Woensdag 17 september 1997


We beginnen vandaag met uitslapen, tot grote verbazing van het hotelpersoneel. Het schijnt in China niet echt de gewoonte. Verontrust wordt naar ons welzijn geïnformeerd. Als we opstaan, tapt de kraan opnieuw alleen koud water. Douchen stellen we nog maar even uit in de hoop dat, net als gister, er later op de dag wel even warm water is.

 Om half 1 komen we naar buiten. Wij willen een fiets huren. Na wat navragen lukt dat ook nog. Bij de openlucht-fietverhuur ontstaat een grote volksoploop als wij twee fietsen huren. Zeker nog nooit een blonde jongen op een roze damesfiets gezien. Een fiets huren kost hier 5 yuan per dag.

We peddelen wat in de stad rond en proberen in zuidwaartse richting haar te verlaten. Dat valt nog niet mee. Wij willen naar het zuiden, naar de mooie uitzichten buiten de stad waar we gister met de bus zijn langsgereden. Als we naar het zuiden fietsen, komen we bij een groot hotel dat al niet meer op ons kaartje staat. We fietsen links langs het hotel en komen in een bouwvallige buitenwijk waar we de stad niet uit kunnen. Terug naar het hotel. Langs de rechterkant komen we in een andere, iets minder bouwvallige buitenwijk, maar ook daar kunnen we niet de stad uit. Doelloos blijven wij ronddolen door de straten van Dongsheng.

Als we voor de derde keer bij hetzelfde hotel uitkomen, raken we aan de praat met een jonge Chinees die zich James Wong laat noemen, en behoorlijk Engels spreekt. Hij is opgeleid aan de universiteit van Hohhot, en werkt nu voor een groot exportbedrijf hier in de stad. Ze zijn wereldwijd de grooste exporteur van kashmir, een uitermate dure stof gemaakt van onthaarde geitewol. De universiteit is hier niet voor iedereen weggelegd. Opleiding en inwoning kost 40.000 yuan voor een vierjarige opleiding terwijl een gemiddeld maandsalaris zo'n 200-400 yuan bedraagt. Vrijwel alle studenten hebben dan ook een bijbaantje. James vertelt ons hoe we de stad uit kunnen komen. Eerst kijken we op de 2e etage van het hotel, waar een showroom is van de Chinese Kashmirgigant Erdos.

Christa koopt een paar handschoenen. Op de begane grond zijn nog wat meer dure winkels, waaronder een supermarktje. Daar vervolgen we onze ontdekkingstochten door de Chinese zoutjes en koekjes. Dit keer nemen we de maiscrackers, de choco- en kokoskoekjes, en natuurlijk weer een zakje van de onvolprezen mini-puddinkjes.

Zo weten we toch een eindje buiten de stad te komen, al blijven we in de bewoonde wereld. Hier vindt men het helemaal wel boeiend, twee van die buitenlanders op een fiets, en op verschillende plaatsen loopt men uit om ons te begroeten. Het leven speelt zich hier sowieso voor het grootste gedeelte op straat af, met kraampjes, mensen die buiten aan het werk zijn en mensen die gewoon buiten rondhangen. Aan de rand van de bewoonde wereld treffen we een stoomtreintje, dat water aan het bijvullen is. We maken rechtsomkeert en fietsen terug naar de stad. Waar de brede asfaltweg begint markeren fraaie lantaarnpalen het begin van Dongsheng.

Om kwart over vijf leveren we onze fietsen weer in. Mevrouw geeft Marco's verlopen studentenkaart weer terug, die als onderpand diende. Niet lang nadat we weer op onze hotelkamer zijn, wordt er geklopt. De jongen die gister bij ons aan tafel zat komt op bezoek, en hij heeft zijn tweelingbroer meegenomen. Hij chauffeurt voor het hotel. Ze zijn 19 jaar. We maken nog een foto en de jongens proberen uit alle macht ons over te halen de foto's hier in Dongsheng te ontwikkelen. Dat lijkt ons geen goed idee. We sturen ze wel op, beloven we. Christa krijgt een ketting. Later komen ze weer terug, en hebben nog een van de jongens van gisteravond meegenomen. Marco's draadloze scheerapparaat vinden ze maar machtig interessant. De gebruikelijke privé-vragen worden gesteld. Ook willen ze wel meer over Nederland weten. We laten onze ansichtkaartjes zien, die vol bewondering worden bekeken. De jongen van het kettinkje vraagt of we ook souvenirtjes hebben en hij krijgt een Delftsblauw tegeltje. Ook mogen ze allemaal weer op de foto. Opnieuw worden pogingen gedaan ons de foto's hier te laten ontwikkelen. Om 7 uur gaan ze weer weg.

We zitten in het ene uurtje per dag dat hier warm water geschonken wordt, en we springen snel onder de douche, die er om kwart over al weer mee ophoudt. Om half acht gaan we naar beneden om te eten. Het wordt weer een gezellige boel. Iedereen dreutelt weer druk om ons tafeltje heen. De serveerster doet vanavond verwoede pogingen om Engels te spreken en uiteindelijk komt er nog wel iets verstaanbaars uit. Ook het andere personeel dat gister bij ons aan tafel zat, glimlacht verheugd. De 22-jarige hoofdserveerster geeft onze serveerster een uitbrander omdat ze ons niet rustig laat eten.

Als het eten zo'n beetje op is, komt een andere man bij ons zitten die wat beter Engels spreekt. Met behulp van het woordenboek komt Christa er wel uit. Hij zegt dat we toch vooral naar Chenglin moeten gaan, zo'n 60 kilometer verderop. Het blijkt dat hij het Genghis Khan Mausoleum bedoelt, waar we gister al geweest zijn.

