Woensdag 10 september 1997


 Om tien voor tien vertrekt ons vliegtuig naar Zurich. Dat is een uur vliegen, en na een ontbijtje beginnen we langzaam wakker te worden. In Zurich moeten we zo'n drie-en-een-half uur wachten. Dan vliegen we rechtstreeks door naar Beijing. In het vliegtuig zitten verrassend weinig Chinezen. Wel is een compleet blok stoelen voor ons ingenomen door een Hollands bejaardenreisje van een ons onbekende reisorganisatie. Zij vliegen door naar Shanghai.

Donderdag 11 september 1997


 Om kwart na middernacht Nederlandse tijd en kwart over zes 's ochtends lokale tijd wordt het toestel aan de grond gezet in Beijing. We gaan nog even flink in de remmen om de niet al te grote aankomsthal nog te halen. In tegenstelling tot wat de Lonely Planet beweert komt de bagage-afhandeling binnen de kortste keren op gang. De douane keurt ons geen blik waardig en rond zeven uur staan we al buiten. Boven op de luchthaven kunnen we vlot geld wisselen. Er gaan 4 yuan in 1 gulden. Voor 16 yuan mogen we een kaartje kopen voor de pendelbus naar het centrum. Die is nog lekker rustig op dit uur. Een rit van 25 kilometer is onze eerste kennismaking met Beijing, dat nu niet bepaald schokkend verschilt van elke willekeurige andere grote stad in een minder rijk land, behalve dan dat alle opschriften hier volstrekt onleesbaar zijn.

De pendelbus zet ons af bij de Airport Building, in het centrum van de stad, even voorbij het plein van de hemelse vrede, Tiananmen plein. Wij hijsen onze rugzakken de bus uit. Verschillende fietstaxi's bieden zich aan, en zwaaien met foldertjes van hotels. Wij steken eerst de straat over en trekken ons plan. Wij hebben een probleem. Zo goedkoop zijn hotels hier inmiddels ook niet meer, en de enige goedkope die er zijn, zijn allemaal een roteind lopen van het dichtstbijzijnde metrostation. Bussen schijnen hier ook altijd stampvol te zitten, dus dat lijkt ook wat lastig. Uiteindelijk nemen we maar een van de twee hotels die door de Lonely Planet worden omschreven als populair bij rugzakkers, en kiezen op basis van de lokatie voor het Jinghua. De taxichauffeur weet niet precies waar dat is, maar druk Chinees kwebbelend met Christa, en met behulp van de kaart en een collega, komen we er wel uit.

Onderweg vraagt de chauffeur waar we vandaan komen. He Lan, Nederland, antwoorden wij. "Ah! He Lan! Koelietah! Koelietah!" roept de man enthousiast. Vragend kijken wij elkaar aan. "Gullit!" suggereert Marco. Dat blijkt het geval. En ook Wannabassa kent-ie.

Inmiddels rijden wij een flink eind over de rondweg. De taximeter lijkt het niet te doen, maar na een paar kilometer begint-ie te draaien. Het startbedrag is 10.4 yuan. Maar daar mag je, zo blijkt later, wel 3.5 kilometer voor rijden. Daarna is het 0.8 yuan per halve kilometer. Als we de rondweg weer af gaan, ziet Christa plotseling het Lihua hotel, het andere hotel dat wordt aanbevolen. Daar stoppen we. Het is immers maar de vraag hoe makkelijk de chauffeur dat andere hotel kan vinden.

Om een uur of negen stappen we het Lihua-hotel binnen. Dat is even schrikken, want het geheel ziet er verrekte poepsjiek uit. Het blijkt echter, voor Beijing-begrippen spotgoedkoop. Verdacht goedkoop haast. Een tweepersoonskamer met douche en toilet doet 224 yuan, zonder slechts 138. We vragen of we een en ander mogen zien. De begrijpelijk Engels sprekende man achter de balie neemt ons mee naar boven en trommelt daar een jongen op die met een grote bos sleutels komt en ons twee kamers laat zien. Omdat de kamer zonder en het douchehok er prima uit zien, nemen we die maar. Beneden betalen we voor twee nachten, en krijgen ook nog eens bonnen voor het ontbijt. De bediening is uitermate vriendelijk.

In een Chinees hotel is het niet de gewoonte dat je een sleutel van je kamer krijgt. Op elke etage zit iemand aan wie je mag vertellen op welke kamer je zit, en die vervolgens een grote ring met sleutels meeneemt en je kamer openmaakt. Eerst moeten we daar een borg van 50 yuan per persoon achterlaten, waarop we elk een kaartje krijgen met een boel Chinese karakters en ons kamernummer.

Ook de kamer ziet er prima uit, met telefoon en kleurentelevisie met veel doch louter Chinese zenders. Tot een uur of half een slapen wij, dan worden wij wakker omdat er een mevrouw binnenkomt die een immense thermosfles heet water, twee kopjes en theezakjes binnen zet. Wij drinken een kopje thee.

Beneden kunnen we ook probleemloos onze travellers cheques wisselen. Wij doen verwoede pogingen om hier in de buurt fietsen te huren, maar dat lijkt niet mogelijk. Dan maar te voet. We lopen langs een brede weg richting centrum. Het wemelt hier werkelijk van de fietsers. Aan weerszijden van de weg is dan ook een brede strook asfalt dat dienst doet als fietspad, waar ze bij stoplichten met zo'n acht rijen dik staan te wachten. Verkeersregels zijn nog niet erg in zwang in China. Iedereen wemelt maar wat door elkaar heen, slaat af als het zo uitkomt, zonder daarbij enige acht te slaan op het rechtdoorgaande verkeer. Automobilisten veranderen van baan zonder in hun spiegels te kijken, wat weer leidt tot stevig toeteren van de achterligger.

Op de hoek van blok even verderop bevindt zich de Asia Supermarket. Altijd boeiend. Het is een behoorlijk groot exemplaar. Toch zeker wel een vijfje, zo schatten wij. De instant-maaltijden blijken ook hier doorgebroken. Drie gangpaden staan vol met instant-noedelsoepen, in alle denkbare smaakjes en pakjes, vanaf twintig cent per stuk. Kokend water erbij, paar minuutjes wachten, klaar. Frisdrank gaat hier voor een gulden per liter. Fruit is aanzienlijk duurder. Druiven, netjes voorverpakt in plastic, gaan voor zestig gulden de kilo. Thee varieert van vijftien tot duizend gulden per kilo.

