je naar binnen kunt kijken. Binnen staan weer veel met goud afgezette Buddhas en boeken, die er zo van buiten uit zien als lapjes stof. We kunnen omhoog tot aan de gouden spits, versierd met Buddhas. We hebben een fraai uitzicht over het klooster en de stad.
In een van de winkeltjes bij het open veldje in de hoofdstraat, kopen we een halve kilo snoepjes voor Marco's keel. Het is dan half vijf. We gaan naar het restaurantje waar we gister ook begonnen zijn. Daar zit Johan weer, nu met een Tibetaanse reisleider die werkt voor het Labrang hotel, het meest luxe van het dorp, waar ook alle georganiseerde reizen verblijven. Er komen hier zo'n 4000 toeristen op een groepsreis per jaar, weet hij ons te vertellen. Dat valt ons nog mee. Volgens de geruchten zijn hier momenteel drie Nederlandse groepen.
In een aantal etappes gebruiken wij het avondeten. We beginnen met een zoetzure soep die wel heel erg sterk is. Gelukkig is er altijd onbeperkt warm water voorhanden. Ze hanteren hier wel behoorlijke porties trouwens. Wat later nemen wij opnieuw een Tibetaanse specialiteit, een rijst met warme aardappel, boter en suiker. De aardappelen zijn wel verrekte klein, van besjesformaat, zodat het geheel wel verdacht veel wegheeft van rijst met basterdsuiker en een klontje boter.
De gids neemt afscheid. Met z'n drieën laten we nog wat eten aanrukken, zoals een overheerlijke eggplant in sojasaus, geroosterde pinda's en gebakken rijst met ei. Met Johan nemen we het Nederlandse nieuws en sport van de afgelopen vier jaar door, al blijkt hij opmerkelijk goed op de hoogte van de toestand in de wereld. Om half elf gaan we terug naar ons hotel. Het lijkt inmiddels nog kouder dan de afgelopen dagen. Thuis is het warm water al weer op. Wij trekken onze vijf lagen kleding uit, doen twee nieuwe lagen aan, en gaan slapen.
Voor het eerst zitten we in een groot-formaat--lange-afstandsbus. Maar daar is alles ook wel mee gezegd. Het ding valt van ellende uit elkaar. Hier valt zelfs voor een doorgewinterde voetbalsupporter nog maar weinig eer aan te behalen. Het belangrijkste constructiemateriaal is plakband. Het hele dak wordt aan elkaar gehouden door plakband, de zittingen, of wat daar nog van over is, wordt door plakband voor een definitief uiteenvallen behoed, en zelfs de achterruit hangt van plakband aan elkaar. Dat laatste blijkt trouwens niet zo effectief. Niet lang na vertrek verliezen we een flink stuk van het raam. En het is al zo koud, Het restant begint ook vervaarlijk te kraken en naar binnen te zwiepen. En het is al zo koud. Met twee tandenstokers slagen we er in te voorkomen dat het raam naast ons voortdurend openklappert.
Erg druk is de bus nog niet we starten met een man of tien, vijftien, waarvan 6 buitenlandse toeristen, waaronder onze Autraliërs. Het eerste stuk rijden we dan ook vlot door. Naarmate we lager komen en het later wordt, wordt de temperatuur ook aangenamer. Tegen tienen houden we de eerste serieuze stop, van een minuut of tien, in een klein dorpje langs de doorgaande weg. De plaatselijke kindertjes lopen uit en zwaaien ons weer vriendelijk gedag.
Ondertussen gaat Marco zich steeds beter voelen. Met Christa gaat het steeds minder. Ze wordt misselijk, krijgt hoofdpijn en hangt permanent uit het raam. In Linxia gaat het helemaal mis. Gelukkig hebben we een flinke voorraad plastic zakjes bij ons, die we, naar voorbeeld van de mevrouw op de heenweg, na gebruik met een zwierig gebaar uit het raam gooien. Dat lucht op, maar al snel gaat ze zich weer minder voelen.