Aan een belendend tafeltje zit een vriendelijke, ietwat sjofele veertiger die ook in het gesprek betrokken wordt. Hij blijkt de baas van het hotel en is erg blij dat wij er zijn. Verbaasd kijkt hij naar onze Lonely Planet. Het blijkt dat het karakter dat daar voorop staat, zijn voornaam is. Minder blij is hij als blijkt dat zijn hotel er niet in staat, en dat van de concurrent wel. Hij wil graag met Marco op de foto. Het is aan een Chinees wat moeilijk uit te leggen dat je hier op vakantie bent. De meesten kennen het woord niet eens. Er moet gewerkt worden. Als ze al een keer vrij zijn wordt er meestal familie bezocht.

Een jong echtpaar dat met name ingehuurd lijkt om hier te zingen, wordt er door de eigenaar bijgehaald. Met een sjaal en een klein kommetje sterke drank in de hand zingen ze eerst Marco, dan Christa toe. Na afloop mag steeds het kommetje worden leeggedronken. Tenslotte wordt ook de eigenaar door de twee toegezongen. Hij is zichtbaar ontroerd, en nog voordat ze uitgezongen zijn, pakt hij het kommetje, sprenkelt een paar druppels op de grond, in de lucht en op zijn voorhoofd en drinkt de rest leeg. Wij zijn opnieuw genoodzaakt de lokale kennis omtrent het Sinterklaasrepertoire uit te breiden.

Twee van de meisjes die in het restaurant werken zijn van Mongoolse afkomst. Ze trekken vooral met elkaar op, zijn erg verlegen en spreken minder goed Chinees. Wij vragen hen hoe je goeiedag zegt in het Mongools. Dat blijkt iets van Ta Sembano te zijn, terwijl tot ziens Bayer Ta is. Mongools is geen toontaal, zoals het Chinees. Het heeft wel een eigen schrift, dat er uit ziet als verticale balkjes met aan weerszijden onooglijke kriebeltjes. Alsof er torretjes over je papier lopen. Het klinkt met veel ts, kr, en pr. De meisjes zijn duidelijk niet gewend aan zoveel aandacht. Mongolen zijn hier in Binnen-Mongolië inmiddels ver in de minderheid, door de grote aanvoer van Han-Chinezen, die inmiddels 85% van de bevolking uitmaken. Om 11 uur is het restaurant al weer volledig aan kant en wordt het toch eens tijd weer naar boven te gaan.


Donderdag 18 september 1997


Om 9 uur staan we op, pakken we in, laten onze bagage achter en gaan de straat op. Een mannetje buiten wil graag op de foto. We lopen door de oude stad, of wat daar voor door moet gaan, want meer dan een half straatje met één mooi gebouw is het niet. Even verderop wordt met een man of vijftien gegraven om de fundamenten voor een huis te leggen. Aan het eind van de straat is een grote overdekte markt. Elk artikel heeft netjes z'n eigen straatje. Zo hebben we de afdeling kinderkleding, waar een hele rij vrouwen ijverig zit te breien, de stoffenstraat, en de afdeling kleine electronica. De vis kan uit het water worden uitgezocht, en belandt nog spartelend in het plastic zakje. Bij het vlees vinden we weer onze favoriete zenuwtjes. Op de boekenafdeling weet Christa een Chinees sprookjesboek op de kop te tikken.

Voor de laatste keer gebruiken we het restaurant in het hotel, dit keer om uitgebreid te lunchen. En voor de laatste keer trekt het voltallige personeel aan ons voorbij. Onze Mongoolse vindt dat ze, qua huid- en haarkleur zo op Christa lijkt, dat ze vast Nederlandse ouders heeft die haar in Binnen-Mongolië te vondeling hebben gelegd. Maar voordat je dat in het Chinees hebt duidelijk gemaakt ben je al gauw een half uur verder. Men doet nog een laatste poging ons de foto's in Dongsheng te laten ontwikkelen. Marco demonstreert een creatieve manier om servetten te vouwen. We nemen buiten nog een foto en dan is het tijd om te gaan. Afscheid.

Om vijf over half twee vervoegen wij ons op het busstation, waar de bus terug naar Baotou al gereed staat. Het is nogal een lijdensweg, en de bus doet er drie uur over, een uur langer dan op de heenweg. We moeten veel vaker stoppen voor mensen die ergens midden in het niets willen in- of uitstappen.

 In Baotou reageert men zo mogelijk nog euforischer op onze komst dan in Dongsheng. Het hello is niet van de lucht. Baotou is een lelijke industriestad met zo'n 1.7 miljoen inwoners. De bouw is nogal merkwaardig. De stad heeft twee belangrijke kernen, Baotou-Oost en Baotou-West, en daartussen is er een kilometer of 20 vrij weinig te beleven. We zitten nu in Oost. We willen naar West. Dat is zo'n drie kwartier met het minibusje.

In het Baotou Guesthouse, langs de route van het minibusje, belooft onze Lonely Planet een kantoor van CITS, waar we heen willen om voor morgen een toer te boeken. In dat nogal uit de kluiten gewassen, en echt sjieke hotel, weet men echter van niets. Ze hebben wel hun eigen reisagent. Door een portier in een rood apepakje worden we er heen gebracht. Het bevindt zich in het meest westelijke van de drie gebouwen die het hotel tot haar beschikking heeft. Dat ziet er aanzienlijk sjofeler uit dan het eerste. Als de man daar merkt dat we geen Chinees zijn, belt hij zijn collega er bij, die Engels spreekt. Hij, zo blijkt later, is van de CYTS, de China Youth Travel Service, een concurrent van CITS. Er zijn in het hotel drie reisagenten, zegt hij.