Om de hoek van de Asia Supermarket, jawel, de McDonald's. En het is er niet eens zo druk. Een Big Mac doet hier een rijksdaalder. Een hamburgermenu ook. Daar maken wij dankbaar gebruik van. Schuin voor de McDonald's staat een stalletje met drie telefoons. Daar kunnen we bellen. Slim systeem wel. Op bijna elke straathoek van Beijing staat wel iemand die met een verlengsnoertje z'n telefoon heeft doogetrokken en zo voorbijgangers laat bellen. Wij bellen eerst Min Lan Pang, een vriend van een Chinese die Marco vorige week op een conferentie is tegengekomen. Hij blijkt niet thuis, en een mevrouw die dat wel is, is niet echt te begrijpen. Daarna bellen we Sun, de Chinese docent van Christa. Hij neemt wel op, maar bevindt zich in Dalian, zo'n 19 uur treinen verderop. Tenslotte bellen we de lokale ABN Amro.

We lopen kilometers door de straten en langs de fietspaden van Beijing. Op bijna elke straathoek is een instant fietsenmaker te vinden, die met een gereedschapskistje en een karretje met reserve-onderdelen alle pech onmiddellijk verhelpt. Tot nu toe komen de Chinezen op ons over als uitermate vriendelijke mensen, volstrekt verschillend van het kille en botte volk waar iedereen over schrijft.

Het wordt snel donker in Beijing. Om kwart voor zeven schemert het al behoorlijk en niet al te lang daarna is het stikdonker. We lopen langs veel eettentjes-, kraampjes, en stalletjes en vooral ook kappers. Gezellige boel hier. Het heeft veel weg van Chinatown, wat ook weer niet zo verbazend is. We gaan op zoek naar het veelgeprezen Sichuan restaurant, met voedsel uit de gelijknamige landstreek. Dat eten staat bekend als de lekkerste van de 4 Chinese keukens, zij het vrij pittig.

Het restaurant lijkt weer verdraaide sjiek, maar dat blijkt, zoals het hier wel vaker het geval is, toch tegen te vallen. Op het eerste gezicht en te oordelen naar de pakjes van het bedienend personeel is het poepsjiek, maar goedbeschouwd is het interieur nog best wel armetierig. Ze hebben hier een tweetalig menu, Chinees en Engels, dus da's handig. Waar het precies misgaat is ons onduidelijk, maar we bestellen iets wat uiteindelijk na veel ontcijferen en navragen, en als we ons eerste bordje al bijna met veel pijn en moeite hebben weggewerkt,  kalfszenuw blijkt te zijn. Jummie. Het ziet er uit als verlepte peer, dan wel rauw vlees, dan wel pure vetrandjes, en het smaakt mals doch weerzinwikkend. We eten braaf ons eerste bordje leeg en laten de rest toch maar staan. Ons andere gerecht, gekruide kipfilet, is wel overheerlijk, en bestaat uit zeer lange dunne reepjes kip, vermengd met ragdunne strookjes paprika.

Na het eten lopen we langs het Tiananmen plein, naar verluidt het grootste plein ter wereld. Blijkbaar zijn er voorbereidingen voor een of andere herdenking in voorbereiding. Op verschillende plaatsen op het plein wordt gebouwd aan gigantische vazen met dito bloemen, maquettes van de muur en kunstof heuveltjes met mansgrote vruchten.

Met een taxi gaan we weer terug. We herkennen de weg, rekenen af en stappen zelfverzekerd de lobby binnen. Pas na een paar keer verbaasd rondkijken dringt het tot ons door dat dit het verkeerde hotel is. Dit is degene waar we vanochtend in eerste instantie heen wilden. Lijkt er wel verdacht veel op. Gelukkig is ons hotel niet ver om de hoek. Noodzakelijkerwijs moeten we bij de McDonald's langs. Daar leren we het Chinees voor aardbeienmilkshake. Na elven komen we weer terug in ons eigen hotel.


Vrijdag 12 september 1997


Vandaag verslapen wij ons ontbijt, dat hier geserveerd blijkt te worden op de Spartaanse tijden van 6:40 tot 8:30. Wij slapen de laatste jet-lag er uit en staan om elf uur op. De douches zijn lekker. Wij zetten de TV maar eens aan. Nog net op tijd voor de samenvatting van Hongarije-Zwitserland van anderhalve week geleden. Daarna zowaar een reportage over Nederlands voetbal, met portretten van Ajax, Feyenoord en PSV, plus alle uitslagen van de vaderlandse competitie. Ook een paar weken oud, uiteraard, Alles is gewoon integraal overgenomen van een of andere Engelstalige zender, met Chinese voice-over.

Met bus en tram rijden we weer naar Tiananmen. De bus is een stuk rustiger dan ons beloofd is, al moeten we nog wel staan. De prijzen zijn dan ook behoorlijk gestegen, naar een halve yuan per persoon. De metro kost twee. Er zijn twee perrons: richting noord en richting zuid. Beetje merkwaardig als je op het onderste, rechte stuk zit van een rondrijdende lijn.

Tiananmen blijkt nog groter dan het in eerste instantie leek. Midden op het plein staat het gigantische mausoleum voor Mao, met aan weerszijden een niet onaardig revolutionair beeld. Aan het plein staan verder het Chinees Revolutionair Historisch Museum, de Grote Volkshal, waar het parlement resideert, en het Monument voor de Volkshelden. Tegenover het plein staat de poort van de hemelse vrede, met een levensgroot portret van Mao. Tussen plein en poort is een meerbaans eenrichtingsverkeersweg, Wij herkennen de lokatie van de televisiebeelden van de opstand hier in 1989. Tot een miljoen mensen demonstreerden toen hier voor meer democratie, terwijl er ook in andere steden demonstraties waren. Nadat studenten al wekenlang het plein hadden ingenomen, trokken 350.000 man militaire troepen naar Beijing om het plein schoon te vegen. Tegenwoordig wordt Tiananmen vooral gebruikt om foto's te maken van familieleden met een van de bezienswaardigheden op de achtergrond.

Tegen tweeën lopen we weer verder en nemen we een taxi richting ABN Amro. De chauffeur heeft weinig benul van waar dat is, maar rijdt wel de goede kant op. Als we zeker al te ver zijn stappen we maar uit. Telefonisch krijgen we wat nadere aanwijzingen en zo komen we rond kwart over drie bij een grote kantoorflat waar Citibank op staat, maar op de 3e etage ook een kantoortje van de ABN Amro huisvest. Tot onze vreugde heeft de Citibank hier ook een automaat staan waar we kunnen pinnen.