Om half drie komen we aan in Lanzhou. Vlak voor de stad tanken we, en doen een plas. Christa kan nog amper op haar benen staan. Vanaf het busstation nemen we een taxi naar het hotel waar we al eerder overnacht hebben. We checken in en Christa gaat slapen. Met een paar onderbrekingen houdt ze dat 17 uur vol.
Tegen zessen krijgt Marco honger en trekt er op uit. Via wat omwegen komt hij uit in een straatje met eetstalletjes bij het station. Even verderop is daar een hotel, dat niet in de Lonely Planet staat, met restaurant. Blijkbaar is men hier niet gewend aan buitenlanders. De eigenaresse doet enthousiast de deur open en zes aan een tafel zittende serveersters kijken giechelend toe. Marco prikt twee gerechten die allebei 10 yuan kosten. Dat blijkt een succes, al is het allebei rundvlees met stukjes aardappel: de ene met iets van curry, de andere wat pikanter.
Om een uur of negen laten we Christa nog even uit. Verder dan de trappen van het hotel komt ze niet. Daar eet ze een broodje en drinkt ze een flesje water. Daarna slaapt ze weer rustig verder.
We lunchen in het restaurant, waar Marco gister heeft gedineerd. De euforie is weer groot. We scoren nu zelfs 10 giechelende serveerstertjes. Christa neemt een bakje groente. Marco prikt weer iets op de kaart en wordt opgezadeld met een behoorlijk hete, vloeibare drab met rundvlees en veel groente.
We kuieren de stad in, en bellen naar Nederland bij een van de privaat geopereerde telefoons. We gebruiken daarvoor Marco's scope-card, en gebruiken dus een nummer in China dat gratis is. Dat levert nogal eens problemen op voor de telefoonuitbaters, want die kennen dat nummer niet, en weten dus niet wat ze in rekening moeten brengen. De man in Baotou rekende 10 yuan. Hier wordt er behoorlijk zenuwachtig gedaan door twee mevrouwen als we het nummer gedraaid hebben. Uit de Lonely Planet weten we het Chinees voor "collect call" te halen. Dat geeft enige rust, maar ze weten het nog steeds niet. De informatielijn wordt gebeld. Uiteindelijk wordt besloten dat het 3 yuan kost, want we hebben 3 minuten gebeld.
Ook bij het postkantoor van Lanzhou verkopen ze geen ansichtkaarten. Die hebben we hier nog nergens gezien. Wel is er buiten een flinke postzegelmarkt, waar handelaren met hun albumpjes zij aan zij zitten. Vooral de herdenkingszegels, -mapjes en -enveloppen ter gelegenheid van de overdracht van Hongkong zijn populair.
We keutelen door naar het Het-Oosten-Is-Rood-Plein en gaan daar weer zitten. Marco's palmtop trekt weer een kleine menigte. Via wat achterafstraatjes proberen we weer terug te komen bij ons hotel. Dat valt niet mee, want die dingen hebben nogal de vervelende gewoonte om dood te lopen. Op het terrasje voor ons hotel treffen we vier oude bekenden: de twee Australiërs en twee meisjes uit Amsterdam, die we ook in Xiahe al gezien hadden. Zij zijn op Moskou gevlogen en vervolgens met de Trans-Siberië-express doorgereisd.
We pikken onze bagage weer op, en slaan nog wat proviand in. Volgens onze kaartjes liggen we in twee cabines, maar de conductrice organiseert dat we in één komen door twee Chinezn uit een cabine te verwijderen. Een van de privileges van de soft sleeper waarschijnlijk. In de soft sleeper mag je in aparte cabines, die af te sluiten zijn. Er gaan vier bedden in zo'n cabine, twee boven elkaar, die inderdaad lekker zacht zijn. Op de onderste etage hangt ook achter je rug nog een zacht matrasje. Voor het raam hangen schattige gordijntjes, op de vloer ligt een tapijtje, iedereen krijgt z'n eigen slippers, boven de deur is ruime bagageruimte, er hangt een grote spiegel, er klinkteen stemmig muziekje en, toppunt van luxe, op de WC is een toiletpot. Van de conductrice krijgen we een zakdoek met de treintijden heen en terug. Wij slapen aangenaam.