We zetten onze wensen uiteen, en onze agent kan wel iets regelen zegt hij. Voor 100 yuan per persoon. Dat vinden wij een schappelijke prijs. Hij haalt onze privé-chauffeur voor morgen er bij, die aan ons wordt voorgesteld als Mister Sung, een in net pak gestoken, kleine, joviale Chinees met grote auto. Mister Sung lijkt maar wat blij dat hij ons een halve dag mag rondtoeren. Hoe laat we willen vertrekken. Doe maar tien uur. We vragen hoeveel tijd we voor de toer hebben. Genoeg, is het antwoord. Mister Sung vraagt in welk hotel wij verblijven. Dat is nog even een probleem, want dit hotel vinden wij veel te duur en een ander hebben we nog niet. Maar we willen wel naar een hotel uit het boekje, pal naast het west-station, zo'n 7 kilometer verderop. Mister Sung wil ons er wel even heen brengen. Zoals gebruikelijk vragen we wat dat kost. Niks, natuurlijk.

We rijden naar het hotel en Mister Sung bestelt een kamer voor ons bij de mevrouw achter de glaswand. Mei you, luidt het onverbiddelijk antwoord. Mister Sung lacht eens wat en stapt weer in de auto. We rijden terug over de kilometers lange achtbaansweg die naar het station leidt. Het volgende hotel vindt Mister Sung te duur: 80 yuan en dan heb je nog niet eens warm water, televisie of telefoon, terwijl je dat allemaal in een hotel even verderop voor dezelfde prijs wel hebt.

En zo eindigen we in het Friendship Hotel, waarvan we ernstig betwijfelen of ze er ooit eerder een westerling hebben gezien. De kamer is prima, groot, met bad en toilet en inderdaad ook TV (met kabel!) en telefoon, allemaal voor een tientje per persoon per nacht. Beneden in het restaurant gebruiken we een licht avondmaal, met louter groente. Een 16-jarige jongen, Hu Wei, komt bij ons zitten en begint een beetje Engels te praten. Half in het Engels en half in het Chinees weten we een gesprek op gang te krijgen. Hu zit op de eerste middelbare school in Daotou, daar woont hij ook, en hoopt later op de beste universiteit in Beijing economie te gaan studeren. Hij vraagt waar we vandaan komen, hoe we heten, en wat we hier doen. Er komt een vrouw bij zitten. Zij blijkt lerares Engels, aan de 26e middelbare school, of iets in die richting. Ze tellen hier tot ergens in de veertig. Haar Engels is beter dan dat van Hu, maar voor een docent eigenlijk nog best wel vrij beroerd. Dit is de derde keer dat zij een buitenlander tegenkomt. Marco vraagt aan Hu "Have you ever met a foreigner before?" "No", lacht hij verlegen.

Kinderen moeten hier naar school van hun zevende tot hun zestiende, zo leren wij. Daarna is het vrijwillig. Ook op zaterdagochtend wordt schoolgegaan.

Juf moet er weer vandoor en we blijven met Hu achter. Hij begint zich langzamerhand makkelijker uit te drukken in het Engels. Hu vindt voetbal leuk, en we nemen wat Nederlandse clubs en spelers door, waar hij allemaal wel eens van gehoord heeft. Verder verhalen wij over hoe ontstellend weinig inwoners Nederland wel niet heeft en dat zelfs Amsterdam maar half zo groot is als Baotou. Wij laten ons adres achter en om tien uur moet Hu nodig aan zijn huiswerk. Wij gaan naar onze kamer.


Vrijdag 19 september 1997


Vandaag staan we om 8 uur op om het ontbijt te halen. Dat is niet bij de kamerprijs inbegrepen, maar kost maar een schijntje. Chinees ontbijt bestaat uit een dikke, smakeloze granensoep, waar de rest van de broodjes en dingen mee in combinatie gegeten worden. Vandaag krijgen we er bij een broodje bapao, maar dan gevuld met groente, dat lekker is, en een gefrituurde broodstaaf, plus een schaaltje met zoutzure sliertjes. Jummie. Christa beweert dat ze het allemaal wel lekker vindt. Het ontbijt komt op 55 cent per persoon.

Om kwart voor tien staat Mister Sung voor de deur en even voor tienen zijn wij op toer. Het is een eindje rijden naar de eerste attractie, en onderweg kwebbelt Mister Sung honderduit over alle dorpjes waar we doorheen komen en alle gewassen waar we langs rijden. Op veel daken liggen grote partijen mais te drogen. We zien velden vol zonnebloemen. Chinezen kauwen op zonnebloempitten met tassenvol tegelijk. Verder zien we sorghum en aardappelen.

We maken een stop bij de Gele Rivier, die eerder viesbruin is. Half op de wal ligt een typisch Chinees bootje te roesten. We kuieren langs de rivier, die behoorlijk breed is, en waar een fris windje staat. Mister Sung introduceert ons in de fauna rond de gele rivier, die nog niet zo smerig blijkt, dat er geen leven meer mogelijk is. We zien muizeholletjes, een libelle, en een kikkertje voorbij springen. Na verscheidene pogingen weet Mister Sung, kraaiend van plezier, een sprinkhaan te vangen.

We rijden over een tolweg. De weg blijkt aanzienlijk beter dan we dachten toen we hier met de bus overheen reden. Blauwe pick-up trucks, barstensvol steenkool, rijden af en aan. Dat wordt bij Dongsheng gewonnen, en in Baotou verwerkt. We zien het eerste wervende reclamebord voor onze eindbestemming, hier aangduid als de Fantastic Singing Sands.

Als we weer van de tolweg afrijden, wordt de weg langzamerhand slechter. Voor de woestijn is een grote vlakte, waar het beroerd rijden is, met veel stenen en plassen. We werpen onze eerste blik op de Gobi-woestijn en hebben mooie uitzichten op 40 meter hoge zandduinen, waar een eenzame rij bomen fraaie schaduwen op werpt.