Op het ABN Amro kantoor hier werken 9 mensen. We maken een praatje met de baas, Karel Buessink. Hij woont 20 kilometer ten noorden van Beijing, want een voor bankbazen beetje acceptabel appartement in het centrum doet 8000 dollar per maand. De bank zit hier in China met name in Shanghai en Hongkong en daarnaast nog met kleine kantoortjes, zoals deze, in vier andere steden. Buessink wijst ons op de kaart het uitgaanscentrum voor diplomaten en buitenlandse werknemers.

Wij lopen verder in oostelijke richting en gaan naar de zijdemarkt, een markt van redelijke omvang waar je de wereld aan zijden kleding en echte nep-merkartikelen kan kopen. Zijden stropdassen zijn verkrijgbaar vanaf f 7.50. Het eerste gedeelte van de markt bestaat uit een zeer nauw straatje, waar je amper door komt, zeker niet als je ook nog een etenskarretje tegen krijgt. Daarna loopt de markt door aan een kant langs een brede weg, zowel rechtdoor als linksaf. Het koopwaar vertoont overal wel opmerkelijke overeenkomsten.

We lopen rond op zoek naar Ritan park en naar een restaurant dat daar gevestigd is. Wij zijn in de ambassadebuurt, waar voor elke ommuurde ambassade enkele Chinese soldaten op wacht staan, en een kleine etalage met plaatjes van minstens 20 jaar oud die de belangrijkste toeristische attracties van desbetreffend land laten zien.

Ons restaurant blijkt in staat van hevige verbouwing. We lopen om Ritan Park heen en verzeilen in een soort Russiatown, met opschriften in het Chinees en Russisch. Weer de hoek om en we komen in een groot restaurant met binnen en buiten plaats. We krijgen twee menukaarten, zowel een Kantonese als een Sichuan. Van beiden kiezen we een gerecht. Kip met ananas en gekruid varkensvlees. Het varkensvlees ziet er in eerste instantie onschuldig uit. Tussen de stukjes mals varken drijven echter opnieuw pootjes. Varkenspootjes vermoeden wij. Weliswaar iets smakelijker dan kalfspootjes, toch laten wij dat gedeelte van de schotel maar staan, tot verbazing van het bedienend personeel. Dan maar een toetje. Christa bestelt de dikke bonensoep. Er komt een gigantische schaal binnen van het bruine spul. Als wij allebei een kommetje genomen hebben is er nog geen daling van de waterspiegel waarneembaar. Het spul is warm, smaakt naar iets van custard, en is smakelijk. Even later komt er nog een flinke schaal gecarmeliseerde ananas binnen. Wij raken toch nog vol.

Met de bus reizen we naar het Beijing station, althans, daar in de buurt. Wij willen zondagochtend naar Datong. Op de eerste etage van het station vinden wij een dienstregeling, en weten daar na veel moeite en ontcijferen uit te komen. Voor een kaartje worden we naar beneden gestuurd, naar het kaartjesloket voor buitenlanders. Die betalen namelijk zo'n beetje het dubbele van Chinezen.

Treinplaatsen komen in vier smaken. Uiteraard is er in het communistische China geen sprake van een eerste of tweede klasse. In plaats daarvan hebben we de harde en de zachte sector. In bijna elke trein zijn zowel zit- als slaapplaatsen, zodat de totale keus komt op harde zit, zachte zit, harde slaper en zachte slaper. De harde zit wordt ernstig afgeraden, vooral op de langere stukken. En omdat de zachte zit al vol is, gaan wij voor de harde slaper. De kaartjes kosten 70 yuan per persoon, aanzienlijk minder dan de Lonely Planet heeft aangekondigd.

Als we de kaartjes al hebben, zien we dat Marco zich in de datum vergist heeft: zondag is het de 14e, en niet de 13e. Dat betekent dus dat we morgenochtend al uit Beijing zullen vertrekken. We nemen een taxi terug naar het hotel, omdat de bus wel erg lang op zich laat wachten.


Zaterdag 13 september 1997


 Vandaag zijn we op tijd voor het ontbijt. De ontbijtzaal bestaat uit grote ronde tafels met draaischijf, waar de televisie stevig staat te tetteren. Het ontbijtbuffet is een interessant geheel van gerechten die er allemaal verrekte vegetarisch uitzien. Een soepje wordt ook nog bij het geheel geserveerd. Bij de mensen die bij ons aan tafel worden geplant spieken wij hoe een en ander naar binnen te werken.

Een taxi brengt ons naar het station. We worden weer een paar keer van kastje naar muur gestuurd, maar belanden toch in het goede wachthok. Het treinnummer klopt wel, maar de aangegeven tijd niet. De trein blijkt vertraagd en komt pas om 11:35 in plaats van 10:10. Een grote ruimte op de eerste etage van het station is met een hek in tweeën gedeeld en aan weerszijden zitten veel mensen op een lange rij kuipstoeltjes op hun trein te wachten. De wachtruimte bij onze trein is al vol en we gaan voor aan de korte kant zitten wachten. Meteen krijgen we veel aandacht. Verschillende mensen zitten verbaasd naar ons te kijken. Geïnteresseerd wordt over onze schouders meegekeken naar welke boekjes wij lezen en welke speeltjes wij hebben. Als we een foto nemen van een klein meisje dat om Marco heendreutelt, kijkt de hele zaal grijnzend en vol goedkeuring toe.

Om 11 uur gaan de hekken los en mogen we de trein in. Het is een lange trein. Bij elke slaapwagon staat een mevrouw met een grote rode sjerp klaar om je kaartje te controleren. Die wordt door haar in een mooie map met vakjes gestopt en ingeruild voor een metalen plaatje met wagon en bednummer. De plaatsen zijn aangenaam. Er zijn geen aparte coupees, maar de wagon is onderverdeeld in cellen van zes bedden, die steeds met een tussenwandje gescheiden zijn. Bij elk raampje in het gangpad zijn twee klapstoeltjes en een tafeltje. We hebben allebei een onderste bed. Ook hier vinden de passagiers ons wel weer boeiend. Bij elke cel met zes bedden staat een flinke thermosfles heet water. Daarmee brouwen de Chinezen onderweg thee en noedelsoep.

We rijden door een heuvelachtig gebied met veel groen. Typisch zo'n landschapje van de kalender van de afhaalchinees. Hier en daar zien we boeren met pyramidevormige hoeden, in het land werken. Langzamerhand wordt de omgeving bergachtiger, en zien we meer tunnels. Onder elk tafeltje staat een plat rechthoekig bakje, waar de passagiers hun afval in kunnen gooien. Zo nu en dan worden die door het vriendelijke treinpersoneel op efficiente wijze geleegd. Raampje open, bakje buiten leegkieperen, raampje weer dicht.

