Voor andere reisverslagen: zie homepage. Voor onze reis door het zuiden van China in 1999, klik hier.
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 15 maart 2006.
Het vertrek. De eerste paar dagen in
Beijing, waar we ons tegoed doen aan kalfszenuw.
Vervolgens trekken we naar Datong, waar
we op excursie gaan naar de hangende tempel
en de Yungang grotten. Vanaf Datong gaan
we per trein, bus en bakfiets naar Dongsheng,
een plaatsje in Binnen-Mongolië, dat dient als uitvalsbasis voor een
bezoek aan het mausoleum van Gengis Khan.
Terug in Dongsheng vieren we met de plaatselijke bevolking het maanfeest.
Rond Dongsheng fietsen we een dagje rond.
Dan gaan we naar Baotou, de hoofdstad van
Binnen-Mongolië, vanwaar we een bezoek brengen aan de gele
rivier en de Gobi-woestijn. Met de nachttrein
gaan we door naar Lanzhou, waar we verzeild
raken op de lokale kermis.
Via het moslimstadje Linxia komen we in Xiahe, waar het op-een-na grootste Tibetaanse klooster van China is gevestigd. We eten een lokale kip. Met een wrakke bus keren we terug naar Lanzhou, en nemen een trein naar Xian. Daar brengen we een bezoek aan het terracotta leger.
Met een bestelbusje vol Chinezen gaan we een dag op excursie, langs musea, tombes, tempels en Buddha-beelden. We staan een ochtend in de rij om kaartjes te bemachtigen voor de nachttrein, die ons weer terugbrengt naar Beijing. Daar hollen we de laatste paar dagen nog even alle bezienswaardigheden langs; de temple of heaven, het zomerpaleis, de muur, en de verboden stad.
Door naar de China-reis van 1999.