 Ergens midden op de vlakte, voor de woestijn staat plotseling een hek. De ingang van de Fantastic Singing Sands, of, zoals het in ons boekje staat omschreven, de Resonant Sand Gorge. Wij worden onmiddellijk bestormd door vrouwen die ons water en fotorolletjes willen aansmeren. Wij betalen 10 yuan per persoon om de woestijn in te mogen. Het toilet wordt beheerd door een meneer die elke keer naar beneden klautert om een emmer water te vullen om daarmee door te spoelen. Voor 5 yuan p.p. mogen we met een treintje omhoog om zo de eerste zandduin te bedwingen. Dat vinden wij een beetje afzetterij, en we klauteren omhoog langs de touwladder die even verderop in het zand ligt.

Achter de heuvel is een klein kampje, met een tent, een aantal nomaden en een kudde kamelen. Voor toeristen, denken wij, maar we worden niet lastig gevallen. Misschien wachten ze op die hordes Japanse toeristen, die hier regelmatig schijnen langs te komen. We lopen verder de woestijn in. Er staat een straffe wind, dus regelmatig dwarrelt het zand laag over de duintoppen. Aan de windkant zijn de zandduinen geribbeld, stevig en makkelijk te belopen, aan de andere kant van de top zak je een flink eind in het zand weg. Na een klein eindje lopen staan we midden in de woestijn, zonder ander uitzicht. Een bijzondere ervaring. Voorbijdrijvende wolken werpen hun schaduw in het zand. We dartelen wat rond en klauteren dan weer terug naar beneden en naar onze chauffeur.

Mister Sung zet ons om kwart over drie weer keurig terug in onze hotelkamer. Als dank voor zijn onvolprezen diensten, en vooral ook omdat hij ons in dit hotel heeft weten onder te brengen, krijgt hij een schattig Delfts blauw tegeltje. We slapen een uurtje en lopen richting station, een kilometer of vijf langs een lange, brede weg. Na een eindje lopen worden we ingehaald door zo'n blauwe pick-up, met drie mannen achterop. Even voorbij ons stoppen ze, lopen ons tegemoet en zeggen dat we wel een lift kunnen krijgen. Dat kost 10 yuan, maar als we weigeren daalt de prijs tot 5. Van de chauffeur mogen we wel voorin zitten, maar achterop lijkt ons eigenlijk veel leuker.

Op het station weten we in recordtijd te achterhalen met welke trein we willen: de nachttrein die morgenavond om kwart voor een naar Yinchuan vetrekt. De Chinezen schijnen het wel koddig te vinden, twee van die buitenlanders die voor een groot bord met Chinese karakters proberen te ontcijferen welke trein hoe laat waarheen gaat. Op ons verzoek om kaartjes laat de zeer norse mevrouw achter de balie echter een onverbiddellijk mei you klinken. Een mijlpaal. Onze eerste ongeschikte bureaucratische Chinees. We doen nog een poging bij een mevrouw achter iets van een infobalie. Zij weet te melden dat de kaartjes voor onze trein pas morgen om 15:48 uur in de verkoop gaan. Merkwaardige timing. Als we al buiten bezig zijn bij de kraampjes iets te kopen komt mevrouw nog achter ons aan gedribbeld om te controleren of ze onze wens toch inderdaad goed begrepen had.

Op weg naar het hotel blijkt net een naburige school te zijn uitgegaan. Een hele zwerm schoolkindertjes in blauwe trainingspakjes trekt aan ons voorbij. We lopen achter ze aan een woonwijk in. Wij horen veel gegiechel en gegniffel, maar de meesten durven het toch niet aan ons aan te spreken. Verder dan hello en hard gelach als we daar nog op antwoorden ook, zit er niet in.

In het hotel hebben we ons rustigste diner sinds dagen. Alleen een oudere man maakt een kort babbeltje met ons. Hij heeft zichzelf en van de TV Engels geleerd, maar spreekt het verbazend goed. Om half negen zijn we al weer terug op onze hotelkamer, en kijken TV. Er zijn hier ook twee commerciële zenders: een sport- en een muziekzender, allebei deels in het Engels. Op de sportzender veel voetbal (toppers als India - Bangladesh, Sri Lanka - Maldiven en Japan - Kazakhstan). Op de muziekzender verbazen we ons over de nonchalance waarmee de Amerikaanse Billboard top 100 wordt ("from the land of the free"...). Hedendaagse Chinese popmuziek is verrassend mooi, met veel melodieuze, Italiaans aandoende ballads.


Zaterdag 20 september 1997


We slapen maar weer eens uit. Als we er op uit trekken lopen we eerst eens rond in de buurt van ons hotel. We lopen langs een marktje dat verder weinig nieuwe inzichten oplevert, of het zou al moeten zijn dat we aan deze kant van Baotou aanzienlijk minder worden nageroepen.

We komen bij een nieuw, modern gebouw, zoals er tegenwoordig zo veel in China worden neergezet. Binnen blijkt een kleine overdekte markt, waar je nog voor moet betalen ook. Leuk is het wel. Met een overhemd voor Marco en een tafelkleed voor Christa komen we weer naar buiten. We verplaatsen ons per minibusje naar oost-Baotou. Dat lijkt toch meer het echte centrum, met veel meer leven en zelfs heuse warenhuizen, al lijken ze meer op iets dat het midden houdt tussen markt en warenhuis. In zo'n dingen doen we verwoede pogingen een toilet te vinden en na vijf keer vragen lukt het nog ook. Chinezen plachten hun behoefte te doen boven een gat in de grond, en hebben er dan ook geen enkele moeite mee als de buurman over het lage muurtje meekijkt. Deuren zijn er ook al niet. Het is een gezellige boel.