Om een uur of zeven worden we in Datong bijkans uit de trein gesleurd door een medewerker van de CITS, de China International Travel Service, het nationale reisbureau voor buitenlanders. Wij komen vast uit Nederland, dat hoort hij aan onze Engelse uitspraak. Hij sleept ons mee naar hun kantoortje in de hal van het station, en zegt dat ze ook goedkope hotels leveren. Voor 180 Yuan krijgen we een kamer met bad in hotel Fei Tian, tegenover het station. Als je daar zelf heengaat, dan betaal je 220, zegt hij. Later blijkt dat nog te kloppen ook. Ze doen ook tours, zegt hij, laat het stenciltje zien en vraagt welke tour we morgen willen. Ho ho, niet zo driftig. Wij denken er nog even over. Bij het kantoor loopt ook een Tsjechische toerist van in de 50, met baard en amper Engels sprekend, enigszins verdwaasd rond. Hij is in Ulan Bator al zijn geld kwijtgeraakt, zo luidt het verhaal, en zoekt daarom nu een slaapplaats van 1 à 2 dollar. Later duikt zijn vrouw ook nog op. Merkwaardig. Als we ons hotel afrekenen staat er een haag van nieuwsgierige Chinezen voor het raam. De man van CITS brengt ons naar het hotel, en naar onze kamer, 1006. En zo zitten we binnen tien minuten na aankomst volledig verbouwereerd al in een hotelkamer.

Van de etageopzichtster krijgen we een plaatje met ons kamernummer ter legitimatie. Als je dat kaartje in het gleufje naast de deur stopt, wordt de elektriciteit in de kamer ingeschakeld. Handig systeem. Vanuit onze kamer op de 10e etage hebben we een prachtig uitzicht op het stationsplein. Hoewel, plein, er is eerder sprake van een groot geasfalteerd oppervlakte waar alles en iedereen in alle mogelijke richtingen door elkaar rijdt en loopt. Dat levert uiteraard een vreselijk en continu getoeter op, waar we hier de komende dagen nog van mogen genieten.

Rond het station staan ook een groot aantal eetstalletjes en kraampjes die kruidenierswaren verkopen. Wij kopen twee bakjes noedelsoep, even warm water er bij schenken, paar minuutjes wachten, en klaar, bij wijze van ontbijt voor morgenochtend. Vlak naast ons hotel is een groot restaurant, dat al bijna uitgestorven is. Drie man personeel zijn ingehuurd om ons welkom te heten. Ook hier lijkt het sjiek. De menukaart bevat hier geen prijzen. Maar even navragen dus. Chinezen zullen je niet gauw oplichten door plotseling de prijs te verhogen, maar in elk restaurant in China staat wel een gerecht op het menu dat een paar honderd gulden kost. Wij zijn vandaag samen voor acht gulden klaar. Bijna overal is onbeperkt thee bij de prijs van de maaltijd inbegrepen. Wel vindt men het een beetje merkwaardig dat we niets anders te drinken nemen.

Na negenen begint het personeel een beetje onrustig te worden. Tegen half tien komt een meneer met de rekening en vertelt dat het restaurant eigenlijk om negen uur dicht gaat. Wij betalen en mogen verder rustig dooreten. Na het eten gaan we naar het hotel.


Zondag 14 september 1997


Gisteravond hebben we besloten vandaag toch maar met de CITS-tour mee te gaan, die om half negen bij het station vertrekt en naar het hangend klooster en de Yungang grotten gaat. Om half acht gaat dus de wekker. Tien minuten later gaat de telefoon. Het is onze man van de CITS. Of we nog mee op toer gaan. Uitermate commerciële instelling hier.

Op de excursie blijken verder alleen nog twee Duitsers mee te gaan. Ze studeren geografie en zijn eerst op een drieweekse excursie door Mantsjoerije getrokken. Daarna zijn ze nog op eigen houtje twee weken door China gegaan. Onze gids voor vandaag is Dou, die behoorlijk Engels spreekt, al is het even wennen aan de uitspraak.

 

Met een minibus rijden we naar de eerste attractie, de hangende tempel, zo'n 80 kilometer buiten Datong. We rijden daarbij door uitermate spectaculair berglandschap. Bij een dorpje mogen we er uit om foto's te maken Er komt meteen een zwerm kindertjes op ons af die proberen ons belletjes aan te smeren. Een jongetje van net een paar jaar oud doet zelfs verwoede pogingen ze aan Christa's vinger te schuiven. We rijden verder naar het klooster. Dat is volledig tegen de berg aangeplakt en steunt op palen. Spectaculair gezicht wel. Op deze manier is het beschermd tegen wind en regen. Nog belangrijker is dat het klooster als enige aan maar liefst drie godsdienten is gewijd, Boeddisme, Confucianisme en Taoisme, en op deze manier kan aan de voorschriften van alledrie worden voldaan. Het ding is meer dan 1400 jaar oud, en er woont nog precies 1 monnik. We bekijken het ook eens van binnen, wat een behoorlijke krappe bedoening is, elkaar passeren is onmogelijk. Op verschillende plaatsen staan beelden van de verschillende godsdiensten opgesteld, met offerspaarpotje. Na het klooster lopen we nog even de andere kant op, waar we na een korte klim bij de dam aankomen. Het water staat vandaag wat laag, maar er zijn mooie uitzichten.

Met de bus terug stoppen we in een naburig dorpje waar we in een plaatselijk lokaal mogen lunchen. Er is ons een uitgebreide lunch beloofd met zes gerechten voor 20 yuan per persoon. Als we al even zitten, komt eindelijk het eerste gerecht. Na nog even wachten komen er nog twee. Als we gaan eten worden er voortdurend nog meer schalen aangesleept. Als laatste komt ook nog een flinke schaal soep binnen. Wij tellen nu toch echt 11 gerechten. Misschien tellen ze de groente, brood en rijst niet mee. Alles is overheerlijk. En het blijkt nog steeds 20 yuan te kosten. We babbelen nog even met het personeel. Onze briefjes van 10 en 25 gulden vinden ze uitermate boeiend.