Op het station worden we dit keer belaagd door dames en heren die ons een hotel willen aansmeren. We worden meegenomen door vrouwtje dat beweert dat ze ons tegenover het station, kan onderbrengen in een hotel voor 80 yuan. Dat blijken er 240 te zijn. Daar worden we weer overgenomen door een mannetje dat beweert ons onder te kunnen brengen voor 138, met badkamer en airconditioning, ook vlakbij het station. Dat blijkt te kloppen. We nemen de kamer in hotel Sheng De. Vervolgens begint het mannetje over een tour. Hij kan voor ons een West-tour en een Oost-tour regelen, in een Chinese groep tegen dito prijzen. Dat klinkt aantrekkelijk, vooral de West-tour, want dat is niet te doen met het openbaar vervoer. We regelen de tour voor morgen, voor 50 yuan per persoon, vertrek om tien over zeven stipt, voor het hotel.
We douchen en doen een wasje. Na tienen gaan we weer de straat op, op zoek naar een bus die ons naar het terracotta leger kan brengen, de belangrijkste attractie van Xian en ook een van de belangrijksten van China. Bus 306 gaat er heen, en doet er een dik uur over. Hij zit net vol als wij instappen. Dat wordt dus staan. De jongen voor Marco begint een gesprek in vrij moeilijk Engels. Hij studeert, maar ze zijn nu een weekje vrij in verband met 1 oktober, de nationale feestdag. De jongen blijkt economie te studeren en zit in zijn tweede jaar, van de drie. Ze blijken hier een Chinese vertaling van Samuelson te gebruiken. De jongen is erg enthousiast te horen dat Marco economie doceert. Hij krijgt Marco's adres.
Ergens in de derde eeuw voor Christus was keizer Qin Shihuang de eerste die er in slaagde van China één rijk te maken, door de vijf koninkrijkjes waar het toen uit bestond allemaal te veroveren en samen te voegen. Hij had dan ook wel een fatsoenlijk graf verdiend vond hij zelf en liet dus, zo weet men al 2000 jaar lang, een gigantische tombe voor zichzelf bouwen, waar nu trouwens nog maar weinig van over is. Precies 2181 jaar na 's mans dood, in 1974, besloten twee boeren, 1500 meter ten oosten van het graf, een put te graven. Plots stuitten zij op een onderaardse gang en wat beeldjes. Uiteindelijk bleek er onder de grond een compleet leger van 6000 terracotta soldaten, op ware grootte en in volledige krijgsopsteling, waarschijnlijk bedoeld om het graf van de keizer te beschermen. Elke soldaat is tot in de kleinste details gebeeldhouwd en ze zijn stuk voor stuk verschillend. Het leger bestaat ook nog eens uit 34 paarden, krijgswagens en een groot aantal wapens. De boertjes bleken verantwoordelijk voor de belangrijkste archeologische vondst van deze eeuw. Twee jaar later werden nog eens twee andere legereenheden gevonden, en men sluit niet uit dat het eigenlijke leger nog stukken groter is.
Bij het terracotta leger stikt het van de souvenirwinkels. En de toeristen natuurlijk, al blijken dat voor het overgrote deel wel Chinezen zelf te zijn. Het is even zoeken naar de ingang. Als we die vinden blijkt een bezoek aan het leger inmiddels 80 yuan te kosten.