Op de begane grond van het warenhuis is een overdekt straatje waar je bij een rij eettentjes kunt aanschuiven voor de lunch. Ook zulk soort stalletjes zie je overal. We slenteren verder over straat, die ook hier een halve markt is. De hello-roepertjes klinken weer vertrouwd. Braaf blijven wij hello terug roepen. In Baotou zijn een aantal leden te zien van een van de bijna 60 minderheden die China telt, waarschijnlijk de Uighurs. Ze dragen iets dat lijkt op een wit koksmutsje

In een aantal open lucht smederijen worden live grote ijzeren wokken geslagen. Weer belanden op een grote drukke markt met twee straten, waarin in de ene straat ongeveer een halve kilometer lang alleen maar schoenen worden verkocht en in de andere straat alleen maar stoffen. Regelmatig wijzen vaders en moeders hun kindertjes enthousiast op het voorbijgaan van twee Heuse Buitenlanders. Wij willen zo'n Educatief Moment uiteraard niet verstoren en blijven even staan om vriendelijk naar het kindje te glimlachen. De omstanders kunnen dat wel waarderen. Vrijwel alle kindertjes in China zijn enig kind. Dat betekent ook dat alle kinderen volledig doodgeknuffeld worden Overig zijn kinderbroekjes hier voorzien van een charmante gleuf evenwijdig aan de bilspleet. Da's handiger dan pampers en nog goedkoper ook.

Via een buitenwijkje komen we weer terug op de doorgaande weg. We lopen langs de steenkooltransport, waar steenkool ligt opgeslagen op blauwe pick-ups, maar ook op karretjes getrokken door trekkertjes of ezeltjes. Wij hebben dorst. Het schijnt hier echter niet de gewoonte te zijn om in een cafeetje of op een terrasje een kopje thee te gaan drinken, zonder daarbij meteen een uitgebreide lunch te gebruiken. In een restaurantje op de hoek weten we het toch voor elkaar te krijgen. De familie is zeer vereerd, al vinden ze het wel wat merkwaardig. De eigenaar komt wat later met twee maiskolven voor ons aanzetten Ook sleept hij een verse pot thee aan. Voor de twee maiskolven betalen we 1 yuan. De thee is gratis.

We nemen een busje terug naar de west. Niet ver van ons hotel stappen we over op een busje naar het station. Het is inmiddels al 15:48 geweest, en dus zouden we een kaartje moeten kunnen kopen. Mei you, luidt het commentaar van de lokettiste. De mevrouw van de infobalie kan ons ook niet duidelijk maken wat hier aan de hand is. De hele stationshal leeft inmiddels mee, en probeert heftig gebarend uit te leggen wat er aan de hand is. Je kan hier helemaal geen hard sleeper kopen, wordt ons verteld. Dat kan alleen in Beijing. Maar de trein heeft ze wel, en in Datong hebben we ze ook gekocht. Betekent dat dan dat we de hele nacht moeten zitten? Dat blijkt ook weer niet het geval. Marco krijgt een heldere inval. Hij wijst naar beneden, maakt dan een zittende beweging en slaat een paar keer met vlakke handen op zijn billen, maakt dan met vlakke hand, handpalm naar links, een resolute beweging naar voren, en houdt tenslotte zijn hoofd scheef, ondersteund door twee vlakke handen met handpalmen tegen elkaar. Een mevrouw reageert enthousiast. Hij begrijpt het. Hier op het station kunnen we hard seats kopen, en eenmaal in de trein kunnen we die omzetten in slaapplaatsen. De hele groep zwermt mee naar het loket om er op toe te zien dat wij met goed gevolg twee zitplaatsen aanschaffen.

Terug in het restaurant van het hotel krijgen we gezelschap van een schattig zestienjarig meisje. Ze is de broer van Hu, vertelt ze. Ja maar. Men mag hier toch maar één kind? Inderdaad. Maar hoezo dan broertje. Ze gebruikt ook het Chinese woord voor broertje. Hun vaders zijn collega's, blijkt later. Ze werken allebei in dit hotel. En dus is hij haar broertje.

Zhoa Nan zit op de militaire school. Maar daarna wil ze ook naar de universiteit. Van achter de toonbank komt een Chinees-Engels woordenboekje tevoorschijn. Een kadootje van Hu voor Christa. Van Zhoa krijgt ze een sleutelhangertje met een witte steen met daarop Chinese karakters. Christa is zeer verguld en geven twee Delftsblauwe tegeltjes. Dat lijkt wel op Chinees aardewerk, vindt Zhoa. Wij laten opnieuw ons adres achter. Om kwart over negen moeten we naar boven, om onze spullen te pakken We nemen afscheid en zien voor we het restaurant verlaten nog net hoe Zhoa vol trots de tegeltjes aan de serveerster laat zien.

Om 11 uur verlaten we het hotel, betalen de rekening en nemen een taxi naar het station. Bij een winkeltje dat nog open is slaan we groot in voor de lange reis die voor ons ligt. In de wachtruimte wachten wij verder af.


Zondag 21 september 1997


Even na twaalven wordt het onrustig in de wachtruimte. We lopen met de meute mee naar de stationshal alwaar we door een geüniformeerde vrouw worden verzocht om ons in twee rijen op te stellen. Niet lang daarna mogen we het perron op. De trein hoort om 0:36 uur aan te komen, maar blijkt een kwartier vertraagd, zodat we nog een flinke tijd staan te blauwbekken in een koude, heldere nacht.

Allereerst zoeken we de door ons gereserveerde hard seats op. Die plaatsen blijken nu ook weer niet zo beroerd als iedereen ons wijsmaakt. Voor een upgrade worden we doorverwezen naar wagon 6, drie wagons verderop. Daar blijkt een balie waar een vriendelijke conducteur de administratie regelt.

De trein is al behoorlijk vol, dus worden we op wrede wijze gescheiden. Marco kan terecht in wagon 10, Christa in 12. Met onze briefjes melden we ons bij de desbetreffende wagonopozichter, die een vrij bedje opsnort. Wagon 12 blijkt al vol, en Christa belandt uiteindelijk in 13, in een met een gordijn afgeschermd gedeelte dat, naar later blijkt, is gereserveerd voor treinpersoneel.