 We rijden eerst weer terug naar Datong om de Duitsers af te zetten, die gister al onze middagattractie hebben gezien. Dan rijden we in een half uurtje naar de Yungang grotten. Dat is een complex van enkele tientallen grotten, waar zo'n anderhalf duizend jaar geleden een gigantische hoeveelheid Buddhas uit is gebeeldhouwd. Indrukwekkend. Ze hebben er 51000, in grootte variërend van 2 centimeter tot 17 meter, gehouwen in zandsteen, over een afstand van 1 kilometer. Het zaakje is gehakt tussen 460 en 494 na Christus. De meest spectaculaire zijn de grotten 5 en 6. Nummertje 5 herbergt de 17 meter hoge Buddha, zoals te doen gebruikelijk geflankeerd door de vorige Buddha en de toekomstige Buddha. Langs de wanden zijn een ontstellende hoeveel kleine Buddhaatjes gebeeldhouwd, wat iets weg heeft van een gigantische letterbak.

Grot 6 is het pronkstuk. In het midden van die grot staat een flinke rechthoekige pilaar, waar je omheen kan lopen. Aan de bovenkant daarvan is een pagode gebeeldhouwd, ondersteund door olifanten. Langs de wanden van de grot en de pilaar is het verhaal van de eerste Buddha, Prins Siddhartha Gautama, gebeeldhouwd. Het verhaal gaat dat zijn vader ooit met hem naar een waarzegger ging, die zei dat zoonlief een groot man zou worden, mits hij geen ziekte, armoede of ouderdom zou zien. Pa sloot zoon daarop op in het paleis, maar op een gegeven moment wil de jongen natuurlijk toch naar buiten. In eerste instantie weet pa nog het een en ander in scene te zetten, maar uiteindelijk ziet de jongen toch wat hij niet mag zien en is geschokt door zoveel ellende. Hij gaat onder een boom zitten mediteren en ziet na een tijdje Het Licht, begrijpt het allemaal en wordt zo Buddha, De Verlichte. En dat allemaal gebeeldhouwd in grot 6. Ter verkrijging van een lang leven dient men drie keer tegen de klok in om de pilaar heen te lopen. Dat doen we dus maar.

In de verdere, vaak wat kleinere grotten, zijn nog de meest uiteenlopende Buddhas te zien. Spectaculair is ook een openluchtBuddha, waarvoor de grot waarschijnlijk ingestort is. Dat is ook de bekendste van het stelletje, al was het alleen al omdat hij zo makkelijk te fotograferen is. De grotten even verderop zijn de eersten die gehakt waren. Dat is ook wel te zien, want er moest nog geoefend worden, en dus ging er nog wel eens iets mis. Zo is daar een Buddha met een enigszins mislukte neus, en een Buddha met wel erg korte pootjes. Men hakte de grotten zelf, en werkte dus van boven naar beneden. Dan is het soms wat lastig uitmikken waar je met de benen moet beginnen.

Na de grotten mogen we nog met de gids mee om in een grote winkel een kopje thee te drinken. Daar hangen een aantal wanddoeken, echt zijde, die wij erg mooi vinden. De verkoopster merkt onze interesse. Het is een koopje, vindt ze, voor 620 yuan, 125 gulden. Terwijl op het prijsje 880 staat. Toch vinden wij dat veel te duur. Onze gids lijkt ook verontwaardigd. Het is het eind van het seizoen, vindt zij, en ze moeten het kwijt. Mevrouw zakt snel. Hoeveel we er dan wel voor over hebben. 100 yuan vinden we meer dan genoeg. Na hevig onderhandelen komen we uit op 130 yuan.

Meteen zijn we dikke vriendjes met de uitbaters. Ze vragen of we misschien Nederlandse muntjes bij ons hebben, want ze verzamelen muntjes. Dat blijkt het geval. Marco haalt een zakje vol tevoorschijn met Nederlands en Belgisch kleingeld. Het enthousiasme is groot. Ze willen ze allemaal wel overkopen. En dat gebeurt dan ook. Met een flinke stapel Chinees kleingeld gaan we weer naar huis. De chauffeur is hevig in zijn nopjes, want hij heeft ook een paar muntjes weten te bemachtigen.

Twee uitbaters van de winkel rijden ook weer mee terug naar Datong. Mevrouw kwebbelt met Christa en vindt het allemaal bijster interessant.

's Avonds willen wij een poging doen om naar Nederland te bellen. Volgens het boekje kost dat zo'n 5 gulden per minuut, met een minimum van 3 minuten. Maar misschien lukt het ook met de Scope-card. We lopen naar het station op zoek naar een telefooncel, maar die is daar niet. Wel lopen we onze man van CITS tegen het lijf die ons vertelt hoe we bij het postkantoor komen. We maken meteen van de gelegenheid gebruik om nog een nachtje bij te boeken.Terug in het hotel nemen we een bakje soep bij wijze van avondeten. Wij zitten nog steeds behoorlijk vol van onze copieuze lunch. Dan stappen we op de bus waar we opnieuw tegen de man van CITS aanlopen. Hij lijkt overal.

Het postkantoor is op het centrale plein van de stad. Van binnen ziet de telefoonafdeling er echter nogal ingewikkeld en druk uit en tegen het moment dat we het beginnen te begrijpen is het al te laat om te bellen. Ook bij een naburige privé-telefoon mogen we het scope-nummer niet bellen. We kijken dus maar verder rond in het centrum.

Op een weg vanaf het plein staan veel kraampjes langs het fietspad. Wij trekken veel bekijks, zoals overal in Datong. Overal worden we flink nagestaard en is er wel iemand die Hello, if eerder nog Hallo roept. We raken verzeild in een avondwinkel die nog open is. Wij brengen weer een uitgebreid bezoek. Vooral de zoutjesafdeling is hier zeer omvangrijk. Veel soorten ook, zoals de kokoscrackers, de snackerwten, de garnaalchips, kipknabbels, en wat dies meer zij, Van de interessantste exemplaren nemen we maar eens een klein zakje mee. Ook boeiend is het zakje met kleine plastic bakjes, gevuld met een felgekleurde substantie, aan de etikettering te zien bedoeld voor kinderen. Het blijken eenhapspuddinkjes te zijn. Wij vinden dat een goed idee.

Met de door CITS verstrekte kaart vinden we de weg terug richting hotel. Bij een splitsing twijfelen we. Een oud mannetje op een heuse Flying Pigeon fiets, komt ons langzaam voorbij en kijkt zijn ogen uit. Hij kijkt nog eens om, stopt dan en blijft geïntrigeerd staan kijken. Als hij merkt dat we de weg zoeken, doet hij voorzichtig een stapje dichterbij. Na nog even wachten vraagt hij waar we heen willen. Richting station Enthousiast glunderend wijst hij de weg. Als hij merkt dat Christa ook nog een beetje Chinees spreekt, kan hij zijn geluk helemaal niet op. Waar of we vandaan komen. He Lan. Oh ja. Stralend geeft hij Marco een ferme handdruk en fietst dan zielsgelukkig terug naar huis, nog een aantal keren omkijkend.