We worden een soort van veehal ingehald waar beneden, op veilige afstand van het publiek, het leger staat opgesteld. Het is een imposant geheel, vooral ook omdat het er zo veel zijn. Vooraan staan drie rijen. Daarachter staat de rest van het leger, steeds drie aan drie, met ertussen telkens een paar meter aarde. Vlak achter de eerste soldaten staan steeds drie paarden, met daarachter een ruimte waar vroeger houten strijdwagens stonden, maar die zijn inmiddels weggerot. Aan de houding van de soldaten is te zien dat ze oorspronkelijk een wapen droegen. Die wapens zijn er nog steeds, in erg goede staat zelfs, maar die zijn inmiddels verhuist naar het museum.
Langs de buitenkant kun je rond het leger lopen, althans, langs het gedeelte dat tot nu toe is opgegraven, wat eigenlijk niet eens zo'n groot gedeelte is van het totale oppervlakte van 60 bij 220 meter. Men heeft nog wel enkele decennia nodig om alles fatsoenlijk uit te graven. Aan de zijkant zijn de afzonderlijke soldaten nog wat beter te bekijken. Daar komen we ook een meisje tegen dat we al eerder in Xiahe zijn tegengekomen. Zij vertelt angstaanjagende verhalen over hoe moeilijk het is om vanaf Xian hard sleepers naar Beijing te krijgen. Haar is het niet gelukt, en ze vertrekt vanavond in een hard seat. Hard sleepers doen officieel 250 yuan, maar op de zwarte markt 350. Wij houden hoop met de gedachte dat het morgen nationale feestdag is, en iedereen dus naar Beijing wil.
We kijken in de museumshop, die duidelijk te duur is, en ook niet in prijs wil zakken. Een boek dat daar 100 yuan, wordt buiten ingezet op 80. Met drie setjes ansichtkaarten van 10 yuan erbij betalen we uiteindelijk 55. Erg populair zijn verder de setjes kleine, plastic en vreselijke nep miniatuur terracotta soldaatjes. We lopen nog een flink aantal van de vele souvenirshops af, maar vinden verder niets leuks. Met een minibusje rijden we weer terug naar Xian.
Onze volgende missie, terug in Xian, is om geld te wisselen. De bank is dichtbij het station en blijkt pas om half zes te sluiten, en niet om half vijf. Het verzilveren van onze travellers cheques is geen probleem. We kunnen terug naar het station met genoeg geld om treinkaartjes voor overmorgen aan te schaffen. Op de tweede etage is een speciaal loket voor buitenlanders. Dat is vier uur per dag open, twee uur 's ochtends en twee uur 's middags. Nu dus niet. Maar een meneer maakt ons er op attent dat ie vanmiddag sowieso niet open was, wegens nationale feestdag. En morgen is hij ook de hele dag dicht. Het schijnt dat de gemiddelde Chinees drie dagen vrij is wegens nationale feestdag. Het is ook niet niks, de stichting van de Communistische Volksrepubliek. Maar ondertussen hebben we voorlopig geen treinkaartjes.
Bij het Jiefang hotel eten we een handvol baotzes, een soort kleine broodjes bapao, met wat weinig vulling. In ons eigen hotel doen we een middagdutje. Om zeven uur worden we weer wakker. We eten bij de buurman, een restaurantje waar vooral Chinezen komen, die allemaal borden vol kleine flapjes naar binnen slaan, en waar dan ook geen Engelstalig menu is. Op goed geluk prikken we een rund en een kip van het menu. De rund blijkt spectaculair, en wordt geserveerd in een schaal met deksel waar de brand in wordt gezet. En het is ook buitengewoon lekker. De kip is ook een stuk beter dan zij er op het eerste gezicht uitziet.
Na het eten schuimen we wat winkeltjes langs het stationsplein af. In een grote winkel met vooral koek, snoepjes, en sterke drank, kopen we een pakje jasmijnthee en laten we ons wat verschillende koekjes en chocola aansmeren, dat trouwens erg lekker is. Een fatsoenlijke fles Remy Martin kost hier zo'n 300 gulden. Bij een kleinere winkel in een zijstraatje maken wij ons geluk compleet middels de aanschaf van een rol toiletpapier.