Wij slapen als een blok. Rond een uur of zeven wordt Marco wakker. Hij denkt dat het dan al negen uur is. In zijn wagon is er al flink wat leven, en besluit een half uurtje later eens bij Christa te kijken. Dat gaat zo maar niet. Bij het gordijn wordt hij dwingend tegengehouden. Maar mijn vrouw ligt daar. Die zal de conducteur dan wel even persoonlijk ophalen.

En niet lang daarna komt Christa slaperig de hoek om. We gaan terug naar 10 om daar ons traditionele ochtendsoepje te gebruiken. Het is druk in wagon 10. In wagon 13 zijn nog twee compartimenten die niet door het personeel zijn ingenomen, en die vrijwel verlaten zijn. Daar installeren we ons. Men schijnt het goed te vinden. We slapen nog anderhalf uur.

We krijgen gezelschap van de wagonopzichter. Waar of we vandaan komen. Christa tekent een kaartje van Nederland, met Amsterdam en Rotterdam. Dat heeft ie op school geleerd. Hij vraagt of Nederland inderdaad beneden zeeniveau ligt. Ja, voor de helft, beamen wij. En welke stukken nu precies ingepolderd zijn. We tekenen ze in op ons kaartje. Tijd om het voetbal door te nemen. Meneer heeft nog nooit van Ajax gehoord, maar kent natuurlijk wel ATjaKuhSuh. Koelietah en Wannebassie zijn uiteraard bekend, maar ook Riejeekaarde, Koweemanne en KeLoeWieVuhRuhTuh mogen op zijn warme belangstelling rekenen. Wannebassie is gestopt wegens knieblessure, weet hij te melden. Cruyff blijkt hier door het leven te gaan als KeNoeWieFuh.

De man maakt een uitgebreide studie van Marco's palmtop computer. Christa legt alles uit. Helaas kan hij ons de werking van een Chinees toetsenbord niet uitleggen, dus begint hij maar over zijn postzegelverzameling.

We rijden door afwisselende landschappen: soms kale en dorre uitlopers van de Gobi-woestijn, dan weer bergen met dieprode, groene en gele kleuren, die soms nog wat hoger en donkerder zijn met kleine plukjes groen. Dorpen die we passeren hebben nu ook vaker de typisch Chinese daken, met een licht omhoog lopend uiteinde.

Rond vier uur gaat Marco weer terug naar zijn eigen wagon 13, om te wachten op de mevrouw die de plastic plaatsbewijzen weer terugwisselt voor je oorspronkelijke kaartje. In China vindt namelijk uitgangscontrole plaats. Een van de mannen in Marco's compartiment blijkt goed Engels te spreken. En dat niet alleen. Na de vraag waar Marco vandaan komt, zegt hij enthousiast dat we dan dus Duits kunnen spreken, zijn eerste vreemde taal. Meneer blijkt fysicus en heeft wel eens contact met mensen van het KVI in Kronienkun. Of Marco dat kent. Hij antwoordt dat hij er gestudeerd heeft. De man heeft al eens een half jaar in Darmstadt gewerkt en ook in Japan. Hij is erg benieuwd wat wij in de westerse media over China horen. Niet veel. En het beeld komt er op neer dat er economisch steeds meer meer mogelijk is, maar de zaak politiek nog potdicht zit. Daar is meneer het niet helemaal mee eens. Er is de afgelopen jaren heel wat verbeterd en iedereen mag nu vrijelijk kritiek hebben. En natuurlijk valt er aardig wat op de machthebbers aan te merken, maar ja, daar ontkom je niet aan, zeker in zo'n groot land. Tenslotte geeft meneer nog wat toeristische tips in en om Lanzhou.

 Om vijf uur, keurig op tijd, komen we aan in Lanzhou. Ook daar zijn twee stations, centraal en west. Buiten het station worden we besprongen door taxichauffeurs en plattegrondverkopers. Van omstanders en uit eigen oriëntatie begrijpen we dat dit station West is, en we nemen een minibusje naar Centraal. De bus lijkt al behoorlijke tijd de verkeerde kant op te gaan als we nog maar eens bij de chauffeur informeren. We blijken afkomstig van centraal, en op weg naar west, niet andersom. We hebben de tijd en blijven maar zitten om te genieten van een geheel verzorgde city tour van Lanzhou.

Lanzhou is een drukke en grote miljoenenstad. Zo groot hebben we ze sinds Beijing niet meer gezien. Ook zijn er al moslim-invloeden. De meest fraaie is een hoge pagode, met bovenop een koepel en halve maan. Ruim een uur na ons vertrek bereiken we het eindpunt. Het dringt nu pas tot het buspersoneel door dat we toch echt bij dat andere station moeten zijn en van plan zijn straks weer vrolijk terug te rijden. Ze vinden het wel lollig. Bij het station wachten we een tijdje en van de chauffeur en conducteur mogen we mee-eten met hun jujubes: iets dat er uitziet als een kruising tussen een pruim en een noot, maar eerder smaakt als een appeltje.

Na ruim twee uur zijn we weer terug op het Centraal Station. Ons hotel, Lanzhou Mansions, staat er pal tegenover. Voor 108 yuan heeft men nog een kamer op de 16e verdieping, met bad en toilet. De lift die naar boven gaat klinkt als een metalen snaar die steeds strakker gespannen wordt. In onze badkamer lijkt de TL-buis niet aan te slaan, maar hij doet het uiteindelijk toch. De WC loopt door. We gaan naar beneden, naar het restaurant. Het is inmiddels na achten en de lift is nu zelfbediening. De lift voor de even verdiepingen blijkt het om duistere redenen niet te doen. De etage-opzichtster verwijst ons naar een derde lift, die op elk etage stopt. De vloer kraakt een beetje en even voorbij etage 12 blijven we hangen. Bonzen helpt niet. Op een strategische plek op de vloer gaan staan wel. De lift weet etage 11 te bereiken. Daar stappen we over op de oneven-etage-lift. Er staan meer mensen in, en als we op de begane grond zijn (Chinese telling: etage 1) slaan de deuren na enkele uitstappers onherroepelijk weer dicht en kraakt de lift, wat we ook proberen, door naar etage 21. We gaan weer terug naar etage 2 en weten daar, zij het met geweld, de lift te verlaten.