Bij ons hotel is een openbare telefoon met tikker. Daar lukt het toch nog om met de Scope-kaart naar huis te bellen.


Maandag 15 september 1997


Vandaag slapen we uit. Denken we. Want om 8:50 wordt er al aangebeld of ze onze kamer kunnen schoonmaken. Merkwaardig ritme houden die Chinezen er op na. Rond half twaalf komen we dan toch naar buiten. Op het station kost het ons ongeveer een half uur om te ontcijferen met welke trein we morgen weer weg willen. De makkelijkste trein naar Baotou blijkt degene die om kwart na middernacht vertrekt. Da's een beetje jammer van de vooruitbetaalde nacht in het hotel, maar we besluiten het toch maar te doen. Eerst maar eens geld wisselen.

Te voet gaan we naar het Bank of China filiaal, waar je volgens de Lonely Planet geld kunt wisselen. We lopen door een erg stoffige, opgebroken straat waar ook markt is. Koopwaar varieert van kleding tot ter plekke geplukte kippen. Vandaag is het in Datong halloroepertjesdag. We kunnen nog geen twintig meter lopen of er is wel iemand die ons enthousiast naroept. Ze vinden het allemaal wel leuk. Aan het eind van de straat zit de Bank of China. Een smalle, brede begane grond met veel loketjes, en er staan nog wisselkoersen genoteerd ook. Wij vragen aan de mevrouw bij het meest linkse loket of ze ook Travellers Cheques wisselen. Zij beweert van niet. Voor de zekerheid proberen we ook nog bij het meest rechtse loket. Zij geeft hetzelfde antwoord. Men stuurt ons naar het Datong Guesthouse, aan de andere kant van de stad. Een uur later, bij het Datong Guesthouse blijkt wisselen niet mogelijk. Men stuurt ons naar de Bank of China. Daar komen we net vandaan. Men stuurt ons naar het Yungang hotel, een kwartiertje lopen verderop. Bij het Yungang hotel hebben ze wel een wisselkantoortje, maar daar is het geld net op. Men stuurt ons naar het hoofdkantoor van de Bank of China, een kwartiertje lopen verderop, tegenover het Datong Guesthouse. Aha. Dat is wellicht de lokatie die men bij het andere filaal ook bedoelde. Wij lopen terug zien een groot glanzen bankgebouw, en zijn gelukkig. Om vijf voor half drie betreden wij de glimmende vloer. Duistere zaak. De loketten gaan om half drie weer open, vertelt de portier. Geduldig wachten wij af, en een kwartiertje later weten wij onze cheques succesvol te verzilveren. Wij wisselen maar extra veel.

Per bus gaan we weer terug naar het station. De bus is vol, maar een oud vrouwtje schuift wat opzij, zodat Christa er bij kan zitten. De man achter haar offert spontaan zijn plaats op aan Marco, die beleefd weigert, maar daar komt niks van in. We krijgen erg veel aandacht. Verschillende mensen beginnen een babbeltje en de hele bus leeft mee. Waar of we vandaan komen en waar we heen gaan. Een oud mannetje komt binnen. Marco staat op maar het mannetje weigert pertinent. Passagiers in passerende taxis zwaaien enthousiast. Het is druk en op een kruispunt komt het verkeer muurvast te zitten. Het verkeer in China is een grote chaos. Van verkeersregels is geen sprake. Het is vrij gebruikelijk dat fietsers aan de verkeerde kant van de weg fietsen, of mensen midden op straat lopen. Een van de grootste mysteries onder Chinezen is waar in vredesnaam achteruitkijkspiegels voor dienen. Een auto die een andere wil passeren doet dat gewoon met een langgerekt claxonsignaal. Bij kruispunten neemt iedereen gewoon de route die hem het beste uitkomt. In Beijing hebben we al meegemaakt dat een auto tussen twee tegenliggers door reed. En hier heeft men dus de zaak volledig vastgereden. Er komen uiteindelijk twee geüniformeerden aan te pas om een en ander weer vlot te trekken.

In het station proberen we de kaartverkoop te vinden. Die blijkt in een andere hal. Uit een lange rij loketten weten we er eentje te pikken met kaartjes voor Baotou. Mevrouw zegt echter dat ze geen hard sleepers meer heeft. Probleem. Dan maar via CITS proberen. Op hun kantoortje blijkt niemand aanwezig. Ze zijn er altijd, behalve als je ze nodig bent. Vertwijfeld dreutelen wij rond, tot we worden aangesproken door een klein Chinees vrouwtje in redelijk vlekkeloos Engels. Ze vraagt wat of er aan de hand is. Wij vertellen dat we twee hard sleepers naar Baotou willen, maar dat dat niet erg lukt. Mevrouw zal ons wel even helpen. Ze Chen Xi, en is gepensioneerd hoogleraar medicijnen en verdient nu de kost als privédocent Chinees voor buitenlanders in Beijing. Een van haar studenten was naar Datong geweest. Waarom was haar een raadsel Datong is immers een saaie steenkoolstad. Maar toen ze de foto's van de grotten zag, leek haar dat toch ook wel wat. En nu is ze hier met haar man. Chinezen zijn nog niet erg gewend aan toerisme.

Mevrouw vraagt wat rond. Eerst proberen er het bij de lokettenrij waar we al eerder zijn geweest. Voor buitenlanders geldt een andere procedure, blijkt daar. We worden naar een achteraf loketje in een kamertje aan de zijkant van het station gestuurd. Het loket voor geprivilegieerden. Die sturen ons door naar de tweede etage van een bijgebouwtje. Daar krijgen we een biljet dat we bij het privilegeloket tegen betaling van 10 yuan kunnen omzetten in een bonnetje. Op vertoon van dat bonnetje kunnen we bij het normale loket dan weer een echt kaartje kopen.

Mevrouw doet in ons hotel een poging om onze reserving voor de nacht om te zetten in een tot zes uur, wat in China niet ongebruikelijk is, maar dat lukt niet. Wij danken haar zeer hartelijk.

Wij willen nog graag het Negen Draken Scherm zien en willen een bus richting centrum nemen. Al bij de bushalte barst er een plensbui los. We blijven maar in de bus zitten, tot we een warenhuis tegenkomen. Dat staat echter op het punt om te sluiten. We crossen er nog even door heen. Aan personeel geen gebrek. Verder veel aparte afdelingen met veel glazen vitrines met horloges, thermoskaannen en (relatief dure) walkmans..