Het restaurant maakt een verlaten indruk. Volgens de deur is hij ook maar tot acht uur open, en het is nu bijna half negen. Maar het personeel verzekert ons dat we nog steeds welkom zijn. Een meneer legt ons uit dat we kunnen kiezen tussen twee standaardgerechten en het lopend buffet. Hij adviseert het laatste, voor 25 yuan, inclusief cola en bier. Er staat een groot aantal gerechten uitgestald, met vooral ook veel groente en koeken en cakes. Wij kiezen voor het buffet.

Alle gerechten blijken steenkoud. En te oordelen aan de inmiddels lege warmhoudbakken hebben wij stellig de indruk dat dat niet de standaardconfiguratie van het buffet is. Sterker nog, wij krijgen het gevoel dat wij stevig worden afgezet, zeker als men halverwege, met onze toestemming weliswaar, begint de zaak leeg te ruimen.

Met de lift gaan we naar etage 17, zodat we met de trap weer naar 16 kunnen. Dit keer blijkt het grote licht in de kamer het niet meer te doen. Even voor tienen wagen wij ons weer in de lift om naar het Business Center, bestaande uit twee telefoons, een fax en twee medewerkers, op de tweede etage te gaan, en naar Nederland te bellen. Christa is hevig verontwaardigd als blijkt dat de door haar geklokte 55 seconden er volgens China Telecom 63 waren, zodat we twee keer zoveel (11 gulden) moeten betalen.

Met lift en trap weten we de 16e etage weer te bereiken. We hebben inmiddels schoon genoeg van dit hotel en besluiten morgenochtend te verhuizen.


Maandag 22 september 1997


Vandaag uitslapen, en dan alles in orde brengen voor de grote verhuizing. We genieten tot het uiterste van dit hotel en checken even voor twaalven uit. Het personeel vinden we ook al niet vriendelijk. Even om de hoek komen we in het Linshan hotel, waar de mevrouw achter de balie zo maar glimlacht. En het is hier nog goedkoper ook, voor 86 yuan per nacht, met bad.

We maken een wandeling door Lanzhou. Er is hier veel verkeer. Toch is het opmerkelijk rustig op straat. Wij missen het onrustige getoeter dat we tot nu toe gewend zijn. We zien ook verkeersborden met een claxonverbod, en men blijkt zich er nog behoorlijk aan te houden ook. We slaan een klein straatje in, gevuld met etenskraampjes en -stalletjes, en komen uit bij een flinke boekwinkel. Geïntrigeerd bekijken we de schoolboekjes Engels. Ook die blijken vrij van wat voor propaganda dan ook. Integendeel haast. Wij lezen het verhaal van het meisje dat zich moedig tegen de wens van haar vader verzette en zo een van de beroemdste kunstenaars in Amerika werd. En over het schoolsysteem in de VS, waar de openbare scholen worden gefinancierd met belastinggeld, en de privé-scholen niet, zodat die best wel duur zijn. In een wat voortgezetter boekje wordt de werking van de CD-speler uit de doeken gedaan. Helemaal gespeend van Chinese invloeden zijn de teksten niet. Vooral de dialogen doen soms wat koddig aan. ("So you are the honoured Mr. X. My boss and you have a very good and long-lasting relationship on wich my boss would like to further build" "A thousand excuses for disturbing you").

Het belangrijkste plein van Lanzhou is communistisch-poëtisch gedoopt tot het Het-Oosten-Is-Rood-Plein. In een hoekje van dat plein hebben een aantal oude vrouwtjes zich verzameld. Onder luid plezier beginnen ze liedjes te zingen en te dansen. Langzamerhand komen er steeds meer omstanders, maar de dames gaan onverstoorbaar verder. Met name van de mensen die achter het hekje staan is het ook niet helemaal duidelijk of ze naar de dames komen kijken, of naar ons.

Bij een mountainbike-winkel verderop heeft zich een menigte verzameld. Wij neuzen mee en zien achter het hek twee blonde hoofden. De man ziet ons en steekt enthousiast zijn hand op. Het blijken twee Canadezen die per mountainbike in vier maanden van Siberië hierheen gefietst zijn. Ze willen nog verder via Tibet naar India. Ze zijn voor de fabrikant de mountainbike aan het testen en hier zit de enige leverancier in China die op de route ligt. Beiden spreken geen woord Chinees.

Bij het kantoor van de PICC, de Chinese nationale verzekeringsmaatschappij, sluiten we een reisverzekering af. Hier in de provincie Gansu heeft men de merkwaardige gewoonte dat je als buitenlander alleen met de bus mag reizen als je bij de PICC een reisverzekering hebt afgesloten. Dat schijnt met name te maken te hebben met dekking wegens schade veroorzaakt door derden en allemaal te maken te hebben met de dood van een Japanse toerist in een busongeluk in 1991, en de rechtszaak die zijn ouders daarop aanspanden. Bovendien is het een goede manier om argeloze toeristen 30 yuan uit de zak te kloppen.

We komen bij een kruispunt waar een aantal grote warenhuizen gevestigd zijn. De eerste bestaat uit drie verdiepingen kleding en schoeisel. De tweede is leuker. Buiten op een terrasje eten we een kokos/sinaasappel ijsje voor twee kwartjes. En ook in de winkel valt meer te beleven. We kopen een kleine wereldatlas zodat we in het vervolg wat makkelijker kunnen uitleggen waar He Lan nu precies ligt. Het ding heeft zelfs een plattegrond van het centrum van Amsterdam.

Tegenover het warenhuis is een eettentje waar we dineren. Ook hier moeten we het met een louter Chinese kaart doen. Voor het eerst moeten we thee apart bestellen en betalen. Het eten is hier een stuk beter dan we de afgelopen dagen gehad hebben. Dat was altijd erg lekker, maar vooral op het eind nogal vet. Christa prikt maar eens iets willekeurigs van de kaart, waarvan we alleen kunnen ontcijferen dat het rundvlees moet zijn. Daarnaast nemen we een kipgerecht uit de Lonely Planet. Het rund blijkt geslaagd, mals met groenten en pepers. Nog sissend op een metalen schaaltje wordt het binnen gebracht. Ter afsluiting nemen we nog een kruidig varken met pinda's. Per minibus gaan we terug naar het hotel.


Dinsdag 23 september 1997


Het regent behoorlijk. Nu komt dat op zich wel mooi uit, want we waren toch al van plan vandaag naar het Gansu Provinciaal Museum te gaan. Eerst keutelen we nog wat rond in het hotel. Als we de straat op gaan, kunnen we meteen al een miniparaplu kopen voor 15 yuan. Da's toch aanzienlijk goedkoper dan de 40 die die dingen gister in het warenhuis kostten.

Een vriendelijke wacht bij het museum weet ons te melden dat de zaak om half 3 weer open gaat. En het is nu een uur. Onverrichterzake vervoegen wij ons derhalve maar bij het naburig warenhuis. Bij de electronica-afdeling koopt Marco voor een tientje een mini en opklapbaar 512 in 1 computerspelletje. Op de cosmetica-afdeling koopt Christa een spuitbus hairspray. Samen kopen we op de brood- en banketafdeling een flinke kokoscakekoek.

Het is tijd voor een nieuwe poging bij het museum. De wacht groet ons opnieuw vriendelijk maar verzuimd te vermelden dat we bij de hokjes voor het gebouw voor 25 Yuan onze toegangskaartjes moeten kopen.

De provincie Gansu, waar we ons nu bevinden, wordt beschouwd als de bakermat van de Chinese beschaving. De eerste vondsten in het museum bestaan dan ook uit nog volledig in tact zijnd beschilderd keramiek dat niet minder dan 8000 jaar oud is, uit de Dadiwan-cultuur. Verde is het museum geconcentreerd op de zijderoute, dat door deze provincie heen ging, en een belangrijk communicatiemiddel vormde tussen China en het Westen. Topattracties van het museum zijn verder, uit een latere periode, een bronzen vliegend paard, een gebeeldhouwd legertje, en manshoge, kleurige, angstaanjangende Tang-strijders.

We kuieren verder door Lanzhou en kopen een zakje popcorn. We hebben al verschillende pogingen gedaan om hier een fatsoenlijk CD-winkel te vinden, maar op een of andere manier blijken de cassettekraampjes die ook nog wat CD's verkopen, haast alleen maar Video-CD's te hebben. De fase van de CD-speler lijkt men min of meer overgeslagen. Uiteindelijk komen we ook hier bij een winkeltje dat een heel klein hoekje met een 15 tot 20 CD's heeft. Christa koopt voor 25 yuan een CD van een Populaire Chinese Zanger, van wie op dat moment in het winkeltje een Video-CD draait.

Volgens de Lonely Planet moet hier in de buurt ook ergens een Foreign Language Bookstore zijn. We hebben geen adres, en allemaal een aanduiding op een onvolledig kaartje. Het lukt dan ook niet erg het ding te vinden. Wel raken we weer verzeild in een basisschool die net uit gaat, zodat we opnieuw onder de voet worden gelopen door hello roepende Chinese kindertjes.

In een restaurant bestellen we deels uit de Lonely Planet en laten ons deels iets aansmeren door het bedienend personeel. Uiteindelijk komen we uit op drie gerechten, die wel alle drie verrekte klein blijken te zijn. Men maakt hier onderscheid tussen kleine en grote gerechten, en wij hebben de kleine te pakken. Een nieuwigheid zijn de garnalen met watergroente. Het restaurant heeft speciaal een mevrouw ingehuurd om weer water in ons kopje te schenken op het moment dat wij een slok thee hebben genomen. Als je hier in een restaurant thee drinkt, krijg je een handvol theebladeren in je kop of pot gegooid, zodat je met het gratis verstrekte warme water eindeloos kan blijven doordrinken. Mevrouw heeft het maar druk met ons en verbaasd zich over onze eindeloze theeconsumptie. We hebben nog steeds honger en laten een grote gekruide kip met pinda's aanrukken. De totale schade blijft toch beperkt tot rond de 35 yuan.

In Lanzhou is het al net zo als in de rest van China: op het moment dat de winkels sluiten, komt de straat tot leven. Overal duiken nu kraampjes en doeken met koopwaar op. We lopen naar het Het-Oosten-Is-Rood-Plein, waar iets van een bazaar gaande is. Voor 1 yuan mogen we 8 ballen gooien op een enkele meters verderop opgesteld geïmproviseerd basketbalnetje. Tussen het netje en de werper staan acht mandjes met prijzen. Hoe meer ballen in het netje, des te verder het mandje waar je een prijs uit mag zoeken. Het aantal omstanders is enorm als wij een poging wagen. Er staan drie basketbalnetje-uitbaters naast elkaar. We proberen ze allemaal. De menigte trekt, tot ons vermaak, met ons mee van netje naar netje. De uiteindelijke oogst bedraagt 1 potlood.

De volgende attractie is het ringgooien. Op een paar vierkante meter van het plein staan in nette rijen prijzen opgesteld. Voor 1 yuan mogen we 8 ringen gooien. Als die om een prijs komen, is die voor ons. De oogst bedraagt hier 1 suf spiegeltje. Het op ballonnen schieten, het touwtje trekken maar dan met Chinese stokjes, en het ring gooien maar dan met fietsbanden laten we maar voor wat ze zijn, en met een busje gaan we weer terug naar het hotel.