In een naburig goedkoop lokaaltje gebruiken we de maaltijd. Hier stuiten we voor het eerst op een menukaart met louter Chinese karakters. Ontcijferen blijkt ondoenlijk, maar de Lonely Planet biedt uitkomst. Daarin staat een behoorlijke lijst gerechten in Chinese karakters, Pinyin en Engels. We zoeken iets uit dat ons wel lekker lijkt, wijzen er naar, en hopen maar dat het hier ook op de kaart staat. Dat blijkt het geval. We krijgen een kipgerecht en een soort bami met rundvlees. Het geheel kost 25 yuan.

Lopend door de stad komen we bij een ander, nog geopend warenhuis. We neuzen bij de dameskleding. Goedkoop, maar wel nogal Chinees. Het regent alweer als we om half negen een taxi terug naar het hotel nemen, nog net op tijd om in te pakken en nog even uit te rusten. Op de Chinese staatstelevisie zien we tot onze verbijstering Schindler's List, ondertiteld in het Chinees.

Om half twaalf gaan we naar het station. Aan alle aandacht daar zijn we inmiddels gewend. Een student van de Foreign Language School in Bejing maakt nog even een praatje. In de trein is het al donker. Men wil graag onze paspoorten even zien en schrijft met veel moeite onze namen over. Met een fietsketting klinken we onze rugzakken vast aan het bagagerek. Christa heeft een bovenste bed, Marco een onderste. Bij nakijk en navraag blijken we morgenochtend al om 6:38 in Baotou aan te komen.


Dinsdag 16 september 1997


Wij slapen verrassend goed in de trein. Het scheelt ook behoorlijk dat de trein flink doorrijdt en niet om de haverklap stopt. We ontwaken rond een uur of 6, wanneer de hele wagon langzaam tot leven komt. Het schijnt dat bijna iedereen in deze wagon in Baotou er uit moet. Het is bitter koud in de trein. Klappertandend trekken we een extra trui aan. We gieten warm water in ons soepje. Dan zijn we er echter ook al. Baotou blijkt twee stations te hebben, oost en centraal, dat in het westen ligt. Met ons warme, opzwellende soepje in de hand stappen we tegen half zeven de trein uit.  Een oud mannetje op het perron weet ons na wat moeite duidelijk te maken dat er even verderop een bus naar Dongsheng gaat, onze eindbestemming voor vandaag. Even verderop staat zijn bakfiets en hij kan ons er voor 10 yuan wel heen brengen. Het is een fiets met een open bak aan de achterkant, waar onze rugzakken in kunnen liggen. Wij kunnen zitten op een plankje aan de voorkant. En zo hobbelen we om kwart voor zeven 's ochtends achter op een bakfiets langs de spoorlijn in Baotou.

Op een wat steil zandpaadje moeten we even afstappen, maar verder gaat het prima. Als we bij een geasfalteerde weg komen, rijdt er net een bus voorbij. Het mannetje roept en gebaart heftig, en de chauffeur stopt. Tot grote hilariteit van de hele bus klimmen wij van onze bakfiets en, nog steeds met onze soepjes, de bus in. Er wordt een mooi plekje voor ons vrijgemaakt, waar we onze soep opeten.

Tegen negenen arriveren we in Dongsheng, een klein stadje in Binnen-Mongolië met zo'n 100.000 inwoners. We worden weer hevig aangestaard. Ook in Dongsheng is het een stuk kouder dan we tot nu toe gewend zijn. Het door de Lonely Planet geadviseerde hotel blijkt inmiddels in prijs verdubbeld tot 200 yuan, wat wij iets te duur vinden voor een gat als dit. Aan het busstation staat een hotel dat ons in grote letters Welcome heet. Daar betalen we 70 yuan voor een kamer met bad, de prijs die ook voor Chinezen geldt.

Zoals gebruikelijk is de kamer voorzien van warm water voor soep en thee, telefoon en kleurentelevisie, al doet die het niet al te best. Verder is de kamer behoorlijk simpel, en op de derde etage zonder lift. Maar voor f 9 per persoon klagen wij niet.

Momenteel blijkt er geen warm water meer voorradig. We moeten ons dus weer koud douchen. Tegen elven gaan we terug naar het busstation, om een volgende bus te nemen. Wij ondernemen een ware pelgrimstocht naar de belangrijkste attractie in de omgeving, het mausoleum van Gengis Khan. Eerst pakken we een bus naar Jin Horo Qi, een dorp een uurtje verderop. De bus is onwaarschijnlijk krap. Wij meten ruwweg 15 centimeter beenruimte. De stoelen zelf meten een centimeter of 40. Men doet er hier werkelijk alles aan om toch maar vooral iedereen te laten zitten. In de smalle bus zitten toch vijf stoeltjes op een rij. In de wat ruimere bussen tussen Dongsheng en Baotou zitten vier plaatsen op een rij, maar is in het midden nog een extra rood klapstoeltje geconstrueerd, waar ook nog mensen kunnen zitten.

In Jin Horo Qi stappen we over op een minibusje naar onze eindbestemming. Dat is dan nog een dik half uur rijden. Naast ons zit een man uit Shanghai, die met een mini-atlasje duidelijk maakt dat hij dezelfde kant opgaat.

En zo, op anderhalf uur van het dichtstbijzijndste stadje, en op drie-en-een-half uur van de dichtstbijzijnde stad van enige betekenis bereiken we het mausoleum. Gengis Khan leefde zo'n 800 jaar geleden en was de leider der Mongolen, dat in die tijd nogal een expansief volkje was. Hij slaagde er in een groot gedeelte van Azië, en zelfs van China in te nemen, ondanks het feit dat de Chinezen, speciaal om dat te voorkomen, de Muur hadden neergezet. Zijn kleinzoon Kublai Kahn wist het rijk nog verder uit te breiden, en heel China in te nemen, de enige keer dat China in zijn geheel door een vreemde mogendheid is bezet, Het Mongoolse rijk van dat moment is het grootste rijk dat de wereld ooit gekend heeft, en strekte zich uit van Korea tot Hongarije, plus heel Azië ten zuiden daarvan en een gedeelte van het Midden-Oosten. In de 14e eeuw kwam Marco Polo op bezoek in dat grote Mongoolse rijk.

Het mausoleum ligt er vrijwel volledig verlaten bij. Op de oprijlaan staan een stuk of acht fraai vormgegeven winkeltjes, met soms nogal komische Engelse namen. Er zijn meer souvenirwinkeltjes dan toeristen hier. Een groot beeld van Gengis te paard markeert de ingang. Door een parkje komen we bij een grote kleurige koepel verbonden met twee kleinere koepels aan weerszijden. Een imposant geheel. Binnen in het mausoleum zijn wij de enige toeristen, zodat het wel erg lastig wordt onopgemerkt foto's te maken daar waar het niet mag.

Gengis heeft onder Mongolen zo'n beetje de status van halfgod. Bij elk beeld of afbeelding van hem in het mausoleum is wel de mogelijkheid een kaarsje te branden. Meteen na de ingang staat een groot wit beeld van de man, met een boel kaarsjes. Er hangen een aantal dunne sjaals, die ongetwijfeld ook een ritueel doel dienen. Vier keer per jaar hebben de Mongolen hier een kleurrijke processie, waarbij stapels schapen geofferd worden. In de zijbeuken van het gebouw staan een aantal yurts, de traditionele Mongoolse tenten, van onder rond en van boven driehoekig. Er zijn wat gebruiksvoorwerpen tentoongesteld die ongetwijfeld aan Gengis hebben toebehoord. Op heldere, kleurrijke muurschilderingen zijn de belangrijkste gebeurtenissen uit het leven van Gengis weergegeven, Een zeer merkwaardige stijl, waarin er in bepaalde onderdelen en houdingen helemaal geen diepte zit, en in anderen juist weer wel. Het lijkt wel alsof er verschillende stukken voor elkaar zijn gezet, compleet met de schaduwen die dat op zou leveren. Engelse bijschriften ontbreken, We kijken rond in de tuin voor het mausoleum, waar een klein kapelletje staat. Ook staat er een heuse yurt waar nog iemand in ligt te slapen ook. In het gebouw bij de ingang is een tenstoonstelling over het mausoleum, vermoeden wij, want ook hier is alles in het Chinees.

We kijken nog wat rond, genieten van het weer en de uitzichten en gaan terug naar het pleintje voor het complex waar we door ons minibusje zijn afgezet, om op een busje terug te wachten. De hele attractie maakt een nogal onwerkelijke indruk. Het ziet er allemaal prachtig uit, maar er is geen kip te bekennen. Hoewel we nu toch al bijna tien niet-personeelsleden rond zien lopen.

Als we op de trap zitten maakt een man duidelijk dat hij ons wel voor 250 Yuan naar Dongsheng wil rijden. Dat geloven wij graag. Wij vertellen dat het met de bus niet meer dan 60 kost. Da's geen probleem, en meneer komt toch gezellig bij ons zitten babbelen. Met behulp van Christa's altijd parate woordenboek Chinees-Engels en andersom, is het mogelijk een gesprek te voeren. Waar we vandaan komen. Of we getrouwd zijn. Ja, liegen wij. Dat maakt het allemaal een stuk simpeler. Wanneer we getrouwd zijn. 1994, besluiten wij. Hoe oud we zijn. 28. Of we ook kinderen hebben. Nee. Hoe kan dat nou, 28 jaar, 3 jaar getrouwd, en toch geen kinderen!? Meneer zelf heeft, uiteraard, 1 kind. Meer is hier van overheidswege niet toegestaan. Langzamerhand voegen zich nog wat mannen bij ons. Meneer geeft een korte samenvatting. Een andere man vraagt of het inderdaad klopt dat wij 28 zijn, 3 jaar getrouwd en toch geen kinderen hebben. Onze dubbeltjes, kwartjes, en briefjes van 10 en 25 doen het weer erg goed.

Op aanraden van twee andere buitenlanders die we hier tegenkomen, overigens ook de eersten die we buiten Beijing in het wild tegenkomen, gaan we na een uurtje maar naar de doorgaande weg, om daar een bus aan te houden. Dat heeft meer succes. Als we aan komen lopen, komt er al eentje aanrijden. Al aardig vol, maar met wat wrikken kunnen we er nog wel bij. De mevrouw naast ons blijkt een levende kip in haar tasje te hebben. We zien dat een grote bus waarvan we vermoeden dat ie rechtstreeks naar Dongcheng gaat, achter ons rijdt. In een klein dorpje kunnen we overstappen. Om onverklaarbare redenen blijken beide bussen maar half zo veel te kosten als op de heenweg. In de bus naar Dongsheng kunnen we ons nog net achterin naar een plaatsje wurmen.

's Avonds eten we in ons hotel. We wijzen weer in de Lonely Planet aan wat we willen. In de met kamerschermen afgeschermde ruimte naast ons lijkt een verjaarspartijtje aan de gang, met veel kinderen, maar ook ouders. Regelmatig komt er eentje om het hoekje gluren. Even later komt aan onze kant van de eetzaal zich ook een flink aantal mensen installeren. Het personeel, vermoeden wij. Aan drie grote ronde eettafels met draaischijf wordt behoorlijk wat eten uitgestald, met name koeken en groente. Als wij hebben afgerekend nodigt de serveerster ons uit om er bij te komen zitten. Er worden twee stoelen bijgezet, we krijgen een kom Sprite en stokjes in onze handen geduwd en moeten vooral alles proberen. In een eierdopkommetje wordt sterke drank geschonken waarmee zeer regelmatig wordt geproost.

 Wij blijken met onze neus in het Maanfeest gevallen, een Chinees familiefeest dat ergens in de herfst en bij volle maan wordt gevierd, en waarbij maankoeken worden genuttigd en naar de maan wordt gestaard. Op deze avond is de maan op zijn volst, zo beweert men. Het wordt een gezellige boel. Het enthousiasme wordt vooral groot als Marco zijn fototoestel pakt. Wij moeten vooral foto's opsturen, vinden ze. Aan onze tafel zit een oudere man en verder alleen jongeren. Om de beurt wordt er iemand uitgenodigd om een liedje te zingen. Wij voelen het al aankomen en moeten er inderdaad ook aan geloven. Wij kiezen iets uit ons repertoire Sinterklaasliedjes. Dat vinden wij wel toepasselijk voor een avond als deze. Men vraagt of wij nog meegaan naar de Kalaoke, naast het hotel. Aha, karaoke, denken wij. Wij vinden het prima.

De kalaoke blijkt een stijlvolle danszaal, toegang 10 yuan, waar de jeugd uit de beurt samenkomt. Een heus en live bandje speelt. Onze barvrouw en een jongen die in het hotel werkt, zijn er ook. Aan het eind van de avond wordt de band uitgezet en klapt op een videoschermpje 2 Unlimited binnen. Dat dit ook uit Nederland komtweigeren de Binnen-Mongolen te geloven. Even na elven sluit de tent. We lopen nog even een eindje om te kijken hoe vol de maan wel niet is, en gaan dan naar bed.